Categorie archief: Inleiding

Verschenen: Narrator Nārāyana – Een Weg / E-boek


In plaats van een thuis
De maan en sterrenhemel
Als steevast gezel

Narrator - een weg

De biografie “Narrator Nārāyana – Een weg” is samengesteld als “Blook” door Man Leben op basis van de gebundelde berichten van september 2012 – maart 2013 over de zoektocht naar “Wie ben jij”; via: http://www.omnia-amsterdam.nl/document/narrator-narayana-een-weg-e-boek

Dit
Dat wij nu zijn
Maakt het lichaam, cel voor cel,
Zoals bijen een honingraat bouwen.
Het menselijk lichaam en het universum
Groeit van Dit

Man Leben, Narrator en Carla Drift zijn de drie hoofdpersonen op dit deel van de Odyssee “Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan”.

De Odyssee naar “Wie ben jij – een zoektocht naar ons bestaan” is een queeste met vele aanlegplaatsen. De zoektocht naar “Wie ben jij” is over jou en mij en alles dat met ons verbonden is. Niets is op voorhand uitgesloten. Zijn jij en ik verbonden of zijn wij gescheiden? Wat maakt jou tot de persoon die jij bent? Wie ben jij voor jouw geboorte en wie zal jij zijn na jouw dood? De antwoorden op deze vragen zijn voorlopig onbekend, maar toch stellen wij deze vragen.

Afdrukken voor eigen gebruik of voor educatieve doelen is toegestaan. Lezers en gebruikers van uitgaven door Omnia – Amsterdam Uitgeverij kunnen hun erkentelijkheid tonen door donaties aan goede doelen naar eigen keuze.

Auteur Man Leben
Titel Narrator Nārāyana – Een weg
ISBN nummer 9789491633065
Druk 1.0
Uitgave E-Boek in Pdf-format – 26 MB
Formaat A5 – formaat
Pagina’s 222
Uitgeverij Omnia Amsterdam Uitgeverij  –  http://www.omnia-amsterdam.nl
Publicatie status Verschenen in 2013
Verkrijgbaar
Website van de uitgeverij
Koninklijke Bibiotheek
Google books
Prijs Suggestie: een donatie van € 15,00 aan een goed doel naar eigen keuze
Advertenties

Slotwoord bij biografie van Narrator


Narrator heeft mij het verhaal van zijn leven in verschillende delen verteld. In zijn vertellingen worden feiten, fictie en factie met elkaar verweven, zoals in het leven van alledag de scheiding van de lucht en aarde kunstmatig is [1].

Tijdens de vertelling van het voorspel tot zijn bestaan werd mij duidelijk dat de verhalen van Narrator zijn gericht op een universele waarheid, die vooraf en voorbij gaat aan ons leven. Deze waarheid berust op een ritme waaruit wij voortkomen. Dit ritme rolt door zijn leven in verschillende in elkaar geweven cycli.

De eerste cyclus in zijn levensverhaal bestaat uit de vier incarnaties die door Narrator worden benoemd als duiding voor zijn leven. Deze vier incarnaties in het leven van Narrator herinneren mij aan de vierjaargetijden [2]. De tweede cyclus in Narrator’s leven is het ritme van ijdelheid, handeling en gevolgen [3]. De derde cyclus is de Noordelijke cyclus waarin Narrator drijfveer en leidsman is voor de verlichting en thuiskeer van zijn Amerikaanse geliefde. De vierde cyclus is het ritme van vertrouwen en verraad in Narrator’s leven met Raaf en Vos in de spiegelwereld bewoond door de geheime diensten van vele landen [4]. En altijd is in het leven van Narrator de cyclus van de maan en de sterrenhemel als steevast gezel aanwezig. De zoektocht naar de overige cycli in de levensbeschrijving van Narrator laat ik aan de lezer over.

