Tagarchief: Abraham Joshua Heschel

Beeldenstorm


Halverwege de middag zitten Carla en Man op een bankje voor Atheneum Boekhandel op het Spui in Amsterdam bij het Lieverdje [1].

Spui_Amsterdam[2]

“Waren wij vanmorgen niet te uitgesproken in ons oordeel over de Reformatie en de schisma’s in de Gereformeerde Kerk in Nederland tijdens en na de Tweede Oorlog?”, vraagt Man aan Carla.

“Op onze zoektocht zijn wij bij intensiteiten en associaties en bij de Reformatie van het Christelijk geloof; het gaat er bij dit onderwerp niet zachtzinnig aan toe.

Tijdens de Reformatie woedde in Holland een Tachtigjarige onafhankelijkheidsoorlog met alle kenmerken van een Godsdienstoorlog. Iedere oorlog is verschrikkelijk – hoewel ik in ieder geval een auteur ken die niet vies is van een goed gevecht [3] – ook een onafhankelijkheidsoorlog en een Godsdienstoorlog. In de eerste helft van de twintigste eeuw is met verzuiling [4] een modus vivendi ontstaan tussen de verschillende geloofsgroeperingen in Nederland. De scheuring in de Gereformeerde Kerk van 1944 is niet met bloedvergieten gepaard gegaan, maar de scheiding was niet minder pijnlijk en onvermijdelijk voor de betrokkenen. Daar is Narrator”, zegt Carla.

“Zullen wij naar het Begijnhof lopen om daar verder te gaan met de Beeldenstorm”, zegt Narrator.

“Vanmiddag heb ik tijdens mijn rustuurtje in het boek “De Profeten” van Abraham Joshua Heschel – dat ik van Man heb geleend – een passage [5] gelezen over de beeldenstorm:

Marc_Chagall_Isaiah[6]

De profeet is een beeldenstormer die alles ter discussie stelt dat ogenschijnlijk heilig is, vereerd wordt en ontzag inboezemt. Een geloof dat als een zekerheid gekoesterd wordt, instituties waaraan een bijzondere heiligheid wordt toegekend – hij stelt ze aan de kaak als schandelijke pretenties.

De profeet weet dat wat de Ene vraagt van de mens, verdraaid kan worden door de religie. Hij weet dat ook de priesters zelf hun eed breken door valse getuigenissen af te leggen, geweld door de vingers te zien , haat te tolereren, tot feestelijkheden op te roepen in plaats van uit te barsten in woede en verontwaardiging over alle wreedheid, bedrog, afgoderij en geweld.

En:

In de beleving van het volk valt religie samen met de tempel, het priesterschap, de wierook. Die vroomheid brandmerkt de profeet als bedrog en illusie. [7]

Deze passages komen uit de beschrijving “Wat voor mens is de profeet”. Naast een “Mens in opstand” [8] is de profeet volgens Heschel een mens met een sensitiviteit voor het kwaad dat zich helder en explosief – liefst een octaaf te hoog – in strengheid en mededogen uit; de profeet wil de apathie van de anderen omzetten in een pathos met een rechtstreeks verbond met de Ene of God in onze taal.

Profeet[9]

Ik denk dat de Protestanten in Holland de teksten van de profeten uit het Oude Testament hebben bestudeerd en daaruit een bevlogenheid hebben verkregen tot het hervinden van een ware geloof uit de begindagen van het Christendom”, zegt Carla.

 “Ik weet zeker dat de Protestanten wisten van de tempelreiniging van Jezus uit het Evangelie van Johannes:

Kort voor het Joodse paasfeest reisde Jezus naar Jeruzalem. Daar zag hij op het tempelplein de veehandelaren de geldwisselaars. Jezus joeg de veehandelaren met hun schapen en runderen de tempel uit, hij smeet het geld van de wisselaars op de grond en gooide hun tafels omver en riep: “Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!” Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: “De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.” Maar de Joden vroegen: “Met welk recht kunt u aantonen dat u dit mag doen?” Jezus antwoordde hen: “Breek deze tempel af en binnen drie dagen zal ik hem laten herrijzen.” De Joden zeiden: “Zesenveertig jaren nam de bouw van deze tempel in beslag en u wilt hem in drie dagen herbouwen?’ Maar Jezus sprak over de tempel van zijn lichaam.[10]

Bij de tempel van zijn lichaam denk ik aan “et incarnatus est [11]uit het Credo.

