Categorie archief: Drie

Inleiding: Drie – Object in het midden – Offer


In het vorige bericht hebben wij twee bezinningsruimten bezocht. De eerste ruimte is de Mark Rothko kapel in Houston. De andere ruimte voor bezinning is overal en altijd aanwezig.

Nu gaan jij en ik het offer bezien als “object in het midden”. Hiervoor kijken wij naar het laatste deel van de film “Offret”  – of “Het Offer” van Andrei Tarkovsky uit 1986.

[1]

Voordat wij naar dit deel van de film gaan kijken, lezen wij eerst enkele inleidingen en beschouwingen over deze film. Wij beginnen met “De verzegelde tijd[2]: de beschouwingen over de filmkunst van Andrei Tarkovsky.

““De verzegelde tijd” is ook een goede benaming voor de binnenruimte van de Mark Rothko kapel”, zeg jij.

In deze beschouwingen schrijft Andrei Tarkovsky: “De hoofdpersoon van de film “Offret” is bedoeld als een zwakke persoonlijkheid. Geen held, maar een denker en een eerlijk mens die in staat is een offer te brengen voor een hoger ideaal. Als de situatie dat vraagt, deinst hij hier niet voor terug en probeert hij niet deze offerdaad aan iemand anders over te laten. Hij riskeert het om niet begrepen te worden en door anderen als wanhopig en destructief te worden gezien. Hij overschrijdt de grens van het toelaatbare en normale gedrag waardoor hij als krankzinnig wordt gezien, omdat hij zich gebonden voelt met het lot van de gehele mensheid. Hij geeft alleen gehoor aan de roeping van zijn hart. Hij is het lot niet meester, maar is alleen dienaar. Zijn inspanningen blijven ongezien en onbegrepen, maar dragen wel bij aan de harmonie van de wereld.[3]

“Herken jij jezelf in deze beschrijving?”, vraag ik.

“Met schaamte. Ik ben te vaak mijn eigen weg gegaan en ik heb andere mensen onnodig in de kou laten staan”, zeg jij.

“Wie niet?”, zeg ik.

“Heiligen?”, zeg jij.

“Dat zijn wij allebei niet”, zeg ik.

In het nawoord bij deze beschouwingen schrijft Andrei Tarkovsky: “Door de geschiedenis heen hebben ideologen en politici aan mensen “de enige juiste weg” voorgespiegeld die de wereld kan redden. Om deze redding deelachtig te worden moet – volgens ideologen, politici en/of de samenleving – de enkeling wijken en moet ieder zijn gedachtengoed opgeven om alle energie aan te wenden voor de beoogde redding. Voor deze vooruitgang, die de toekomst van de mensheid veilig moet stellen, offert het individu zijn innerlijkheid op en gaat zijn persoonlijkheid verloren in het volgen van het ideaal. Doordat de mens denkt aan het belang van allen, vergeet hij zijn persoonlijke belang in de zin zoals Christus preekt: “Gij zult uw naasten liefhebben als uzelf”. Dit wil zeggen: “Heb uzelf lief zozeer dat u het goddelijke beginsel in u zelf, het bovenpersoonlijke respecteert dat egoïsme verbiedt en u verplicht uzelf onvoorwaardelijk aan anderen te geven, trouw aan uzelf vanuit het ik als persoonlijk centrum van leven.”” [4] [5]

“Dit vraagt een grote balanceerkunst tussen eigen belang – waar de hele wereld in weerspiegeld wordt – en offergaven voor anderen – waarbij ieder offer voor een ander ook een offergave aan jezelf is”, zeg jij.

“Ergens heb ik gelezen dat door een offergave een bedelaar en een weldoener elkaar compassie tonen. De bedelaar geeft de weldoener de mogelijkheid om compassie te tonen en de weldoener toont compassie met een andere uitingsvorm van zijn eigen leven”, zeg ik.

“Om op deze manier belangeloos offergaven te brengen, hebben wij nog een lange weg te gaan. Andrei Tarkovsky beschrijft hier een eerste aanzet voor een boeddhistische bodhisattva[6]. Het ideaal van de redding en het voorwaardelijk geven aan de anderen is aanwezig. Alleen de inspanningen en de weg om de eigen perfectie te bereiken voordat de bodhisattva anderen aanzet tot de voorbereiding op de verlichting, ontbreken”, zeg jij.

“Binnen het mahâyâna [7] boeddhisme is alleen verlichting voor iedereen tegelijkertijd mogelijk. De metafoor van Indra’s net maakt dat duidelijk. Eerst moet de eigen glasparel voor de verlichting worden voorbereid. Daarna zullen alle andere glasparels ook tot verlichting in staat moeten worden gebracht. Als een glasparel verlicht wordt, dan worden alle andere parels ook verlicht: geen enkele parel mag achterblijven, want anders wordt geen enkele parel verlicht”, zeg ik.

“Klopt. Omdat de hoofdpersoon niet met zichzelf in het reine is, kan hij onmogelijk de hele wereld redden. Als hij dat zou doen, dan blijft hij achter met zijn gebreken en is in ieder geval een klein deel van de wereld niet gered. Hierdoor is de hoofdpersoon geen bodhisattva, maar een tragische hoofdpersoon”, zeg jij.

“Een klassieke tragische held kan hij niet zijn, want hij gelooft in een God die hem redding kan gunnen”, zeg ik.

“Later tijdens onze Odyssee komen wij de verlichting nog tegen. Jij en ik hebben dezelfde tekortkomingen als hoofdpersoon in de film. Ik hoop dat wij in staat zijn om een glimp van de verlichten te zien. Odysseus heeft zich in de nabijheid van de Sirenen aan de mast van zijn schip laten vast binden. De oren van zijn bemanning zijn met was dichtgestopt om de verleidelijke klanken niet te horen. Deze redenatie klopt niet helemaal, maar toch”, zeg jij.

“Laten wij naar de film gaan kijken”, zeg ik.

De laatste film van Andrei Tarkovsky kort voor zijn dood, begint met de monoloog van de vader tegen zijn zoon, die door een keelziekte de hele film niet spreekt: “Lang geleden is er een oude monnik in een orthodox klooster geweest met de naam Pamve. Hij heeft een dode boom geplant. Zijn leerling – met de naam Ivan Kolvo – heeft de boom iedere dag water mogen geven. Elke morgen klimt hij met een volle emmer water de berg op en geeft de dode stam water. Op een dag na drie jaar staat de boom vol bloesem[8]. Iedere handeling heeft zijn gevolg. Als je onverstoorbaar iedere dag op precies dezelfde tijd hetzelfde ritueel verricht, dan verandert de wereld onherroepelijk.” [9]

“Mijn moeder heeft eens een dode stok buiten op de grond tegen de muur gezet. Na enkele maanden heeft deze stok wortel geschoten”, zeg jij.

[10]

Tijdens de film ontstaat een dreiging van een oorlog die alles en iedereen zal vernietigen. Onder deze druk gaat de hoofdpersoon – Aleksander – naar zijn studeerkamer. Hij knielt neer op de grond en doet iets wat hij nooit eerder gedaan heeft. Hij bidt: ”Heer, verlos ons in dit bange uur. Laat mijn kinderen en vrienden niet sterven, mijn vrouw, ieder die U liefheeft en in U gelooft. En zij die niet in U geloven omdat ze blind zijn en geen gedachten aan U hebben gewijd omdat ze nog niet echt ongelukkig zijn geweest. Iedereen die nu zijn hoop verliest, zijn toekomst zijn leven en de kans om zich te richten naar Uw woord. Zij die vervuld zijn van vrees en het einde voelen naderen. Die niet voor zichzelf vrezen maar voor hun naaste. Voor hen die niemand anders kan behoeden dan U. Want deze oorlog is de laatste, een gruwelijke oorlog. Hierna zullen er geen overwinnaars en overwonnenen meer zijn. Geen steden en dorpen, bomen en gras. Geen water in de bronnen of vogels in de lucht. Ik schenk U alles wat ik bezit. Ik verlaat mijn gezin waarvan ik hou. Ik vernietig mijn huis en doe afstand van mijn zoon. Ik zwijg en zal met niemand meer spreken. Ik doe afstand van alles wat me aan dit leven bindt. Als u maar zorgt dat alles weer wordt zoals het was. En dat ik bevrijd word van die dodelijke, ondraaglijke, dierlijke angst. Heer, help me. Ik zal alles doen wat ik beloofd heb.”

