Tagarchief: Amsterdam

Narrator – te voet door Frankrijk 2


Op mijn voettocht door Frankrijk ontmoette ik veel mensen. Door mijn donkere huidskleur viel ik op; er waren geen andere Masaï/Indiase wandelaars op pad. In de Jura waren de mensen bij de eerste aanblik afwijzend: ik was vreemd, onbekend en duister. Maar mijn glimlach en een vriendelijk begroeting in de Franse taal ontdooide bijna alle medewandelaars. De boeren bewoners bleven langer achterdochtig. Dit is te begrijpen want zij hadden huis en haard te verdedigen tegen een donkere onbekende vreemdeling.

[1]

Uiteindelijk ontmoette ik onderweg veel gastvrijheid. Met twee medereizigers ben ik een stuk naar het noorden gelopen. Onderweg zagen wij op verschillende plaatsen steenmannetjes staan als wachters van het pad. Bij een steenmannetje besloten wij te pauzeren. Een van mijn metgezellen vroeg zich af hoeveel mensen hier stenen hadden gelegd. De ander vroeg waar de mensen nu waren. Ik antwoordde: “In ieder geval zijn wij hier”. Wij moesten toen lachen. Terwijl ik water dronk, vroeg ik mij af waar alle wijzen uit het verleden gebleven waren. Ineens voelde ik duidelijk dat wij direct verbonden waren met de mensen die hier de stenen hadden gestapeld en met alle wijzen uit het verleden [2]. Wij liepen onze levensweg direct in de voetsporen van de anderen.

[3]

De volgende nacht droomde ik de droom die ik – na het nachtelijk vuur in het bos waarbij mijn mede-militieleden en ik een dorp hadden uitgemoord – geregeld droomde. In deze droom kwamen de vlammen uit het bos met de geesten van de dorpsinwoners op mij af om mij te verzwelgen. Door de vlammen was mijn huid al zwart geblakerd en ik ging mezelf verliezen in de geesten van de dorpelingen.

[4]

Op het moment dat zij mij dreigden te verslinden, werd ik steeds wakker; ik was dan helemaal bezweet en ik ademde hevig. Wanneer ik mijn ogen opende, zag ik de maan en de sterrennacht als geruststelling. De nachtelijk hemel wekte mij langzaam weer tot leven zoals de god Engaï in de Masaï mythe de maan iedere nacht weer tot leven wekte [5].

[6]

De nacht na het steenmannetje verliep de droom op dezelfde manier, maar het moment waarop ik doodsbang wakker werd, was de lucht helemaal bewolkt. De maan en de sterren konden mij geen troost bieden. Alles was pikdonker en ik hoorde alleen een snelle luide pijnlijke ademhaling; mijn borstkas ging heftig te keer. Doodsbang vroeg ik mij af: “Welke adem is daar? [7]”. Ik dacht eerst dat in mij de adem van de geesten van de dorpelingen weer tot leven was gekomen. Daarna durfde ik niet te stoppen met hijgen want ik was bang dat de geesten mijn adem met zich mee zouden voeren wanneer zij in het donker verdwenen.

Langzaam ging ik kalmer ademen en ik kwam tot rust. In de duisternis heb ik aan de dode dorpelingen beloofd dat mijn adem ook hun adem was. Ik beloofde dat mijn adem – zolang ik leefde – voor hen een voorlopig thuis zou zijn. Eens hoopte ik met hen thuis te komen. Daarna is deze droom minder vaak teruggekomen.

Ik was op weg naar Amsterdam – mijn nieuw voorlopig thuis.


[2] Zie ook de koan “Attendant Huo passes tea” in: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 60 – 62

[7] Dit is de laatst vraag in de koan “Yunmen’s twee ziekten”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 46 – 50. Zie ook: Maezumi, Hakuyu Taizan, The hazy moon of enlightenment. Somersville: Wisdom Publications, 2007 p. 21 – 27

Narrator – Te voet door Frankrijk


Nadat ik via de Mont Blanc tunnel in Frankrijk aankwam, vervolgde ik mijn reis met de trein naar “Annemasse” net voor de Zwitserse grens bij Geneve. Zelfs midzomer was het Midden/Hoog gebergte ten noorden van Chamonix niet mijn wereld. Later ben ik in de besneeuwde wereld aan het begin van de winter in een droom bijna naar een andere wereld weggegleden. In de ijskoude verstilling voelde ik mij helemaal thuis in de betoverende witte droomwereld. Carla Drift heeft mij vanuit deze verijsde wereld weer tot leven laten komen.

