Tagarchief: Amsterdam

Narrator – Een nieuw jaar


Rond Pasen was de winter van dat jaar voorbij. De voorjaarszon kwam tevoorschijn en de natuur bloeide op. Ik kocht naast mijn stadsfiets nog een toerfiets waarmee ik eerst enkele fietstochten maakte op de beide eilanden Sjælland en Amager waarop de stad Kopenhagen ligt. In een paar maanden leerde ik niet alleen goed fietsen, maar ik kreeg plezier in deze vorm van zweven in weer en wind over de wegen.

Reiserad-beladen[1]

Aan het einde van het voorjaar ontving ik opnieuw verontrustende brieven van vroegere minnaars in Amsterdam; ook zij waren ernstig ziek door AIDS. Ik besloot met mijn toerfiets in ruim een week naar Amsterdam te reizen. Na een kleine week voorbereiding vertrok ik met een volgepakte fiets voor enkele maanden naar Amsterdam. Mijn zolderkamer had ik tijdelijk onderverhuurd aan een vriend.

Uiteindelijk deed ik twee weken over de reis, want ik had bijna altijd tegenwind. Op de lange rechte stukken ging in mijn beleving het malen van de pedalen over in het ronddraaien van de gebedsmolens, soms moeizaam, soms als vanzelf.

Gebedsmolens[2]

Onderweg naar Amsterdam speelde het Boeddhistisch vraagstuk van de “ijzeren Os” [3] door mijn hoofd. Vroeger zullen enkele van mijn voorouders te paard gereisd hebben. In Afrika had ik wel mensen op een os zien reizen. Nu was ik in plaats van ruiter te paard een berijder van een ijzeren ros.

Man op os[4]

Ik miste mijn geliefde die toen al in Amerika woonde, voor aanspraak bij dit vraagstuk. Mijn aanwijzing tijdens het fietsen was het vers bij het vraagstuk:

“Het werk van een ijzeren os –

Wanneer de zegel (van verlichting [5] en van idool) aanwezig blijft, dan is de impressie geruïneerd”. [6]

Fietsend door Noord Duitsland en Nederland kreeg mijn fiets steeds meer de vorm van de “ijzeren os” in het boeddhistisch vraagstuk. Soms lekker glijdend bij windstilte, soms zwoegend bij tegenwind deed mijn ijzeren ros zijn werk; gestaag gleden wij samen met de weg en de omgeving door het heelal.

Onderweg kon ik meestal bij mensen overnachten in ruil voor enkele verhalen of voor enige hulp op een boerderij. Overdag probeerde ik bij rustplaatsen wat geld te verdienen met goochelen, want tijdens mijn fietsreis had ik geen inkomsten uit percussiespel met jazz ensembles. Na enige oefening kon ik met twee goochelvoorstellen met touw – die ik had geleerd van een vriend in Kopenhagen – bij iedere stopplaats een nationale munt verdienen; in Duitsland een D-mark en in Nederland een gulden. Bij een voorstelling liet ik een touw door mijn hals gaan. Een demonstratie van deze voorstelling is te zien op de volgende video:

http://www.youtube.com/watch?NR=1&feature=endscreen&v=aSMZJ0w3DyM

Tijdens een andere presentatie ging het touw onverwachts door een ring. Een voorbeeld van deze voorstelling wordt getoond op de volgende video:

http://www.youtube.com/watch?v=2xx7UjeZYn4

Wanneer ik beide voorstellingen iedere dag op vijf verschillende rustplaatsen opvoerde, dan verdiende ik genoeg geld voor goede dagelijkse maaltijden voor mij en voor een andere reiziger met wie ik de maaltijd deelde.

Die zomer en herfst in Amsterdam leefde ik met en zorgde ik voor oude bekenden en vroegere minnaars met AIDS. Daarnaast genoot ik van de Hollandse stranden en van de mooie wolken in Nederland.

Aan het einde van de herfst reed ik met een storm in de rug naar Kopenhagen. De winter bracht ik door in mijn zolderkamer met de lange nachten waarin de maan, de sterrenhemel en de geesten mij gezelschap hielden. Dit ritme van zomers naar het zuiden en de winters in Kopenhagen heb ik enkele jaren gevolgd; op latere leeftijd ben ik in het zuiden gaan overwinteren om de zomer in het noorden door te brengen.

Waren deze overwinteringen op mijn zolderkamer een boetedoening voor de misdrijven als kind soldaat bij een militie? Misschien, een jaar later ontmoette ik een man die voortdurend moest boeten voor zijn daden.


[1] Bron afbeelding: http://da.wikipedia.org/wiki/Cykeltyper . De foto is gemaakt in 2005 en toont een fietstype van een latere datum.

[3] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 125 – 130.

[4] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Os_(rund). De ossen in Afrika waren niet zo weldoorvoed.

[5] Volgens het Mahāyāna Boeddhisme verspreid menselijke verlichting een geur van ijdelheid. Er is pas sprake van verlichting wanneer alles en iedereen verlicht is.

[6] Eerste twee versregels bij de koan Fengxue’s “Iron Ox”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 125 – 130.

Narrator – Een koude winter


Aan het begin van de winter was ik terug op mijn zolderkamer in Kopenhagen. Ik rouwde om het verlies en de dood van de twee minnaars uit Amsterdam die aan AIDS waren overleden. Enkele dagen na mijn terugkeer werd ik zwaar verkouden. Ik had koorts, ’s nachts zweette ik in bed, ik had hoofdpijn, mijn ademhaling ging lastig en ik voelde mij uitgeput. In de bibliotheek had ik de beginsymptomen van AIDS gelezen – ik was bang dat ik ook door het virus was geïnfecteerd. Na enkele weken ging de verkoudheid over, maar mijn bezorgdheid voor infectie met de ziekte bleef aanwezig.