Het is mij een eer en een vreugde om met Narrator en Carla Drift de zoektocht naar “Wie ben jij” te mogen verrichten. Op deze Odyssee is Narrator mijn baken en leidsman, bijvoorbeeld bij mijn studie Sanskriet – de taal van de goden in de wereld van de mensen –, bij het bestuderen van Boeddhistische teksten en bij het lezen van het werk van Rumi.

[1] Zie ook: Quammen, David, Spillover: Animal Infections and the Next Human Pandemic. New York: W. W. Norton & Company, 2012 p. 219 – 234. In dit populair wetenschappelijk boek wordt een studie gemaakt over de interactie en het levensspel – met soms vergaande gevolgen – tussen hogere en lagere organismen. Bij deze interactie en levensspel is de scheiding tussen aarde en lucht kunstmatig; bijvoorbeeld bij de beschrijving van Q-koorts meegenomen door de wind in Noord Brabant.

spillover[2] Zie ook: De film “Spring, Summer, Fall, Winter … and Spring” onder regie van: Kim Ki-Duk. Deze film geeft mogelijk een duiding aan de misdrijven van Narrator als kindsoldaat in Afrika. De jongeling in de film begaat in zijn naïviteit als kleuter en in zijn levensdrang als adolescent verscheidene misdrijven waar hij de rest van zijn leven de gevolgen van mag dragen.

Spring[3] Zie ook: de film “Waarom vertrok Bodhi-Dharma naar het Oosten?” van: Bae Yong-Kyun. Deze film verschaft misschien inzicht in dit ritme doordat een jongen in een ijdele drang een vogel van een vogelpaar dodelijk verwondt. Tevergeefs probeert de jongen de vogel in leven te houden. De nog levende vogel van het paar blijft hem achtervolgen en geeft hem een eerste inzicht in de vluchtigheid van leven en dood, verbondenheid, passies, de zonde en angst.

Bodhi-Dharma[4] Zie ook: Le Carré, John,  The Quest for Karla. New York: Knopf, 1982 en zie ook: Deighton, Len, De Bernie Samson serie. verschenen tussen 1983 en 1996.

Het manuscript voor de biografie van Narrator is te downloaden via de website van Omnia – Amsterdam Uitgeverij:

http://www.omnia-amsterdam.nl/site-page/manuscripten

Inleiding: Narrator – op weg


In plaats van een thuis

De maan en sterrenhemel

Als steevast gezel

– vrij naar haiku van: Inoue Shirō

Zolang ik besta, zijn er verhalenvertellers in mijn leven. Thuis, op school, in de synagoge, in de kerk, in boeken, in de klassieken uit de Oudheid, in de Tenach – de bijbel van het Jodendom – en in de Talmoed heb ik de belevenissen van de grote vertellers vernomen. Naast mijn moeder zijn de meest invloedrijke verhalenverteller in mijn leven: Jezus van Nazareth als Christus in het Nieuwe Testament van de Christelijke Bijbel, Siddharta Gautama als Boeddha, Mohammed de profeet en boodschapper van God in het Islamitisch geloof, Vyasa als schrijver van de Mahābhārata – het verhaal van India –, Homerus de dichter en zanger van de Ilias en de Odyssee, en Rumi of beter Jalāl al-Dīn de poet van onder andere Masnavi.

Voordat ik Narrator in Istanbul heb ontmoet, was een buitengewone wiskundige de meest wonderlijke verteller in mijn leven. Met alleen een koffer reisde hij van vriend naar vriend om daar enkele dagen te verblijven. Regelmatig logeerde hij enkele nachten bij mij in Amsterdam. Hij verhaalde over het verschil tussen eindigheid en oneindigheid, over priemgetallen, reeksen, verzamelingen en nul. Als welkomstgeschenk gaf hij mij altijd enkele van zijn wiskundeboeken die hij inwisselde tegen een paar technische boeken uit mijn boekenkast. Bij zijn afscheid vroeg hij oprecht of ik het niet erg vond dat hij nu weer verder moest gaan.