In de eerste helft van de 16e eeuw waren de kerken devotieplaatsen volpropt met devotievoorwerpen die elk hun groep aanhangers in de plaatselijke bevolking hadden. Een aantal devotievoorwerpen waren relikwieën van heiligen waarop de status en de waarde van kerken was gebaseerd. Bijvoorbeeld: de Sint Pieterbasiliek is gebouwd op de plaats waar volgens de overleveringen de graftombe van Petrus – een van de twaalf discipelen van Jezus en voor de Katholieken de eerste paus – zich binnen de begraafplaats Necropolis bevindt. Tussen 1940 en 1949 werden onder de vloer van de Sint Pieterbasiliek opgravingen verricht waarbij een graftombe met de vermoedelijke beenderen van Petrus werden blootgelegd. Deze claim kan niet wetenschappelijk worden onderbouwd [12].

Met de grote verspreiding van de geletterde informatie door de opkomst van de boekdrukkunst veranderde de altijd sluimerende twijfel over de echtheid van deze relikwieën in een onderbouwde onzekerheid en soms in een bewijs van onechtheid van de oorsprong van deze devotievoorwerpen of devotieplaatsen.

Binnen de Katholieke kerk had de rol van heiligen veel overeenkomsten met de positie van vroegere plaatselijke goden. Doordat de gelovigen zelf de bijbel gingen bestuderen werd de rol van deze heiligen met hun prominente plaats in de lokale kerken ter discussie gesteld.

De tegenkrachten tegen de beeldenstorm kwamen niet alleen van de Katholieke geestelijken maar ook van de (welvarende) individuen en groepen die door donaties een bijdrage hadden gegeven aan de totstandkoming van de afbeeldingen van heiligen en van religieuze gebeurtenissen op schilderijen en in de kerkramen.

In de loop van de 16e eeuw sloeg in een aantal delen van Europa – meestal in gebieden net buiten de rand van het Romeinse rijk van meer dan 1000 jaar geleden – de volksdevotie voor heiligen en voor devotievoorwerpen om naar een regelrechte afkeer van deze vormen van geloof. In 1535 vond er een beeldenstorm plaats in Geneve. Na opruiende preken werd de altaren in de kerk vernield en de kerkramen ingegooid; later werd door jongeren de kerk ontdaan van de overgebleven devotievoorwerpen [13]. Eerder hadden er al een beeldenstorm plaatsgevonden in 1522 te Wittenberg, in 1523 te Zürich, in 1530 te Kopenhagen, in 1534 te Münster; en later in 1537 te Augsburg, in 1559 in Schotland [14].

De Beeldenstorm in 1523 te Zürich was ingang gezet door Ulrich Zwingli – profeet, dictator en voorvechter van zuiverheid van de kerk herleidbaar naar de bijbel en mede op basis van de rede naar Erasmus – die bijna gelijktijdig en in navolging van met Luther in Duitsland een Reformatie opgang bracht in Zürich. Zijn verzet werd ingeleid door sociale misstanden in Zwitserland – waaronder jongeren die militaire dienstplicht als huurling voor vreemde mogendheden moesten verrichten – en door gewijzigde sociale verhoudingen met een opkomende geletterde burgerij en een boerenstand die een grotere onafhankelijkheid wensten ten opzichte van de landvoogden. In 1519 verzette Zwingli zich tegen de aflaten binnen de Katholieke kerk en vanaf 1520 nam hij afstand van de Katholieke  kerk. In 1522 trouwde hij in het geheim met Anna Reinhard – een jonge weduwe met drie kinderen – die bekend stond om haar schoonheid, geloof en trouw aan de Reformatie. Op 2 april 1524 trouwde Zwingli met haar in een openbare kerkdienst; zij kregen tussen 1526 en 1530 nog vier kinderen. Zwingli’s radicale volgelingen maakten gebruik van de situatie in Zürich om in 1523 afbeeldingen en beelden uit de kerken te verwijderen, de liturgie te veranderen en de mis te versoberen. Tegen het einde van 1524 waren de kloosters afgeschaft. Door Zwingli werd de volledige kerkleer en kerkelijke ceremoniën in Zürich onderworpen werden aan het oordeel van de bijbel. Zwingli heeft een verbod op rente en woeker uitgevaardigd. Tegenstanders van Zwingli konden rekenen op een meedogenloze vervolging. Van 1526 tot 1531 werd Zwingli’s vertaling van de Bijbel – de Froschauer Bijbel – gedrukt. Op de donderdag in de Goede Week van 1525 werd de eucharistie voor het eerst gevierd volgens Zwingli’s nieuwe liturgie. De mannen en vrouwen zaten toen aan weerszijden van de kerk langs een lange tafel, waarop brood op houten borden en wijn in houten bekers stonden. Het verschil met het Katholieke Heilige Mis was zeer groot. Voor Zwingli en zijn volgelingen verwijst het brood en de wijn – ook na de consecratie – naar het lichaam en bloed van Christus; wie ter communie gaat, belijdt symbolisch een verbintenis met Christus. Het avondmaal is binnen de liturgie van Zwingli een gedachtenisviering vergelijkbaar met het Joodse Pesach [15]. Hierin wijkt Zwingli principieel af van de Katholieke kerk waarbinnen het brood en de wijn tijdens de consecratie via transsubstantiatie [16] in het lichaam en het bloed van Christus overgaat. Hierin wijkt Zwingli ook principieel af van Luther en Melanchton die geloofden in een vorm van consubstantiatie [17] waarbij Christus tijdens de viering van het avondmaal aanwezig is samen met (of naast) het brood en wijn.