De volgende ochtend is de dreiging verdwenen. De hoofdpersoon houdt zich aan zijn woord en lokt alle bewoners naar buiten en steekt het huis en al zijn bezitting in brand. Ook zijn geest offert hij op voor zijn naasten en voor de wereld; hij wordt met een ziekenauto opgehaald om naar een krankzinnigengesticht te worden gebracht.

[11]

“Deze offergave is niet alleen een offer van de hoofdpersoon. Het is net zo goed een offer dat door zijn familie en naasten wordt gebracht. Zonder directe inspraak verliezen zij Alexander, zijn huis en bezittingen. Kan een offer ook een echt offer inhouden als hierbij onschuldige mensen betrokken zijn?” [12], vraag jij.

Terwijl de ziekenauto voorbij rijdt staat de zoon met volle emmers klaar om de dode boom water te geven. De Aria “Erbarme dich” uit de Matthäuspassion begint.

“Erbarme dich,
Mein Gott,
Um meiner Zähren willen
Schaue hier,
Herz und Auge weint vor dir
Bitterlich“.[13]

De Jongen kijkt naar de kruin van de boom en zegt nu pas zijn eerste woorden tijdens de film: “In het begin is het woord[14]. Waarom Vader?”.

Bij het verschijnen van de tekst dat de film is opgedragen aan de zoon van Andrei Tarkovsky – met hoop en vertroosting, lijkt de kruin van de boom tot bloei te komen.

“De zoon brengt drie offers. Hij verliest zijn vader doordat zijn vader zich aan zijn woord en aan Gods woord houdt. Hij brengt een tweede offer doordat hij voortdurend water geeft aan de boom en hierdoor de boom weer tot leven brengt. Het derde offer brengt hij door de hele film te zwijgen. Terecht vraagt de zoon aan zijn vader – en aan God – waarom zijn vader zich aan zijn woord moet houden”, zeg jij.

“Voor mij is dit een film van hoop doordat de laatste film van Andrei Tarkovsky is opgedragen aan zijn zoon met hoop en vertroosting.  In deze film geeft het licht aan het einde van de film weer bloei aan de levensboom. Het leven van vader – nu een droge boom, omdat hij met acteren is gestopt – wordt door middel van water weer een levensboom voor de zoon. De zoon heeft voor zijn offers geen woorden nodig; zijn leven, zijn handelen en zijn kennis gaan aan woorden vooraf”, zeg ik.

“Een mooie verrijking van mijn indrukken. Met dit einde van zijn laatste film overstijgt Tarkovsky “De verzegelde tijd””, zeg jij.

  [15]

Het volgende bericht gaat over het Lam Gods als offer.


[1] Bron afbeelding: voorkant van DVD-hoes bij de Zweedse versie van de film Offret.

[2] Tarkovski, Andrei, De verzegelde tijd – Beschouwingen over de filmkunst. Groningen: Historische Uitgeverij, 1986

[3] Tarkovski, Andrei, De verzegelde tijd – Beschouwingen over de filmkunst. Pagina 203.

[4] Tarkovski, Andrei, De verzegelde tijd – Beschouwingen over de filmkunst. Pagina 207 – 208.

[5] Ter overweging: Indra’s Net als metafoor; zie ook: “Indra’s net” het bericht “Inleiding: Een – Pantheïsme – Indra’s net” van 8 april 2011

[6] Het woord bodhisattva bestaat uit de twee woorden “bodhi” en “sattva” die in het Sanskriet “perfecte kennis, wijsheid” en “zijn, bewustzijn, levend wezen” betekenen. De school van het mahâyâna boeddhisme kent het bodhisattva ideaal. Volgens dit ideaal zal een mens die op het punt van verlichting staat – bodhisattva genoemd, hiervan afzien tot het moment dat het gehele universum en ieder stofje ook in staat is de verlichting te betreden. In de tussentijd doet de bodhisattva er alles aan om alles en iedereen klaar te maken voor de verlichting.

[7] Mahâyâna betekent vrij vertaald “groot vaartuig”. Alles en iedereen is aanwezig in het grote vaartuig, geen stofje is buitengesloten.

[8] Zie ook het bericht van 2 april 2011 “Inleiding Een – Bloesem.”

[9] Zie ook de berichten van 24 en 27 maart 2011 over rituelen.

[12] Bron: Fanu, Mark Le, The Cinema of Andrei Tarkovsky. London: BFI Publishing, 1987, pagina 125

[13] Aria uit de Matthäuspassion van de Duitse componist Johann Sebastian Bach. Vertaling: “Heb medelijden, mijn God, omwille van mijn tranen, zie toch, hart en ogen wenen bitter om jou.”

[14] Zie ook: Openingszin van het Johannes Evangelie uit het Nieuwe Testament.

Inleiding: Drie – Object in het midden – Bezinningsruimten


In de vorige berichten hebben jij en ik verschillende huizen van God bezocht. De gelovigen proberen met de kerken als “object in het midden” uitdrukking te geven aan een wederzijds vertrouwen, dat tussen mensen en God is gevestigd. Dit vertrouwen wordt voortdurend en periodiek door rituelen bestendigd. Daarnaast scheppen de kerken een band tussen mensen onderling waarbij vaak een binding ontstaat en soms een afwijzing de overhand krijgt. Kerken proberen een tijdloos ijkpunt te zijn, van waaruit de leefwereld – lucht/hemel en aarde afzonderlijk en in onderlinge samenhang – wordt ervaren. Ook geven de kerken hoop op een overstijging van het mensenleven door een herrijzenis in een hiernamaals. Wij bezoeken alle kerken die wij op onze Odyssee tegenkomen.

Wij komen ook “objecten in het midden” tegen die ruimte bieden voor bezinning. Door deze bijzondere ruimten wordt de mogelijkheid geschapen voor het overstijgen van de menselijke maat en/of voor het – opnieuw? – ervaren van een volkomen eenheid. Bepaalde plaatsen in het natuurlijke landschap zijn voor dit doel al eeuwen lang gebruikt. Tijdens onze Odyssee hebben wij eerder markeringen van steencirkels, stenen in het landschap en grotten gezien.

Waarschijnlijk zijn de mensen met het betrekken van woonsteden ook bezinningsruimten gaan inrichten die lijken op woonsteden. In het begin zijn de bezinningsruimten meestal in of nabij de woonsteden gevestigd. In de loop der tijd zijn deze eerste bezinningsruimten uitgegroeid tot omvangrijke sacrale gebedsruimten en/of huizen van God. Een aantal van deze plaatsen zijn over gegaan in wereldse bezinningsruimte die wij onder meer in de vorm van musea en kunstwerken tegen komen. Tijdens onze Odyssee bezoeken wij ook bijna alle musea, maar hiervan kunnen wij geen verslag van geven.

Twee bijzondere bezinningsruimten laten wij wel zien. Deze eerste ruimte – de Mark Rothko[1] kapel in Houston uit 1967 – is een raakvlak tussen een gebouw voor religie en een ruimte voor kunst. De buitenkant is een monolithische achthoek voorzien van een kleine ingang. Op het eerste gezicht lijkt het een mausoleum.