Narrator zag ik voor het eerst in de Süleyman moskee in Istanbul waar hij verwelkomde mij met: “Hier zijn lucht en aarde een”.  Ik antwoordde: “Dit, dat zijn wij nu”, waarbij hij wervelende met ruisende kleding. Suleyman moskee1[1]

Suleyman moskee3[1]

Die ochtend was ik op uitnodiging van Carla Drift in Istanbul aangekomen om aan onze Odyssee naar “Wie ben jij – een zoektocht naar ons bestaan” te beginnen. Carla Drift en ik hebben elkaar voor het eerst ontmoet bij een college filosofie die door Prof. Dr. W. Luijpen aan de Technische Universiteit in Delft werd gegeven. Hierna heeft ons leven zich regelmatig gekruist; wij hebben elkaar geholpen waar dat nodig was en wij hebben altijd genoten van elkaars gezelschap.

Enkele jaren geleden was Carla met een Caravan-Tractor combinatie door Europa gaan trekken. Op een heldere ijskoude nacht zag Carla een donkere ijskoude man in een slaapzak langs de kant van de weg. Nadat zij hem van een eeuwige droom had gered, zijn zij naar Istanbul getrokken waar wij van plan waren onze Odyssee te beginnen. Aan het einde van deze Odyssee hopen wij thuis te komen.

Narrator – εἰς τὴν Πόλιν op weg naar “dit”


In Istanbul eindigde mijn derde incarnatie als Bhikṣu of – in de woorden van alledag – als zwerver die de jaarlijkse trek van de vogels volgde. In deze vroegere hoofdstad van het Oost Romeinse rijk [1] werd ik opgenomen in de “polis” [2] – niet alleen in de stadstaat met een openbare wereldse politiek, maar thuis in de universele gemeenschap van omgeving en mensen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA[3]

Mijn burcht was geen tempel waar de Grieken in het verleden hun Goden een huis gaven [4] met alle pracht en uitzonderlijke schoonheid. Hoewel ik overal thuis was, vond ik geen blijvend huis in een kerk, moskee of tempel.

Akropolis[5]

Tussen de vele kerken en moskeeën van Istanbul ervoer ik mijn lichaam en “polis” – in de vorm van de universele leefomgeving – als een tempel Gods [6].

Blauwe moskee[7]

In het gedicht “Dit hebben wij nu” van Rumi las ik een weerspiegeling van mijn leefwereld in Istanbul:

Dit

Dat wij nu zijn

Maakt het lichaam, cel voor cel,

Zoals bijen een honingraat bouwen.

Het menselijk lichaam en het universum

Groeit van Dit [8]

Gedurende mijn eerste drie incarnaties – eerst als Kṛṣṇa in Kenia, daarna als idool in Amsterdam en enkele Noordelijk steden, en vervolgens als Bhikṣu die de jaarlijkse trek van de vogels tussen Zuid en Noord Europa volgde – had ik alleen weerspiegelingen van “Dit” binnen mijn eigen leefwereld gezien.

In mijn vierde incarnatie wilde ik de bescherming van de grot [9] verlaten waarin ik tot nu beschut had geleefd met alleen afspiegelingen van het alomvattende “Dit” zoals Plato beschreef in zijn Politeia [10].

Grot[11]

Langzaamaan werd ik aan het begin van mijn nieuwe incarnatie volkomen opgenomen in het heelal. In de bibliotheken van Istanbul las ik vertalingen van de werken van Rumi. Samen met zijn gedichten begon ik wervelend een nieuw bestaan.

Met de nieuwe lente kwam Man Leben – op uitnodiging van Carla Drift – in Istanbul aan. Carla, Man en ik besloten te beginnen met “Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan”. Voordat wij op deze zoektocht het leven van alledag betraden, schreven wij elkaars biografieën.


