Tagarchief: adem

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 14


Carla, Man en Narrator zitten op het pleintje bij de ingang van de Basiliek van San Lorenzo voordat zij het paleis van de Medici gaan bezichtigen.

“Het denkraam van de strijder laat een aantal tegenstrijdigheden zien. De parabel van Mŗtyu – dood  in de vorm van een vrouw – geeft een inkijkje in de tegenstrijdigheden wanneer de oudste broer van Arjuna – als troonpretendent van de vijf Pāṇḍavaḥ broers – ontroostbaar is over het verlies van de vele gesneuvelden op het slagveld waaronder vele familieleden, leraren en leerlingen, geliefden en naasten. Als gevolg van de strijd – tussen enerzijds de wereldorde en plicht en anderzijds het menselijk handelen – om een rechtmatig koninkrijk voor de familieleden, leraren en leerlingen, geliefden en naasten, wordt er tegelijkertijd op een uitgebreide schaal dood en verderf gezaaid ook onder de dierbaren. Een ander voorbeeld is “vechten voor vrede”. Het denkraam van de strijder – voorzien van deze tegenstrijdigheden – vinden wij niet alleen terug op het slagveld, maar ook binnen de wetenschap, de godsdienst, de levensbeschouwing, de overheid en uiteraard binnen onszelf”, zegt Carla.

Feiten en logica 14a[1]

“De parabel over Śīla [2] – vrij vertaald met “Alomvattende eenheid” – uit de Mahābhārata toont het denkkader van de strijder binnen onszelf. Door een samenhangend gebruik van alle (menselijk) eigenschappen – of Śīla – had een wijze koning in het oude India uiteindelijk vrede en coherentie binnen zijn koninkrijk en zichzelf weten te bewerkstelligen. Hierdoor kreeg hij ook de beschikking over het immense vermogen van goedheid. Met goedheid verkreeg hij het rijkdom van de drie werelden waaronder de wereld van de Goden. Op een goede dag verscheen Indra – in een manifestatie als geneesmiddel – voor de koning en hij vroeg aan de koning om te leren wat goedheid werkelijk is. De koning zei dat het besturen van de drie werelden al zijn aandacht vergde: hij had geen tijd om dit aan Indra te tonen. Indra in de vorm van geneesmiddel bleef aan het hof en diende de koning zo voortreffelijk dat de koning zei: “Vraag wat jij wenst en ik zal het geven”. Als antwoord zei Indra: “U heeft mij al zoveel gegeven, maar u zou mij zielsgelukkig maken met uw Śīla”. De koning gaf Śīla aan Indra waarna het “geneesmiddel” meteen vertrok. Na de overhandiging van Śīla voelde de koning een innerlijke onrust zonder te weten waarom. Een kolom van licht in menselijk vorm kwam uit zijn lichaam tevoorschijn. De koning vroeg: “Wie ben jij?”. De kolom van licht antwoordde: “Ik ben Śīla en tot nu toe waren wij onafscheidelijk. Maar omdat jij mij hebt weggegeven, vertrek ik,”. Hierna kwam een tweede kolom licht uit zijn lichaam en weer vroeg de koning: “Wie ben jij?”. De tweede kolom licht zei: “Ik ben Dharma – de wereldorde – en ik verlaat jou, want ik leef waar Śīla leeft”. Meteen verschenen weer drie kolommen licht uit zijn lichaam, en achter elkaar vertrokken Waarheid, Goedheid en Soliditeit, omdat zij leven waar Śīla leeft. Als laatste verscheen er een kolom licht in de vorm van een vrouw en de vrouw zei op de vraag “Wie ben jij?”: “Ik ben Śri – voor de mensen ben ik onderlinge verbondenheid –, ik ben alles dat wenselijk is in een mensenleven; ik leef waar Śīla leeft”. Verlamd van schrik vroeg de koning aan Brahman wie dat geneesmiddel was en wat er was voorgevallen. Brahman vertelde: “Het geneesmiddel is Indra’s Net. Door Śīla ben jij geworden wie jij bent, en met Śīla heb jij jezelf weggegeven aan Indra[3], zei Narrator.