Avondmaal[18]

Zwingli slaagde erin Zürich de oorlog te laten verklaren aan de rooms-katholieke kantons in de hoop om de Reformatie binnen heel Zwitserland uit te verbreiden; hij droomde van een Zwitsers/Duitse alliantie tegen het Heilige Roomse Habsburgse keizerrijk. In oktober 1531 pleegden de Katholieke kantons een gezamenlijke aanval op Zürich. Door de onverwachtheid van de aanval waren de protestanten nauwelijks klaar om zich te verdedigen. Zwingli ging met zwaard en helm voorop in met het Protestantse leger. In Kappel werd het leger van Zürich definitief verslagen en werd de Vrede van Kappel getekend. Zwingli zelf werd in de veldslag gedood, zijn lichaam gevierendeeld, verbrand en zijn as vermengd met mest [19].

Zwingli_gedood[20]

De beeldenstorm die in de nazomer tot oktober 1566 over Noord Frankrijk en de Westelijk Nederlanden raasde, begon op 10 augustus 1566 in Steenvoorde (het huidige Noord Frankrijk) waar de beelden in een klooster werden vernield [21]. In deze drie maanden tijd werden vele kerken geschonden en het interieur vernield. De verscherping van tegenstellingen die mede door deze  beeldenstorm zichtbaar werden, leidden indirect tot het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog en het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Beeldenstorm[22]

In Zeeland is de route van de beeldenstorm enigszins te volgen. Op 22 augustus 1566 werden in Middelburg de eerste kerkgebouwen vernield. De Middelburgers trokken naar Buttinge, Poppendamme, Arnemuiden, het klooster in Aagtekerke, het klooster Zoetendale bij Serooskerke, het klooster Sint-Jan ten Heere onder Domburg. Vanuit Veere en Vlissingen gingen beeldenstormers op weg naar de plattelandsgemeenten en werden de plattelandskerken van Walcheren vernield. De Vlissingers richtten vernielingen aan in Oost-Souburg, West-Souburg, Koudekerke, Biggekerk, Zoutelande en Oud-Vlissingen [23].

Deze beeldenstorm in de Westelijke Nederlanden was een uiting van ongenoegen tegen obsolete sociale verhoudingen binnen de maatschappij en de religie. Tegelijkertijd was de beeldenstorm de startsein van de 80 Jarige Oorlog [24] – een vreselijke en onvermijdelijke opstand tegen de toenmalige Spaanse koning van de Westelijke Nederlanden – en de aanzet tot de eerste moderne Republiek”, zegt Narrator.

“Zullen wij het Begijnhof morgen bezoeken?“, vraagt Carla.

“Goed idee. Dan kunnen wij morgen verder gaan met de beeldenstorm. Ik zou graag een beeldenstorm van 2000 jaar eerder uit de Joodse geschiedenis willen belichten. Ik denk dat die beeldenstorm ook van invloed is geweest op het ontstaan van het Protestantisme. Zullen wij wat drinken bij het café aan de overkant”, zegt Man.