Mijn zolderkamer was niet goed verwarmd. Die winter was ik alleen ’s nachts in mijn kamer; ik sliep onder een dik dekbed bij het open raam wanneer het weer het toeliet. Bij slecht weer voelde ik mij in mijn kamer opgesloten; mijn nachtelijk angstvisioenen konden dan geen uitweg vinden. Overdag was ik zelden thuis, meestal was ik bij vrienden, ik las in de bibliotheek of ik speelde in een jazz band.

Zolderkamer[1]

Op deze zolderkamer nam ik langzaam afstand van de drie vervreemdingen [2] of “embarrassments”, die ik las in het boek met Boeddhistische vraagstukken dat ik van mijn vorige geliefde als afscheidsgeschenk had gekregen.

De eerste vervreemding waar ik aan het einde van mijn jeugd afstand van had genomen, was een eigen huis. Als kind had ik rondgetrokken met mijn moeder en haar kudde; ons huis was de plaats waar wij tijdelijk verbleven. In mijn periode van kindsoldaat was de militie mijn kortstondig thuis. Na mijn vlucht uit de militie, ben ik blijven zwerven met tijdelijke rustplaatsen. Tijdens mijn verblijf in Kopenhagen ging mijn huis steeds meer doorschijnend samenvallen met overdag de mensenwereld en ’s nachts bij het open zolderraam het heelal. Eens hoop ik thuis te komen, misschien aan het einde van de Odyssee naar “Wie ben jij”.

800px-Glass_House_2006[3]

Een eigen lichaam was de tweede vervreemding die ik geleidelijk opgaf mede doordat ouderdom mijn verschijning als exotisch idool erodeerde en doordat de dreiging van een besmetting met HIV de eigenheid van mijn lijf in een ander licht plaatste. In Kopenhagen raakte mijn lichaam meer en meer verbonden met de stad, de wereld en uiteraard het universum.

Anterior_view_of_human_female_and_male,_with_labels[4]

Een eigen leven was de derde vervreemding die stilaan verdween. Hoe meer ik las en studeerde in de bibliotheken in de buurt van mijn zolderkamer, hoe meer ik mij verbonden voelde met alle kennis in de wereld. Ook las ik in een boek de vragen: “Waar blijft een buffel wanneer het wordt gegeten door een leeuw” en “Hoe verandert deze leeuw met het eten van de buffel?”.

Male_Lion_and_Cub_Chitwa_South_Africa_Luca_Galuzzi_2004[5]

Samen met mijn lichaam raakte mijn leven gaandeweg verbonden met de wereld en het heelal. In die tijd las ik in een roman van Hermann Hesse: “Deine Seele ist die ganze Welt“ [6]. In het donker bij het open raam op mijn zolderkamer werd mijn leven de gehele ruimte.

Het legaat dat mijn geliefde voor mij had achtergelaten, begon op te raken. Ik had geen geld meer om de witte Citroën DS te onderhouden; het werd tijd om deze Godin een andere bestemming te geven. Met een deel van de verkoopprijs heb ik een fiets gekocht. Na enige oefening kon ik mij samen met de inwoners zwevend over de weg door de stad bewegen.

800px-Cyclists_at_red_Kopenhagen[7]

Het volgend voorjaar maakte ik enkele lange fietstochten door Europa.


[2] Bron: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 120 – 124. In dit bericht worden de drie “embarrasments” vrij weergegeven.

[3] Het “Glass House” of “Johnson house” werd in 1949 in New Canaan in de staat Connecticut in de Verenigde Staten van Amerika gebouwd. Het huis was ontworpen door de architect Philip Johnson als zijn eigen woning. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Glass_House

[5] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Life

[6] Zie: Hesse Hermann, Siddhartha. Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag: 1989 p. 10.

[7] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Cycling_in_Copenhagen. Deze foto later – rond 2010 – gemaakt.

Narrator – Kopenhagen en Amsterdam – een weerzien


Met al mijn bezittingen in de kofferruimte van de Citroën DS, ben ik op een vroege lente ochtend uit Stockholm weggegaan. Gedurende de Noordelijke cyclus van ruim een jaar vervloog mijn reïncarnatie waarin ik eerder in Amsterdam de verschijningsvorm van een idool had aangenomen. In de nabijheid van mijn geliefde was ik weer in de wereld van de gewone stervelingen teruggekeerd.

Net voor het vertrek naar zijn nieuwe woonplaats in een klooster in Amerika was mijn geliefde bezig met het Boeddhistisch vraagstuk: “Een winst, een verlies” [1]. Nu hij ruim twee maanden geleden was vertrokken, voelde mijn leven als een winst en een verlies – een leegte en een nieuwe bestemming. In de toelichting bij dit Boeddhistisch vraagstuk stond: “Als u ellende wilt voorkomen, vertrouw op uw eigen lot” en “Verlies en winst, goed en kwaad, laat ze allemaal tegelijk los” [2]. Beide zinnen waren van toepassing op mijn nieuwe reïncarnatie als gewone sterveling. Pas veel later tijdens de zoektocht naar “Wie ben jij” zou ik meer inzicht krijgen in de eerste zin. De vrede van de tweede zin hoopte ik te vinden bij mijn uiteindelijke thuiskeer.

Via een weg langs het vele water van enkele binnenmeren – waaraan in ik Holland gewend was geraakt – reed ik in mijn witte Citroën DS van Stockholm naar Malmö. Daar nam ik de veerboot naar Kopenhagen. Eerst bezocht ik mijn vrienden waar ik enkele nachten kon logeren. Met hun hulp kon ik snel aan een kamer komen op de zolderverdieping van een karakteristiek huis in de Klosterstræde in het centrum van Kopenhagen vlak bij de universiteit en verschillende bibliotheken. Eerst zag ik deze kamer als een tijdelijk verblijf voor enkele maanden; uiteindelijk heb ik er enkele jaren gewoond. Ik voelde mij hier meteen op mijn gemak. Vanuit mijn raam had ik ’s nachts zicht op de maan en de sterrenhemel. Overdag herinnerde de naam van de straat mij aan mijn geliefde die nu in een echt klooster woonde. Zijn boek met Boeddhistische vraagstukken [3] had ik als afscheidsgeschenk gekregen. Geregeld las ik een passage uit het boek waarna het vraagstuk – voor zover ik het kon thuisbrengen – een plaats in mijn leven vond. Zo bleven mijn geliefde en ik met elkaar in verbinding staan.

