Tagarchief: Abraham Maslow

Carla Drift – Veranderingen en Conflicten 2


Mijn laatste studiejaar in Amsterdam kende een schitterende lente, een lente als geen ander. De gestolde tijd kwam in beweging. Nooit heb ik de bloemen en de bloesem mooier gezien. De natuur rook naar leven.

Een lente als geen ander[1]

Het leven straalde en ik straalde terug. Alles om mij heen was nog even intens als in de drie jaren als drie eeuwen, maar de ijselijke verkilling ontdooide en de verstijving verdween in de warmte van de lentezon. Ik zweefde in een gouden gloed.  “Leven is een voortdurend sterven van het nu” – de zin uit de gestolde tijd – veranderde in:

Voor de natuur is
scheppen en voltooien één
en dezelfde daad

Zon schijnt in een kloof[2]

In de zomer en de herfst werd mijn leven normaal. Nog steeds mis ik de intensiteit en de eindeloosheid van het hier en nu.

Mijn eindscriptie voor mijn studie menswetenschappen had als onderwerp “Voorkomen van excessen bij veranderingen en conflicten”. Het eerste deel behandelde de omstandigheden waaronder excessen zich bij voorkeur manifesteren; het tweede deel beschreef de factoren die een dempende werking hebben op het ontstaan van uitwassen.

Bijna alle veranderingen gaan stilzwijgend voorbij. Deze stille veranderingen zijn als een ademhaling, het knipperen van de ogen of het draaien van het hoofd. De aanleiding kan zijn het lezen van de krant, het zien van een foto of het horen van een verhaal. Daarna is de wereld anders dan voorheen. Dit soort verandering is even natuurlijk als het leven.

Het onderwerp van mijn scriptie richtte zich op veranderingen die met spanningen zijn omgeven. In dit bericht volgen enkele aspecten uit mijn studie.

Ik had bij het onderzoek voor mijn eindscriptie gekozen voor zeven verschillende invalshoeken bij het bezien van veranderingen.

De eerste invalshoek had betrekking op de reikwijdte van de verandering. De reikwijdte van de (direct aanwijsbare) gevolgen van de verandering – en de spanningen die hiermee gepaard gaan – kunnen bij mensen variëren tussen een individu, een familie, een leefgemeenschap, een stad, een land, een continent, de wereld, of het heelal.

De tweede invalshoek bezag de intensiteit, de kracht en hevigheid van de veranderingen. De hevigheid en intensiteit kan variëren van een kleine rimpeling in het bestaan tot een alles volledig overweldigende verandering.

De derde invalshoek was de tijdsduur waarbinnen de verandering zich voltrok. De tijdsduur kan variëren van een schok als bij een inslag van een grote meteoor of de explosie van de vulkaan op het eiland Krakatau in 1883 [3]; de gevolgen van deze explosies en inslagen zijn vele jaren later nog merkbaar en kunnen samenlevingen wegvagen. Andere veranderingen hebben een lange aanlooptijd zoals het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog of de introductie van lees- en schrijfvaardigheid in de Westerse samenleving.

De vierde invalshoek bezag spanningen veroorzaakt door veranderingen van menselijke behoeften. Hierbij maakte ik gebruik van de hiërarchie van behoeften van Maslow [4] waarbij de vijfde hiërarchie door mij was opgedeeld in drie afzonderlijke hiërarchieën: behoefte aan kennis, behoefte aan religie en behoefte aan zelfverwezenlijking. De behoefte piramide van Maslow is een model voor ordening van menselijke behoeften oplopend van Zelfbehoud tot Zelfverwezenlijking. Onze Odyssee naar “Wie ben jij” is een zoektocht naar deze Zelf in al haar eindigheid en onmetelijkheid – wij komen dit model van Maslow op een aantal aanlegplaatsen van onze Odyssee tegen. Spanningen kunnen zich manifesteren bij overgangen van een hiërarchie naar de andere hiërarchie – menselijke groei gaat vaak met schokken gepaard. Ook treden spanningen op bij regressie van de behoeften door gewijzigde omstandigheden zoals hongersnood, onzekerheid, verharde omstandigheden, aantasting van de eer en/of belemmering van meningsuitingen, creativiteit, religie en/of zelfactualisatie.