[1] Bij het Lieverdje in Amsterdam ontstond in de jaren zestig de provobeweging. Zie ook:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Het_Lieverdje en http://nl.wikipedia.org/wiki/Provo

[3] Zie Introduction in: Creveld, Martin van, The Culture of War. New York: Ballantine Books, 2008

[5] Zie: Heschel, Abraham Joshua, De Profeten, Vught: Skandalon, 2013, p. 38

[6] Afbeelding van Isaiah – een schilderij van Marc Chagall – op de voorzijde van de Nederlandse uitgave van “De Profeten” van Abraham Joshua Heschel.  Bron afbeelding: http://www.wikipaintings.org/en/marc-chagall/prophet-isaiah-1968 (zie “fair use” op deze website)

[7] Zie ook: Jeremia 7:4

[8] Zie ook: Camus, Albert, De Mens in Opstand. Amsterdam: De Bezige Bij, 1974

[9] Schilderij van Benjamin West Isaiah’s Lips Anointed with Fire. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Prophet

[10] Vrij naar: Johannes 2:13-21

[11] Deelstrofe uit het Credo: “Et incarnatus est de Spiritu Sancto (en hij is vlees geworden uit de Heilige Geest)

[13] Bron: Fernández – Armesto, Felipe & Wilson, Derek, Reformatie – Christendom en de wereld 1500 – 2000, Amsterdam: Uitgeverij Anthos, 1997, p.122, 123

[19] Bronnen: Fernández – Armesto, Felipe & Wilson, Derek, Reformatie – Christendom en de wereld 1500 – 2000, Amsterdam: Uitgeverij Anthos, 1997, p. 131, Vries, Theun de, Ketters – Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht. Amsterdam: Querido, 1987, p. 575 – 582 en http://nl.wikipedia.org/wiki/Huldrych_Zwingli

[20] Zie vaandel met afbeelding van Maria. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Huldrych_Zwingli

[21] Bron: Noordzij, Huib, Handboek van de Reformatie – De Nederlandse kerkhervorming in de 16e en de 17e eeuw. Utrecht: Uitgeverij Kok, 2012, p. 414

Advertenties

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 9


Carla, Man en Narrator lopen rond het Piazza di Santa Croce.

“Ik kom terug op de synthese tussen de wereld van de Upanishads en de Mahābhārata waar Narrator ons op heeft gewezen. Hebben jullie het verschil tussen het “Aldus”-aspect en het “Samenloop der dingen”-aspect begrepen?”, vraagt Man aan Carla en Narrator.

“Ik heb jouw uitleg over het verschil begrepen, maar ik vraag mij af of er in de werkelijkheid een verschil is tussen “Aldus” en “Samenloop der dingen”. Het lijkt mij dat de “Samenloop der dingen” een andere kijk is op “Aldus”, of zie ik iets over het hoofd”, zegt Carla.

“Carla zou wel een gelijk kunnen hebben”, zegt Narrator.

“Carla heeft gelijk. In mijn uitleg heb ik het verschil tussen beide aspecten benadrukt om “Aldus” op twee verschillende manieren te bezien. In de inleiding tot de “Ontwaking van Geloof” wordt in eerste instantie het “Aldus”-aspect aangeduid met “Aldus in essentie (in leegte en vorm)”, en “Saṃsāra – of Samenloop der dingen” wordt beschreven als “Aldus in verschijningsvormen en kenmerken”. Daarna wordt in de inleiding de begrippen “Aldus”-aspect en “Samenloop der dingen”-aspect gebruikt om beide verschijningsvormen van “Aldus” helder te duiden. Na het lezen van deze inleiding weet ik beter wat bedoeld wordt met “evam” als eerste woord – en tevens als samenvatting – van alle Boeddhistische Sutra’s; “evam” omvat alles, niets is uitgesloten”, zegt Man.

“Ook bij “evam” heb ik mijn gebruikelijke vraag over de definitie van dit grondbeginsel. Wanneer “evam” eindig is, dan is op “evam” de tweede onvolledigheidsstelling van Gödel van toepassing [1]. Maar in het geval “evam” oneindig en alomvattend is, dan zou er buiten “evam” niets kunnen bestaan om “evam” te bewijzen of ter discussie te stellen; in het geval van oneindigheid en alomvattendheid is “evam” per definitie volledig, want buiten “evam” bestaat niets. Ik laat deze vraag voorlopig rusten; volgens mij ligt het antwoord in het onbereikbare”, zegt Carla.

“Het is een inleiding tot de “Ontwaking van geloof” en het is geen inleiding tot de “Ontwaking van wetenschap”. De vraag naar “evam” is een religieuze vraag; een vraag naar de oorsprong waar mensen op terug kunnen vallen wanneer zij het niet meer (kunnen) weten. Ik denk dat Carla gelijk heeft; het antwoord ligt waarschijnlijk in het onbereikbare”, zegt Narrator.