KLOSTE~1[4]

Mijn jaren in Kopenhagen leefde ik van het legaat dat mijn geliefde voor mij had achtergelaten aangevuld met inkomsten uit optredens in Jazz ensembles. Ik bezocht bijna dagelijks de fleurig geschilderde huizen langs de Nyhavn, die mij herinnerde aan de bollenvelden en de grachten in Holland.

Nyhavn_copenhagen[5]

Het eerste najaar in Kopenhagen ontving ik een droef bericht uit Amsterdam; een van mijn dierbare minnaars was overleden aan de mysterieuze ziekte die in die tijd rond 1983 de naam HIV en AIDS [6] had gekregen. Na het lezen van de rouwkaart ben ik in een dag naar Amsterdam gereden. Bij aankomst hoorde ik dat veel meer van mijn vroegere minnaars deze ziekte hadden, die wordt veroorzaakt door overdacht van een virus – dat het menselijk immuun stelsel aantast – tijdens het liefdesspel [7].

Human_Immunodeficency_Virus_-_stylized_rendering[8]

In deze droeve omgeving werd ik door mijn vroegere vrienden en kennissenkring begroet als een oude bekende en zij zagen mij als een hervonden idool. Ik had mijn masker van idool tijdens mijn verblijf in Zweden afgelegd en het vroegere zorgeloos feest van eeuwigdurende liefde die toen in mijn omgeving exotisch door Amsterdam geurde, was voorgoed voorbij.

De begrafenis van mijn overleden minnaar was indrukwekkend. Een van onze dierbaren was te ziek om aanwezig te zijn. Met enkele vroegere vrienden hebben wij hem tot het laatst verzorgd; ook zijn begrafenis was aangrijpend. Beide keren waren alle naasten, vrienden en kennissen aanwezig. Voor een aantal minnaars was het een sombere voorbode voor hun toekomst.

Na deze tweede uitvaart ben ik naar Kopenhagen gevlucht. Het was opnieuw een ontsnapping uit mijn vroegere verblijf in Amsterdam waar ik niet meer thuishoorde en het was tegelijkertijd een vlucht voor deze ziekte die mij door een wonderlijke lot [9] bespaard is gebleven. Later is tijdens medisch onderzoek gebleken dat ik tot een kleine groep behoor, die resistent is tegen de infectie van HIV.

Terug in Kopenhagen werd ik weer een gewone sterveling, die alleen opviel door een zwarte/blauwe huidskleur en ritmische spel op percussie tijdens Jazz muziek.


[1] De Zen Koan: “Fayan points to the blinds”

[2] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 118

[3] Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998

[8] Dwarsdoorsnede van het Humaan Immunodeficientie Virus (hiv). Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aids

Narrator – terug naar de bewoonde wereld 2


Na de dagtocht over de hoogvlakte van de Hardangervidda – een natuurgebied in Noorwegen – reisden mijn minnaar en ik in een dag naar Oslo. In Gol [1] bezochten wij onze laatste Middeleeuwse staafkerk in Noorwegen. Eigenlijk was het een kopie van het origineel dat vroeger op deze plaats had gestaan en nu was ondergebracht in een openlucht museum bij Oslo. Het viel ons op dat deze kerk veel weelderiger was dan de staafkerken die wij eerder hadden gezien – wij naderden weer de bewoonde wereld.

768px-Gol_Stave_Church[2]

Van Gol naar Oslo werd de weg steeds voller en drukker, wij naderden een middelgrote stad. Het rustig over de wegen zweven in onze Godin [3] was voorbij, nu vroeg het verkeer weer de aandacht.

Bij onze aankomst in Oslo zetten wij eerst de tent op in de stadscamping. Daarna bezochten wij het Noors Volksmuseum waar wij de originele staafkerk uit Gol opnieuw bezochten. Het viel ons op dat de inrichting van de traditionele Noorse huizen steeds eender was en steeds verschillend. De vorm van de meubels en de huisraad was per huis verschillend, maar de voorwerpen waren steeds op dezelfde plaats in het huis gezet. Hierdoor ontstond een directe herkenbaarheid voor iedere bewoner en bezoeker, terwijl ook de eigenheid van de bewoners werd getoond. Een eenheid in de veelheid en een veelvormigheid in dezelfde inrichting.

800px-Norskfolkemuseum_1[4]

De volgende dag bezochten mijn geliefde en ik het Frogner Park [5] waarin een grote beeldencollectie van de Noorse beeldhouwer Gustav Vigeland [6] is geplaatst. Centraal in het park staat een monolithische zuil opgebouwd uit in elkaar verstrengelde mensenfiguren. Mijn minnaar was diep geraakt door de gelijkenis met de staafkerken en door de in elkaar vervlochten werelden van de uitgebeelde mensen. Hij vond de zuil op een wijsvinger lijken die ons eraan blijft herinneren dat wij allen tezamen de hemelpoort zullen binnengaan.

Vigelandpark[7]

Ik vertelde aan mijn geliefde de parabel die mijn vader van zijn voorouders heeft gehoord:

“Toen ik nog een kind was bij mijn ouders, onderwezen zij mij en zeiden: “Laat Uw hart ons leven met zich meedragen! Want in de dagen en nachten van Uw leven zal de vrede zich in U vermeerderen. Onze weldaad en trouw zal U niet verlaten, U draagt ze mee, ademt  ze en de wereld deelt in Uw vrede [8]. Hierna citeerde mijn vader de beginstrofen uit de īśāvāsya upaniṣad: “Dat is algeheel. Dit is algeheel. Algeheel komt van algeheel. Neem algeheel af van algeheel en aldus blijft algeheel. Vrede, Vrede, Vrede”.