[1]

Mijn beperkte reispapieren waren niet goed genoeg om twee keer de Zwitsers/Franse grens te passeren. Vanaf “Annemasse” liep ik langs de Zwitserse grens naar “Les Rousses” om vandaar via de GR 5 naar het Noorden te gaan. Gelukkig was vanaf “Les Rousses” de wandelweg naar het Noorden wel begaanbaar.

[2]

Na de treinreis was mijn geld op. Ik moest op de een of andere manier aan eten komen. Ik had ik niet voldoende tijd om onderweg voor mijn voedsel te werken, omdat ik voor de herfst in Amsterdam wilde aankomen.

Op 2 oktober 1996 zei een vroegere bisschop van Breda – Bisschop Martinus Muskens – in een VPRO-televisieprogramma dat het stelen van brood en eten geoorloofd is, als mensen honger hebben en geen andere mogelijkheid zien om te overleven [3]. Hiermee verwoordde hij de moraalleer van de Katholieke kerk waarin het leven belangrijker wordt gevonden dan het aardse bezit. Al in de Middeleeuwen werd het “voedsel dilemma” opgelost doordat een monnik in extreme noodzaak zijn abt niet hoefde te gehoorzamen door voedsel volgens opdracht te bezorgen, maar hij behoorde onderweg eten te verschaffen aan een mens met ernstige honger [4].

[5]

Gelukkig heb ik onderweg nooit ernstig honger hoeven lijden. Heel af en toe heb ik gezondigd door een of twee stukken fruit zonder toestemming van de eigenaar van een fruitboom te plukken. Ook heb ik af en toe een vis gevangen of een kleine dier gejaagd – een nobele daad voor de adel en ordinair stropen voor de gewone mens – om op een klein vuurtje te bereiden. Met mijn achtergrond uit een Masaï nomadenstam die geen landsgrenzen kent en waar al het land voor iedereen is, heb ik dit gebruik van de omgeving nooit als diefstal kunnen zien; uiteindelijk komen het fruit, de vis en de kleine dieren altijd voort uit de leefwereld van iedereen. Later in mijn leven ben ik het ethisch [6] uitgangspunt gaan gebruiken, dat iedere verschijningsvorm in principe even veel recht van bestaan heeft. Maar als een keuze tussen twee verschijningsvormen onvermijdelijk is, dan verdient een complexere verschijningsvorm – in dit geval een wezen dat een hogere plaats in de hiërarchie heeft – de voorkeur [7].

Meestal heb ik op mijn reis naar Amsterdam in ruil voor voedsel of een maaltijd toepasselijke verhalen van mijn voorvaderen verteld. Hiermee ben ik in de voetsporen van mijn vader getreden.

In de Europese landen met materiële rijkdom en geestelijke armoede bestaat er een grote nood aan verhalen die duiding geven. Politici, managers, bankiers, dienstverleners in de geestelijke gezondheidszorg, bekende filmacteurs verkrijgen met hun duiding een uitstekend belegde boterham. In veel culturen worden deze ruilprocessen als windhandel gezien.

Met de verhalen van mijn voorouders kon ik mijn maag ruim voldoende vullen; ik had nooit honger op mijn weg naar Amsterdam. Door het ruilen van verhalen tegen voedsel leefde ik eigenlijk van de wind  – in Sanskriet वात of vāta – mijn vader was mijn voortdurende metgezel en leidsman.

Een dak boven mijn hoofd was in de zomer niet nodig; ik sliep in de open lucht onder de sterrenhemel. Bij slecht weer was een extra set kleren en wat plastic voldoende.

Zo begon het eerste deel van mijn wandeltocht langs de GR 5 in Frankrijk.


[4] Bron: Dougherty, M.V. Moral Dilemmas in Medieval Thought – From Gratian to Aquinas. Cambridge: Cambridge University Press, 2011, p. 77

[6] “De onderliggende betekenis van het Griekse woord “ethos” was “persoonlijke rangschikking”. Het woord komt van het Indo-Europese woord “swedh-”” waarin de woorden “sva” of “zelf, Ego en menselijke ziel” en “dha” of “plaatsen, schenken” in het Sanskriet in te herkennen zijn.