“Deze parabel geeft een aantal van de tegenstrijdigheden binnen het denkkader van de strijder prachtig weer. De imperator verkrijgt door zijn acties een koninkrijk en vervolgens kan de imperator het rijk niet bestendigen: verschillende natuurwetten voorkomen dit. Daarnaast zijn er tegenstrijdigheid binnen het denkkader van de strijder te herkennen tijdens een succesvolle verovering of verdediging van een gewenst object: de strijder voelt op het moment van succes de vluchtige euforie van een “Alomvattende eenheid”. Deze euforie bepaalt zijn tijdelijk zelfbeeld dat vervolgens met het vervliegen van Śīla meteen begint te eroderen. Wij hebben deze vluchtige euforie na een overwinning gezien bij het zelfbeeld van roeiers in de twee studenten roeiploegen uit Oxford en Cambridge die strijden om de overwinning van een jaarlijkse roeiwedstrijd op de Thames [4]”, zegt Carla.

Feiten en logica 14b[5]

“Dezelfde euforie van tijdelijke uniciteit toonden Arjuna en Kṛṣṇa toen zij met vreugde pijlen schoten op alles dat probeerde te ontsnappen uit het vuur in het Khandava bos [6]. Met schaamte moet ik nu bekennen dat ik deze vorm van euforie heb gekend toen ik als jonge strijder met een militie in Midden Afrika schoot op alles en iedereen die uit een brandend dorp kwam [7]. Śīla had mij al verlaten bij mijn wens om zelf de avonturen van mijn voorvaderen te beleven onder mijn drang naar comfort, geld, roem en macht. In die nacht – tijdens het schieten op dorpsbewoners die het brandend dorp wilden ontsnappen – verloor ik de laatste resten van mijn onschuld. Ik draag deze tegenstrijdigheid tussen euforie van een tijdelijke uniciteit tijdens gewelddadige verovering, en direct intredend verval nog steeds met mij mee in de vorm van de adem van de dorpsbewoners. Hoewel de dorpsbewoners in de mensenwereld de identiteit “dood” hebben, houd ik hen levend met mijn adem”, zegt Narrator.

feiten en logica 14c. [8]

“Zullen wij de innerlijke onrust in het paleis van de Medici gaan bekijken?”, zegt Man.


[1] Afbeelding van Pallas Athene – de godin van wijsheid, moed, rechtvaardigheid en correcte oorlogsvoering. Daarnaast is zij een listige compagnon van heldhaftige strijders. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Warrior

[2] Śīla betekent in het Sanskriet onder meer “natuurlijk manier van leven of van gedrag”. In het Boeddhisme betekent Śīla onder meer “moreel gedrag of voorschrift”. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C4%ABla

[3] De parabel over Śīla is een zeer vrije weergave van de parabel van Prahlāda uit: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 101 – 102

[4] Zie het bericht “Amateurs” in: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 190 – 194

[6] Zie ook: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: WhereKrishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84

[7] Zie:  Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 22

[8] Afbeelding van Arjuna en Kṛṣṇa die met vreugde pijlen schieten op alles dat uit het vuur in het Khandava bos probeerde te ontsnappen. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Khandava_Forest

Advertenties

Narrator – sneeuwgezicht


Een droom neemt mij iedere nacht mee. Deze ijskoude heldere nacht aan het begin van december voerde een droom mij naar een andere wereld. Ik lag bij nieuwe maan onder de sterrenhemel volkomen stil in mijn slaapzak om geen warmte te verliezen. Af en toe voelde ik mijn handen en voeten even tintelen en dan werden ze weer koud. Mijn adem – een voorlopig thuis voor de dorpelingen uitgemoord door mijn mede-militieleden en mij bij het nachtelijk vuur in het bos – waakte over mij.

Het werd steeds kouder; mijn lichaam ontspande zich [1] en mijn ogen knipperden niet meer. De duisternis en het firmament zogen mij in zich op. Ik zweefde met de sterrenstelsels in het universum. Geen aarde, geen zorgen, geen geluid, volkomen opgegaan in de oneindigheid.