In een pikdonkere periode van mijn leven heb ik het vertrouwen van mijn ouders geschonden. Mijn hart was kil en leeg, mijn trouw aan de vrede in de wereld veranderde in haat en ik verheugde mij in wandaden die ik zou begaan om mijn hart met ijdelheid te vullen. In een nacht heb ik het bos rondom een dorp in brand gestoken, de wind en de vuurgoden verspreiden de vlammen. Ik schoot op alles en iedereen die aan de vlammen wilde ontkomen. Ik was blij! [9]

De volgende ochtend zag ik dat alles van waarde voor het vullen van mijn lege hart met ijdelheid door het vuur was veranderd in as en lijken. De stank van verrotting en de vliegen bleven. Hongerig en leeg trok ik verder. Onderweg vulde ik mijn maag met voedsel en mijn hart met mededogen. Welwillendheid, onthechting en vreugde kwamen weer in zicht.  

Jaren later deelde ik mijn eten met enkele hongerige bedelaars-zwervers. Zij dankten mij met de woorden: “Al met al, moge U zich realiseren dat Onze trouw en weldaad U niet kan verlaten”.

Door de woorden van deze voorbijganger voelde mijn hart weer de voortdurende weldaad en trouw die ik altijd meedraag en adem waar ik ga”.   

Na deze parabel leerde mijn vader mij de betekenis van het sleutelwoord “realiseren” dat is samengesteld uit “re”, “al”, “ïśe” [10] en “eren”, waardoor “realiseren” voorkomt uit “steeds opnieuw”, “alles”, “in haar almacht”, “eren”.

Waar jij ook gaat en wat wij ook doet, de weldaad en trouw zal U niet verlaten.”

Mijn minnaar zei aan het einde van deze parabel dat alles en iedereen verlicht is; wij moeten het voortdurend realiseren. Ik had nog een lange weg naar huis te gaan. Gelukkig was er weer welwillendheid en vreugde in mijn leven; de onthechting zou spoedig volgen.

Na het bezoek aan het Frogner Park liepen wij een paar straten de ambassadewijk in waar een vriend van ons met een groep in een mooi traditioneel houten huis woonde. Tijdens ons bezoek hoorden wij zorgelijk nieuws uit Amsterdam. Vele van onze vrienden en vroegere minnaars hadden een mysterieuze ziekte opgelopen waardoor zij snel vermagerden; de ziekte putte hen volkomen uit. De artsen wisten geen raad met dit ziektebeeld; aan de Westkust van Amerika waren al verschillende verre bekenden aan dit mysterie overleden.

Bij het ophalen van de post-restante op het postkantoor in Oslo las mijn geliefde in een brief van zijn zus dat zijn moeder erg ziek was geworden. Tijdens een telefoongesprek met zijn zus, hoorde hij dat zijn moeder minder dan een jaar te leven had.

Hoewel wij ons thuis voelden in Oslo, overschaduwde de bezorgdheid  over het lot van onze vrienden in Amsterdam en de ziekte van mijn minnaars moeder ons verblijf in deze stad. Na een week reisden wij door een waterrijk gebied terug naar Stockholm. Aan het begin van de herfst waren wij weer terug in Gamla Stan. De bladeren aan de bomen bij het water toonden hun rood, bruin, gele gloed. Die herfst en winter waren mijn minnaar en ik voor het laatst zorgeloos samen.

Stockholm-autumn[11]


[3] Onze witte Citroën DS

[8] De eerste zinnen van deze parabel zijn vrij naar het begin van hoofdstuk 3 uit de Spreuken van Salomo in het Oude Testament.

[9] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bron: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII. En verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990,  p. 71 – 84; Ruth Katz heeft in haar studie moeite om deze daden van Arjuna en Kṛṣṇa te duiden.

[10] Dit is de locativus van Īśa. Īśa betekent in het Sanskriet onder meer “God in de goddelijke hemel”, “iemand met almacht”. De klank van īśā komt overeen met “ich” – het Duitse persoonlijk voornaamwoord eerste persoon enkelvoud.

[11] Bron afbeelding: http://www.communityofsweden.com/photos/photo/?photo=41411. Deze afbeelding valt niet onder de Creative Common Licentie; zie voor gebruik van deze foto de voorwaarden via de volgende hyperlink: http://www.communityofsweden.com/footer/editorial/community-of-sweden/terms-of-service/

Narrator – poort in het noorden


Het werd tijd om mijn masker van een idool af te leggen, want mijn hemel op aarde in de omgekeerde wereld van Amsterdam veranderde langzaamaan in een Boeddhistische hel. Alles en iedereen in mijn omgeving leefde naar mijn luimen. De oud Joodse verwensing “ik wens u veel personeel toe” en de Romeinse wijsheid “macht corrumpeert” [1] gaven de invloed van mijn leven als icoon in Amsterdam op mijn persoonlijkheid goed weer. Mijn bestemming als Narrator Nārāyana [2] lag ergens anders.

Tijdens mijn glorietijd in Amsterdam was ik Nederlands staatsburger geworden met bijbehorend paspoort: ik kon vrij door de wereld reizen met uitzondering van Kenia en enkele landen in Afrika. Na afscheid te hebben genomen van mijn vrienden en minnaars in Holland vertrok ik halverwege het voorjaar naar Zweden. Ik had een open uitnodiging van mijn Amerikaanse minnaar om bij hem in Stockholm te komen wonen.

In mijn Citroën DS zweefde ik over de autowegen in Nederland en Duitsland via Bremen en Hamburg naar Denemarken. Ik dacht dat mijn Godin een snelle auto was, maar op de Duitse autobahn ontmoette ik de echte “raser” of “snelheidsduivels” die zich met een snelheid van 200 km/u voortbewogen. Wilden zij hierdoor het hier en nu zo snel mogelijk ontvluchten?

[3]

In Denemarken bezocht ik Kopenhagen [4] – de stad waar ik na mijn verblijf in Zweden en Noorwegen enkele jaren zou gaan wonen. Mijn verliefdheid straalde nog steeds als een halo om mij heen; binnen enkele uren had ik vrienden ontmoet waar ik kon logeren. Via deze nieuwe vrienden vond ik een jaar later onderdak in deze stad aan het water.