 [2]

Wij gaan de kapel binnen. De ruimte straalt een verstilling uit – even monolithisch als de buitenkant. Het licht komt van boven. Inwendig zing ik het eerste Chorus van Cantate 131 van Johann Sebastian Bach:

Aus der Tiefe rufe ich, Herr[3], zu dir.
Herr, höre meine Stimme, lass deine Ohren merken auf die Stimme meines Flehens!“[4]

De vensters naar buiten bestaan uit schilderingen van Mark Rothko uit 1964 – 1967, kort voor zijn dood.

[5]

“De schilderijen geven alle indrukken van de wereld weer. Het lijkt wel of hij – in doorzichtige blauw/zwarte inkt – ieder ooit geschreven en gesproken woord op de panelen heeft willen drukken.”: zeg jij.

“Klopt. Alle glasparels van “Indra’s net” [6] zitten tegelijkertijd in de verf van de schilderijen; zo dicht zijn de kleuren.”: zeg ik.

De breekt de zon door. Op het drieluik licht het bloed van de aarde op in een rode purperen gloed.

[7]

Wij gaan naast een mediterende – Zen? – boeddhist zitten. Als de Boeddhist opstaat, gaan wij naar buiten.

Buiten gekomen zeg jij: “Ik heb eens gelezen: “Een man vraagt aan een hedendaagse vrouwelijke Boeddhistische kluizenaar in China om de kern van het boeddhistische leven op papier te kalligraferen. Zij legt het papier aan de kant. Enkele maanden later ontvangt hij vier woorden per post: welwillendheid, mededogen, vreugde en onthechting. Haar kalligrafie is krachtig en helder als haar geest.”[8] Zijn deze vier woorden ook van toepassing op deze kapel?”

“Ja.”: zeg ik.

“Ik heb eerst getwijfeld over vreugde, totdat de zon doorbrak.”: zeg jij.

In het volgende bericht gaan wij kijken naar het laatste deel van de film “Offret” – of “Het Offer” van Andrei Tarkovsky uit 1986.


[1] Zie voor nadere informatie over Mark Rothko: Hughes, Robert, De Schok van het Nieuwe – Kunst in het Tijdperk van Verandering. Utrecht: Veen, 1991, pagina 318 – 320; en Arnason, H.H., A History of Modern Art. London: Thames and Hudson, 1979, pagina 533 – 534

[3] Mogelijk is het Duitse woord “Herr” verwant met de werkwoord kern “hṛ” die in het Sanskrit “offeren, aanbieden” en “nemen, wegnemen” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta. Deze beide betekenissen van de werkwoord kern “hr” geven tezamen uitdrukking aan de beide rollen van de krijgers-kaste in de vee-cyclus: zij roven vee en geven een deel van het vee aan de priesters voor offergave aan de goden. Daarnaast heeft een heer ook de twee rollen van het bieden van bescherming enerzijds en het nemen van een deel van de oogst. Waarschijnlijk zijn hier de rol van landheer gaan samenvallen met God. In de belevingswereld van onderdanen zijn koning en God nauw met elkaar verbonden.

[4] Vertaling: “Uit de diepten roep ik, Heer [3], tot jou. Heer, hoor mijn stem, laat jouw oren de stem van mijn twijfel horen!” In het Duits betekent het woord “Flehens” smeekbeden”, maar hier is het woord vertaald met twijfel, omdat bijna iedere smeekbede aan God haar oorsprong in twijfel heeft. Zie hiervoor het boek Job uit het Oude Testament.

[5] http://online.wsj.com/article/SB10001424052748703445904576118063020357484.html

[6] Zie voor “Indra’s net” het bericht “Inleiding: Een – Pantheïsme – Indra’s net” van 8 april 2011.

[8] Bron: Porter, Bill, Road to Heaven – Encounters with Chinese Hermits. Berkeley: Counterpoint, 1993. pagina 109

Inleiding: Drie – Object in het midden – Kerk 2


Bij onze zoektocht naar de kerk [1] als “object in het midden” maken wij een uitstap van een kleine 10 kilometer. Jij en ik beginnen in de – meer dan duizend jaar oude – Dom van Aken en gaan in de tijd vooruit via de dorpskerk in Wahlwiller naar de recent gebouwde kerk in de abdij Benedictusberg te Mamelis bij Lemiers. Tegelijkertijd is deze uitstap een weg terug in de tijd van de hedendaagse stad Aken, via de dorpsgemeenschap van 50 jaar geleden naar het kloosterleven van vele eeuwen geleden.

“Op dit uitstapje reizen wij door de tijd als de hoofdpersonen in het boek “Arthur, Koning voor eens en altijd” van Terence White. Kay en De Wart gaan vooruit en Merlijn gaat terug in de tijd.”: zeg jij.

“Als Merlijn onze Odyssee in de tijd terug volgt, dan staat hem een onmogelijke opgave te wachten bij de overgang van Twee naar Een. Hij mag dan een oneindig aantal fragmenten bij elkaar voegen om weer tot een geheel te komen. Misschien heeft Merlijn een kans.”: zeg ik.

“Dat is onmogelijk. Een versplinterde schaal is niet meer te herstellen. Ik weet niet wat wij nog kunnen verwachten op onze Odyssee. De overgang naar Nul is ook een onmogelijke verandering. Laten wij eerst de Dom bekijken.”: zeg jij.

Wij kijken naar het licht in de koepel. Terwijl ik naar de bogen kijk, bedenk ik dat Karel de Grote hevig heeft gevochten met de Moren. Maar in dit huis van God dat is voortgekomen uit de hofkerk van Karel de Grote, komen de vorm en de kleurstelling van de bogen erg overeen met de bogen in de moskee in Cordoba.

Wij kijken naar het altaar. Een groep Duitsers komt achter ons staan en begint te zingen:

“Plorate, Filii Israel. Plorate, omnes Virgines, et Filiam Jephte unigenitiam in Carmine doloris lamentamini. ”[2][3][4]  

“Een vreselijk offer brengt Jephte voor zijn overwinning. Zijn dochter houdt hem aan zijn belofte aan God waarmee zij haar eigen noodlot volkomen aanvaardt.”: zeg jij.

“In die tijd hielden vrouwen hun mannen aan hun beloften[5]. Zullen Jephte en zijn dochter herrijzen door het volgen van deze belofte aan God waarmee zij hun noodlot aanvaarden? ”: vraag ik.

“Weet ik niet. Laten wij het hopen. Ik hoop dat alle mensen die hun lot ondergaan herrijzen. Het licht in de kerk geeft hoop.”: zeg jij.

De zon breekt door. In de koepel schijnt het licht en rond het altaar ontstaat een gouden gloed. De Dom toont zich in haar glorie. “Het licht geeft hoop”,: zeg ik.

[6]

Wij gaan naar Wahwiller via de weg langs het Academisch ziekenhuis, de Technische Hochschule en de grenspost bij Vaals. Na enkele kilometers zien wij rechts de abdij Benedictusberg bij Lemiers, onze derde bestemming vandaag. Even later verlaten wij de grote weg en rijden het dorp Wahlwiller binnen. Wij komen om het werk van Aad de Haas [7] in de Sint Cunibertuskerk te bewonderen. De  kleurstelling en de kruiswegstaties in deze kerk zijn uitzonderlijk. De schilderingen zijn in 1947 veel te gewaagd voor de Katholieke kerk. Na ruim dertig jaar mogen de schilderingen van de kruiswegstaties weer in de kerk terug keren.

[8]

Wij gaan de kerk binnen en ook hier weer een gouden gloed. “Mensen tonen het licht van hun omgeving. Het hoofdaltaar in de Storkyrkan op Gamla Stan in Stockholm bestaat uit zilver op donker ebbenhout. Dit geeft het felle voorjaarslicht in de noordelijke landen weer.”, zeg jij.