Hierarchie van behoeften volgens Maslow [4]

De vijfde invalshoek bezag het stadium van de ontwikkeling van de samenleving. Een jager-verzamelaars samenleving heeft in het algemeen minder middelen voor extreem geweld dan een hoog ontwikkelde agrarische/industriële samenleving met een enorm reservoir aan surplus in mensen, voeding, middelen en kennis.

De zesde invalshoek had betrekking op de mate van sociale stratificatie binnen een samenleving [5]. Bij een extreem gestratificeerde samenleving is de rol van de absolute heerser – bijvoorbeeld een farao of zonnekoning – zeer bepalend. Bij een oligarchie zijn groepsdynamisch proces binnen de kleine heersende klasse bepalend. Een niet gestratificeerde samenleving heeft een eigen – voor mensen ogenschijnlijk chaotische – dynamiek. Bij nadere analyse heeft deze samenleving een dynamiek die vaak in enkele parameters kan worden weergegeven, maar uitkomsten zijn bij omslagpunten erg afhankelijk van uiterst kleine triviale toevalligheden. Veel mensen voelen zich bij chaotische processen onzeker: snel ontstaat een roep om leiding.

De zevende invalshoek is de wijze waarop met de verandering/spanning wordt omgegaan. Deze zevende invalshoek geeft de reactie weer van individu, groepen en/of samenleving op veranderingen/spanningen. De reactie kan variëren van negeren, meegaan, medeleven tonen, positie kiezen, woede en/of verzet. Deze zevende invalshoek kwam vooral in het tweede deel aan de orde waar ik de factoren onderzocht die een dempende werking hebben op het ontstaan van uitwassen.

Een volledige beschrijving en bestudering van deze zeven invalshoeken was niet mogelijk binnen het kader van mijn eindscriptie. De zeven invalshoeken heb ik in mijn eindscriptie als uitgangspunt genomen om als casus de veranderingen en spanningen te onderzoeken en beschrijven van mannen die alleen hun habitat verdedigen via een eerste groeispurt in de mensheid – door een betere voedselvoorziening – waarbij een mannenoverschot als mannenbroeders tijdelijk rondtrekt op zoek naar zelfbevestiging door veroveringen via een tweede groeispurt – door verdergaande specialisatie in de mensheid – waarbij mannen in rondtrekkende legers van vechten hun beroep maken via een derde groeispurt – door grotere welvaart – waarbij een permanente krijgsmacht zich endemisch nestelt in de samenleving. Hierbij onderzocht ik de gevolgen voor de inrichting van de publieke orde: de krijgsmacht wordt een machtsfactor in de openbare orde die rechtstreekse toegang nodig heeft tot mensen en middelen voor haar bestaan. Ruim 10 jaar na mijn eindscriptie heeft John Keegan een zeer lezenswaardige studie over dit onderwerp geschreven [6].

Vloot van oorlogsschepen [7]

Een jaar geleden heb ik een mooie observatie gelezen over de dempende werking van het woord in “An Iliad – A Story of War” van Alessandro Baricco [8]. Als noot bij zijn vertelling van de Ilias merkt Alessandro op dat onderhuids in de Ilias altijd de wens aanwezig is om te stoppen met vechten. Hij ziet dit verlangen zich in de Ilias manifesteren in dialogen, in overleg en in bijeenkomsten – hij noemt dit de vrouwelijk kant van de Ilias. De debatten en bijeenkomsten – in plaats van gevechten – gaan eindeloos tot vervelens toe door. Dit overleg is volgens Alessandro een manier om het gevecht zo lang mogelijk uit te stellen – het overleg is als een Scheherazade die in leven blijft door het vertellen van verhalen. Het woord is het wapen waarmee de oorlog als in gestolde tijd stil wordt gelegd. Zelfs als de helden discussiëren over de manier van vechten, dan voeren zij het niet uit – op deze manier rekken zij hun leven. De helden zijn gedoemd tot de dood, maar zij zorgen dat het “roken van hun laatste sigaret, dat zij roken met woorden” zo lang mogelijk duurt. Als zij de strijd aangaan, veranderen zij in blinde fanatici met volle toewijding aan hun eer en plicht. Maar eerst: eerst is er een gestolde tijd, vrouwelijk, een tijd van bewust uitstel en terugblikken op een verleden. Een stolling van tijd die enkele overeenkomsten heeft met mijn drie jaren als drie eeuwen.