[5]

Na een tussenstop van twee weken nam ik de veerboot Malmö. In Zweden reed ik langs de Zweedse scherenkust [6] naar Stockholm [7]. Na 1500 km rijden naderde ik mijn bestemming, maar voordat ik het eiland Stadsholmen betrad – waar mijn geliefde in een prachtig oud huis binnen de oude binnenstad Gamla Stan [8] woonde – zag ik in de verte het Stadshuis van Stockholm.

[9]

In zijn gouden huis van hoop en dromen in de Prästgatan [10] nam ik voor een klein jaar intrek bij mijn geliefde. Een jaar vol muziek en vreugde, een jaar met een tocht naar de Noordkaap en een terugweg langs de Noorse Fjorden, een jaar van zorgeloosheid en een jaar van afscheid.

[11]

In landen rond de Oostzee eindigen veel namen van straten op “Gatan”, “Gade” of “Gate”. Bij het horen of lezen van dit woord word ik herinnerd aan de lessen Sanskriet van mijn vader. Hij leerde mij dat in het Sanskriet het woord “gate” niet alleen een vervoeging is van het werkwoord met de betekenis “gaande”, maar het is ook de “locativus of plaats-vervoeging” van een zelfstandig naamwoord afgeleid van het werkwoord “gaan”.

Toen ik vele jaren later de volgende parabel [12] over Boeddha las, moest ik terugdenken aan mijn eerste aankomst in de Prästgatan in Stockholm: “Ruim 2500 jaar geleden hield een buitenstaander een huismus in zijn handen verborgen en hij vroeg aan Boeddha “Is de huismus in mijn handen levend of dood?”. Boeddha ging met zijn beide voeten aan weerszijde van de “gate” [13] staan en vroeg: “Zeg mij, sta ik op het punt van vertrekken of binnentreden?”” [14]

Het betreden van de Prästgatan en het huis van mijn geliefde voelde als een aankomst èn een vertrek in mijn leven; de voorjaarszon straalde haar gouden gloed.


[1] Het Romeinse werkwoord “corrumpere” betekent “bederven, verpesten, verwennen”.

[2] Het woord “nama” betekent in het Sanskriet “bestemming” en “Narrator” betekent “verteller”. Hierin zijn de woorden “nara” of “gewone man” en de werkwoordkern “tr – tarati” of “overzetten, kruisen, overstijgen” te herkennen; Nārāyana betekent “zoon van de oorspronkelijke man”. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[3] Deze foto is later rond 2005 genomen. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Autobahn

[10] “Präst” betekent “priester” in het Zweeds volgens “Google Vertalen”

[12] Een parabel (van het Griekse παραβολή parabolè dat “vergelijking” betekent — evangelisten gebruikten dit woord in de betekenis van “gelijkenis”) of gelijkenis is een kort verhaal, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren. Bron (en zie voor meer informatie): http://nl.wikipedia.org/wiki/Parabel

[13] De Poortloze Poort. Zie ook: Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990

[14] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 95 – 96.

Narrator – masker van een idool


In de omgekeerde wereld van Amsterdam had ik de verschijningsvorm van een idool aangenomen. Ineens was ik overal meer dan welkom; ik werd gevraagd bij voorstellingen en voor feesten. Iedereen wilde met mij gezien worden of in mijn omgeving zijn. Voor anderen mensen leek ik een goddelijk aureool met mij mee te dragen. In mijn nabijheid ervoeren vreemden zich opgenomen in een hemelse gloed. Zij allen droomden dat ik de toegangspoort tot de hemel bezat [1].

[2]

Nieuwe minnaars waanden zich bij mij in een buitenaardse ruimtereis, verbonden met het universum of opgenomen in droomwereld mooier dan het leven. Ik was voor hen de verbinding tot een altijddurend paradijs.

[3]

In mijn weelde verscheen opnieuw een Godin – weer een witte [4] Citroën DS – waarmee ik zoevend over de wegen – net als de leidsman Kṛṣṇa [5] in de Bhagavad Gita [6] – de glorie verwezenlijkte [7]. Als idool en middelpunt moedigde ik aan, ik stuurde en ik gaf vorm aan de wereld om mij heen; ik vormde het oog van een cycloon – even leeg, tijdelijk en verstild van binnen.

Idolatrie

Vergankelijk in een zucht

Gezien in de zon

“Schoonheid is een verschrikkelijk en beangstigend ding. Verschrikkelijk omdat de schoonheid onbepaalbaar is, omdat God ons alleen raadselen heeft opgegeven. Hier komen  de oevers bij elkaar, hier wonen de tegenspraken samen​​.” [8]  Deze aanhaling uit De Gebroeders Karamazow van Dostojewski gaf mijn vluchtige positie als idool in de omgekeerde wereld in Amsterdam weer. Dit citaat vormde ook het motto van Confessions of a Mask van Yukio Mishima waaruit ik een zekere duiding van mijn rol als icoon in de wereld waar mannen van mannen houden ontleende; voor mijn minnaars was ik niet alleen hun geliefde, maar tegelijkertijd ook hun concurrent bij hun liefde voor andere mannen in de polygame homoseksuele omgeving van Amsterdam in die tijd.

[9]

Naast duiding van mijn ijdele positie in de omgekeerde wereld in Holland zocht ik ook naar inzicht over de ontwikkeling van mijn leven. Na het lezen van de tetralogie Sea of Fertility [10] van Yukio Mishima bood de viervoudige reïncarnatie van de tweede hoofdpersoon houvast.

[11]

In lijn met deze zienswijze besloeg de eerste reïncarnatie in mijn leven – onder de roepnaam Kṛṣṇa – de periode van mijn vroege jeugd tot aan mijn vertrek uit Kenia. Nu was ik als tijdelijk idool op het hoogtepunt van mijn tweede incarnatie in mijn levensloop aanbeland. Ik voorzag dat mijn leven als icoon op imploderen stond; ik besloot de omgekeerde wereld van Holland voor een ruime tijd te verlaten. Na mijn aandeel in een ernstige oorlogsmisdrijf tijdens mijn eerste reïncarnatie in Kenia, wilde ik de loop van het vervolg van mijn leven in goede banen blijven leiden. Het werd ook tijd voor boetedoening voor dit misdrijf.