[9]

“Het licht in Zuid Limburg is veel zachter, vandaar deze gouden gloed. De vijftiende statie met de herrijzenis – aanvullend op de klassieke 14 staties – is prachtig. Dit schilderij zou eigenlijk gericht naar het Oosten achter het altaar moeten hangen.”: zeg ik.

[10][11]

“Deze afbeelding van de herrijzenis past bij de paastekst: “Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf, maar als zij sterft brengt zij rijke vruchten voort.”[12]. Bij de herrijzenis denk ik ook aan een opstanding uit een tabernakel. Een tabernakel is vooral leeg om ruimte te bieden aan de herrijzenis. Boven de ark is de ruimte bestemd voor Jahweh ook leeg.”: zeg jij.

“Hemel en aarde overstijgen; alleen in de leegte kunnen de zonnestralen zo mooi in deze kerk schijnen.”: zeg ik.

Wij nemen de weg terug richting Lemiers. Aan het begin van de oprit naar de abdij Benedictusberg lees jij dat wij ons kunnen aansluiten bij een van de gebedsdiensten. Wij bekijken eerst de foto’s van de kerk[13].

“Het lijkt de binnenkant van een heiligdom. Bij deze absolute schoonheid van maatvoering en indeling van de ruimte zijn geen afbeeldingen meer nodig.”: zeg jij.

“Aan de ene kant heel eigentijds en tegelijkertijd tijdloos. Modern en ook de allereerste kerk. Het lijkt of de tijd geen invloed heeft op deze ruimte. Wat een mooi licht van boven.”: zeg ik.

[14]

“Laten wij de Vespers [15] bijwonen”, zeg jij.

“Goed”, zeg ik.

Het volgende bericht gaat verder over bezinningsruimten als “object in het midden”.


[1] Het woord kerk is mogelijk afkomstig van het Griekse woord “Kūrios” dat “macht hebbende” of “meester” betekent. Bron: Ayto, John, Word Origins, the hidden History of English Words from A to Z. London: A &C Black, 2008. Mogelijk is het woord kerk via het Duitse woord “kirche” afkomstig uit een samenstel van de Indo-Europese woorden “kr” (karoti, kurute) dat in het Sanskrit “maken, doen, verrichten” betekent, en “ish” dat afhankelijk van de “sh” klank òf “offergave” of “heerser”, of “ich – ik” betekent.

[2] Bron: Oratorio van Carissimi, Giacomo (1605-1674), Jephte

[3] “Huilt, kinderen van Israel. Huilt, alle jonge vrouwen, voor de enige dochter van Jephte huilt met treurgezangen.”

[4] Zie ook: Oude Testament, Richteren hoofdstuk 11.

[5] Zie ook: McGrath, Kevin, STRῙ women in Epic Mahâbhârata. Cambridge: Ilex Foundation, 2009

[9] Bron afbeelding: http://www.tripadvisor.com

[11] Volledig overzicht van kruiswegstaties kerk Wahlwiller: http://home.kpn.nl/dreumpie/w/index_copy(1).htm

[12] Zie ook: Nieuwe Testament, Johannes 12: 24

[13] Ontwerp door de Benedictijner monnik Dom van der Laan. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hans_van_der_Laan_(architect)

[15] Avondgebed aan het einde van de middag.

Inleiding: Drie – Object in het midden – Kerk


In het vorige bericht zijn jij en ik de rol van het huis als “object in het midden” tegen gekomen. De rol van huis is in de loop der tijd gewijzigd van levensomgeving naar woonstede. Deze woonstede in de vorm van een huis wordt door onze voorouders gezien als een veilige thuishaven en als ijkpunt van waaruit de wereld wordt ervaren. Recent zijn mensen zich gaan vereenzelvigen met hun huis: zij geven het huis gestalte en het huis geeft uitdrukking aan wie zij zijn. Onze huidige samenleving verlangt van ons steeds meer dat wij een nationaliteit en een vaste woon- en verblijfplaats hebben. Zonder deze bezittingen worden mensen niet als volwaardige ingezetenen beschouwd.

Nu gaan jij en ik op zoek naar de rol van het huis van God als “object in het midden”. De eerste heilige plaatsen hebben wij al eerder gezien. Heilige stenen zijn wij al tegen gekomen op onze Odyssee. Wij herinneren ons de steencirkels als ontmoetingsplaatsen voor plechtigheden die wij niet meer kennen.

 [1]

Het gouden kalf als afbeelding van een (af-)god kennen wij ook [2]. Over Jahweh die aanwezig is tussen toppen van de engelenvleugels boven de verloren ark van het verbond, hebben wij in het Oude testament gelezen.

Waarschijnlijk hebben de jager-verzamelaars al onderdak gegeven aan Goden. Wij hebben gelezen over rituelen waarin de jagers zich verenigen met hun prooi als boete doening voor het doden van de prooi èn om de unieke bond voor overleven tussen prooi en jager in stand te houden. De rituelen zijn mogelijk op bijzondere plaatsen en tijden verricht. Deze plaatsen kunnen als een voorloper van het huis van God worden gezien. Een volgende stap op weg naar een huis van God zijn grotten waarin vooral veel schilderingen van jacht-taferelen gevonden. Waarschijnlijk hebben deze schilderingen ook een religieuze achtergrond gehad.

De herdersvolkeren zijn voor een deel met hun kudden rondgetrokken. Zij hebben mogelijk ook vaste heilige plaatsen gekend. En zij zullen heilige plaatsen van gevestigde bewoners hebben ontmoet. Hebben zij zich met de goden van de gevestigde bewoners en de jager-verzamelaars vereenzelvigd? Waarschijnlijk niet, maar misschien hebben zij onderdelen van hun geloof toch overgenomen. Als nomaden zullen zij hun heilige voorwerpen hebben meegenomen op de trektochten met kudden. Binnen hun tenten zijn speciale plaatsen ingeruimd voor heiligdommen. Een voorbeeld is de ark van het verbond die de Joden op de trektochten met zich mee dragen en op rustplaatsen in een tent is gezet. Zelfs in de tempel in Jeruzalem blijft de ark voorzien van draagstokken als herinnering aan- en voorbereiding op trektochten.

Bij jou en mij roept de vorm van Islamitische moskeeën beelden op van tijdelijke verblijven – grote tenten met voorposten om de ingang te wijzen – in een woestijn. Deze moskeeën zijn uiteindelijk overgegaan in imposante Godshuizen met voorhoven en bijgebouwen rondom. Een voorbeeld hiervan is de Suleyman moskee in Istanboel.

[3]

Akkerbouwers met vaste velden zijn een vaste woonstede gaan betrekken. Ook de goden hebben een eigen woonstede gekregen. Het erkennen van Godshuis is niet vanzelf gegaan. Bij het bezoek aan de oudste staafkerk in Urnes in Noorwegen, vertelt de gids dat het houtwerk aan de buitenkant van de kerk is bewerkt met veel draak-motieven om de boze geesten buiten te houden. Dat is ook nodig in de lange donkere winters. De Vikingen moeten hun zwaarden buiten bij de deur laten staan. Binnen in de kerk komt er alleen wat licht van boven. In dat licht is boven in de kerk een houten kruisbeeld te zien waar vandaan de verlossing en de toegang tot het hiernamaals moet komen. De priesters in die tijd proberen zo het beeld van het Walhalla – de hal waar de eervol gevallenen in de strijd tot in lengte van dagen eten, drinken en vechten – te veranderen in een verlangen naar verlossing van de zonden en een uitzicht op een Christelijk kijk op het hiernamaals. De blauwe verfkleur lapis lazuli op het houten kruisbeeld uit ongeveer de 12e eeuw na Christus komt volgens de gids uit Afghanistan.