[6] Zie ook: De eerste brief aan de Korintiërs vers 12 – 20

[8] Eigen vertaling van strofe uit de Engelse versie het gedicht “This we have now” van Rumi. Zie ook: Barks, Coleman, The Essential Rumi. New York: Castle Books, 1997, p. 262

[10] In het Nederlands wordt Politeia meestal vertaald met “Staat” of “Republiek”. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Staat_(Plato)

Narrator – sneeuwgezicht


Een droom neemt mij iedere nacht mee. Deze ijskoude heldere nacht aan het begin van december voerde een droom mij naar een andere wereld. Ik lag bij nieuwe maan onder de sterrenhemel volkomen stil in mijn slaapzak om geen warmte te verliezen. Af en toe voelde ik mijn handen en voeten even tintelen en dan werden ze weer koud. Mijn adem – een voorlopig thuis voor de dorpelingen uitgemoord door mijn mede-militieleden en mij bij het nachtelijk vuur in het bos – waakte over mij.

Het werd steeds kouder; mijn lichaam ontspande zich [1] en mijn ogen knipperden niet meer. De duisternis en het firmament zogen mij in zich op. Ik zweefde met de sterrenstelsels in het universum. Geen aarde, geen zorgen, geen geluid, volkomen opgegaan in de oneindigheid.

Sterrennacht[2]

Van de rand van het heelal hoorde ik voetstappen naderen. In mijn ooghoeken zag ik een schim verschijnen. De schim werd groter en ik hoorde een andere adem naast mijn adem. Na een eeuwigheid boog het donkere gezicht van mijn moeder zich over mij heen. Haar krullend haar was grijs geworden. Mijn moeder was gekomen om mij mee naar huis te nemen. In haar vredig gezicht zag ik dat ik nooit weg was geweest; bij haar kwamen hemel en aarde samen.

In deze vredige toestand hoorde ik een stem. Mijn moeder vervaagde en ik kon niet goed meer zien. Iemand probeerde mij te wekken. Heel langzaam kwam mijn adem terug in de wereld van alledag: het firmament en de aarde werden bij het openen van mijn slaapzak weer gescheiden. Ik was steenkoud en maar net bij bewustzijn.

Sterrenstelsels[3]

De stem nam mij mee en na een eeuwig lijkende worsteling met mijn verstilde lichaam gingen wij een verlichte warme ruimte binnen. De stem kleedde mij uit en kwam onder een dekbed tegen mij aanliggen. Langzaam kon ik weer zien. Ik zag een vrouwengezicht met krullend grijs haar. Zij rilde heel erg van de kou. Na een heel lange tijd werd ik wat warmer; pas halverwege de volgende dag begonnen mijn vingers en voeten weer te tintelen. Ik lag in een caravan bed.

Tegen de avond kon ik voorzichtig wat eten en drinken. Zij vroeg mij verontwaardigd waarom ik in een dunne slaapzak buiten bij deze strenge vorst in de open lucht waakte. Mijn antwoord volgde enkele dagen later. Op mijn vraag hoe zij mij gevonden had, gaf zij als antwoord dat tijdens een korte avondwandeling er naast het pad af en toe damp uit de grond leek te komen; deze damp werd door mijn uitademing veroorzaakt. Mijn adem had over mij gewaakt.

Een dag later zijn wij samen naar een wintercamping gegaan om mij te laten herstellen. De eigenaar van de camping was niet blij met mijn verschijning, maar mijn beschermengel zorgde dat wij een plaats voor enkele nachten kregen. De eerste dagen bemoederde zij mij. Zij knipte mijn haar, zij scheerde mijn baard en waste mij kleren: ik was toonbaar voor de wereld.

Wintercamping[4]

In de beslotenheid van de caravan op de wintercamping vertelden wij elkaar de hoofdlijnen van onze levensverhalen. Haar naam was Carla Drift en zij trok door Europa met een tractor–caravan combinatie. Haar leven was sinds de herfst even kaal geworden als de bomen in de winter. Aan het einde van de vorige zomer had een man het op haar eer en leven voorzien. Uit zelfverdediging doodde zij de belager. Hiermee verloor zij haar onschuld: een deel van haar was gestorven.

