Categorie archief: Vijf – Leegte

Leegte: naar het einde van de nacht


Nacht. Een heldere hemel bij nieuwe maan. Narrator rijdt de geleende Skoda Superb [1] Combi van Amsterdam door de Noordoostpolder [2] naar de jachthaven aan het Lauwersmeer bij het vertrekpunt van de veerboot naar Schiermonnikoog. De beide koplampen schijnen over de lege snelweg door het donkere lege land dat ruim 50 jaar geleden nog bodem van de Zuiderzee was. Carla doezelt op de achterbank. Man zit als bijrijder naast Narrator; in het spaarzame licht van het dashboard kijken zij naar de afslag bij Emmeloord die heel in de verte weg oplicht door lantaarnverlichting.

Skoda Superb Combi[3]

“Binnen de leegte tovert het licht van de koplampen – met straatverlichting heel in de verte – een donker toverlandschap tevoorschijn waarin alles dat wij nu zien ontstaat en meteen weer verdwijnt als schimmen die in een flakkering tot leven worden geroepen om daarna weer te verglijden in de donkere leegte. Ik heb als jongen in Zuid Limburg al gehouden van donkere nachten met het oneindig heelal waarin ik – opgenomen – één was met alle sterren en melkwegstelsels aan het firmament. Nu voel ik mij zweven binnen een vage witte nevelgloed op oneindige reis door het heelal en daarbij volmaakt thuis in dit vaartuig. Vanavond – voordat wij ons klaarmaakten om te vertrekken – heb ik in een boek een definitie van Boeddhistische verlichting [4] opgezocht: “Verlichting is realisering van de eenheid van leven” [5].

Ik ben deze definitie gaan opzoeken omdat wij gistermiddag het onderzoek van de intensiteiten en associaties hebben afgesloten met de vraag: “Een – wat is dat?” die een boeddhistische wijze aan een wijze vrouw stelde. Zij was niet in staat deze vraag te beantwoorden. Ik vraag mij af of het onvermogen – of de leegte – van de wijze vrouw om te antwoorden niet beter past bij de vraag: “Een – wat is dat?” dan deze definitie van Boeddhistische verlichting.

Wij beginnen nu aan het onderzoek van leegte op onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Het woord in Sanskriet voor leegte in de Hart Sūtra is “śūnyatā”. Weet jij welke betekenissen dit woord in het Sanskriet heeft?”, zegt Man.

De auto nadert de wegsplitsing bij Emmeloord. Narrator remt wat af en neemt de afslag naar Lemmer; hierbij is Carla wakker geworden en zij vraagt: “Waar zijn wij?”. “Bij Emmeloord in de Noordoostpolder, wij gaan nu richting Friesland. Ik heb Narrator naar de betekenis van het woord “śūnyatā” gevraagd”, zegt Man.

“Het woord “śūnyatā” wordt meestal met “leegte” of “leeg van zelf” vertaald [6], maar deze vertaling geeft alleen de kern van het woord weer net zoals er in de kern van een wervelstorm meestal een windstilte heerst bij een heldere hemel; de kern van de cycloon is zonnig en “vrij” van wind.

Kern van een cycloon[7]

Het woord “śūnyatā” is samengesteld uit de werkwoordkernen:
• “śvi” – met de zwakke vorm “śū” – met de betekenissen “opzwellen” en “uitdijen”;
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” betekent. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel” (misschien ook wel “Godsgave” in wederkerigheid) en,
• “tā” met de betekenissen “onbegaanbaar”, “ontoegankelijk”, en ook “onschendbaar” en “heilig” [8].

Een hedendaagse Japanse Zenmeester in Amerika schrijft in zijn uitleg van “śūnyatā” dat dit woord geen ontkenning van het concept van bestaan is, maar het woord geeft aan dat ons gehele bestaan in al haar vormen volledig afhankelijk is van het beginsel van oorzaak en gevolg; wij lazen eerder dat zelfs de Goden zijn gebonden aan het beginsel van oorzaak en gevolg [9].