Bij de uitleg van de gids denk ik aan Jalāl al-Dīn – ook bekend als Rumi, die rond dezelfde tijd is geboren in Vaksh in de provincie Balkh in Afghanistan. Waarschijnlijk overstijgt Rumi  het “object in het midden” in zijn contact met Allah: “Mijn ervaring is in het hart van Allah; ziek zal het hart van Allah zijn zonder de ervaring van mij [4]”. Later op onze Odyssee hierover meer.

Nu wij deze staafkerk verlaten zeg jij: “Die lichtopeningen onder het dak doen mij denken aan een uitspraak van Oscar Wild: “We are all in the gutter, but some of us are looking at the stars”.

[5]

“Herinner jij je de eerste stralen van de ochtendzon om 6 uur ’s-morgens op de eerste lentedag? [6]”, vraag ik.

“Altijd als ik een kerk bezoek”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat verder over kerken als “object in het midden”.


[1] Bron afbeelding: Marieke Grijpink

[2] Zie het vorige bericht “Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 1” op 5 mei 2011

[3] http://www.islamleer.nl/islaam/biografie/geleerdenoverigen/758-kanuni-sultan-suleyman-i

[4] Nicholson, Reynold A., The Mathnawi of Jalálu’ddin Rúmí, Book II. Cambridge: Biddles Ltd, 2001 p. 281

[5] Bron afbeelding: http://www.sacred-destinations.com/norway/urnes-stave-church

[6] Zie het laatste bericht over “Twee” op 25 april 2011

Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 3


In het vorige bericht hebben jij en ik een eerste verkenning gemaakt naar de rol van symbolen als “object in het midden” om het onderlinge vertrouwen te vestigen en bestendigen. Wij hebben gemerkt dat de symbolen hoop, verwachting en diep vertrouwen bij de mensen oproepen, maar dat de symbolen ook aanleiding geven tot diepe afkeer. Daarnaast kunnen symbolen ook aanzetten tot geweld, vernietiging en regelrechte haat. Soms hebben symbolen een veel omvattende uitstraling en geven zij een sterke binding met een groot onderling vertrouwen, maar symbolen verschaffen zelden voor iedereen een ingang tot de “Volkomen Eenheid”[1].

Nu komen jij en ik bij een ander “object in het midden” dat voor veel mensen wordt ervaren als een plaats om het onderlinge vertrouwen met de naaste familie te vestigen en behouden. Dit “object in het midden” is ons eigen huis[2]. Voor individuen is de baarmoeder het eerste huis waar een mens voor zijn geboorte ongeveer de hele evolutie doorloopt. Na de geboorte is een baby afhankelijk van ouders, opvoeders en een gemeenschap waar het kind in opgroeit tot volwassenheid. Als volwassene is de leefomgeving het “thuis” waarmee de mens vertrouwd is geraakt.

Jager-verzamelaars ervaren hun habitat – letterlijk: waar hij leeft – als hun vertrouwde omgeving. Inbreuken op het vertrouwen dat bestaat tussen de jager-verzamelaars en zijn habitat, wordt – voor zover wij weten – door rituelen weer hersteld. In rituelen identificeren jager-verzamelaars zich met hun prooi om twee redenen. Zij zoeken verlossing voor de zonde van het doden van de prooi en zij identificeren zich met hun prooi om hun unieke systeem van overleving in stand te houden voor zowel prooi als jager[3].

[4]

Herder-volkeren zullen ook hun habitat waarin zij rondtrekken als hun huis en leefomgeving beschouwen. Rondtrekkend verschaft hun habitat hen voer voor hun kudden en indirect ook voor henzelf. Door rituelen proberen de herder-volkeren de vertrouwensrelatie tussen de kenbare en onkenbare habitat enerzijds en henzelf anderzijds in stand te houden. Jij en ik hebben in eerdere berichten de Trito mythe en de vee-cyclus als voorbeelden gezien.

Akkerbouwers zullen hun velden en gewassen binnen hun leefomgeving als hun habitat ervaren. Eerst trekken de akkerbouwers na korte tijd een stuk verder als hun akkers verschraald zijn door enkele keren achter elkaar verbouwen van dezelfde gewassen. Nadat de akkerbouwers een periodiek systeem hebben ontwikkeld voor instandhouding van een evenwicht van de akkers, gaan zij in de loop der tijd vaste woonplaatsen betrekken. Deze woonstede zien zij als hun huis.

Later tijdens onze Odyssee komen wij mensen tegen die aldoor overal thuis zijn. Een glimp hiervan kunnen wij zien in het volgende gedicht van Rӯokan:

Ook al slaap ik steeds

Elke nacht op mijn levensweg

Weer ergens anders,

De eeuwigdurende droom

Brengt mij aldoor naar mijn huis.”[5]

Veel mensen ervaren een eigen huis als een veilige thuishaven en als ijkpunt van waaruit de wereld wordt ervaren. Zij zien een huis niet alleen als een vertrouwde rustplaats, maar zij vereenzelvigen zich in belangrijke mate met hun huis: zij geven het huis gestalte en het huis geeft uitdrukking aan wie zij zijn.

 [6]

Onze huidige samenleving is hierbij zelfs zover gegaan om mensen alleen als volwaardig te erkennen wanneer zij een vaste nationaliteit bezitten en een vaste woon- of verblijfplaats hebben. Zonder deze bezittingen verliezen mensen binnen de huidige samenleving veel van hun rechten. Wij zien dat de hedendaagse samenleving erg veel vertrouwen toekent aan een huis als “object in het midden”. In andere tijden en onder andere omstandigheden hebben mensen de waarde van en het vertrouwen in een huis als “object in het midden” anders gewaardeerd.

Waarom hecht onze samenleving zo aan een vaste woon- en verblijfplaats? Heeft onze samenleving alleen met dit “object in het midden” vertrouwen in haar inwoners?

De vorige nacht hebben jij en ik onder de sterrenhemel geslapen. Vannacht gaan jij en ik slapen in een woonwagen waar in het donker op het plafond de sterrenhemel oplicht als herinnering aan de open lucht. Morgen slapen jij en ik in een huis.

Het volgende bericht gaat over het huis van God als “object in het midden”.


[1] Zie berichten over de inleiding tot “Een”

[2] In het Sanskriet is “grham” een van de woorden voor huis. Dit woord is mogelijk samengesteld uit “grh” dat “nemen, grijpen en omvatten” betekent en “aham” dat “ik” – eerste persoon, enkelvoud, nominativus – betekent.

[3] Zie ook: Eliade, Mircea, A History of Religious Ideas, Volume I, pagina 5 e.v.

[5] Vrije weergave van vertaling van de Tanka van Rӯokan op pagina 170 in de bundel: Tooren, J.van, Tanka – het lied van Japan. Amsterdam: Meulenhoff, 1983

Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 2


Tijdens onze eerste aanlegplaats [1] hebben wij oeroude stenen in het landschap ontmoet. De stenen zijn voor onze voorouders van groot belang geweest als herkenningspunten voor duiding van het kenbare en het onkenbare. De katholieke kerk heeft de rol van deze stenen proberen op te nemen in het Christelijk geloof door daar veldkruisen te plaatsen zijn.

In het vorige bericht hebben jij en ik verslag gedaan van het “object in het midden” als metafoor voor onderling vertrouwen en als symbool dat de metafoor van het object overstijgt en overgaat in de tastbare werkelijkheid die het “object in het midden” oorspronkelijk heeft uitgebeeld. In dit bericht vervolgen wij deze verkenning.