“Als stapsteen naar “God in search of Man” – ik noem de Engelse titel omdat daarin mijn voornaam voorkomt – gebruik ik het boek “Ich und Du” uit 1923 van de godsdienstfilosoof Martin Buber [2] (buitengewoon hoogleraar in Frankfurt am Main) die in 1938 aan het andere regime in Duitsland is ontkomen door naar Jeruzalem te vluchten. “In den beginne is de relatie [3]” volgens Martin Buber. De mens kan alleen “ik” zeggen dankzij “jij” (of “het”), zijn verhouding met anderen (en dingen) is dialogisch. “Ik” en “jij” zijn geen afzonderlijke objecten of dingen; er bestaat geen afzonderlijk “ik” of “jij”, er bestaat alleen een wederkerige relatie tot elkaar. Door dit religieus te duiden – “In ieder Jij spreken wij het oneindige alomvattende [4] aan” – wordt de verhouding tot God dialogisch: in de alomvattendheid kunnen wij God niet beschrijven, maar alleen aanspreken; ons leven is een existentiële dialoog met een oneindige alomvattende “Jij”. Wetenschap verenigd met religie biedt volgens Martin Buber geen leer, maar levenswijsheid.

feiten en logica 91[5]

Een voorbeeld van deze levenswijsheid gegrondvest in wetenschap en religie las ik op de achterzijde van de Nederlandse uitgave van “God in search of Man” waar de woorden van Baäl Sjem als leidraad staan vermeld:

Als een mens kwaad heeft gezien, laat hij daar niet moeilijk over doen.

Laat hij zich bewust zijn van zijn eigen kwaad en daaraan gaan werken.

Want wat hij gezien heeft, is ook binnenin hem.

Binnen de kaders van de “Ontwaking van Geloof” zijn de woorden van Baäl Sjem glashelder; al het goed en kwaad is net als Jij en ik opgenomen in “evam” of “Aldus”. Al het goed en kwaad is binnenin ons. Zou Martin Buber goed en kwaad zien als manifestaties van “Ich und Du”, als dialogische verhouding tussen ik en God, of zou hij goed en kwaad onderbrengen in zijn tweede dialogische verhouding “Ich und Es” ? Ik weet het niet; ik laat deze vraag voorlopig rusten totdat ik in mijn inleiding ben aangekomen bij God in de gedaante van een mens.

Bij het lezen van de eerste hoofdstukken van “God in search of Man” – in het Sanskriet betekent “Man” onder meer “denken/beschouwen/waarnemen” – werd ik getroffen door de overeenkomsten in structuur met de “Ontwaking van Geloof”. Abraham Joshua Heschel kiest voor volgende drie wegen bij deze zoektocht van God:

  • God – dit is bij Abraham Joshua Heschel het onuitsprekelijke alomvattende EEN uit de “Ontwaking van Geloof”.
  • Openbaring (ontsluiering of onthulling)
  • Weerklank (respons)

De laatste twee wegen van de zoektocht van God tonen overeenkomsten met “evam” waarbij de “Openbaring” lijkt op “Aldus in essentie (in leegte en vorm)” gedurende de overgang naar “Aldus in verschijningsvormen en kenmerken” dat weer gelijkenis vertoont met “Weerklank”. Is deze gelijkenis toeval of is deze gelijkenis fundamenteel voor de “Ontwaking van geloof” van de mens?”, zegt Man.

“Er is denk ik een fundamenteel verschil tussen jouw inleiding tot de “Ontwaking van geloof” enerzijds en de wederkerige relatie tussen ik en Jij van Martin Buber en de zoektocht van God naar de mens anderzijds. In het Hua-yen Boeddhisme is er in beginsel geen ander, want alle verschijningsvormen en illusies komen voort uit en zijn verweven met “Een”. Martin Buber en Abraham Joshua Heschel zoeken en/of ervaren een dialoog met een eeuwigdurende alomvattende Ander: er bestaat een zekere bepaalde scheiding tot de Ander. Dit komt neer op een kernvraag op onze zoektocht: ”Zijn jij en ik verbonden of zijn wij gescheiden”. Ik weet het antwoord niet, maar het lijkt mij goed om deze vraag verder uit te diepen”, zegt Carla.

“Misschien zijn beide manieren van zien wel twee manifestaties van een en hetzelfde binnen Indra’s Net. Zullen wij eerst De Basilica di Santa Croce van binnen gaan bezien. Binnen is het kruisbeeld dat tijdens de overstroming in 1996 ernstig werd beschadigd. Dit zou een overgang kunnen bieden naar God in de gedaante van een mens in onze wereld”, zegt Narrator.

feiten en logica 92[6]


[1] Zie voor een vereenvoudigde uitleg van het bewijs van deze tweede onvolledigheidsstelling: Nārāyana, Narrator, Carla Drift – Een Buitenbeentje, Een Biografie. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 154

[3] Bron: Buber, Martin, Ik en Jij. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 24; zie ook de openingszin in het Evangelie van Johannes.