Omdat de factoren van oorzaak en gevolg voortdurend veranderen, is er geen statisch – vaststaand – bestaan mogelijk. Het woord “śūnyatā” ontkent categorisch de mogelijkheid van het bestaan van statische – vaststaande – verschijningsvormen. Alle verschijningsvormen zijn volgens deze hedendaagse Japanse Zen meester relatief en onderling afhankelijk.

Daarbij schrijft hij dat “śūnyatā” ook “nul” betekent, een begrip dat in Europa pas laat bekend is geworden, maar in India al veel langer in gebruik was. Nul heeft geen getalswaarde in zichzelf, maar vertegenwoordigd de afwezigheid van getalswaarden en symboliseert daarmee tegelijkertijd de mogelijkheid van alle getalswaarden. Vergelijkbaar hiermee vertegenwoordigt “śūnyatā” door middel van het begrip “nul” of “geen” de mogelijkheid van het bestaan van alle verschijningsvormen en is daarmee tevens opgenomen in alle verschijningsvormen, die alleen bestaan in relatie tot hun niet-bestaan en in hun onderlinge verbondenheid [10]”, zegt Narrator.

vorm en leegte[11]

“De definitie van nul is wat te beperkt: daar ga ik nu niet op in. Als ik het goed begrijp, dan duidt “śūnyatā” op “leeg van” en “leeg tot”, net zoals Erich Fromm bij het begrip “vrijheid” volgens mij doelt op “vrij van” en “vrij tot” in onderlinge samenhang [12]. Hierbij moet ik denken aan de Franse fenomenoloog Maurice Merleau Ponty die stelt dat verschijningsvormen ontstaan door een creatief proces van gelijktijdige zingeving en zinneming [13]. De Zenmeester voegt hier de leegte – of ruimte – voor het ontstaan van verschijningsvormen aan toe”, zegt Carla.

“Interessant dat jij een creatief proces noemt voor het ontstaan van verschijningsvormen. De Japanse Zenmeester geeft aan dat een intuïtief en onmiddellijk begrip van “śūnyatā” de basis vormt voor alle begrip. Maar voordat hij dit stelt, benoemt hij eerst de “śūnyatā” van het ego en vervolgens de “śūnyatā” van dharma [14] – de wereldorde en plicht [15] – en van het subjectieve en het objectieve. Hierna concludeert hij dat alles – iedere verschijningsvorm en ieder wezen – alleen bestaat door middel van het beginsel van onderlinge afhankelijkheid gebonden door de wet van vergankelijkheid. Het intuïtief en onmiddellijk begrip leidt tot kennis en begrip van de vier grote waarheden te weten vergankelijkheid, onderlinge verbondenheid, verschijningsvormen en essentie; misschien is het goed om later op deze vier waarden terug te komen. De Zenmeester gaat verder in zijn oordeel over het belang van vergankelijkheid – leegte of ijdelheid – en onderlinge verbondenheid dan Maurice Merleau Ponty bij het ontstaan of creatie van alle verschijningsvormen en ieder wezen.

De uitleg van “śūnyatā” komt uit de inleiding van deze Zenmeester in zijn boek over de Boeddhistische Hart Sūtra.

Deze beschrijving van de Zenmeester is mij bijgebleven omdat zij zo goed pas bij mijn beleving van de geesten in de nacht. Als kindsoldaat in Afrika stak ik met onze militie aan het einde van een nacht het bos rondom een dorp in brand. Wij schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [16]. De geesten van deze dorpelingen draag ik nog altijd met mij mee; hun adem – in leegte en ijdelheid – is was mijn adem geworden. ’s-Nachts zijn zij voor mij even reëel als mensen die ik overdag tegenkom; deze geesten zijn met mij verbonden in onderlinge afhankelijkheid binnen de wet van vergankelijkheid: overdag zijn zij weer verdwenen”, zegt Narrator.