Mensen die elkaar bezoeken of op reis ontmoeten, wisselen geschenken uit om het onderlinge vertrouwen tot uitdrukking te brengen. Bij speciale omstandigheden worden bijzondere cadeaus als herinnering en bestendiging van de onderlinge relatie gegeven. Voorbeelden van deze speciale omstandigheden zijn belangrijke veranderingen in het leven zoals geboorte, doop, verjaardag, volwassen worden, huwelijk, overlijden van ouders. Deze geschenken zijn geregeld sieraden die bij het dragen van het sieraad de onderlinge band of de bijzondere status van de drager symboliseren. Deze sieraden worden soms na overlijden met de eigenaar in het graf gelegd, opdat de eigenaar ook in het hiernamaals met de sieraden het vertrouwen en de status in het vorige leven kan tonen.

[2]

In de graven van Neanderthalers zijn nooit sieraden gevonden [3]. Mogelijk hebben zij geen “objecten in het midden” gebruikt om onderling vertrouwen te tonen en bestendigen. Misschien hebben zij in hun leven geen duiding nodig gehad, omdat zij vol vertrouwen zijn?  Hebben zij geen duidingen gekend of hebben zijn geen voorstellingen van deze duidingen gemaakt? Wij weten het niet.

In de loop der tijd hebben mensen van “objecten in het midden” beeltenissen gemaakt die door middel van het afgebeelde object het oorspronkelijke vertrouwen symboliseren. Ook voor groepen mensen zijn deze symbolen belangrijk geworden om uiting te geven aan noembare en onnoembare gevoelens binnen de groep. De symbolen krijgen een eigen dynamiek in de vorm van afbeeldingen en vlaggen met bijbehorende muziek en ritmiek in de tijd. De Katholiek kerk laat veel afbeeldingen van God en van de Heiligen zien. Groepsidentiteit en nationale gevoelens worden versterkt door vlaggen en emblemen.

[4]

Daarnaast zijn deze symbolen voor buitenstaander wantrouwen gaan oproepen. Dit wantrouwen neemt geregeld de vorm aan van regelrechte haat: de buitenstaanders doen er alles aan om vreemde symbolen – en alles waar de beeltenissen voor staan – volkomen te vernietigen zodat alle sporen daarvan zijn uitgewist. Veel oorlogen zijn zo begonnen en krijgen een eigen dynamiek: de vlaggen, muziek, geluid van laarzen en bloemen door vrouwen in de lopen van de geweren geplaatst, doen de rest. De groepsdwang om de buitenstaanders te vernietigen is zo sterk dat buitenbeentjes die niet mee willen doen aan het geweld, worden bedreigd met uitstoting of zelfs executie.

In enkele culturen is het onnoembare en hogere zo overweldigend dat het niet afgebeeld mag worden. In de Islamitische cultuur zijn afbeeldingen van Allah niet toestaan; ook afbeeldingen van wezens met een ziel zijn niet gewenst. In het Joodse geloof mag Jahweh niet worden afgebeeld. In de Protestantse kerken zijn geen beeltenissen van God en mensen aanwezig. Hebben deze vormen van religie de waarde van de symbolen en de afbeeldingen overstegen? En zijn zij de weerzin tegen vreemde symbolen en afbeelding te boven gekomen omdat zij de waarde van symbolen zijn overstegen? Waarschijnlijk niet, gouden kalveren [5] worden nog steeds aanbeden èn bestreden.


[1] Zie het bericht “Een-Pantheïsme” op deze weblog.

[3] Arsuaga, Juan Luis, Het halssieraad van de Neanderthaler – Op zoek naar de eerste denkers. Amsterdam: Wereldbibiotheek: 1999

[5] Zie vorige bericht: “Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 1”

Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 1


Op onze vorige aanlegplaats “Twee” zijn eerst de lucht en de aarde gescheiden, waarna alles uiteen is gevallen in ontelbaar veel kleine delen. Daarna is een eerste ordening ontstaan, waarbij door zin geven en zin nemen een eerste creatief proces op gang is gekomen.

Mensen geven duiding aan hun leefomgeving, opdat zij hun overlevingskansen kunnen vergroten door grip te krijgen op tastbare zaken en omstandigheden. Daarnaast heeft deze duiding vormen aangenomen van verhalen en mythen waardoor kennis en vaardigheden uit andere tijden en omstandigheden binnen de leefwereld van mensen verankerd blijft. Religie en rituelen brengen het onkenbare en ongrijpbare binnen de reikwijdte van mensen; door het verrichten van herkenbare handelingen proberen wij het onkenbare en ongrijpbare binnen onze leefwereld te duiden.

De Trito mythe en de vee-cyclus hebben jij en ik gezien om het ontstaan van de wereld voor mensen in Proto-Indo-Europese wereld te verklaren. De vee-cyclus geeft met een ritueel de basis voor vertrouwen tussen goden, priesters, mensen en categorieën mensen. In het vorige bericht hebben jij en ik de rol van “personen in het midden” – of priesters en koningen – gezien die als bruggenbouwer optreden tussen de wereld van de mensen en de wereld van de goden (of de volkomen eenheid). Nu gaan jij en ik een inkijk nemen in de “objecten in het midden” die de goden (of de volkomen eenheid) in de mensenwereld vertegenwoordigen.

Vee is in de wereld van onze voorouders een metafoor voor onderling vertrouwen. In onze samenleving heeft geld de rol van vee overgenomen. Ook in vroegere samenlevingen hebben objecten de plaats van levende wezens ingenomen om als metafoor voor onderling vertrouwen te dienen. Speciale schelpen, sieraden en kostbare gebruiksvoorwerpen zijn daar voorbeelden van.

Een aantal objecten zijn uitgestegen boven de rol van metafoor voor onderling vertrouwen. Deze objecten zijn van metafoor veranderd in de tastbare werkelijkheid van het object zelf. Het vaandel[1] van een Romeins legioen was de entiteit van het volledige legioen. Als het vaandel verloren gaat, dan vergaat het legioen ook ten onder. De drie legioenen die onder leiding van Varus met hun vaandels verloren zijn gegaan in het Teutoburgerwoud, zijn nooit vervangen[2].

[3]

Afbeeldingen van goden zijn door mensen als echte Goden aanbeden. In het Oude Testament heeft Mozes er alles aan gedaan om Jahweh – zonder afbeelding – als enige God bij het Joodse volk erkend te krijgen. Nadat hij van Jahweh de tafels met de tien geboden heeft ontvangen – waaronder de eerste twee geboden: “Ik ben de eeuwige uw God en Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben” – en weer bij zijn volk terug komt, ziet hij dat zij een gouden kalf aanbidden. Het Joodse volk is Jahweh volkomen vergeten en ziet het gouden kalf als “object in het midden” dat de plaats van god heeft ingenomen.

[4]

Woedend gooit Mozes de tafels met de tien geboden in stukken. Hierna moet hij weer de berg op om nieuwe tafels van het verbond van Jahweh te ontvangen. Deze nieuwe tafels met de tien geboden worden in de ark van het verbond mee gedragen en later in de heilige ruimte van de tempel in Jeruzalem bewaard. Sinds die tijd wordt Jahweh aanwezig geacht boven de ark in de leegte tussen de toppen van de vleugels van de twee engelen[5].

 [6]

Tijdens het bestaan van de ark wordt Jahweh geacht aanwezig tussen de vleugels van de twee engelen. De ark van het verbond is waarschijnlijk verloren gegaan bij een van de verwoestingen van de tempel in Jeruzalem. Is de beeltenis van Jahweh hiermee ook vervlogen, opdat Jahweh nu alom tegenwoordig is?


[1]Zie ook: Goldsworthy, Adrian, In the Name of Rome – The Men who won the Roman Empire. London: Phoenix, 2004

[2] Zie ook: Wells, Peter S. The Battle that stopped Rome. New York: W. W. Norton & Company, 2004

[5] Bron: Oude Testament; boeken Exodus 25:22 en Numeri 7:89

Inleiding: Drie – Persoon in het midden


Tijdens onze derde rustplaats op onze Odyssee hebben jij en ik eerst de Trito mythe en de vee-cyclus ontmoet. Deze mythen – voorzien van rituelen – zijn een eerste vorm van herstel van vertrouwen tussen de goden, priesters, mensen en categorieën mensen onderling. Vee is hier een metafoor voor onderling vertrouwen; een rol die geld in onze samenleving heeft overgenomen.