Via deze observatie van Alessandro Baricco komen wij aan bij de samenhang van de publieke zaak – met het gebruik van het woord, overleg, wetgeving, verdragen en rechtspraak – en oorlog – met haar blind fanatisme, woede, haat, wraak en onpeilbaar leed. Volgens Von Clausewitz [9] is oorlog een voortzetting van politiek met andere middelen. John Keegan heeft hierbij opgemerkt dat het instrument oorlog al veel langer bestaat dan politiek als staatsvorm.

Met deze eindscriptie sloot ik mijn studentenleven in Amsterdam af. In dat najaar betrad ik het leven van alledag.

[1] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Lente
[2] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Zonlicht
[3] Zie ook:  http://en.wikipedia.org/wiki/Krakatoa
[4] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Maslow’s_hierarchy_of_needs
[5] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Social_stratification
[6] Zie ook: Keegan, John, A History of Warfare. London: Pimlico – Random House, 2004 en een eerdere studie over de zeemacht: Keegan, John, The Price of Admiralty. London: Penguin Books, 1988
[7] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Military_organization
[8] Bron: Baricco Alessandro, An Iliad. Edinburgh: Canongate, 2007 p. 153 – 154
[9] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Carl_von_Clausewitz

Advertenties

Carla Drift – Studie menswetenschappen 2


In het verlengde van psychologie en geschiedenis bestudeerde ik ook de geschiedenis van het recht en de gebrekkige rol van taal op het gebied van emoties, cultuur en karakter.

De geschiedenis van het recht bestudeerde ik om meer inzicht te krijgen in de ordening van de samenleving en de verhoudingen tussen individuen onderling. Heel lang geleden was alles privé en groepsrecht. Bij vogels heeft de bewoner van een territorium net even meer te zeggen dan een indringer – meestal druipt de indringer af tenzij de bewoner niet oplet of niet in staat is zijn territorium te verdedigen. De bewoner heeft het territorium nodig om over voldoende voedsel te kunnen beschikken voor de jongen.

[1]

Bij mensen speelt een soortgelijk mechanisme een rol bij de wijze waarop mensen of groepen recht laten gelden op een gebied. Daarnaast hebben mensen gewoonterecht ontwikkeld en gastvrijheid voor bezoekers. Deze gastvrijheid is soms vastgelegd in gastrecht [2] – vaak vinden hierbij ruilprocessen plaats met “objecten in het midden” om vertrouwen te bewerkstelligen en bestendigen tussen bewoners en bezoekers.

[3]

Heersers hebben al vroeg door middel van recht willen aantonen wie het voor het zeggen had – de baas [4]  was – in een bepaald gebied. Een van de oudste wetboeken is de codex van Hamurabi [5]. Met de verspreiding van deze Codex in spijkerschrift op zuilen binnen zijn rijk, toonde Hamurabi aan wie zeggenschap had over de gebruiken en de orde binnen zijn heerschap. Deze codex van Hamurabi kende een lange lijst met straffen op overtredingen – de meeste straffen hadden kenmerken van “oog om oog, tand om tand”. Bijna alle straffen waren af te kopen met een “object in het midden” om het vertrouwen weer te herstellen – de straf op het per ongeluk ernstig verwonden van de buurman bij werkzaamheden kon worden afgekocht met overdracht van vee om het onderlinge vertrouwen te herstellen.

 
[6]

Naast het recht tussen mensen onderling, was er ook recht dat was gericht op het algemeen belang. Een deel van dit publieke recht was vastgelegd in verdragen tussen vorsten en heersers onderling. Het verschil tussen deze vorsten en heersers en de hedendaagse warlords is in vele gevallen slechts gradueel. In de mate van wreedheid en machtswellust wordt het verschil getoond; heel soms zijn de heersers en vorsten wijs en gematigd. Deze verdragen begonnen meestal met een overweging dat er vroeger ook al een verbintenis was tussen de ouders of voorouders van de heersers met een bepaalde ordening; na de overweging volgde de verbintenis die verder bouwde op vroegere ordening en tot slot werden strafbepalingen opgenomen voor het niet nakomen van het verdrag. Deze straffen varieerden van oorlogsverklaringen tot volledig uitroeien van bevolkingen.