Bronnen: Ayto, John, Word Origins, The hidden History of English Words from A to Z. London: A &C Black, 2008 p. 199 en Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

[7] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 81 – 82

Narrator – Weg uit Rome


In Rome had ik de hemel op aarde uit mijn jeugd hervonden. Die herfst en winter was ik volkomen opgenomen in deze stad. Toch verliet ik het volgende voorjaar deze hemel op aarde. Als ik terugkijk op mijn leven, dan zou het beter zijn geweest wanneer ik in Rome was gebleven.

Veel later heb ik in boeken een verklaring voor de reden van mijn vertrek gelezen: “Wanneer het levenslicht niet volledig doordringt, dan zijn er twee vormen van ziekte. Een vorm van ziekte is wanneer niet alles helder is en er nog iets in beeld blijft om te bereiken. De tweede vorm van ziekte is wanneer volkomen opgenomen in de hemel er nog een hang naar de hemel blijft bestaan. Zelfs volkomen opgenomen in de hemel, blijft de vraag “Wie ademt?” – dit is ook een ziekte [1].    

Hoewel ik volkomen gelukkig was in Rome, leed ik nog aan beide vormen van ziekte. Ik waande mij in de hemel, maar nog steeds was in mijn bestaan niet alles helder en in mijn hart leefde de opdracht van mijn moeder om naar de stad Amsterdam te gaan. Ook mijn hang naar geluk bleef in Rome bestaan. Aan de genezing van de ziekte door de vraag “Wie ademt?” zijn Carla Drift, Man Leben en ik veel later begonnen tijdens onze Odyssee naar “Wie ben jij”.

[2]

In het vroege voorjaar gaf ik invulling aan de opdracht van mijn moeder om naar de stad Amsterdam te gaan waar mannen van mannen mogen houden. Ik verliet mijn hemel op aarde.

Mijn voetreis van Rome naar Amsterdam begon ik met een kleine rugzak en een beetje geld voor eten onderweg. In Italië bezocht ik de steden Siena [3] en Florence [4] waar ik genoot van de musea en de mooie gebouwen. In beide steden woonde ik een korte tijd bij minnaars; mijn exotische verschijning waaierde door deze steden. Na ruim twee maanden lopen, bereikte ik Noord Italië. Hier liet ik de gouden gloed van mijn half jaar Italië achter mij.

Bij mijn aankomst in Aosta was het weer was guur en de bergen lagen dreigend in de verte. Ik kon geen slaapplaats vinden. De hele nacht waakte ik onder een bewolkte hemel met veel regen.

[5]

De volgende dag klaarde het weer op en ik droogde mij in de zon. Ik liep verder door het Aosta dal via Courmayeur [6] naar de ingang van de Mont Blanc tunnel. Ik zag voor het eerst witte besneeuwde berghellingen. Zo’n prachtig heldere wereld had ik nog nooit gezien. Deze betoverende wereld was het tegenbeeld van mijn oorsprong en van mijn bestaan tot nu toe.

[7]

Ik ben met een vrachtwagen door de Mont Blanc tunnel naar Frankrijk gesmokkeld; dit ging zonder problemen. Ik durfde de grens niet met mijn reispapieren te passeren, want mijn visum was alleen voor Nederland geldig.

In Chamonix net over de Franse grens leken de toppen van de bergen op tanden van een monster. Dit was niet mijn wereld. Met de trein verliet ik het dal van Chamonix.

[8]

In Frankrijk heb ik de GR 5 wandelweg naar het Noorden gevolgd.


[1] Dit is een verkorte en zeer vrije weergave van de koan “Yunmen’s twee ziekten”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 46 – 50. Zie ook: Maezumi, Hakuyu Taizan, The hazy moon of enlightenment. Somersville: Wisdom Publications, 2007 p. 21 – 27

[5] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aosta

[7] Bron afbeelding: foto door Matthieu Riegler via http://en.wikipedia.org/wiki/File:Mont_Blanc_depuis_Valmorel.jpg

Narrator – weg van huis


Net als mijn vader vertrok ik uit mijn geboorteland naar een ander continent om een beter bestaan te gaan leiden. Ik wilde niet rond te trekken in Europa maar ik had besloten om in Amsterdam – een stad waar mannen van mannen mogen houden – te gaan wonen. Dit voornemen is uiteindelijk precies omgekeerd uitgekomen.