Ik vertelde haar over mijn leven als kindsoldaat in een vorige incarnatie. Aan het einde van een nacht hadden wij het bos rondom een dorp in brand gestoken. Onze militie schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam. De geesten van deze dorpelingen droeg ik altijd met mij mee; hun adem was mijn adem geworden en zij hadden in de heldere ijskoude nacht over mij gewaakt. Uit nagedachtenis aan mijn moeder was ik op weg “εἰς τὴν Πόλιν”.

Wij besloten samen verder te trekken naar Istanbul. Het rijden op de tractor wisselden wij af; ik was af en toe weer een wagenmenner in een wit winterlandschap. De tocht van ruim 2000 kilometer legden wij met enkele rustpozen in drie maanden af. Het einde van de winter en het begin van het voorjaar bleven wij in deze stad. Bij de bezoeken aan de vele godshuizen in deze stad – waaronder de Hagia Sophia, bewonderden wij deze gebouwen met koepels als zinnebeeld voor de binding tussen aarde en firmament.

Hagia Sophia[5]


[1] Zie ook voor onderkoeling: Stark, Peter, De laatste adem, Spectaculaire verhalen van de grens van het bestaan. Amsterdam: Forum, 2002 p. 21 – 31

[2] Op deze foto is ieder lichtvlekje een sterrenstelsel. Sommige van deze stelsels zijn 13,2 miljard jaren oud – volgens schatting bevat het universum 200 miljard sterrenstelsels. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Universe

[3] Bron afbeelding: http://www.nasa.gov/multimedia/imagegallery/iotd.html# – Hubble Watches Star Clusters on a Collision Course

[4] Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Camping

Narrator – op weg 2


Na de dood van Raaf ben ik jaarlijks gaan overwinteren in Zuid Spanje. In het voorjaar trok ik met de vogeltrek naar het Noorden om het zomerseizoen in Noord Europa door te brengen. De wind, het weer en de mensen die ik op weg ontmoette, gaven richting aan het tijdelijke onderdak in de noordelijke steden.

Vogeltrek[1]

Geregeld kwam ik terug in Amsterdam, Kopenhagen, Stockholm en Oslo. De vluchtige vrienden van weleer waren weggevaagd uit het leven van alledag door de mysterieuze ziekte die de naam AIDS had gekregen. Enkele oude vrienden waren een ander leven begonnen zonder plaats voor een zwervende Bhikṣu. Meestal leefde ik van de straat met goochelen, vertellen van verhalen en ik was begonnen met zingen.

Mijn uitvoering van “Ne me quitte pas” van Jacques Brel [2] ontroerde de toehoorders. Een deel van de tekst over schaduwen – in de nacht schaduwen van vermoorde dorpelingen en overdag schaduwen van verloren geliefden – was op mijn leven van toepassing.

 Laat mij zijn

Schaduw van jouw schaduw

Hand van jouw hand

Schaduw van jezelf. [3]

schaduwen[4]

Na 18 jaren overwinteren in het zuiden en ’s-zomers rondtrekken in het noorden was ik meerderjarig geworden in mijn derde incarnatie; iedere ogenblik, uur, dag, jaar was anders en eender. Hoewel ik de schaduwen uit mijn vorige levens nog altijd meedroeg, was binnen dit eenvoudige levensritme een zekere vorm van innerlijk rust ontstaan.