Sterrennacht[2]

Van de rand van het heelal hoorde ik voetstappen naderen. In mijn ooghoeken zag ik een schim verschijnen. De schim werd groter en ik hoorde een andere adem naast mijn adem. Na een eeuwigheid boog het donkere gezicht van mijn moeder zich over mij heen. Haar krullend haar was grijs geworden. Mijn moeder was gekomen om mij mee naar huis te nemen. In haar vredig gezicht zag ik dat ik nooit weg was geweest; bij haar kwamen hemel en aarde samen.

In deze vredige toestand hoorde ik een stem. Mijn moeder vervaagde en ik kon niet goed meer zien. Iemand probeerde mij te wekken. Heel langzaam kwam mijn adem terug in de wereld van alledag: het firmament en de aarde werden bij het openen van mijn slaapzak weer gescheiden. Ik was steenkoud en maar net bij bewustzijn.

Sterrenstelsels[3]

De stem nam mij mee en na een eeuwig lijkende worsteling met mijn verstilde lichaam gingen wij een verlichte warme ruimte binnen. De stem kleedde mij uit en kwam onder een dekbed tegen mij aanliggen. Langzaam kon ik weer zien. Ik zag een vrouwengezicht met krullend grijs haar. Zij rilde heel erg van de kou. Na een heel lange tijd werd ik wat warmer; pas halverwege de volgende dag begonnen mijn vingers en voeten weer te tintelen. Ik lag in een caravan bed.

Tegen de avond kon ik voorzichtig wat eten en drinken. Zij vroeg mij verontwaardigd waarom ik in een dunne slaapzak buiten bij deze strenge vorst in de open lucht waakte. Mijn antwoord volgde enkele dagen later. Op mijn vraag hoe zij mij gevonden had, gaf zij als antwoord dat tijdens een korte avondwandeling er naast het pad af en toe damp uit de grond leek te komen; deze damp werd door mijn uitademing veroorzaakt. Mijn adem had over mij gewaakt.

Een dag later zijn wij samen naar een wintercamping gegaan om mij te laten herstellen. De eigenaar van de camping was niet blij met mijn verschijning, maar mijn beschermengel zorgde dat wij een plaats voor enkele nachten kregen. De eerste dagen bemoederde zij mij. Zij knipte mijn haar, zij scheerde mijn baard en waste mij kleren: ik was toonbaar voor de wereld.

Wintercamping[4]

In de beslotenheid van de caravan op de wintercamping vertelden wij elkaar de hoofdlijnen van onze levensverhalen. Haar naam was Carla Drift en zij trok door Europa met een tractor–caravan combinatie. Haar leven was sinds de herfst even kaal geworden als de bomen in de winter. Aan het einde van de vorige zomer had een man het op haar eer en leven voorzien. Uit zelfverdediging doodde zij de belager. Hiermee verloor zij haar onschuld: een deel van haar was gestorven.

Ik vertelde haar over mijn leven als kindsoldaat in een vorige incarnatie. Aan het einde van een nacht hadden wij het bos rondom een dorp in brand gestoken. Onze militie schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam. De geesten van deze dorpelingen droeg ik altijd met mij mee; hun adem was mijn adem geworden en zij hadden in de heldere ijskoude nacht over mij gewaakt. Uit nagedachtenis aan mijn moeder was ik op weg “εἰς τὴν Πόλιν”.

Wij besloten samen verder te trekken naar Istanbul. Het rijden op de tractor wisselden wij af; ik was af en toe weer een wagenmenner in een wit winterlandschap. De tocht van ruim 2000 kilometer legden wij met enkele rustpozen in drie maanden af. Het einde van de winter en het begin van het voorjaar bleven wij in deze stad. Bij de bezoeken aan de vele godshuizen in deze stad – waaronder de Hagia Sophia, bewonderden wij deze gebouwen met koepels als zinnebeeld voor de binding tussen aarde en firmament.