Een andere vorm van publiekrecht was oorlogsrecht waarin de gebruiken van oorlog en belegeringen waren bepaald. Enkele voorbeelden hiervan. Een stad kon belegering en plundering meestal voorkomen door het overhandigen van een buit tot het moment was aangebroken waarop de stad volledig was omslingeld; daarna was alleen een volledige overgave mogelijk. De plundering van de stad na de overgave of inname duurde een vastgestelde tijd van meestal een paar dagen. Na die tijd werd de buit verdeeld onder de veroveraars; de inwoners van de stad waren na verovering meestal een periode rechteloos – soms vervielen zij tot slavernij.

Naast deze vormen van publiekrecht waren er ook vormen van gemeenschapsrecht – bijvoorbeeld het gebruik van algemene weidegronden. Tegen het einde van mijn studie las ik een studie over oud Iers recht [7]; het is verrassend hoe herkenbaar deze rechtsvorm – met vele vormen van onderlinge zorgplicht – nog steeds is. Veel aandacht werd gegeven aan het in stand houden van het algemeen belang. Recent zijn in de wereld aan het gemeenschapsrecht nog het recht op educatie, ontwikkeling en ontplooiing toegevoegd ter verbetering van de samenleving. In het belang van de gemeenschap zijn straffen zoals “oog om oog” vaak gewijzigd in onder meer educatie en resocialisatie.

Op het gebied van taal bestudeerde ik hoe taal de onderlinge verhoudingen tussen mensen weerspiegelde en hoe de kijk op de wereld in taal wordt weerspiegeld. Later op onze Odyssee komen wij hier voorbeelden van tegen.

Erich Fromm [8] heeft in een van zijn werken gesteld dat wij de taal voor intensiteiten en associaties hebben verloren. Tijdens mijn studie is het mij opgevallen dat onze taal voor emoties, cultuur en karakter ook erg gebrekkig is. In onze hedendaagse samenleving kunnen wij over emoties, liefde , cultuur ons maar gebrekkig uitdrukken. Onderling praten wij hierover niet veel – met mijn grote liefde heb in taal geen goede communicatiemogelijkheid kunnen vinden voor de diepere emoties. Wij hebben altijd veel beter kunnen communiceren door handelingen, bewegingen en lichaamstaal. De belangrijke beslissingen hebben mijn grote liefde en ik altijd intuïtief gemaakt – hierbij was onze onderbuik belangrijker dan onze gedachten. Ik heb eens gelezen dat wanneer Fransen vragen “Comment ça va? ”, dit “ça” betrekking heeft op de onderbuik – een mooie gedachte. Waarschijnlijk communiceren wij op het gebied van emoties, cultuur en karakter wel meer door middel van gedragingen zoals lichaamstaal, handelingen zoals gastvrijheid, openheid en acceptatie enerzijds en negeren, afsluiten en agressie anderzijds. In Holland is zijn de inwoners door middel van de verzuiling tot ongeveer 30 jaar geleden erg goed geweest in het volledig naast elkaar leven van volstrekt verschillende religies. Tegenwoordig wordt negeren bij kinderen gezien als een vorm van pesten – misschien was deze manier van samenleven voor de inwoners van Holland wel een modus vivendi om erger te voorkomen.

In mijn bijbaan hield ik mij bezig met statistiek en correlaties tussen verschillende meetresultaten; vele medewerkers en studenten in de menswetenschappen konden hierbij wel enige hulp gebruiken. Als kleine intellectuele uitdaging volgde ik de ontwikkelingen van populatie mathematica; later heb ik deze kennis bij verschillende studies naar misdrijven tegen de mensheid kunnen gebruiken. Deze intellectuele uitdaging hield ik voor mijzelf – het leek mij verstandig om op dit punt verstoppertje te spelen, want deze vorm van wiskunde viel buiten de menswetenschappen.

Het volgende bericht gaat verder over mijn dagelijks leven in Amsterdam – ook een vorm van verstoppertje spelen.


[4] Man Leben zou hier hebben opmerkt dat “bhâsh” in het Sanskriet “spreken, noemen” betekent.