Via de ouders van Arjen – door mij Arjuna genaamd – heb ik reispapieren en een visum voor Nederland gekregen. Mijn roepnaam Kṛṣṇa heb ik in Kenia achtergelaten. Hiermee hoopte ik afstand te nemen van zwarte bladzijden in mijn leven waarin ik in de hel bij de hongerige geesten had geleefd. Dit is niet gelukt: in mijn dromen en in mijn verhalen zijn deze bladzijden nog lang teruggekeerd.

[1]

Voor mijn paspoort heb ik als voornaam Narrator [2] vermeld; ik wilde net als mijn vader voor het publiek de rol van verhalenverteller in het levensverhaal vertolken. Als eerbetoon aan mijn vader heb ik de achternaam Nārāyana [3] opgegeven.

Aan het einde van het schooljaar nam ik afscheid van de school. Ik zei vaarwel tegen Arjen en zijn ouders en ik heb hen bedankt voor alle hulp. Een van de docenten op school kende een chauffeur die regelmatig via Nakuru en Lodwar naar Jūbā in Zuid Soedan reed. Daar heeft de chauffeur mij in contact gebracht met een collega die naar Khartoum – de hoofdstad van Soedan [4] – reed. In Khartoum kon ik verder mee naar Wadi Halfa, net voor de grens met Egypte.

Mijn ervaring en instinct als soldaat waren nog bruikbaar bij een wegversperring. Met nog een bocht te gaan zag de chauffeur in de verte een controle op de weg net voor een stadje. Mijn aanwezigheid kon de chauffeur niet verantwoorden. In de bocht kon ik uit de vrachtwagen glippen. Via een omweg door het struikgewas kwam ik in het stadje aan. Daar het ik de chauffeur weer ontmoet om verder te reizen.

Bij Wadi Halfa kon ik voor kost en inwoning helpen op een toeristenboot die over het Victoriameer naar het noorden voer. Bij Abu Simbil bezocht ik de tempel van Ramses II. Hier zag ik afbeeldingen van heersers uit verloren tijden die zich in hun overmoed als afgoden lieten vereren. Op mijn reis langs de Nijl ben ik nog meer vormen van hoogmoed – als stofrestjes in het universum – tegengekomen. Op school had ik van de zuster het eerste gebod volgens de Katholieke indeling geleerd: “Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen”. Deze “Mij” is voor mij altijd de sterrennacht en de maan gebleven. Deze beeltenissen van afgoden konden niet tippen aan de aanblik van de nachtelijke hemel bij nieuwe maan.

[5]

In Egypte reisde ik met verschillende boten de Nijl af. Onderweg zag ik op afstand verschillende piramides – voor mij wijzers naar de sterrennacht en de maan.

[6]

Bij de Nijldelta kon ik meevaren met een boot naar Alexandrië. In de bibliotheek van Alexandrië las ik alle verhalen van Scheherazade – de vertelster van de verhalen uit “Duizend en één nacht”. Zij werd iedere nacht – zoals de maan door de God Engaï [7] in de Masaï mythe – weer tot leven gewekt.

Vanuit Alexandrië heb ik Afrika verlaten. Zoals mijn vader nooit meer is teruggekeerd naar India, zo ben ik nooit meer in Afrika terug geweest. Mijn moeder was niet in staat om naar Amsterdam te komen, want zij kon haar kudde niet achterlaten. Mijn vader durfde ik niet te vragen, want ik was bang dat hij nooit meer naar mijn moeder zou teruggaan: dat kon ik haar niet aandoen.


[3] Nārāyana betekent in het Sanskriet: “zoon van de oorspronkelijke man” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[4] In het Sanskriet betekent “Su” onder meer “suprematie, goed, excellent, mooi, makkelijk” en “Dān” betekent “zijn, recht maken”.