[4] Bron: Buber, Martin, Ik en Jij. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 110, 111

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 7


Carla, Man en Narrator hebben het Baptisterium San Giovanni van binnen bekeken en staan nu buiten voor de gesloten oostelijk deur van het Baptisterium.

“Dit is volgens Michelangelo de “Porta del Paradiso” of de poort tot het paradijs. Op het bovenste paneel in de linker deur zijn “Adam en Eva in het paradijs”, “de zondeval” en “de verdrijving uit het paradijs” afgebeeld. Het paradijs en de zondeval zijn een mooie metafoor voor de menselijke illusie van de paradijselijke mogelijkheid tot een alomvattende kennis van de georganiseerde chaos. Nadat Gödel met twee onvolledigheidsstellingen van de appel der wijsheid had gegeten – waarna de illusie van alwetendheid van “feiten en logica” fundamenteel voor altijd onbereikbaar werd – wist de natuurwetenschappelijke wereld dat de mensheid voorgoed geen toegang had tot het paradijs van alwetendheid.

feiten en logica 71[1]

Het is volkomen terecht dat de “Porta del Paradiso” gesloten is en er een hek voorstaat”, zegt Carla.

feiten en logica 72[2]

“Ik heb in mijn stadsgids gelezen dat beide deuren een kopie zijn van de originele deuren die door de tand des tijds en door de overstroming van de rivier Arno [3] op 6 november 1966 ernstig beschadigd waren. Door deze overstroming werden enkele panelen uit de Porta del Paradiso gerukt [4]. Volgens mij is de overstroming van de rivier Arno ook een manifestatie van de georganiseerde chaos”, zeg Man.

feiten en logica 73[5]

“Zeker. De rivier is in 1333 en in 1557 n. Chr. tot een bijna gelijke hoogte buiten de oevers getreden. Misschien is dit de reden dat de woonverblijven in de Florentijnse paleizen zich op de eerste verdieping bevinden.

[6]

OLYMPUS DIGITAL CAMERA[7]

Deze overstroming is een uitgesproken voorbeeld van de georganiseerde chaos. Met redelijke zekerheid kan worden gesteld dat eens in de paar honderd jaar zich een soortgelijke overstroming in Florence kan voordoen, net zoals binnen zekere grenzen alle andere waterstanden in de rivier zich op een bepaald moment met een bepaalde kans kunnen manifesteren – dit is het geordende karakter van de georganiseerde chaos. Maar niemand kan met zekerheid voorspellen op welke dag zich in de toekomst een soortgelijke overstroming als in 1333, 1557 en 1966 n. Chr. zal gaan voordoen – dit is het chaotische karakter van de georganiseerde chaos”, zegt Carla.

“Mooi voorbeeld. Gisteren zocht ik meer informatie over Gödel. Ik las Gödels ontologisch bewijs van God. Ik heb een afdruk van dit bewijs voor jullie meegenomen”, zegt Narrator. feiten en logica 76[8]

“Ik heb zelden een eerste definitie zonder vraagtekens kunnen accepteren. Tijdens mijn studietijd vroeg ik altijd aan docenten waar de eerste definitie op gebaseerd was. Steeds konden docenten in eerste instantie een beperkt antwoord op mijn vraag geven, maar bij doorvragen kwam het antwoord altijd neer op de platitude: “Wij moeten toch ergens vanuit gaan”. Dit antwoord bleef voor mij onbevredigend, eigenlijk vroeg ik steeds naar het “Waarom” terwijl docenten op zijn best een antwoord konden geven op de vraag “Hoe – binnen een bepaalde context”. Terugkijkend is mijn wisseling van studie van Technische Natuurkunde naar het onderwerp Menswetenschappen te herleiden op het feit dat Technische Natuurkunde geen antwoorden beschikbaar had op de vraag waarom feiten en logica zich op een bepaalde wijze aan ons manifesteren. Terugkomend op de eerste definitie binnen Gödels ontologisch bewijs: waarom heeft een Goddelijke verschijning alleen positieve eigenschappen en geen negatieve eigenschappen of imaginaire eigenschappen – zoals imaginaire getallen in de elektrotechniek [9]? Op basis van het ontbreken van een antwoord op mijn laatste vraag èn op basis van Gödels eerste onvolkomenheidsstelling, kan Gödels ontologisch bewijs geen volledig systeem – of volledige beschrijving van een Goddelijke gedaante bevatten. In het geval Gödels ontologisch bewijs wel een volledige systeem zou bevatten – en dat is naar mijn mening niet het geval – dan kan de consistentie van de axioma’s niet vanuit het eigen systeem bewezen worden volgens Gödels tweede onvolkomenheidsstelling. Voor de volledigheid zeg ik dat mijn beweringen zijn gebaseerd op natuurwetenschappelijk logica – en niet op religieuze beginselen [10]. Volgens mij is Gödels ontologische bewijs een eerste logische vingeroefening van Gödel op het terrein van de religie en niet meer dan dat”, zegt Carla.

