Tagarchief: akkerbouwers

Inleiding: Drie – Object in het midden – Kerk


In het vorige bericht zijn jij en ik de rol van het huis als “object in het midden” tegen gekomen. De rol van huis is in de loop der tijd gewijzigd van levensomgeving naar woonstede. Deze woonstede in de vorm van een huis wordt door onze voorouders gezien als een veilige thuishaven en als ijkpunt van waaruit de wereld wordt ervaren. Recent zijn mensen zich gaan vereenzelvigen met hun huis: zij geven het huis gestalte en het huis geeft uitdrukking aan wie zij zijn. Onze huidige samenleving verlangt van ons steeds meer dat wij een nationaliteit en een vaste woon- en verblijfplaats hebben. Zonder deze bezittingen worden mensen niet als volwaardige ingezetenen beschouwd.

Nu gaan jij en ik op zoek naar de rol van het huis van God als “object in het midden”. De eerste heilige plaatsen hebben wij al eerder gezien. Heilige stenen zijn wij al tegen gekomen op onze Odyssee. Wij herinneren ons de steencirkels als ontmoetingsplaatsen voor plechtigheden die wij niet meer kennen.

 [1]

Het gouden kalf als afbeelding van een (af-)god kennen wij ook [2]. Over Jahweh die aanwezig is tussen toppen van de engelenvleugels boven de verloren ark van het verbond, hebben wij in het Oude testament gelezen.

Waarschijnlijk hebben de jager-verzamelaars al onderdak gegeven aan Goden. Wij hebben gelezen over rituelen waarin de jagers zich verenigen met hun prooi als boete doening voor het doden van de prooi èn om de unieke bond voor overleven tussen prooi en jager in stand te houden. De rituelen zijn mogelijk op bijzondere plaatsen en tijden verricht. Deze plaatsen kunnen als een voorloper van het huis van God worden gezien. Een volgende stap op weg naar een huis van God zijn grotten waarin vooral veel schilderingen van jacht-taferelen gevonden. Waarschijnlijk hebben deze schilderingen ook een religieuze achtergrond gehad.

De herdersvolkeren zijn voor een deel met hun kudden rondgetrokken. Zij hebben mogelijk ook vaste heilige plaatsen gekend. En zij zullen heilige plaatsen van gevestigde bewoners hebben ontmoet. Hebben zij zich met de goden van de gevestigde bewoners en de jager-verzamelaars vereenzelvigd? Waarschijnlijk niet, maar misschien hebben zij onderdelen van hun geloof toch overgenomen. Als nomaden zullen zij hun heilige voorwerpen hebben meegenomen op de trektochten met kudden. Binnen hun tenten zijn speciale plaatsen ingeruimd voor heiligdommen. Een voorbeeld is de ark van het verbond die de Joden op de trektochten met zich mee dragen en op rustplaatsen in een tent is gezet. Zelfs in de tempel in Jeruzalem blijft de ark voorzien van draagstokken als herinnering aan- en voorbereiding op trektochten.

Bij jou en mij roept de vorm van Islamitische moskeeën beelden op van tijdelijke verblijven – grote tenten met voorposten om de ingang te wijzen – in een woestijn. Deze moskeeën zijn uiteindelijk overgegaan in imposante Godshuizen met voorhoven en bijgebouwen rondom. Een voorbeeld hiervan is de Suleyman moskee in Istanboel.

[3]

Akkerbouwers met vaste velden zijn een vaste woonstede gaan betrekken. Ook de goden hebben een eigen woonstede gekregen. Het erkennen van Godshuis is niet vanzelf gegaan. Bij het bezoek aan de oudste staafkerk in Urnes in Noorwegen, vertelt de gids dat het houtwerk aan de buitenkant van de kerk is bewerkt met veel draak-motieven om de boze geesten buiten te houden. Dat is ook nodig in de lange donkere winters. De Vikingen moeten hun zwaarden buiten bij de deur laten staan. Binnen in de kerk komt er alleen wat licht van boven. In dat licht is boven in de kerk een houten kruisbeeld te zien waar vandaan de verlossing en de toegang tot het hiernamaals moet komen. De priesters in die tijd proberen zo het beeld van het Walhalla – de hal waar de eervol gevallenen in de strijd tot in lengte van dagen eten, drinken en vechten – te veranderen in een verlangen naar verlossing van de zonden en een uitzicht op een Christelijk kijk op het hiernamaals. De blauwe verfkleur lapis lazuli op het houten kruisbeeld uit ongeveer de 12e eeuw na Christus komt volgens de gids uit Afghanistan.

Bij de uitleg van de gids denk ik aan Jalāl al-Dīn – ook bekend als Rumi, die rond dezelfde tijd is geboren in Vaksh in de provincie Balkh in Afghanistan. Waarschijnlijk overstijgt Rumi  het “object in het midden” in zijn contact met Allah: “Mijn ervaring is in het hart van Allah; ziek zal het hart van Allah zijn zonder de ervaring van mij [4]”. Later op onze Odyssee hierover meer.

Nu wij deze staafkerk verlaten zeg jij: “Die lichtopeningen onder het dak doen mij denken aan een uitspraak van Oscar Wild: “We are all in the gutter, but some of us are looking at the stars”.

[5]

“Herinner jij je de eerste stralen van de ochtendzon om 6 uur ’s-morgens op de eerste lentedag? [6]”, vraag ik.

“Altijd als ik een kerk bezoek”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat verder over kerken als “object in het midden”.