Hagia Sophia[5]


[1] Zie ook voor onderkoeling: Stark, Peter, De laatste adem, Spectaculaire verhalen van de grens van het bestaan. Amsterdam: Forum, 2002 p. 21 – 31

[2] Op deze foto is ieder lichtvlekje een sterrenstelsel. Sommige van deze stelsels zijn 13,2 miljard jaren oud – volgens schatting bevat het universum 200 miljard sterrenstelsels. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Universe

[3] Bron afbeelding: http://www.nasa.gov/multimedia/imagegallery/iotd.html# – Hubble Watches Star Clusters on a Collision Course

[4] Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Camping

Narrator – Amsterdam: de omgekeerde wereld


In Amsterdam betrad ik de omgekeerde wereld van Holland en deze omgekeerde wereld nam mij in zich op. Een wereld met vele eeuwen een verbijsterende rijkdom en een diep onbehagen[1], maar dat leerde ik pas later. Voor mij begon het feest. Als een exotische buitenstaander had ik nog geen last van het onbehagen en mijn minnaars lieten mij in hun rijkdom delen.

Vanuit de haven wandelde ik via het Damrak [2] naar de Dam.

[3]

Vroeger in de 17e eeuw was de Dam en omgeving de plaats waar scheepsladingen werden verhandeld tegen waardepapieren die over het hele Noordzee- en Oostzeegebied inwisselbaar waren. De handelaren in Amsterdam deden alles om het vertrouwen in deze waardepapieren te laten behouden. Nog steeds relateren de Hollanders de waarde van goederen en het vertrouwen in menselijke relaties aan de waarde van geld. Geld is voor hen nog altijd een metafoor voor vertrouwen.

Toen ik op die mooie herfstdag voor het eerst op de Dam aankwam, waren de laatste Damslapers van dat jaar nog aanwezig. Enkele jaren geleden hadden de politie en mariniers schermutselingen geleverd met de Damslapers. Naar de mening van de toenmalige regenten hoorden deze luie nietsnutten geen slaapplaats in te nemen bij het Nationaal Monument [4]. De tekst op de voorzijde van het gedenkteken leek de regenten in hun recht te laten staan:

“Hic ubi cor patriae monumentum cordibus intus
quod gestant cives spectet ad astra dei.”[5]

(‘Laat hier waar het hart van het moederland is, het monument – dat burgers binnen in hun harten dragen – naar de sterren van God kijken.’)

Volgens de gezagsdragers behoorde alleen het monument ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog naar de sterren van God kijken. Intuïtief voelden de Damslapers aan dat het Monument een gedenkteken is om de innerlijke entiteit van de burgers naar de sterren van God te laten kijken. In mijn Masaï geboortestreek wekte de God Engaï [6] in een ver verleden de overledenen onder de nachtelijke sterrenhemel weer tot leven. In dit omgekeerde land hadden de Damslapers de schermutselingen tijdelijk gewonnen totdat de winter hen verjoeg. In die koude dagen gaf de damp van mijn adem een thuis aan de adem van de dorpeling die zijn gedood bij het nachtelijk vuur in het bos; bijna alle nachten sliep ik onder de sterrenhemel wanneer de koude dat toeliet.

[7]

Na enkele maanden vroor het een periode; de bewoners van deze omgekeerde wereld werden door ijskoorts bevangen. Voor het eerst in mijn leven zag ik bevroren water – voor mij een vreemde omgeving. De andere mensen gingen massaal op het ijs schaatsen; voor hen was het een vrije wereld met een traditionele vrijhandel [8]. Velen maakten lange schaatstochten door de polder, enkelen kwamen gewond weer thuis – in Holland heel gewoon.

[9]

Gelukkig vond ik in deze koude periode onderdak bij mijn minnaars uit die tijd.


[1] Zie voor de rijkdom van Holland in de 17e eeuw: Schama, Simon, The Embarrassment of the Riches. Fontana Press, 1987

[2] Het Damrak was vroeger de oude buitenhaven aan de Zuiderzee waar kleine zeeschepen konden aanleggen. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Damrak

[3] Schilderij van Cornelis Anthonisz. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Cornelis_Anthonisz.