“Zijn deze geesten ook nu hier in deze auto voor jou reëel aanwezig?”, vraagt Man.
“Nee, nu bestuur ik de auto en heb ik mijn aandacht bij de weg, maar als ik mijn aandacht nergens meer op richt, dan komen de geesten vanuit de leegte van de duisternis tot leven net zo levensecht als een droom tijdens de slaap. Of om een citaat aan te halen dat vaak ten onrechte aan Mark Twain wordt toegeschreven: “I am an old man and have suffered a great many misfortunes, most of which never happened” [17]”, zegt Narrator.

“Gelukkig, want anders zou ik jou willen vragen om een parkeerplaats op te zoeken en morgenochtend bij daglicht verder te rijden. Ik heb enkele versies van de Hart Sūtra in mijn bagage om te bestuderen. Zou jij mij willen helpen bij de interpretatie van het Sanskriet?”, vraagt Man.

“Dat is een goed idee. Ik heb een exemplaar van de uitleg van de Japanse Zenmeester bij mij. Heb jij een waterdichte ruimte voor boeken op de boot?”, vraag Narrator.

“Jouw boek past nog makkelijk in de waterdichte ton. Wanneer wij droog liggen bij laag tij, dan is er tijd om te lezen”, zegt Man.

“De definitie voor verlichting die jij net hebt genoemd, geeft een aspect van verlichting – in lijn met de onderlinge verbondenheid binnen de metafoor van Indra’s Net – duidelijk weer. Het is slechts een zijde van de medaille, de andere zijde is “śūnyatā”. In het Boeddhisme wordt voor verlichting vaak de term “nirvana” – letterlijk: afwezigheid van bos (of belemmeringen), op de open vlakte [18] – gebruikt. In het Hindoeïsme duidt men verlichting vaak met “moksha” [19] dat afkomstig is van de werkwoordkern “muc” die onder meer “losmaken, bevrijden” betekent. Met beide duidingen ben ik niet gelukkig, want ik denk dat “śūnyatā” tezamen met de metafoor van Indra’s Net een betere duiding geeft aan het begrip verlichting. Het lijkt mij goed om op dit deel van onze zoektocht niet alleen leegte in de zin van “leeg van” of ruimte, maar ook in relatie met onder meer de vier grote waarheden van het Boeddhisme en met Indra’s Net te bezien”, zegt Narrator.

“Goed idee. Wanneer ik op mijn reizen onder de donkere sterrenhemel wakker lag, dan voelde ik mij in de ruimte – of de oneindige leegte – opgenomen. De grenzen tussen de ruimte en mijzelf vervloeiden en ik werd één met alles om mij heen. In een boek over Zen Boeddhisme heb ik twee gedichten gelezen die een lege spiegel als metafoor voor het leven benoemden; in het tweede gedicht werd ook de illusie van de lege spiegel weggenomen zoals tijdens deze autorit door de donkere polder het zicht op het landschap. Kennen jullie de tekst van deze gedichten?”, vraagt Carla.

“Het zijn twee gedichten geschreven tijdens de benoeming van – of beter de Dharma overdracht aan – Huineng [20] de zesde Zen patriarch. In mijn eigen woorden: de vijfde patriarch voorvoelde dat de gedoodverfde kandidaat was tegen deze taak was opgewassen. Hij vroeg aan iedere monnik die kandidaat zou willen zijn, een kort gedicht met de kern van Zen te schrijven en te openbaren op de kloostermuur. Alleen de gedoodverfde kandidaat publiceerde anoniem het volgende gedicht:

Het lichaam is een Bodhi boom;
De geest als een lege spiegelstandaard.
Nu en altijd veeg hem schoon
En laat geen stof oplichten [21]

Bodhi – dat qua klank (en betekenis via “et incarnatus est” [22]) verwant is aan het Engelse woord body – betekent in het Sanskriet “een boom van wijsheid, of een boom waaronder een mens een Boeddha wordt” [23].

Een volgende ochtend hing er naast dit gedicht een tweede gedicht met de tekst:

Bodhi is fundamenteel zonder boom;
De lege spiegel heeft geen standaard.
Van oorsprong is er geen enkel ding.
Waar kan stof oplichten?