[1] Bron afbeelding: Marieke Grijpink

[2] Zie het vorige bericht “Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 1” op 5 mei 2011

[3] http://www.islamleer.nl/islaam/biografie/geleerdenoverigen/758-kanuni-sultan-suleyman-i

[4] Nicholson, Reynold A., The Mathnawi of Jalálu’ddin Rúmí, Book II. Cambridge: Biddles Ltd, 2001 p. 281

[5] Bron afbeelding: http://www.sacred-destinations.com/norway/urnes-stave-church

[6] Zie het laatste bericht over “Twee” op 25 april 2011

Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 3


In het vorige bericht hebben jij en ik een eerste verkenning gemaakt naar de rol van symbolen als “object in het midden” om het onderlinge vertrouwen te vestigen en bestendigen. Wij hebben gemerkt dat de symbolen hoop, verwachting en diep vertrouwen bij de mensen oproepen, maar dat de symbolen ook aanleiding geven tot diepe afkeer. Daarnaast kunnen symbolen ook aanzetten tot geweld, vernietiging en regelrechte haat. Soms hebben symbolen een veel omvattende uitstraling en geven zij een sterke binding met een groot onderling vertrouwen, maar symbolen verschaffen zelden voor iedereen een ingang tot de “Volkomen Eenheid”[1].

Nu komen jij en ik bij een ander “object in het midden” dat voor veel mensen wordt ervaren als een plaats om het onderlinge vertrouwen met de naaste familie te vestigen en behouden. Dit “object in het midden” is ons eigen huis[2]. Voor individuen is de baarmoeder het eerste huis waar een mens voor zijn geboorte ongeveer de hele evolutie doorloopt. Na de geboorte is een baby afhankelijk van ouders, opvoeders en een gemeenschap waar het kind in opgroeit tot volwassenheid. Als volwassene is de leefomgeving het “thuis” waarmee de mens vertrouwd is geraakt.

Jager-verzamelaars ervaren hun habitat – letterlijk: waar hij leeft – als hun vertrouwde omgeving. Inbreuken op het vertrouwen dat bestaat tussen de jager-verzamelaars en zijn habitat, wordt – voor zover wij weten – door rituelen weer hersteld. In rituelen identificeren jager-verzamelaars zich met hun prooi om twee redenen. Zij zoeken verlossing voor de zonde van het doden van de prooi en zij identificeren zich met hun prooi om hun unieke systeem van overleving in stand te houden voor zowel prooi als jager[3].

[4]

Herder-volkeren zullen ook hun habitat waarin zij rondtrekken als hun huis en leefomgeving beschouwen. Rondtrekkend verschaft hun habitat hen voer voor hun kudden en indirect ook voor henzelf. Door rituelen proberen de herder-volkeren de vertrouwensrelatie tussen de kenbare en onkenbare habitat enerzijds en henzelf anderzijds in stand te houden. Jij en ik hebben in eerdere berichten de Trito mythe en de vee-cyclus als voorbeelden gezien.

Akkerbouwers zullen hun velden en gewassen binnen hun leefomgeving als hun habitat ervaren. Eerst trekken de akkerbouwers na korte tijd een stuk verder als hun akkers verschraald zijn door enkele keren achter elkaar verbouwen van dezelfde gewassen. Nadat de akkerbouwers een periodiek systeem hebben ontwikkeld voor instandhouding van een evenwicht van de akkers, gaan zij in de loop der tijd vaste woonplaatsen betrekken. Deze woonstede zien zij als hun huis.

Later tijdens onze Odyssee komen wij mensen tegen die aldoor overal thuis zijn. Een glimp hiervan kunnen wij zien in het volgende gedicht van Rӯokan:

Ook al slaap ik steeds

Elke nacht op mijn levensweg

Weer ergens anders,

De eeuwigdurende droom

Brengt mij aldoor naar mijn huis.”[5]

Veel mensen ervaren een eigen huis als een veilige thuishaven en als ijkpunt van waaruit de wereld wordt ervaren. Zij zien een huis niet alleen als een vertrouwde rustplaats, maar zij vereenzelvigen zich in belangrijke mate met hun huis: zij geven het huis gestalte en het huis geeft uitdrukking aan wie zij zijn.

 [6]

Onze huidige samenleving is hierbij zelfs zover gegaan om mensen alleen als volwaardig te erkennen wanneer zij een vaste nationaliteit bezitten en een vaste woon- of verblijfplaats hebben. Zonder deze bezittingen verliezen mensen binnen de huidige samenleving veel van hun rechten. Wij zien dat de hedendaagse samenleving erg veel vertrouwen toekent aan een huis als “object in het midden”. In andere tijden en onder andere omstandigheden hebben mensen de waarde van en het vertrouwen in een huis als “object in het midden” anders gewaardeerd.

Waarom hecht onze samenleving zo aan een vaste woon- en verblijfplaats? Heeft onze samenleving alleen met dit “object in het midden” vertrouwen in haar inwoners?

De vorige nacht hebben jij en ik onder de sterrenhemel geslapen. Vannacht gaan jij en ik slapen in een woonwagen waar in het donker op het plafond de sterrenhemel oplicht als herinnering aan de open lucht. Morgen slapen jij en ik in een huis.

Het volgende bericht gaat over het huis van God als “object in het midden”.


[1] Zie berichten over de inleiding tot “Een”

[2] In het Sanskriet is “grham” een van de woorden voor huis. Dit woord is mogelijk samengesteld uit “grh” dat “nemen, grijpen en omvatten” betekent en “aham” dat “ik” – eerste persoon, enkelvoud, nominativus – betekent.

[3] Zie ook: Eliade, Mircea, A History of Religious Ideas, Volume I, pagina 5 e.v.

[5] Vrije weergave van vertaling van de Tanka van Rӯokan op pagina 170 in de bundel: Tooren, J.van, Tanka – het lied van Japan. Amsterdam: Meulenhoff, 1983