[7] Zie ook: Kelly, Fergus, A Guide to Early Irish Law. Dublin: Duldalgan Press, 2005 (eerste editie van 1988)

[8] Zie ook: Fromm, Erich, The Forgotten Language. New York: Rinehart & Co, 1951

Carla Drift – Studie menswetenschappen


Na mijn derde studiejaar verhuisde ik aan het begin van de zomervakantie met hulp van studievrienden uit Delft naar Amsterdam. Mijn nieuwe kamer had ik gevonden door bemiddeling van de charmante man met wie ik in Delft de colleges filosofie had gevolgd die werden gegeven door Prof. Dr. W. Luijpen. Pas halverwege de collegereeks begreep ik dat zijn naam Man Leben was. Hij stelde mij voor aan vrienden van hem die in de binnenstad van Amsterdam woonden; zij hadden een kamer over op de bovenverdieping. Mijn hele studietijd in Amsterdam ben ik op deze kamer blijven wonen; al snel werd ik van kamerbewoner een huisgenoot die een aandeel in het algehele huiselijk leven – samen koken, om beurten schoonmaken, aan het einde van een drukke dag nog wat napraten en heel soms een feest – op mij nam. De vrienden van Man waren blij met wat extra leven in huis en ik had deze huiselijkheid nodig nadat ik leeg uit Delft was vertrokken. Later hierover meer.

[1]

In Delft had ik de verplichte vakken voor menswetenschappen en wetenschapsfilosofie gevolgd. Daarnaast koos ik er voor om veel keuze vakken op dit gebied te volgen. Mijn technische natuurwetenschappelijke studie kon ik in Delft niet voortzetten in de richting die ik voor ogen had. Na gesprekken met veel mensen over mijn drijfveren, heb ik ervoor gekozen om mijn studie voort te zetten op het gebied van de menswetenschappen – de tweede hoofdstroom van mijn studie in Delft.

Met mijn kandidaatsdiploma in een technische studie kreeg ik maar enkele vrijstellingen voor bepaalde vakken in de menswetenschappen. Ik las snel en gelukkig kon ik voor de verplichte vakken in een hoog tempo examen doen. Binnen een jaar had ik mijn achterstand ingehaald.

Mijn studie omvatte psychologie die vooral was gericht op de ontwikkelen van mensen en op gedragingen van mensen in hun dagelijks leven. De behoeftepiramide van Abraham Maslow had ik in Delft al bestudeerd. Aanvullend daarop bestudeerde ik hoe mensen leerden kijken en zien; welke processen bij inprenting en beeldvorming een rol spelen. Inprenting en beeldvorming kan geschieden door het zien van voorbeelden van ouders en opinievormers, maar kan ook fysiek gebeuren door het eten van bedorven eten waarna het voedsel dat hiermee wordt geassocieerd nooit meer aangenaam wordt gevonden. Ik bestudeerde hebzucht in relatie tot overlevingsdrang van mensen; daarbij las ik veel studies over de rol van individuen op conflicten en oorlogsvoering, de gevolgen van deze conflicten op individuen en de interacties tussen beiden. Door verheerlijking en verering van heldendaden tijdens de oorlog worden individuen en samenlevingen rijp gemaakt voor acceptatie van de verschikkingen van oorlogsvoering. In de beeldvorming zouden deze verschrikkingen noodzakelijk zijn om een hoger doel te bereiken op het gebied van religie, overleving, grotere welvaart of overwinning van basisangsten. Later volgde ik als speciaal onderwerp de interactie tussen literatuur en kunst enerzijds en oorlogsgeweld anderzijds. Na het volgen van dit vak ben ik voor altijd anders naar bepaalde kunstuitingen gaan kijken. Een aantal dadaïstische en surrealistische kunstenaars hebben zich in de loopgraven van de eerste wereldoorlog hun beeldtaal eigen gemaakt; zij hebben letterlijk de verschrikkingen – lijken en paarden – in de bomen zien hangen.