In het Sanskriet heeft Bodhi als tweede betekenis: “volkomen verlichting” [24]. De vijfde patriarch wist dat een nederige houtsprokkelaar – zonder enige formele opleiding tot monnik – dit tweede gedicht had geschreven en hij voorzag een opstand van het klooster tegen de benoeming van deze leek als Dharma opvolger. In de volgende nacht heeft de Dharma overdracht plaatsgevonden en bij het eerste ochtendlicht is de zesde Zen patriarch uit het klooster moeten wegvluchten. De monniken hebben hem nog lang achtervolgd. Uiteindelijk is hij na een lange vlucht volledig geaccepteerd als Dharma erfgenaam; iedere Zenmeester is in directe lijn met deze zesde patriarch verbonden. En met het voordragen van het gedicht weerspiegel ik hem in de leegte van de nacht”, zegt Man.

“Schitterende uitleg. Zullen wij morgen hierover verder gaan? Ik zou graag nog wat verder doezelen”, zegt Carla.

“Dan ga ik ook wat dutten. Morgen is het al vroeg licht”, zegt Man.

Narrator rijdt de auto met de slapende Carla en Man door Friesland en Groningen naar de parkeerplaats van Lauwersoog bij de veerboot naar Schiermonnikoog. Hij parkeert de auto naar het Oosten om over enkele uren de dageraad te kunnen aanschouwen. Bij het zien van de eerste schemering maakt hij Carla en Man wakker.

“Op deze heldere ochtend moeten wij naar de zonsopgang kijken voordat wij zo meteen bij de jachthaven de zeilboot gaan optuigen”, zegt Narrator.

“Bij het zien van het opkomen van de eerste zonnestralen door deze autoruit moet ik denken aan het gedicht “De Ramen” van Guido Gezelle, waarin hij als katholiek priester aan het einde van de negentiende eeuw de beeldenstorm nog een dunnetjes overdoet.

D E  R A M E N

De ramen staan vol heiligen, gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond, gehertoogd en gegraafd;
die ’t branden van het ovenvier geglaasd heeft in den scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf [25].

Doch schaars is herontsteken in den oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op de heiligen, zoo smelt
’t samijtwerk uit den mantelworp, de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen en graven dan, zoo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer, ’t is alles henen, tot
één’ helderheid gesmolten, in één zonnelicht – in God. [26]

– Guido Gezelle [27]

Kerkramen Noordzijde Keulen[28]

Volgens mij bepleit Guido Gezelle met dit gedicht – ondanks de pracht van gebrandschilderde kerkramen als vensters op de wereld – een lege spiegel zonder standaard in Gods aangezicht”, zegt Man.

 

 

[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[2] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Noordoostpolder
[3] Bron afbeelding: http://da.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[4] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(boeddhisme)
[5] Bron: Bridges, Jeff & Glassman, Bernie, The Dude and the Zen Master. New York: Plume, 2014, p. 95
[6] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sunyata, zie ook de Engelse Wikipedia-pagina over dit onderwerp
[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tropische_cycloon
[8] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 85 en 122
[10] Bron: Deshimaru, Taisen, Mushotoku Mind – The Heart of the Heart Sutra. Chino Valley: Hohm Press, p. 28, 29
[11] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C5%ABnyat%C4%81
[12] Bron: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 97
[13] Zie ook voor de “creatieve daad van zinneming en zinneming”: Merleau-Ponty, Maurice, Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Boom, 2009
[14] Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”.
[15] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.
[16] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84
[17] Zie: http://quoteinvestigator.com/2013/10/04/never-happened/
[18] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[19] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Moksha
[20] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Huineng
[21] Bron: The Sixth Patriarch’s Dharma Jewel Platform Sutra. Burlingame: Buddhist text translation society, 2002, p. 67
[22] Letterlijke vertaling uit het latijn: hij/zij/het is vlees geworden
[23] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[24] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[25] “Gemiterd en gestaafd”: van mijters en staf – als tekenen van autoriteit – voorzien. “’t branden van het ovenvier geglaasd”: tot glas geworden door het branden van het overvuur. “Al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf”: toont al de schilderingen op de plafonds van de kerken.
[26] Bron: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/gezelle/rijmsnoer/ramen.htm Het gedicht is door Guido Gezelle gedateerd op 14 april 1895.
[27] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Guido_Gezelle
[28] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Stained_glass