[5] De Latijnse tekst op de voorzijde van het gedenkteken is van dr. J.D. Meerwaldt

[6] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen dood gaan en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

[8] Tot de moderne tijd was drank en prostitutie wettelijk geregeld voor land en water. IJs werd in de wetgeving niet genoemd en daardoor ontstond op het ijs een vrijgeleide voor de handel van alcohol en voor prostitutie.

Narrator – te voet door Frankrijk 3


Via de GR 5 liep ik in Frankrijk van de Jura naar de Vogezen. Dit gebied was dichter bevolkt en ik vond minder makkelijk een slaapplaats. Op een regenachtige avond was ik tijdens de avondschemering alleen welkom wanneer ik voor mijn overnachting betaalde. Mijn verhalen en mijn vriendelijkheid waren niet voldoende. Ik had geen geld meer en na enkele kilometers lopen vond ik een slaapplaats in de open lucht. Gehuld in plastic bracht ik de nacht wakend door. De volgende ochtend was ik klam en verkleumd. Na een uur lopen werd ik weer warm.

In de Vogezen waren er voldoende mogelijkheden om in het wild te overnachten. Het was mooi weer. ’s-Nacht stelden de maan en de sterrenhemel mij gerust. Overdag genoot ik van het mooie uitzicht. Op enkele plaatsen kon ik bijna mijn hele weg vanaf de besneeuwde Alpen overzien.

[1]

Tijdens mijn voettocht over de bergtoppen van de Vogezen ontmoette ik nieuwe geesten. Een keten van bergtoppen vormde een eeuw geleden de grens tussen de gebieden Alsace in Duitsland en Lorraine in Frankrijk. De weg – Route des Crêtes – was aangelegd door het Franse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog [2]. De weg loopt aan de Franse zijde van de keten, zodat de weg minder kwetsbaar was voor de Duitse kanonnen. De geesten uit de velen oorlogen tussen Frankrijk en Duitsland vergezelden mij tot aan de Luxemburgse grens. Op dit deel waren zij mijn metgezellen. Ik beloofde dat mijn adem ook hun adem zou zijn zolang ik leefde net zoals mijn adem al de adem van de dorpelingen was. Samen met hen hoopte ik eens thuis te komen.

[3]

Het pad over de bergtoppen was druk belopen; ik kreeg hulp en steun van veel mensen. In de dalen voelde ik mij minder thuis. Door de beschutting kon ik de weg niet zien; ik voelde mij opgesloten. Ik wilde het oog op de weg houden. Zonder het zicht op de hemel en aarde verschenen de geesten van de dorpelingen en van de gevallen soldaten voor mijn ogen [4]. Pas veel later kon ik hemel en aarde verenigen; daarna had ik geen moeite meer om overal – ook binnen muren en in dalen – te slapen.

[5]

In het noorden van Frankrijk maakte ik met een medereisgenoot een kleine omweg naar de Maginotlinie [6]. Wij zagen de restanten bij Michelsberg [7] en Hackenberg [8]. Wij waren verbaasd hoe een samenleving zich veilig en beschut kon voelen achter deze donkere holen in de grond vol met verschrikking voor de samenleving aan de andere kant. Met mijn blik op de weg had éénheid vele gezichten, en twee had geen dualiteit. De Maginotlinie als onderdeel van de vele oorlogen tussen Frankrijk en Duitsland viel buiten mijn bevattingsvermogen.

[9]

Bij Schengen ging ik illegaal in Luxemburg een andere wereld binnen. Later zijn hier de overeenkomsten gesloten voor een vrij verkeer van mensen in een deel van Europa. Na zo’n enorme omweg met zoveel leed en waanzin van alledag konden samenleving eindelijk weer een eenheid herstellen. Het blijft merkwaardig dat een verdrag op papier nodig is voor een eenheid die voor mijn moeder even natuurlijk is als ademhalen, het bewegen van haar ogen, handen, en het bewegen van benen bij het lopen; eenheid met veel gezichten en twee zonder dualiteit.