[1] Zie het boek Genesis 28:10-19 in het Oude Testament voor de droom van Jacob waarin Jacob een ladder van afdalende en opstijgende engelen aanziet voor de toegangspoort tot de Hemel. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Jacob’s_Ladder

[2] Schilderij: Jacob’s dream of a ladder of angels, c. 1690, by Michael Willmann. Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Dream

[3] De Droom van Henri Rousseau, 1910. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Droom

[4] Arjuna betekent onder meer “wit, helder”; in de naam is ook “arh” te herkennen dat “waardig, in staat tot” betekent. Arjuna is een van de hoofdpersonen in de Mahābhārata. Hij is een van de vijf broers die allen met een vrouw Draupadi – de mooiste en invloedrijkste vrouw van haar tijd – in polyandrie samenleven. De vijf broers strijden voor hun rechtmatig deel van het koninkrijk, voor het herstel van de eer van Draupadi en voor behoud van de wereldorde.

[5] Kṛṣṇa betekent in het Sanskriet onder meer “zwart”, “blauw zwart”, “de donkere periode van de maancyclus” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[7] Zie ook: Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990

[8] Bron: Dostojewski, F.M. Verzamelde Werken 9 – De Gebroeders Karamazow. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1958, p. 136

[9] Bron afbeelding: Voorzijde van boekband Mishima, Yukio. Confessions of a Mask. New York: A New Directions Book, 1958 (Eleventh printing)

[11] Bron afbeelding: Hatsuhana doing penance under the Tonosawa waterfall van Utagawa Kuniyoshi (1797–1861). Deze afbeelding is gebruikt als voorzijde van de Franse uitgave van de Sea of Fertility van Yukio Mishima.

Narrator – Amsterdam: de omgekeerde wereld 3


Mijn eerste herfst in Amsterdam was een natte en gure herfst. Nog steeds verwonderde ik mij over de overdaad aan water en aan het onbehagen dat de mensen voelde bij nat regenachtig weer. In mijn geboorteland was regen een feest, want er was geregeld een gebrek aan water voor het vee [1]. Mijn moeder moet met haar kudde rondtrekken op zoek naar nieuwe waterbronnen en naar nieuw grasland. In Holland is dit allemaal in overvloed; een gat van een halve meter diep is voldoende om water te vinden en overal zijn weilanden.

In mijn eerste jaar in Holland ben ik van de luchten gaan houden. De wolken zijn van een betoverende schoonheid. De schilderijen van de Hollandse meesters geven een glimp van deze rijkdom weer; de echte luchten in combinatie met de zon zijn een wereldwonder zonder weerga. In dit omgekeerde land heeft niemand tijd en interesse om naar de lucht te kijken; behalve kunstenaars, maar die worden gezien als nietsnutten. “Tijd is geld en van naar de lucht kijken kan men niet leven; er is wel wat beters te doen”, vinden Hollanders.

[2]

Hollanders beschouwen zichzelf als Gods rentmeester, maar zij vergeten om aandacht te schenken aan de helft van Gods schepping [3]: de hemelse lucht [4]. In de Nederlandse literatuur is maar één hoofdpersoon de vinden die alle aandacht heeft voor de lucht en het spel van de zon, maar deze schilder is mal geworden, omdat hij de zonsondergang niet op een schilderij kon vastleggen [5].

[6]

De tweede winter in Holland ben ik gaan houden van de geborgenheid en de beslotenheid van mist en nevel. In dit omgekeerde land zijn wolken op de grond nog volop aanwezig, net of God heeft verkozen om de scheiding van lucht en aarde rondom Amsterdam nog niet volledig te voltooien. De mensen in Holland hebben hier geen oog voor. Het Hemelrijk van God is voor de armen van geest [7], gewone stervelingen hebben nu de zorg voor de aarde en God zal later de uitverkorenen toelaten tot zijn Koninkrijk Gods. Voor mij was Holland een Goddelijk paradijs met een hemelse pracht op aarde.

[8]

Het volgend voorjaar verscheen er een Godin in mijn leven. Een van mijn minnaars verbleef voor een half jaar in het buitenland en ik mocht zijn huis en Citroën DS in de tussentijd gebruiken. Hij liet voor mij ruim voldoende leefgeld [9] achter. Die zomervakantie zweefde ik met mijn witte Godin over de wegen van Europa; ik heb ook mijn vrienden in Rome bezocht.

[10]

Aan het einde van mijn tweede jaar in Amsterdam was ik van een aantrekkelijke exotische verschijning veranderd in een idool. In de wereld van de mode en de ijdelheid was ik een veel gevraagde verschijning. Ik werd begeerd door invloedrijke aantrekkelijke mannen die van mannen houden en even toonaangevend als de koningsdochter Draupadi [11] in de Mahābhārata [12] leefde ik met hen in polyandrie.


[2] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Wolk

[3] Volgens Genesis 1:1 – het eerste boek van Oude Testament – schiep/scheidde God eerst de lucht en de aarde. De Hebreeuwse werkwoordkern “bara” in de Hebreeuwse versie van Genesis 1:1 heeft vier betekenissen: “scheppen”, “klieven”, “uitverkiezen” en “voeden”. Bron: http://www.qbible.com/hebrew-old-testament/genesis/1.html

[4] In de Westerse vertalingen van de Hebreeuwse versie van het Oude Testament wordt het woord “shamayim” vertaald met “hemel”. Waarschijnlijk is “lucht” of “firmament” een betere vertaling voor het Hebreeuwse woord “shamayim”. Zie ook: http://www.qbible.com/hebrew-old-testament/genesis/1.html en http://www.ancient-hebrew.org/35_home.html en Benner Jeff A.A Mechanical Translation of the Book of Genesis – The Hebrew text literally translated word for word. 2007

[5] Zie: De schilder Bavink in onder meer De uitvreter en Titaantjes in: Nescio, Verzameld werk I. Amsterdam: Uitgeverij Nijgh en van Ditmar en Uitgeverij van Oorschot, 1996.