Advertenties

Inleiding: Vijf werkelijkheden en vijf skandha’s


In het vorige bericht heeft uw Verteller een inleiding gegeven over de samenhang tussen religie en wetenschap. In dit bericht gaat uw Verteller verder in op de vraag of de vijf skandha’s alles geven wat wij nodig hebben voor onze geestelijke ontwikkeling.

Tijdens de volgende aanlegplaatsen op hun Odyssee gaan de twee hoofdpersonen verder met hun zoektocht naar wie zij zijn, waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan. Eerst bezoeken zij de vijf gangbare werkelijkheden:

o   Feiten en logica – wetenschappelijke reflectie en bewustzijn

o   Intensiteiten en associaties – gevoelsmatige reflectie en bewustzijn

o   Leegte – wijze van bewustzijn

o   Verandering – wijze van bewustzijn

o   Onderlinge verbondenheid – wijze van bewustzijn

Welk verband hebben deze vijf werkelijkheden met de vijf skandha’s uit het Mahâyâna Boeddhisme en met de leegte van deze skandha’s volgens de Hart Sutra [1]?

Het antwoord op de tweede vraag is op dit moment eenvoudig: de twee hoofdpersonen zoeken het antwoord bij de aanleg bij de derde werkelijkheid – Leegte.

Het antwoord op de eerste vraag is ook vrij eenvoudig. De vijf werkelijkheden omvatten de vijf skandha’s waarbij de vijf werkelijkheden beter aansluiten bij het hedendaagse bewustzijn.

De vijfde en laatste skandha – bewustzijn – vormt de vier andere skandha’s en komt tegelijkertijd voort uit deze vier skandha’s [2]. Bewustzijn ligt ten grondslag aan de vijf werkelijkheden en bewustzijn wordt gevormd door de vijf werkelijkheden. Hierbij is er geen verschil tussen de vijf skandha’s – inclusief leegte – en de vijf werkelijkheden.

De eerste skandha – vorm – in hedendaagse vorm, valt samen met de vijf werkelijkheden, omdat vorm gestalte krijgt door feiten en logica (of het ontbreken hieraan), door intensiteiten en associaties voor het beleven van vorm, door verandering omdat alles verandert en door onderlinge verbondenheid doordat een vorm altijd in verhouding staat tot andere vormen.

De tweede skandha – gevoelens en sensatie – valt samen met de tweede werkelijkheid voor de beleving, met de vierde werkelijkheid voor de verandering van gevoelens en met de vijfde werkelijkheid voor de beleving van gevoelens binnen en door een samenleving.

De derde skandha – perceptie, herkenning of onderscheid – valt samen met de eerste werkelijkheid voor zover het feiten en dingen betreft, met de tweede werkelijkheid voor zover het onderscheid van intensiteiten en associaties betreft, met de vierde werkelijkheid voor de verandering van onderscheid en herkenning en met de vijfde werkelijkheid voor het onderscheid en herkenning ten opzichte van andere dingen, feiten, entiteiten, levende wezens en gebeurtenissen.

De vierde skandha – mentale indrukken, impulsen, inprentingen – komt op soortgelijke wijze terug als de derde skandha in de eerste, tweede, vierde en vijfde werkelijkheid.

Voor zover uw Verteller kan overzien, vallen de vijf skandha’s inclusief de leegte binnen de vijf werkelijkheden die de hoofdpersonen gaan bezoeken.

Aan het einde van de Odyssee kunnen de twee hoofdpersonen in een terugblik misschien oordelen of de vijf skandha’s alles geven wat nodig is voor onze geestelijke ontwikkeling.