[10]

Veel later is op 12 oktober 2012 de Nobelprijs voor de Vrede aan de Europese Unie toegekend omdat de Europese Unie en haar voorlopers meer dan zestig jaar hebben bijgedragen aan vrede en verzoening, democratie en mensenrechten in Europa. Zoveel moeite voor een bijdrage die even natuurlijk is als ademhalen.

In Luxemburg betrad ik een feeëriek trollenland.

Narrator – te voet door Frankrijk 2


Op mijn voettocht door Frankrijk ontmoette ik veel mensen. Door mijn donkere huidskleur viel ik op; er waren geen andere Masaï/Indiase wandelaars op pad. In de Jura waren de mensen bij de eerste aanblik afwijzend: ik was vreemd, onbekend en duister. Maar mijn glimlach en een vriendelijk begroeting in de Franse taal ontdooide bijna alle medewandelaars. De boeren bewoners bleven langer achterdochtig. Dit is te begrijpen want zij hadden huis en haard te verdedigen tegen een donkere onbekende vreemdeling.

[1]

Uiteindelijk ontmoette ik onderweg veel gastvrijheid. Met twee medereizigers ben ik een stuk naar het noorden gelopen. Onderweg zagen wij op verschillende plaatsen steenmannetjes staan als wachters van het pad. Bij een steenmannetje besloten wij te pauzeren. Een van mijn metgezellen vroeg zich af hoeveel mensen hier stenen hadden gelegd. De ander vroeg waar de mensen nu waren. Ik antwoordde: “In ieder geval zijn wij hier”. Wij moesten toen lachen. Terwijl ik water dronk, vroeg ik mij af waar alle wijzen uit het verleden gebleven waren. Ineens voelde ik duidelijk dat wij direct verbonden waren met de mensen die hier de stenen hadden gestapeld en met alle wijzen uit het verleden [2]. Wij liepen onze levensweg direct in de voetsporen van de anderen.

[3]

De volgende nacht droomde ik de droom die ik – na het nachtelijk vuur in het bos waarbij mijn mede-militieleden en ik een dorp hadden uitgemoord – geregeld droomde. In deze droom kwamen de vlammen uit het bos met de geesten van de dorpsinwoners op mij af om mij te verzwelgen. Door de vlammen was mijn huid al zwart geblakerd en ik ging mezelf verliezen in de geesten van de dorpelingen.

[4]

Op het moment dat zij mij dreigden te verslinden, werd ik steeds wakker; ik was dan helemaal bezweet en ik ademde hevig. Wanneer ik mijn ogen opende, zag ik de maan en de sterrennacht als geruststelling. De nachtelijk hemel wekte mij langzaam weer tot leven zoals de god Engaï in de Masaï mythe de maan iedere nacht weer tot leven wekte [5].

[6]

De nacht na het steenmannetje verliep de droom op dezelfde manier, maar het moment waarop ik doodsbang wakker werd, was de lucht helemaal bewolkt. De maan en de sterren konden mij geen troost bieden. Alles was pikdonker en ik hoorde alleen een snelle luide pijnlijke ademhaling; mijn borstkas ging heftig te keer. Doodsbang vroeg ik mij af: “Welke adem is daar? [7]”. Ik dacht eerst dat in mij de adem van de geesten van de dorpelingen weer tot leven was gekomen. Daarna durfde ik niet te stoppen met hijgen want ik was bang dat de geesten mijn adem met zich mee zouden voeren wanneer zij in het donker verdwenen.

Langzaam ging ik kalmer ademen en ik kwam tot rust. In de duisternis heb ik aan de dode dorpelingen beloofd dat mijn adem ook hun adem was. Ik beloofde dat mijn adem – zolang ik leefde – voor hen een voorlopig thuis zou zijn. Eens hoopte ik met hen thuis te komen. Daarna is deze droom minder vaak teruggekomen.

Ik was op weg naar Amsterdam – mijn nieuw voorlopig thuis.