In het najaar zong ik op het Leidseplein in Amsterdam voor toehoorders uit “Ne me quitte pas”:

Ik, Ik zal jullie geven

Parels van regen

Uit een land

Waar het niet regent [5]

Na het zingen van de strofe “Uit een land waar het niet regent” wist ik zeker dat mijn moeder was gestorven. Aan haar gebod om op weg te gaan naar Amsterdam en aan de verwezenlijking hiervan was een einde gekomen. Ik boog naar de toehoorders en ik ben ter ere van haar nagedachtenis meteen op weg gegaan “εἰς τὴν Πόλιν” – naar de stad – naar Istanbul [6]. Vanuit Istanbul wilde ik het volgende voorjaar doorreizen naar Konia. Het werd tijd om in de voetsporen van Rumi [7] te wervelen.

Kom, kom, wie jij ook bent,

Dwalende geest, idolaat verteller en aanbidder van de gouden gloed,

Kom hoewel jij beloften duizendmaal hebt gebroken,

Kom, en kom weerom.

Ons is niet de weg van twijfel en wanhoop. [8]

Derwish[9]

Op de weg naar Istanbul werd ik door mijn moeder vergezeld, zoals Rumi in een gedicht schreef:

“Mijn ervaring is in het hart van mijn moeder;

Ziek zal het hart van haar zijn

Zonder de ervaring van mij”. [10]

De vierde incarnatie diende zich in mijn leven aan. Ik week af van mijn gebruikelijke najaarstrek naar Zuid Spanje. Dat jaar viel de winter vroeg in midden Europa. Midden november was al veel sneeuw gevallen. Op weg naar Istanbul raakte ik door de koude bevangen op drift. Begin december vroor het stevig. Ik had niets meer te eten. De volgende heldere nacht bij nieuwe maan waakte mijn adem. De geesten en schaduwen uit mijn leven vonden tijdelijk rust. De vrieskoude nam mij in zich op; aarde en firmament werden een.

Versteend en verstild

Van binnen en van buiten

Eén in het heelal

Sterrenhemel[11]


[3] Bron: Eigen vertaling van de laatste strofen uit “Ne me quitte pas” van Jacques Brel.

[5] Bron: Vertaling van de eerste strofen uit het tweede couplet van “Ne me quitte pas” van Jacques Brel.

[7] Jalāl ad-Dīn in het Westen bekend onder de naam Rumi is geboren in de buurt van Balkh in Afganistan in de 13e eeuw n. Chr. Zijn ouders zijn gevlucht voor de Hunnen. De naam Rumi heeft Jalāl ad-Dīn in de Arabische wereld gekregen omdat hij tijdens het schrijven van zijn grote werken in Konia ten zuiden van Ankara in het huidige Turkije woonde. Dit deel van de Arabisch wereld werd daar vereenzelvigd met Rome uit het Romeinse rijk. Vandaar dat Jala l al-Din is vernoemd naar de naam waaronder zijn verblijfplaats in de Arabische/Perzische wereld. Bron: Lewis, Franklin D., Rumi, Past and Present, East and West. Oxford: Oneworld, 2003 p. 9

[8] Vrije weergave van een passage van Rumi. Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Rumi en Rumi and His Sufi Path of Love (2007) by M Fatih Citlak and Huseyin Bingul, p. 81

[10] Vrije weergave van een gedicht van Rumi. Bron: Nicholson, Reynold A., The Mathnawi of Jaláluddin Rúmí, Book II. Cambridge: Biddles Ltd, 2001 p. 281

Narrator – op weg


Tijdens mijn eerste overwintering in Zuid Spanje had ik niet veel nodig. Mijn kampeeruitrusting was voldoende om de winter kamperend in Malaga bij de Middellandse Zee door te komen. In het voorjaar ontwaakte ik uit mijn winterverblijf. Eerst liftte ik naar Granada en vervolgens naar Cordoba.

In de Moorse tijd was Cordoba rond 1000 n. Chr. een van de grootste steden ter wereld met tenminste een half miljoen inwoners. Cordoba beschikte in die tijd over de grootste bibliotheek ter wereld met meer dan 400.000 boeken en daarnaast werd de Mezquita (moskee) met meer dan 1000 marmeren zuilen gebouwd. In de Katholieke tijd is een middendeel van de moskee met bijbehorende zuilen verwijderd om plaats te maken voor een kathedraal [1].