Na de eerste allesomvattende scheiding tussen aarde en lucht is alles in ontelbaar veel delen uiteengevallen. Hierna is een eerste ordening ontstaan, waarna er een begin is gemaakt met een creatief proces door een eerste duiding geven en een eerste zin te ontlenen aan de eerste ordening.

Jij en ik blijven gescheiden van het volkomen al en een, dat waarschijnlijk verdwenen is bij de scheiding van aarde en lucht. Of is het volkomen al en een op de achtergrond nog steeds aanwezig? Wij weten het niet, maar wij gaan dit op onze Odyssee onderzoeken.

Bij de Trito mythe over het ontstaan van de wereld hebben jij en ik al kennis gemaakt met de goden: Manu schept met hulp van de goden uit de delen van Twin de wereld. In deze mythe zijn de Goden voor Manu noodzakelijk om de wereld te scheppen. Wie zijn deze goden? Jij en ik weten het niet. Zijn er meer goden of is er slechts een god? Wij weten het niet; elke samenleving heeft hier verschillende antwoorden op gegeven. Is er een wereld mogelijk zonder goden? Wij weten het niet. Zijn de goden onderdeel van het volkomen al en een? Wij weten het niet. Maar jij en ik gaan het later op onze Odyssee onderzoeken. Laten wij voorlopig aanvaarden dat de goden aanwezig zijn. Voorlopig zijn zij noodzakelijk om de wereld te scheppen en te onderhouden.

Na het ontstaan van de wereld geven de luchtgoden vee aan Trito. Na hulp van de stormgoden bij zijn avonturen met de driekoppige slang, offert hij vee aan de luchtgoden om het wederzijdse vertrouwen te herstellen en te bestendigen.

[1]

Tijdens de vee-cyclus offeren priesters vee aan de goden om het vertrouwen tussen goden, priesters, mensen en categorieën mensen onderling te herstellen en te bestendigen.

Volgens deze eerste mythen zien jij en ik dat in de Proto-Indo-Europese wereld de goden noodzakelijk zijn om de wereld te laten ontstaan en te onderhouden. Het vertrouwen en de hulp van de goden is voor deze mensen van levensbelang. Hoe de mensen in deze de Proto-Indo-Europese wereld in het dagelijks leven tegen de goden aankijken, weten wij niet. Wel zijn er in deze samenleving al spoedig mensen opgestaan die de verbindingen tussen de leefwereld van de mensen en de goden tot stand brengen en in stand houden.

De voorlopers van de mensen die niet meer in staat zijn te leven zonder een verbinding tussen mensen en goden, zijn wij in de beide mythen al tegen gekomen.

De priesters [6] krijgen een rol om door rituelen en rookoffers de verbinding tussen de luchtgoden, de wereld en de mensen te vestigen en te onderhouden. Deze verbinding is van het allergrootste belang om het ritme van het leven en de voortgang van het leven in stand te houden. Ook geeft deze verbinding die in stand wordt gehouden door de priesters, in de voor-wetenschappelijke tijd een eerste antwoord op de vragen waar de mensheid vandaan komt, waartoe zij op de aarde zijn en welke toekomst hen wacht. In de katholieke kerk verwerft de paus een rol van pontifex maximus – of de grote bruggenbouwer – tussen hemel en aarde. In deze kerk is de paus – als eerste onder zijn gelijken – de “persoon in het midden” die de verbinding tussen hemel en aarde en/of tussen God en de mensheid te onderhoudt.

[2]

De krijgers – en na verloop van tijd hun voormannen in de vorm van keizer, koning of generaal – verkrijgen de rol om door veroveringen en krijgshandelingen (met bijbehorende rituelen en gebruiken) de ordening in de samenleving te vestigen en te bestendigen. Later als vertegenwoordiger van de goden reguleren zij de gang van zaken in de samenleving op aarde. Voor de aardse zaken gaan zij steeds nadrukkelijker als vertegenwoordiger van de goden optreden. In deze vorm zijn zij een “persoon in het midden” geworden tussen het volkomen al en een aan de ene kant en de samenleving en de mens aan de andere kant. Zonder deze persoon in het midden houdt volgens deze denkwijze de samenleving op te bestaan: Romeinse legioensoldaten vervallen in wanhoop – hun volledige bestaan op aarde valt weg – als een generaal van een legioen dreigt het legioen aan zijn lot over te laten [3].

[4]

De ordening tussen priesters en krijgers – of tussen kerk en staat – is meestal aan spanningen onderhevig. De hiërarchie tussen beide rollen heeft geregeld gewisseld. Soms is er een balans opgetreden doordat de paus de keizer kroont opdat de profane rol van de keizer door een ritueel van de pontifex maximus een sacrale erkenning verwerft, waarbij tegelijkertijd de rol van de paus – als bruggenbouwer tussen hemel en aarde – wordt bestendigd.

[5]

Het volgende bericht gaat over “het object in het midden”.


[1] Bron afbeelding: POVRAY – Clouds JvL

[2] Paus Gregorius I

[3] Zie ook: Goldsworthy, Adrian, In the Name of Rome (2003)

[4] Karel de Grote

[5] Kroning tot keizer van Karel de Grote door paus Leo III

[6] In het Sanskriet betekent √pṛ: “in staat zijn, te voorschijn brengen”; Ish: “heersen, god”; en √tṛ: “oversteken”

Inleiding: Drie – Dubio transcendit


Jij en ik zijn bij onze derde rustplaats op onze Odyssee aangekomen. Het wordt tijd dat wij een eerste duiding gaan geven – en een eerste zin ontlenen[1] – aan het complexe universum om ons heen. Door het zin geven en het zin ontlenen aan de dingen om ons heen begint zich een gericht creatief proces te ontwikkelen. Voor het allergrootste deel vindt dat proces van creatie en herscheppen plaats buiten onze waarneming [2]. Dit onzichtbare creatieve proces gaat haar eigen weg. Wij kunnen alleen vertrouwen hebben in de goede loop van de veranderingen der dingen die buiten ons bereik liggen.

De uiterst kleine fractie van het creatie- en veranderproces waar jij en ik wel zicht op hebben, proberen wij in ons voordeel te wijzigen. Dit voordeel denken wij nodig te hebben om de kansen op ons overleven te vergroten. Hierin zijn wij zelfzuchtig. Later zullen jij en ik nog bij de complexe vormen van ethiek stil staan. Nu beginnen wij bij het begin van bewuste creativiteit en ons oordeel hierover.

Onze zelfzuchtigheid is vaak openlijk en in onze samenleving sociaal geaccepteerd. Wij jagen en verzamelen, wij doen aan landbouw en veeteelt, wij werken in fabrieken of op kantoor, of wij heersen volgens onderlinge overeenkomsten over anderen. Bij al deze handelingen kunnen terecht vraagtekens gezet worden: later komen wij daar nog op terug. Maar soms is deze zelfzuchtigheid onaanvaardbaar en wordt er door geweld of door rechtspraak het recht van de sterkste verkregen.

In specifieke gevallen wordt onze zelfzuchtigheid gecamoufleerd door passende beelden bij in beginsel niet acceptabele handelingen te plaatsen. Rondom oorlogen en het veroveren van land hangen allerlei mythes en rituelen[3].

In een specifiek geval wordt het getal drie ook gebruikt om met een mythe de roof van vee te rechtvaardigen: het betreft de Trito mythe gevolgde door de mythe van de vee-cyclus. [4] [5].