[2]

[3]

Op het terrein van sociologie bestudeerde ik groepsgedrag waarbij inprenting en beeldvorming door initiatieriten en groepsdwang mijn bijzondere aandacht hadden. Ook veranderingen binnen groepen met de bijbehorende groepsdynamica en de gevolgen van deze veranderingen op het persoonlijke leven van groepsleden werden door mij bestudeerd. Tijdens het begin van de Eerste Wereld Oorlog was de deelname voor jonge mannen nog vrijwillig, maar als aan deze “vrijwillige” aanmelding geen gehoor werd gegeven, dan werden de jonge mannen en hun families fysiek en mentaal volledig uit de lokale gemeenschap buitengesloten – meer voorbeelden volgen later tijdens onze Odyssee.

[4]

Mijn interesse bij het vak geschiedenis ging uit naar de wijze waarop de geschiedenis in de loop der tijd vorm kreeg onder invloed van heersende beelden van de werkelijkheid in de samenleving. Vaak werd de geschiedenis geschreven door de overwinnaar of door de heersende klasse. De heersende klasse bepaalde van oudsher wanneer het jagen van dieren een edele en nobele activiteit – een privilege van de adel – was of moest worden gezien als ordinair stropen – door mensen zonder privileges. Dezelfde wijze van beeldvorming was ook werkzaam bij het bepalen wanneer een verovering moest worden gezien als een triomfantelijke weldaad voor de samenleving of een laaghartige roof van eigendommen en rechten. De werkelijkheid en de bijbehorende beeldvorming werden vaak aangepast aan noden en wensen van heersende klasse of aan de opkomende nieuwe klasse van heersers. De anarchist Mikhail Bakunin heeft ruim honderd jaar geleden heel terecht opgemerkt dat de revolutionairen in Rusland in hun beeldvorming en in hun daden binnen een jaar erger zouden zijn dan de Tsaar [5]. Tegen het einde van mijn studie heb ik met veel interesse de studie over de Geschiedenis van het persoonlijke leven van onder andere Philippe Ariès [6] en George Duby [7] gelezen. Hierin werd mooi weergegeven dat hoewel alles verandert, heel vele oude elementen in een gewijzigde vorm aanwezig blijven. Volgens oud romeins recht heeft een vader het recht een kind na de geboorte te aanvaarden of af te wijzen: mogelijk is de doop van een pasgeborene nog een overblijfsel van dit oude patriarchale recht. Het Romeinse rijk is in België en de Zuidelijke Nederlanden tot op heden blijven voortbestaan in de kerkprovincies van de Katholieke kerk. De kazuifels van de priesters in de Katholieke kerk vertonen nog steeds sterke overeenkomsten met de heersende mode in Rome in de vijfde eeuw na christus.

In het volgende bericht meer over mijn studie van de geschiedenis van het recht en de taal.

Carla Drift – jaren van bloei


De Lentezon scheen

Gul en overvloedig neer;

Haar glimlach voor ons

Van een omgeving waar “ja” alles kon betekenen afhankelijk van de omstandigheden – van een regelrecht “nee” tot een “ja” van Molly Bloom in Ulysses van James Joyce – verhuisde ik naar een land waar “ja en nee” de wereld volkomen in tweeën deelde. Het was een land dat onvoorstelbaar plat was en waar iedere groepering zijn eigen geloof baseerde op een bepaalde passage uit de Bijbel. Alleen het water was alomtegenwoordig. Water was voor alles en iedereen gelijk en iedereen streed daar dan ook tegen. Het was altijd pompen of natte voeten – veel vloeren van woningen langs het kanaal liggen ruim beneden het waterpeil in het kanaal.

[1]

Later heb ik begrepen dat het pompen erg nauw luistert. Bij teveel pompen klinkt de bodem van de polder in en zakt de bodem van de polder onherroepelijk verder naar beneden. Er moet steeds voldoende water in de slootjes en in de bodem van de polder blijven.

In dit land ging ik wonen, studeren, en ik ontmoette er mijn grote liefde – in deze volgorde.

Zo vlak als de polders waren, zo vlak waren toen in mijn ogen ook de manieren van de inwoners van dat land. Uit gastvrijheid werd ik bij een verjaardagsfeest uitgenodigd op de koffie – een klein stukje appeltaart voor iedere bezoeker en bij het aanbieden van een tweede biertje later op de avond zei iedereen: “Het is tijd om weer eens op te stappen”. Daar zat ik met mijn tweede biertje dat ik maar snel opdronk. Bij feesten in Zuid Limburg werden 24 vlaaien afgebakken voor het bezoek – men keek niet op enkele stukken vruchtenvlaai meer of minder voor iedere gast.