Mezquita[2]

In de Mezquita met de Kathedraal dacht ik aan een boeddhistisch vraagstuk uit de bundel van mijn overleden Amerikaanse geliefde:

“De oude Boeddha’s zijn samengegaan met de open pilaren – welk niveau van activiteit is dit?” Toen iedereen sprakeloos bleef, antwoordde de leraar: “Op de Zuidelijke berg verrijzen wolken, op de noordelijke berg valt regen”. [3]

De bundel liet ik bij mijn vertrek uit Kopenhagen achter in de universiteitsbibliotheek, want het boek paste niet meer in mijn rugzak. Voordat ik het boek aan de bibliothecaris overhandigde, las ik het boeddhistisch vraagstuk:

“Wanneer aan het einde der tijden een vuur woedt waarin alles wordt vernietigd, wordt dit dan ook vernietigd?”  Een leraar antwoordde: “Vernietigd, want dit gaat met alles ten onder”. Een andere leraar antwoordde: “Niet vernietigd, want dit is identiek aan alles”. [4]

Apocalypse[5]

Met mijn eerste overwintering in Zuid Spanje was ik met pensioen gegaan. Na mijn leven als idool in Amsterdam en mijn jaar met mijn geliefde in Zweden en Noorwegen had ik mijn inkomen gekregen uit het spelen in jazz ensembles en door mijn beperkte aandeel in het werk van Raaf. In Cordoba raakte mijn spaargeld op. De wereld van geheime diensten was ik ontvlucht nadat mijn veiligheidsnet was verdwenen met de dood van Raaf, en in Zuid Spanje waren geen jazz ensembles die zaten te wachten op een percussionist zonder conga’s.

Een deel van mijn inkomen kreeg ik door goochelen en met het vertellen van verhalen. Het andere deel van mijn inkomsten kwam uit aalmoezen. Al vrij jong was ik aangewezen op een eenvoudige vorm van pensioen via een omslagstelsel dat al vele eeuwen in sommige delen van Azië werd toegepast. Wanneer de rol van mannen of vrouwen in een huishouding was uitgespeeld, dan vertrokken zij naar een andere omgeving waar de lokale bevolking hen van voedsel voorzag tijdens hun dagelijkse aalmoesronde. De rest van de dag besteedden zij aan het geestelijk leven van hunzelf of van het hele universum. De mannen werden Bhikṣu en de vrouwen Bhikṣuṇī genoemd; het vulgaire Nederlandse woord “bikkesement” voor “voedsel” is waarschijnlijk aan deze manier van bedelen verwant [6].

Bhikshu[7]

Naast mijn nachtwaken voor de geesten van de overleden dorpelingen begon ik na mijn eerste overwintering in Zuid Spanje ook dagwaken te houden voor het hele universum. Ik was in de voetsporen getreden van mijn overleden Amerikaanse geliefde. In de bibliotheken van de grote steden in Europa bestudeerde ik de heilige geschriften. Voor inzage in enkele boeken over Zuid Azië bezocht ik de Universiteitsbibliotheek in Heidelberg.

Heidelberg[8]

In Heidelberg had Raaf voor de Tweede Wereldoorlog filosofie en taalkunde gestudeerd. In deze stad voelde ik de nabijheid van deze geliefde die voortdurend moest boeten voor zijn daden en die altijd op zijn hoede was voor de onthulling van zijn trouw en verraad.

Raaf[9]

Na het bezoek aan Heidelberg ben ik mijn nachtelijke en dagelijkse waken ook voor hem gaan houden.


[3] Zie de koan “Yunmen’s Pillars” in: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 137 – 139

[4] Vrije weergave van de koan Dasui’s “Aeonic Fire” in: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 131 – 136