“Volgens mij heb jij gelijk”, zegt Narrator.

“Klinkt overtuigend. Ik zou tijdens de lunch graag jullie mening willen horen over de feiten en logica van de kijk op God zoals beschreven door Abraham Joshua Heschel in “God zoekt de mens[11] en van de twee aspecten van “Een” bewustzijn in het “Commentary on the Awakening of Faith” door Fa-Tsang [12]”, zegt Man.

“Dit sluit mooi aan bij Gödels ontologisch bewijs. Mijn inleiding op het denkraam van de strijder kan nog wel even wachten. Zullen wij een plaats zoeken voor onze lunch?”, zegt Carla.

“Ik weet een leuke plaats aan de Piazza di Santa Croche”, zegt Narrator.


[9] Berekeningen van elektronische schakelingen worden aanmerkelijk vereenvoudigd door gebruik van hulpgetallen of  imaginaire getallen met een reële waarde die gelijk is aan nul. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Imaginary_number

[10] Zie ook de kanttekening van Prof. Dr. W. Luijpen over de reikwijdte van Natuurwetenschap in relatie tot religie in het bericht “Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 6”

[11] Zie ook: Heschel, Abraham Joshua, God zoekt de mens – Een filosofie van het jodendom. Amsterdam: Uitgeverij Abraxas Amsterdam, 2011 (4e geheel herziene druk).

[12] Zie ook: Vorenkamp, Dirck, An English Translation of Fa-Tsang’s Commentary on the Awakening of Faith. New York: The Edwin Mellen Press. 2004

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 4


“Mag ik – voordat jij ons meer gaat vertellen over de georganiseerde chaos en het denkraam van de strijder – terugkomen op onze discussie van gisteravond?”, vraagt Man aan Carla.

“Dat is goed, het is beter om een onderwerp af te ronden”, zegt Carla.

“Gisteravond las ik in de bundel van Boeddhistisch vraagstukken (een recente uitgave van de bundel die Narrator van zijn Amerikaanse vriend als afscheidscadeau had ontvangen) de passage “Alle voelende wezens hebben een actief bewustzijn, grenzeloos en vaag zonder fundament ter ondersteuning”. Als voorbeeld wordt genoemd:

Wanneer een monnik voorbijkomt en hij wordt aangesproken met “Hé, jij”, dan zal deze monnik meteen zijn hoofd naar de spreker draaien. Wanneer deze monnik vervolgens aarzelt bij de tweede vraag “Wie ben jij?”, dan heeft deze monnik een actief bewustzijn, grenzeloos en vaag zonder fundament ter ondersteuning”.

Deze fundamentele staat van onwetendheid is – volgens dit vraagstuk – de onveranderlijke kennis van alle boeddha’s. Het vers bij dit vraagstuk luidt:

Een roep en men draait haar/zijn hoofd – Ken jij de zelf/Zelf of niet?

Vagelijk, als de maan [1] door de klimop, een wassende maan op dat moment.

Het kind van de rijkdom, zodra zij/hij valt

Op de grenzeloze weg van behoeften, heeft veel zorgen. [2]

feiten en logica 41.jpg[3]

Bij het lezen van dit vraagstuk en vers moest ik denken aan onze laatste discussie over onder andere God als “een ander, een vreemde”, die is gescheiden van “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat”. Waren God, de mensen en alles om ons heen voor de scheiding [4] in deze fundamentele staat van onwetendheid, zoals een gezond menselijk lichaam zonder kwalen ook een samenhangend geheel vormt zonder afzonderlijke onderdelen?  Hadden zij een fundament ter ondersteuning en welk fundament was dit, of was het ontbreken van een fundament de bron van een actief bewustzijn, grenzeloos en vaag? Ik weet het antwoord op deze vragen niet. En – na de val, na de scheiding – waaruit komt de grenzeloze weg van behoeften met vele zorgen voort? Heschel vervolgt zijn essay “Man is not alone” [5] met de onderwerpen: “geloof”, “één God”, “aan het geloof voorbij”, “streven naar eenheid”, en “gewone daden zijn avonturen”. Zou Heschel de strofe “Een roep en men draait haar/zijn hoofd” uit het Boeddhistische vraagstuk hebben gezien in de categorie “gewone daden zijn avonturen”? Ik denk het wel; maar zou hij uiteindelijke “Een roep” en “men draait haar/zijn hoofd” als “een” of als “gescheiden” hebben gezien? Ik zie het vagelijk als een wassende maan door de klimop”, zegt Man.   