In de Proto-Indo-Europese wereld wordt door de Trito-mythe het ontstaan van de wereld geduid.

De tweeling Manu – verwant aan ons woord “man”[6] – en Twin reizen door het heelal vergezeld van een koe. De twee broers besluiten op zeker moment de wereld te maken. Hiertoe moet Twin worden geofferd. Uit de delen van Twin schept Manu met hulp van de goden de afzonderlijke delen van de wereld. Hierdoor werd Manu de eerste priester [7] en ook de uitvinder van dit eerste rituele offer waardoor de wereld werd geschapen.

Toen de wereld klaar was, gaven de lucht-goden vee aan de “derde man” Trito genaamd. Maar het vee werd op listige wijze gestolen door een driekoppige slang. Met behulp van de stormgoden doodde Trito de slang en bevrijdde het vee. Een deel van het vee werd aan de priesters gegeven voor een rookoffer aan de luchtgoden. Door deze daad werd Trito [8] de eerste krijger. Hij herstelde de welvaart van de mensen en zijn gift van vee aan de goden zorgde ervoor dat de cyclus van giften tussen goden en mensen werd voortgezet.

De tweede mythe – de vee cyclus [9] – is een voortzetting van de Trito mythe. In de vee-cyclus geeft God [10] vee aan de boeren die op hun beurt het vee verzorgen en de kudde vermeerderen. Vreemde mannen stelen het vee. De krijgers roven het veer weer terug en geven een deel van het vee aan de priesters voor rookoffers aan God die op zijn beurt als dank voor de offers weer vee aan de boeren geeft.

Het roven van vee heeft door beide mythes een centrale plaats in deze cultuur verkregen. Het wordt een essentiële handeling om bezit te verwerven. Met het verkrijgen van vee door roof heeft de krijger een ruilmiddel verkregen om een of meer vrouwen te verwerven [11]. In Proto-Indo-Europese wereld vertegenwoordigen vrouwen het enige bezit dat echt van waarde is [12]. Alleen door bezit van het hoog gewaardeerde ruilmiddel – vee – kan een krijger pas vrouwen verkrijgen voor nakomelingschap.

Daarnaast verschaft de vee-cyclus een ritueel voor onderling basis vertrouwen – Credo (ik geloof) – tussen goden, priesters, mensen en categorieën mensen onderling. Vee is hier een metafoor voor onderling vertrouwen, een rol die geld in onze samenleving heeft overgenomen.

In de volgende berichten gaan jij en ik de “persoon in het midden”, het “object in het midden” en de “geest in het midden” ontmoeten.

[13]


[1] Zie Merleau-Ponty, Maurice, Phénoménologie de la Perception

[2] Zie ook: Eames-Charles&Ray, Powers of Ten (1977) en het bericht hierover.

[3] Zie ook: Keegan, John, A History of Warfare (2004); Goldsworthy, Adrian, In the Name of Rome (2003); Crefeld, Martin van, The Culture of War (2008).

[4] Zie Anthony, David W., The horse, the Wheel and Language (2007), p. 134

[5] See: Mallory, J.P., In Search of the Indo-Europeans, p. 137

[6] √man: betekent “denken” in het Sankriet; “manu” betekent “intelligent, wijs, gedacht”. Mogelijk wijst deze naam al op een scheiding van geest en materie die vergelijkbaar is met lucht en aarde.

[7] In het Sanskriet betekent √pṛ: “in staat zijn, te voorschijn brengen”; Ish: “heersen, god”; en √tṛ: “oversteken”

[8] kshatriya; betekent krijger in het Sanskriet.

[9] Zie: Mallory, J.P., In Search of the Indo-Europeans, p. 138

[10] “go” betekent “vee” en “da” betekent “geven”

[11] Zie Anthony, David W., The horse, the wheel and Language (2007), p. 239

[12] Zie: McGrath, Kevin, STR women in Epic Mahâbhârata. Cambridge: Ilex Foundation, 2009 p. 9 – 15

[13] Bron afbeelding: Povray – Float Cloud JvL

Inleiding: Twee – Tweelingen en tegenstellingen


“Het vorige bericht gaat over een eerste ordening die is ontstaan nadat alles uiteen is gevallen in oneindig veel deeltjes. Uw verteller heeft u een begin van hiërarchie en een aanzet tot ethiek getoond. Ook heeft u een inkijkje gekregen in hemel en hel. In dit bericht gaan wij verder met tweelingen en tegenstellingen.

Tweelingen zijn erg belangrijk voor mensen. In mythes en in oude verhalen staan tweelingen vaak aan het begin van belangrijke ontwikkelingen. Maar rond deze tweelingen is er meestal onzekerheid en onbestendigheid. Er moet een keuze plaatsvinden. Helaas komt de beslissing in de mythes gewelddadig tot stand. Een van de tweeling kinderen moet vertrekken of wordt vermoord.

U kent waarschijnlijk de tweeling Romulus en Remus, die door een wolf is groot gebracht. Romulus doodt Remus tijdens een ruzie over de heerschappij van de nieuwe stad. Na deze moord kon Romulus de verdere stichting van de stad Rome ter hand nemen[1].

[2]

In Genesis – het eerste boek van het Oude Testament – zijn Kaïn en Abel de twee eerste kinderen van Adam en Eva. De beschrijving geeft aanwijzingen dat zij een tweeling zijn. Kaïn was landbouwer en Abel was schaapherder. Beiden brachten offers aan God, maar God accepteerde alleen de rook van het vee-offer[3] [4] van Abel.

 [6]

Omdat God de offergave van de oogst niet aanvaardde, doodde Kaïn zij broer Abel[5].

Mensen zijn erg gevoelig voor tegenstellingen; in een hang naar zekerheid moet de tegenstelling zo snel mogelijk verdwijnen – vaak ten koste van een groot verlies. Als oplossing van het dilemma wordt er dan gekozen voor een kant van de tegenstellingen. Uw verteller toonde u al het droeve lot van Remus en Abel: om de tegenstelling binnen de tweeling op te heffen, moet een kind van de tweeling verdwijnen.

Bij het ontstaan van een tegenstelling willen mensen zo snel mogelijk duidelijkheid hebben. Veel wordt opzij gezet om duidelijkheid te krijgen tussen ja of nee, goed of fout, waar of onwaar, gelovig of ongelovig, recht of onrecht. Deze keuze wordt gemaakt door een onmiddellijke opoffering of vernietiging van één van de twee polen. Deze keuze is zo belangrijk voor mensen dat hiervoor zelfs broedermoord wordt gepleegd; er wordt voor gedood, oorlog gevoerd, en er worden volkeren en anders denkenden voor uitgemoord.

Waarom moeten tegenstellingen meteen worden opgeheven? Waarom mogen zij niet blijven bestaan? Heeft de mensheid een sterke hang naar eenheid of is het noodzakelijk om onrust en onvrede zo snel mogelijk te beëindigen ten koste van een grote opoffering? Of misschien allebei? Is het opheffen van de onrust en onvrede het begaan van grote misdrijven waard? Op hun Odyssee komen de hoofdpersonen veel van deze dilemma’s tegen.

Uw verteller ziet in de verte de beide hoofdpersonen weer verschijnen. Zij zijn geen tweeling en ik hoop dat zij tijdens hun Odyssee hun verschil van mening niet oplossen door geweld en doodslag. We zullen zien.

Uw verteller laat het verslag weer over aan beide hoofdpersonen. In een volgend bericht zullen zij hun belevenissen vertellen over een nachtwake aan het begin van de lente als voorbereiding op de volgende aanlegplaats op hun Odyssee”.


[3] Zie ook: Mallory, J.P., In Search of the Indo-Europeans, p. 138

[4] Zie ook: Inleiding – Rituelen 2 (27 maart 2011)

[5] Zie ook: Genesis 4 uit het Oude Testament