[6] Bron foto: Marieke Grijpink

[7] Zie: het Evangelie van Mattheus 5:3 in het Nieuwe Testament.

[8] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Mist

[11] Zie ook: McGrath, Kevin, STRῙ women in Epic Mahâbhârata. Cambridge: Ilex Foundation, 2009 en http://en.wikipedia.org/wiki/Draupadi

Narrator – Amsterdam: de omgekeerde wereld 2


De eerste winter in Holland was het leven een feest. Alles was anders dan in mijn geboorteland. De dagen waren grijs, guur en koud, maar binnen in de huizen was het warm met kunstmatig licht tot ver in de avond. Er was eten in overvloed, maar de gastvrijheid reikte meestal niet tot het delen van een maaltijd. In het begin dacht ik dat men zich schaamde voor de onkunde om een lekker maal te bereiden. Veel later kwam ik er achter dat geloof, zuinigheid en geld een belangrijke rol speelden.

Via een omweg was ik welkom bij de maaltijd; als gast bood ik aan om de maaltijd te bereiden. In Rome had ik goed leren koken. Op bezoek bij vrienden en bekenden genoten wij op een on-Hollandse manier van een on-Hollands lekkere maaltijd. Ook mijn minnaars waardeerden mijn kookkunst.

[1]

Mijn eerste winter in Amsterdam zag ik echte kabouters met lange haren en verwarde kleren. Zij wilden vrij zijn van iedere traditie en zichzelf ontdekken in een nieuwe wereld; dit is allemaal geschiedenis. De popmuziek uit die tijd is mij nog altijd lief. Zij ontdekten zichzelf in een voor hen bekende wereld; ik ontdekte mijzelf in een voor mij omgekeerde wereld; dit is nu allemaal geschiedenis.

Het eerste voorjaar in Amsterdam geurde mijn verliefdheid exotisch door de stad: de mooiste minnaars kwam ik tegen. Allen waren anders en allen waren eender. Met een minnaar ben ik door Holland gaan rijden. Wij zagen de veelkleurig gestreepte bollenvelden in de eindeloze vlakten. Mijn liefdes waren even direct intens, kleurrijk, alomvattend en tijdelijk als deze bloemenpracht. Ik was een vreemde noviteit uit een andere wereld en daardoor aantrekkelijk vreemd binnen de gemeenschap waar mannen van mannen houden.

[2]

Een van mijn minnaars uit de tijd kwam uit Amerika. Hij was gevlucht naar Zweden om zijn verplichte bijdrage als Amerikaans dienstplichtige aan de oorlog in Vietnam te ontlopen. Dat voorjaar en zomer woonde hij illegaal bij vrienden in Amsterdam want in deze omgekeerde stad zou de nieuwe wereld met eeuwigdurende vrede gaan beginnen. Voor hem was ik de complementaire donkere yin die met zijn lichtkleurige yang een weg voor harmonie en vrede vormde. Dit droombeeld duurde een stralend halfjaar totdat hij weer uit Nederland naar Zweden moest vluchten. Later toen ik vrij in Europa kon reizen, heb ik hem in Stockholm enkele keren bezocht. Hij liet mij delen in de rijkdom van zijn familie. Door hem leerde ik autorijden en na zijn vlucht bezat ik voor een zomer een grote Amerikaanse auto met de naam “Dondervogel”. Vrij zwevend gleed ik als een fluisterende dondervogel door Holland. In het najaar heb ik de auto verkocht om de tweede winter door te komen.

[3]

Aan het einde van de zomer kwam Arjan – mijn vriend en minnaar uit Kenia – met zijn ouders voor een half jaar terug in Holland. Via Arjan en zijn ouders heb ik een permanente verblijfsvergunning en later het Nederlands staatsburgerschap verkregen. Ook hier werd in Holland een omgekeerde redenering gevolgd. Het leger van Kenia zou naar mij op zoek zijn om mijn tijdelijk lidmaatschap van een politieke militie. Bij mijn terugkeer in Kenia zou ik direct levensgevaar lopen. Door deze redenering was ik van een dader van misdrijven veranderd in een slachtoffer. Ik heb Arjan verteld dat ik verder leefde met de geesten van overleden dorpelingen door toedoen van de militie; hierdoor was ik indirect slachtoffer door mijn eigen aandeel in een misdrijf. Arjan overtuigde mij dat ik door een leugen om bestwil een Nederlands paspoort kreeg met daarbij vrij reizen in de wereld exclusief Kenia. Ook hierin was Amsterdam voor mij een omgekeerde wereld met overvloed; het onbehagen volgde na 10 jaar feesten.

Narrator – Amsterdam: de omgekeerde wereld


In Amsterdam betrad ik de omgekeerde wereld van Holland en deze omgekeerde wereld nam mij in zich op. Een wereld met vele eeuwen een verbijsterende rijkdom en een diep onbehagen[1], maar dat leerde ik pas later. Voor mij begon het feest. Als een exotische buitenstaander had ik nog geen last van het onbehagen en mijn minnaars lieten mij in hun rijkdom delen.

Vanuit de haven wandelde ik via het Damrak [2] naar de Dam.

[3]

Vroeger in de 17e eeuw was de Dam en omgeving de plaats waar scheepsladingen werden verhandeld tegen waardepapieren die over het hele Noordzee- en Oostzeegebied inwisselbaar waren. De handelaren in Amsterdam deden alles om het vertrouwen in deze waardepapieren te laten behouden. Nog steeds relateren de Hollanders de waarde van goederen en het vertrouwen in menselijke relaties aan de waarde van geld. Geld is voor hen nog altijd een metafoor voor vertrouwen.