“Bij de passage “grenzeloos en vaag zonder fundament ter ondersteuning” uit het Boeddhistisch vraagstuk denk ik aan “śūnya” – dat “leeg” betekent – uit de Hart Sūtra [6] waarin “vorm gelijk is aan leegte zoals leegte gelijk is aan vorm”; in leegte is geen Dharma – of wereldorde of plicht. Nu nodig ik jullie uit om de Cappelle Medicee [7] in de Basilica van San Lorenzo [8] te bezoeken. Deze kapel gelegen achter de Basiliek is een symbolisch mausoleum als praalgraf voor een deel van de familie van de Medici. Deze familie was een “kind van de rijkdom in de Renaissance dat zodra zij viel op de grenzeloze weg van behoeften, veel zorgen heeft gekend”. Het mausoleum geeft in mijn ogen de immensheid en verkilling van de zorgen van deze familie prachtig weer”, zegt Narrator.

Carla, Man en Narrator bezoeken de Cappelle Medicee.

feiten en logica 42.png[9]

Weer buiten vervolgen zij hun discussie op een bank op het Piazza di Madonna degli Aldobrandini.

“Alles in de Cappelle Medicee is erop gericht om afstand te scheppen tot de toeschouwer. Ik verwacht dat in het verleden alleen genodigden door de familie werden toegelaten tot dit symbolisch praalgraf. Ik denk dat dit mausoleum tot doel had om het nageslacht van de Medici eraan te herinneren waaraan zij hun rijkdom te danken hadden en om bezoekers te tonen welke “kinderen van rijkdom” hier herdacht worden. Bij ieder graf in het mausoleum heb ik mij afgevraagd “Wie ben jij?” en “Ken jij de zelf/Zelf of niet?”. Ik denk “Vagelijk, als de maan door de klimop”, maar de overvloed aan de vele soorten van “klimop” zal het zicht op de maan niet bevorderen”, zegt Man.

“Zullen wij nu Basilica van San Lorenzo bezoeken? De buitenkant is gesloten, maar ook bij deze basiliek wordt de pracht binnen getoond”, zegt Narrator.

feiten en logica 43[10]

feiten en logica 44 [11]

“Ik ben blij dat wij de discussie hebben voortgezet, want hierdoor – en zeker na het bezoek aan de basiliek – ontstaat een mooie opstapje naar het ontstaan van een scheiding tussen wetenschap en religie in de Renaissance. De overgang in stijl van de koorkoepel naar het plafond van de hoofd- en zijbeuken toont de wens om de wetenschap gebaseerd op Middeleeuwse Scholastiek te gaan veranderen in een ordelijke wetenschap die alles keurig verklaard wanneer wij de grondbeginselen maar juist kennen en toepassen. Mag ik de volgende keer hierop verder gaan, want ik moet nu rusten?”, zegt Carla.

feiten en logica 45[12]

“Graag”, zeg Man.

“Tijdens het avondeten?”, zegt Narrator.

“Dat is goed”, zegt Carla.


[1] Zie ook: Drift, Carla, Man Leben – Een Leven, Een Biografie. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 71 – 72

[2] Vrije weergave van een deel van het vraagstuk “Guishan’s Active Consiousness” uit: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 163 – 166.

[4] Zie ook: De parabel van Adam en Eva verstoten uit het paradijs na de zondeval in Hoofdstuk 3 van Genesis in het Oude Testament.

[5] Zie: Heschel, Abraham Joshua, Man is not alone – A Philosophy of Religion. New York: Farrar, Straus and Giroux, 1951. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Joshua_Heschel. In “The Long Discourses of the Buddha. Massachusetts: Wisdom Publications, 1995 p. 38-39” worden 32 verblijfplaatsen genoemd voor voelende wezens; waarvan 22 verblijfplaatsen voor Goden. Zijn binnen dit denkraam Goden ook “kinderen van rijkdom”?

[6] Zie: Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 110 – 112