[2] Zie ook de koan “Attendant Huo passes tea” in: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 60 – 62

[7] Dit is de laatst vraag in de koan “Yunmen’s twee ziekten”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 46 – 50. Zie ook: Maezumi, Hakuyu Taizan, The hazy moon of enlightenment. Somersville: Wisdom Publications, 2007 p. 21 – 27

Narrator – Weg uit Rome


In Rome had ik de hemel op aarde uit mijn jeugd hervonden. Die herfst en winter was ik volkomen opgenomen in deze stad. Toch verliet ik het volgende voorjaar deze hemel op aarde. Als ik terugkijk op mijn leven, dan zou het beter zijn geweest wanneer ik in Rome was gebleven.

Veel later heb ik in boeken een verklaring voor de reden van mijn vertrek gelezen: “Wanneer het levenslicht niet volledig doordringt, dan zijn er twee vormen van ziekte. Een vorm van ziekte is wanneer niet alles helder is en er nog iets in beeld blijft om te bereiken. De tweede vorm van ziekte is wanneer volkomen opgenomen in de hemel er nog een hang naar de hemel blijft bestaan. Zelfs volkomen opgenomen in de hemel, blijft de vraag “Wie ademt?” – dit is ook een ziekte [1].    

Hoewel ik volkomen gelukkig was in Rome, leed ik nog aan beide vormen van ziekte. Ik waande mij in de hemel, maar nog steeds was in mijn bestaan niet alles helder en in mijn hart leefde de opdracht van mijn moeder om naar de stad Amsterdam te gaan. Ook mijn hang naar geluk bleef in Rome bestaan. Aan de genezing van de ziekte door de vraag “Wie ademt?” zijn Carla Drift, Man Leben en ik veel later begonnen tijdens onze Odyssee naar “Wie ben jij”.

[2]

In het vroege voorjaar gaf ik invulling aan de opdracht van mijn moeder om naar de stad Amsterdam te gaan waar mannen van mannen mogen houden. Ik verliet mijn hemel op aarde.

Mijn voetreis van Rome naar Amsterdam begon ik met een kleine rugzak en een beetje geld voor eten onderweg. In Italië bezocht ik de steden Siena [3] en Florence [4] waar ik genoot van de musea en de mooie gebouwen. In beide steden woonde ik een korte tijd bij minnaars; mijn exotische verschijning waaierde door deze steden. Na ruim twee maanden lopen, bereikte ik Noord Italië. Hier liet ik de gouden gloed van mijn half jaar Italië achter mij.

Bij mijn aankomst in Aosta was het weer was guur en de bergen lagen dreigend in de verte. Ik kon geen slaapplaats vinden. De hele nacht waakte ik onder een bewolkte hemel met veel regen.

[5]

De volgende dag klaarde het weer op en ik droogde mij in de zon. Ik liep verder door het Aosta dal via Courmayeur [6] naar de ingang van de Mont Blanc tunnel. Ik zag voor het eerst witte besneeuwde berghellingen. Zo’n prachtig heldere wereld had ik nog nooit gezien. Deze betoverende wereld was het tegenbeeld van mijn oorsprong en van mijn bestaan tot nu toe.

[7]

Ik ben met een vrachtwagen door de Mont Blanc tunnel naar Frankrijk gesmokkeld; dit ging zonder problemen. Ik durfde de grens niet met mijn reispapieren te passeren, want mijn visum was alleen voor Nederland geldig.

In Chamonix net over de Franse grens leken de toppen van de bergen op tanden van een monster. Dit was niet mijn wereld. Met de trein verliet ik het dal van Chamonix.

[8]

In Frankrijk heb ik de GR 5 wandelweg naar het Noorden gevolgd.


[1] Dit is een verkorte en zeer vrije weergave van de koan “Yunmen’s twee ziekten”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 46 – 50. Zie ook: Maezumi, Hakuyu Taizan, The hazy moon of enlightenment. Somersville: Wisdom Publications, 2007 p. 21 – 27

[5] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aosta

[7] Bron afbeelding: foto door Matthieu Riegler via http://en.wikipedia.org/wiki/File:Mont_Blanc_depuis_Valmorel.jpg