Toen ik op die mooie herfstdag voor het eerst op de Dam aankwam, waren de laatste Damslapers van dat jaar nog aanwezig. Enkele jaren geleden hadden de politie en mariniers schermutselingen geleverd met de Damslapers. Naar de mening van de toenmalige regenten hoorden deze luie nietsnutten geen slaapplaats in te nemen bij het Nationaal Monument [4]. De tekst op de voorzijde van het gedenkteken leek de regenten in hun recht te laten staan:

“Hic ubi cor patriae monumentum cordibus intus
quod gestant cives spectet ad astra dei.”[5]

(‘Laat hier waar het hart van het moederland is, het monument – dat burgers binnen in hun harten dragen – naar de sterren van God kijken.’)

Volgens de gezagsdragers behoorde alleen het monument ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog naar de sterren van God kijken. Intuïtief voelden de Damslapers aan dat het Monument een gedenkteken is om de innerlijke entiteit van de burgers naar de sterren van God te laten kijken. In mijn Masaï geboortestreek wekte de God Engaï [6] in een ver verleden de overledenen onder de nachtelijke sterrenhemel weer tot leven. In dit omgekeerde land hadden de Damslapers de schermutselingen tijdelijk gewonnen totdat de winter hen verjoeg. In die koude dagen gaf de damp van mijn adem een thuis aan de adem van de dorpeling die zijn gedood bij het nachtelijk vuur in het bos; bijna alle nachten sliep ik onder de sterrenhemel wanneer de koude dat toeliet.

[7]

Na enkele maanden vroor het een periode; de bewoners van deze omgekeerde wereld werden door ijskoorts bevangen. Voor het eerst in mijn leven zag ik bevroren water – voor mij een vreemde omgeving. De andere mensen gingen massaal op het ijs schaatsen; voor hen was het een vrije wereld met een traditionele vrijhandel [8]. Velen maakten lange schaatstochten door de polder, enkelen kwamen gewond weer thuis – in Holland heel gewoon.

[9]

Gelukkig vond ik in deze koude periode onderdak bij mijn minnaars uit die tijd.


[1] Zie voor de rijkdom van Holland in de 17e eeuw: Schama, Simon, The Embarrassment of the Riches. Fontana Press, 1987

[2] Het Damrak was vroeger de oude buitenhaven aan de Zuiderzee waar kleine zeeschepen konden aanleggen. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Damrak

[3] Schilderij van Cornelis Anthonisz. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Cornelis_Anthonisz.

[5] De Latijnse tekst op de voorzijde van het gedenkteken is van dr. J.D. Meerwaldt

[6] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen dood gaan en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

[8] Tot de moderne tijd was drank en prostitutie wettelijk geregeld voor land en water. IJs werd in de wetgeving niet genoemd en daardoor ontstond op het ijs een vrijgeleide voor de handel van alcohol en voor prostitutie.

Narrator – naar de omgekeerde wereld


Voordat ik in de omgekeerde wereld van Holland aankwam, moest ik door de Ardennen in België lopen en met een boot in Nederland door Limburg en Brabant varen. In het begin van de tocht was het mooi lieflijk herfstweer in de Ardennen. De bladeren aan de bomen werden bruin en geel; het landschap toonde de laatste warmte van het jaar. De avonden werden kort en de nachten waren kouder; ik moest snel een warme verblijfsplaats vinden want de winter kwam gauw. Gelukkig verliepen de nachten rustig en ik sliep goed want ik had onderweg een goede slaapzak bemachtigd.

Het pad van de GR 5 door de Ardennen was makkelijk en lieflijk. De eerste tijd liep ik door de natuur; bij boerderijen kreeg ik bijna altijd een maaltijd in ruil voor een verhaal. Na enkele dagen kwam ik in een dichter bewoonde omgeving.  Stavelot was het eerste stadje dat ik in België bezocht; ik verwonderde mij over de rijkdom van de abdij.

[1]

Voor een kleine stad met ruim 6000 inwoners heeft Stavelot een indrukwekkend mooi centrum, met veel statige huizen.

[2]

De nacht na het bezoek aan Stavelot was er een kort heftig onweer. De donder rolde door de dalen, maar dit onweer duurde niet lang en het klaarde snel weer op. Van Stavelot liep ik via de GR 5 naar Spa, een voormalige badplaats en kuuroord in de Ardennen. Ik was onder de indruk van de rijkdom in deze streek.

[3]

Net buiten Spa heb ik in de open lucht overnacht; mijn hotel had de sterrenhemel als dak en mijn kamer omvatte het universum.

[4]

De volgende ochtend was het druilerig weer. In de miezer, regen afgewisseld met enkele opklaringen liep ik in enkele dagen naar de Maas bij Visé.

[5]

Daar ontmoette ik een eigenaar van een boot die wegens ziekte hulp nodig had tijdens de tocht naar Amsterdam. Zo voer ik in guur herfstweer langs Maastricht, Roermond, Venlo, Nijmegen, Utrecht naar Amsterdam. Ik reisde droog en comfortabel met een kost en inwoning.

In Brabant, Utrecht en Holland was ik verwonderd over het water dat in een kanaal hoger lag dan het land en de huizen in de polder. In Utrecht en Holland was ik verbaasd over de weidsheid en de platheid van het land. Dit was een omgekeerde wereld van alles wat ik eerder in mijn leven had ontmoet.

[6]

In de haven van Amsterdam nam ik afscheid van de schipper. In het centrum van de stad zag ik vreemde, markante mensen. Sommigen leken op kabouters en zo noemden zij zich ook. Alles was anders; de jongeren speelden de baas over de ouderen. De muziek was anders en de mensen wilden swingen, maar deze stijve mensen konden dat niet. Met geestverruimende middelen maakten jonge mensen de wereld kleurrijker dan de grijze omgeving er uitzag. Soms ging het mis met de geestverruiming. Enkele inwoners in deze omgekeerde wereld dachten te kunnen vliegen – hoogmoed kwam voor de val. De eerste dagen ontmoette ik enkele minnaars in deze stad waar mannen van mannen mogen houden – het tijdelijke feest dat ruim 10 jaar van mijn leven besloeg, begon ….