Het volgende bericht komt over enkele weken. Een van de hoofdpersonen is nog steeds aan het herstellen van de inspanningen en de andere hoofdpersoon heeft het eerste deel van het verslag over “Een”, “Twee” en “Drie” bijna klaar voor de drukker. De versie in de Engelse taal is nog niet zover.

Over ongeveer vier weken zullen de hoofdpersonen hun Odyssee hervatten.

   [3]


[1] Zie verschillende vertalingen van de Hart Sutra, bijvoorbeeld door Red Pine (Bill Porter), Edward Conze, Donald S. Lopez Jr.

Inleiding: Een – solipsisme


Tijdens onze Odyssee ontmoeten jij en ik drie voor de hand liggende klassieken. Klassieken zijn denkbeelden waar niemand het meer (volledig) mee eens is, maar die nog steeds het bestuderen waard zijn om verder te komen. Wij maken bij deze inleiding een korte omweg langs de drie klassieken, het “solipsisme”, “het universum is een droombeeld” en het “pantheïsme”.

Solipsisme[1]

Het solipsisme kent en erkent één enkel bewustzijn dat volledig en compleet samenvalt met het bewustzijn van de waarnemer. In de oorspronkelijke vorm van solipsisme is er geen bestaan buiten het bewustzijn van de waarnemer. Op onze Odyssee zullen jij en ik vele elementen en vormen van solipsisme tegenkomen.

[2]

De eerste aanlegplaats – beschreven in hoofdstuk één – herbergt op het eerste gezicht enkele kenmerken van solipsisme, maar deze aanlegplaats ontkomt heel eenvoudig aan het solipsisme doordat de volkomen eenheid bij de volgende aanlegplaatsen in twee of meer delen is opgesplitst, waarbij niet uitgesloten mag worden dat deze afzonderlijke delen ook een gescheiden bewustzijn hebben. Daarnaast komt één steeds terug als eerste deelgetal van ieder priemgetal.

Bij de tweede en derde aanlegplaats zullen wij het solipsisme niet eenvoudig aantreffen.

Op onze vijfde aanlegplaats kan ieder van de vijf eenvoudige realiteiten ontsporen in solipsisme doordat iedere realiteit zichzelf ziet als het enige echte bewustzijn waarin alles volledig en compleet binnen samenvalt. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Uitsluitend natuurwetenschap die uitgaat van feiten en logica is werkelijk: al het andere is een waanbeeld of erger. In deze extreme vorm gaat natuurwetenschap over in religie; en religie valt vooralsnog buiten de competentie van natuurwetenschappen.
  • Alleen gevoelens doen er toe. Al het andere is een kilte waar wij ons verre van moeten houden.
  • Alleen in de leegte kan ik wonen, nooit vond ik ergens anders onderdak[3]. Dit is een valkuil voor ijverige beoefenaars van meditatie. Als door de sirenen[4] gelokt, worden deze beoefenaars weer naar de leegte terug gezogen voorbijgaand aan de andere realiteiten.
  • Alles is enkel verandering; of alleen vernieuwing telt[5].
  • Alles is onderling volkomen verbonden: deze verbondenheid is een samenhangend bewustzijn waarbuiten niets bestaat. Bij de aanlegplaats “nul – niet een, niet twee” zullen wij zien hoe deze vorm van solipsisme overstegen wordt.

Tijdens onze zevende aanlegplaatsen zullen wij elementen van solipsisme aantreffen bij alle zeven realiteiten. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • In de realiteit van Ishvara[6] – waar jij en ik een ontmoeting hebben met god en de goden – wordt regelmatig alleen de realiteit van de eigen god en godsdienst erkend. Vreemde goden en godsdiensten worden geregeld met alle mogelijke middelen bestreden. Hier wordt de eigen god en godsdienst als het enige ware bewustzijn gezien waarbuiten niets bestaat (of mag bestaan).
  • Alleen de realiteit van “hier en nu” bestaat. Het overige is niet van belang of bestaat niet.