Mijn kamer was vlak bij een burgerroeivereniging in Delft. Ik ging bij de vereniging op bezoek: de vereniging zag wat in mij en ik vond de vereniging aantrekkelijk. Mijn drie jaren in Delft ben ik er blijven wedstrijdroeien.

[2]

In deze directe omgeving ging ik studeren: het sloot mooi aan bij de rechtlijnigheid van wiskunde en natuurkunde. Later bleken deze vakken en de inwoners van Holland wat minder rechtlijnig te zijn.

Mijn studie was nog altijd even makkelijk als op het gymnasium. Veel schijnzekerheden vielen tijdens mijn studie weg. Ik mocht bij een practicum een versterker bouwen; er waren teveel onbekende variabelen in de beschikbare formules om een eenduidige oplossing te verkrijgen. De oplossing hiervoor bestond uit het aannemen van enkele instelstroompjes – gebaseerd op ervaring of gerommel van alledag – en als het niet voldeed werd het instelstroompje wat aangepast.

Het bepalen van de uitkomsten van proeven bestond uit het vele keren meten waarna statistisch de uitkomst met een betrouwbaarheidsinterval werd berekend – ook gerommel van alledag, maar gestructureerd en reproduceerbaar gerommel binnen een statistisch betrouwbaarheidsinterval.

[3]

Bij wetenschapsfilosofie vernamen wij van Popper en Kuhn met falsificatie [4] als criterium voor wetenschap: een idee of model was pas wetenschap als het idee of model bevattelijk was – en openstond – voor andere ideeën/modellen die een kans hadden het eerste idee te weerleggen. Ideeën en modellen die niet bevattelijk waren voor weerlegging, vielen in de categorie dogma’s of religie.

Tijdens de colleges maatschappijleer maakt ik kennis met een hiërarchie van behoeften beschreven door Abraham Maslow [5]. Volgens dit model had ik een begin gemaakte met zelfverwezenlijking met een levensgroot gat bij liefde – daar had ik tot dan verstoppertje gespeeld met mijn gevoelens.

De colleges maatschappijleer over de “Milgram” [6] en “Stanford Gevangenis” [7] experimenten vergrootten mijn zorg en onbehagen dat was ontstaan bij het lezen van het oeuvre van Jef Geeraerts en van Erich Fromm. Een zeer aanmerkelijk deel van de mensheid liet zich – vaak door omstandigheden – wel erg makkelijk meesleuren in laaghartig, volgzaam en zelfs verwerpelijk gedrag. In mijn laatste jaar in Delft maakte ik kennis met de kwader trouw en de theorie van de blik van Sartre [8]. Door deze zienswijze werden mensen in hun vrije handelen ernstig belemmerd werden. Volgens de kwader trouw verwordt de mens tot een instrumenteel ding door op de betreffende mens een stempel te plakken: een vrij mens met alle mogelijkheden wordt uitsluitend door zijn rol als bijvoorbeeld kelner gereduceerd tot een beperkt instrumenteel dienend ding. Een soortgelijk mechanisme speelt bij de theorie van de blik waardoor in een oogopslag een vrij mens met alle mogelijkheden kan worden gereduceerd tot een laaghartig wezen. Een mens kijkt door een sleutelgat van een kamer, een tweede mens ziet dit: door de blik van deze tweede persoon wordt de eerste mens teruggebracht tot een laaghartige gluurder.

Deze colleges wetenschapsfilosofie en maatschappijleer hebben mijn hele verdere leven beïnvloed. Later zal ik hierdoor in Amsterdam mijn studie in een hele andere richting voortzetten.

Eerst volg ik drie jaren mijn technische natuurwetenschappelijke studie met onder meer de onderwerpen: elektromagnetische velden, thermodynamica, vloeistofleer, relativiteitstheorie, kwantummechanica en wiskunde over matrices en vectorvelden.

Uiteraard bleef ik bibliotheken bezoeken. De algemene bibliotheek voor literatuur, algemene ontwikkeling en ontspanning en de technische bibliotheek voor verdieping op natuurwetenschappelijk terrein.

Maar in het tweede semester van mijn eerste jaar kwam ook en vooral de liefde in mijn leven.