Aan het einde van onze Odyssee bij onze thuiskeer bij “nul – niet één, niet twee” zullen wij zien hoe deze vormen van solipsisme bij de zeven andere realiteiten overstegen worden.

Het volgende bericht gaat over de tweede klassieker “het universum is een droombeeld”.


[2] Afbeelding overgenomen uit: http://www.huubmous.nl/2010/02/01/het-solipsisme-van-een-kind/

[3] Vrije weergave van de dichtregels “Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, nooit vond ik ergens anders onderdak” van Jan Jacob Slauerhoff.

[4] Zie de Odyssee van Homerus.

[5] Zie ook Herakleitos: “πάντα χωρεῖ καὶ οὐδὲν μένει”” dat “alles verandert en niets blijft” betekent. Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Heraclitus

[6] Een filosofisch concept voor God in het Hindoeïsme, zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Ishvara. In het Sanskriet is het woord “Ishvara” samengesteld uit het zelfstandig naamwoord “ish” dat “god, heerser” betekent – en waarin het Duitse woord “ich” nog herkend kan worden –, “va” dat “wind, oceaan, water, stroom, gaan” betekent en “ra” dat “geven, beinvloeden” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

Inleiding: Rituelen – deel 1


Naast mythen kennen wij ook rituelen om belangrijke overgangen en veranderingen te duiden en een plaats te geven in ons leven. De rituelen bestaan vaak uit een aantal vaststaande handelingen.

Eerst gaan jij en ik enkele belangrijke “rites des passages” – of de rituelen die belangrijke overgangen duiden – in jouw leven bekijken.

Aan het begin van jouw leven – dus ook aan het begin van alle tijden – ben jij nog één met alles en iedereen om ons heen. Zijn er dan al overgangen en veranderingen? Wij weten het niet. Wij kennen ook geen riten uit deze fase van jouw leven.

Jouw eerste geboorte uit de alomvattende eenheid heeft plaats gehad bij de scheiding van lucht en aarde. Is de eerste scheiding snel en in één zucht verlopen, of langzaam en fluisterend, of in oerknal gevolgd door een flits? Wij weten het niet. Deze scheiding van aarde en lucht is de meest pijnlijke scheuring tot op heden; het boek Genesis uit het Oude Testament spreekt van een scheuring van hemel en aarde. De volgende splitsingen zijn herinneringen van de eerste scheuring. Niet dat deze latere scheuringen niet pijnlijk kunnen zijn, maar de oer scheur is de immense scheiding waaruit de andere splitsingen als craquelé zijn voortgekomen.

[1]

Jouw eerste “rite de passage” heeft tijdens de allereerste geboorte van lucht en aarde plaatsgevonden. Jij bent toen gedoopt in de lucht en in het water van de aarde. De volgende doopsels die jij hebt ondergaan, verbinden jou met jouw voorouders en met de “rite de passage” van deze eerste geboorte.

Na de geboorte ben jij als individu verwikkeld in een samenleving. In hoofdstuk 3 volgt een verslag van deze vorming en verwikkeling; hierbij kijken wij naar de rol van mythen en rituelen.

Rituelen zijn een goede wijze om het onderlinge vertrouwen te laten ontstaan en steeds opnieuw te bestendigen. Door de rituelen wordt het vertrouwen tussen de wereld, de lucht, de aarde, de goden, priesters, mensen en alles om ons heen tijdelijk hersteld. Uit de aard moeten de rituelen periodiek herhaald worden ter bestendiging; zonder herhaling hebben deze “rites des passages” geen blijvende werking.

Hiertoe verrichten monniken, predikanten, priesters en mensen over de hele wereld steeds opnieuw hun meditatie, gebeden, gezangen en rituelen, opdat de onderlinge banden blijven bestaan. Een monnik heeft een keer gezegd dat meditatie van levensbelang is voor de hele wereld, opdat de wereld in stand blijft[2]. Een Gereformeerde organist heeft tijdens een radioprogramma gezegd dat hij de kerkzang het allermooiste ter aarde vindt.

In hoofdstuk 5 brengen wij verslag uit van jouw huwelijk met de wereld. Wij volgen de rituelen van de verbinding met de rede, met het gevoel, met de oneindige mogelijkheden, met de veranderingen en met de onderlinge verbondenheid.

[6]

[7]

Jouw huwelijk met het “al en een” komt in hoofdstuk 7 aan de orde. Wij volgen jouw verbond met:

  • God en de goden in de paragraaf “Ishvara[3]”;
  • De binding tussen lichaam en geest in “Et incarnatus est[4]”;
  • Elk deeltje om ons in “Toon mij een kleine waarheid”;
  • De eeuwigheid/tijd in “Geen tijd, geen verandering”
  • Al ons handelen in deze wereld in “Gij zijt dat”
  • De dood en de eindigheid in “En Dood heeft hier geen verblijf[5]
  • Met dit moment in al haar omvang in “Hier en nu”.

Elk van deze verbintenissen heeft haar “rites des passages”. Hieronder tonen wij twee foto’s van “rites des passages” bij het overstijgen van het ego in onder meer “Geen tijd, geen verandering”.

[8]

[9]

Bij de laatste aanlegplaats zijn jij en ik alle mythe en rituelen overstegen of compleet ondergaan; zij zijn volledig verdampt en geïncarneerd. Het verslag volgt in hoofdstuk nul.

In het volgende bericht gaan wij verder met de rol van rituelen.


[2] Bron nog niet achterhaald

[3] Een filosofisch concept voor God in het Hindoeïsme, zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Ishvara

[4] « Et incarnatus est de Spiritu Sancto » kan worden vertaald door “En hij is vlees geworden van de heilige geest

[5] Zie ook: Dylan Thomas, And Death shall have no Dominion

[6] Bron afbeelding:

[7] Bron afbeelding: http://thekissklimt.wordpress.com/2009/04/24/the-kiss-brancusi-sculpture/

[8] Bron afbeelding: http://www.flickr.com/photos/grassvalleylarry/238432804/sizes/o/in/photostream/

[9] Bron afbeelding: http://themeditationmind.com/meditation-history/zen-buddhism/

Inleiding – inhoudsopgave van het boek


In het vorige bericht hebben wij uitgelegd hoe wij zijn gekomen tot het aantal van 19 speciale aanlegplaatsen tijdens onze Odyssee naar wie jij bent. Deze plaatsen vormen de inhoudsopgave van het boek.

[1]

Nu noemen wij de 19 speciale aanlegplaatsen aan de hand van de inhoudsopgave.

Inleiding – Introibo[2] [3]

1.       Een – Aldus, in unum deum[4]

2.       Twee – In dubio[5]

3.       Drie – Dubio transcendit[6]

4.       Vijf gangbare werkelijkheden

o   Feiten en logica

o   Intensiteiten en associaties

o   Leegte

o   Verandering

o   Onderlinge verbondenheid

5.       Zeven andere werkelijkheden

o   Ishvara[7]

o   Et incarnatus est[8]

o   Toon mij een kleine waarheid

o   Geen tijd, geen verandering

o   Gij zijt dat

o   En Dood heeft hier geen verblijf[9]

o   Hier en nu

6.       Nul – Niet een, niet twee

Het volgende bericht gaat over mythe en rituelen. Daarna gaan wij verder met de inleiding van de 19 aanlegplaatsen.


[2] Introibo ad altare Dei: laat mij binnengaan naar het altaar van God

[3] Joyces, James, Ulysses. 1975, P. 7

[4] In een God

[5] In twijfel

[6] Twijfel overstegen

[7] Een filosofisch concept voor God in het Hindoeïsme, zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Ishvara

[8] « Et incarnatus est de Spiritu Sancto » kan worden vertaald door “En hij is vlees geworden van de Heilige Geest”

[9] Zie ook: Dylan Thomas, And Death shall have no Dominion