[7] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen dood gaan en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

Narrator – terug op aarde


Het vuur in het bos [1] heeft de hele nacht gebrand. De volgende ochtend smeulde het nog steeds; pas in de middag doofde het vuur. De nachtelijke moordpartij aan de rand van het bos leverde niets op. De geur van het verbrandde bos mengde zich met de geur van dode lichamen en de aasvliegen waren overal.

Aan het begin van de volgende maanloze nacht verliet ik de militie. Ik liep de hele nacht; ik volgde de bestemming [2] van mijn roepnaam Kṛṣṇa [3] – in deze maanloze nacht ontsnapte ik levend uit de hel en ik ontliep de dood van Engaï [4]. Later hoorde ik dat enkele maanden later de militie was uitgemoord door het leger van het land. Net voor het eerste zonlicht heb ik mijn uniform en wapen weggedaan.

[5]

De volgende dag ruilde ik enkele bezittingen uit de militie tegen kleren. In ruim een week trok ik naar mijn moeders weidegrond [6]. Via informatie van bekenden vond ik haar tijdelijke verblijfplaats.

[7]

Zij zag mij al van afstand en mijn jongere broers en zussen kwamen op mij afgerend. Mijn moeder keek zielsgelukkig totdat zij mijn ogen zag – donker en koud als de nacht. Zij zag in mijn gezicht het vuur in het bos, mijn bewegingen weerspiegelden de hongerige geesten en aan mijn lichaam rook zij de hel. Ik kreeg te eten en ik kon blijven slapen, maar de volgende morgen stuurde zij mij weg met de woorden: “Van de wereld heb jij genomen, aan de wereld moet jij teruggeven. Daarna ben jij welkom als gast.”

Te voet ben ik naar de hoofdstad gegaan. Aan de rand van de stad kon ik tegen kost en inwoning hulpdocent zijn op een school. Tijdens de lesuren hielp ik de leerlingen bij de opdrachten en buiten schooltijd ging ik naar de bibliotheek om te studeren. Mijn Engels en Sanskriet verbeterden enorm en ik leerde en oefende de belangrijke epische verhalen zodat ik – net als mijn vader – verhalenverteller kon zijn.

[8]

In de stad ontmoette ik de mooiste mannen op wie ik heimelijk verliefd werd. Na een jaar leerde ik mijn eerste liefde kennen – zo gewoon, zo vanzelf, zo geborgen. Zijn naam was Arjen; ik noemde hem Arjuna [9]. Zijn ouders waren voor hun werk uit Nederland naar Nairobi verhuisd . Naar buiten waren wij vrienden, heimelijk waren wij geliefden. Zijn huid was veel lichter; hij studeerde aan de universiteit. Ik hielp hem met Sanskriet; hij hielp mij met Engels, Frans en Duits.

Twee jaren laten zijn wij naar mijn moeder gegaan. Zij begroette mij als haar verloren zoon. Al mijn broers en zussen waren blij om ons te zien. Enkele dagen later kwam mijn vader langs en wij waren gelukkig.

Mijn moeder zag meteen dat Arjen en ik meer dan alleen vriendschap hadden. Om mij te beschermen tegen de overweldigende krachten die een liefde tussen jongemannen in haar land opriepen, stuurde zijn mij weg naar een stad in een ver land waar mannen van mannen mogen houden. Zo overbrugde [10] zij het dilemma tussen haar wereldorde en plicht en het menselijk handelen [11]. Zij noemde de naam van de stad: Amsterdam. Enkele dagen later ben ik vertrokken. Ik heb mijn ouders nooit meer bezocht, maar zij vergezellen mij overal waar ik ga.


[1] Zie voor het vuur in het Khandava bos: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990,  p. 71 – 84

[2] In het Sanskriet betekent nāmadheya naast “naam” of “titel” ook “bestemming”. Bron: Maurer, Walter Harding, The Sanskrit Language, An Introductory Grammar and Reader. London: Routledge Curson, 2004 Deel II p. 771

[3] Kṛṣṇa betekent in het Sanskriet onder meer “zwart”, “blauw zwart”, “de donkere periode van de maancyclus” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[4] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen sterven en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

[5] Bron afbeelding: http://ki.wikipedia.org/wiki/File:Sunrise_over_Mount_Kenya.jpg

[6] In het Sanskriet betekent “nama” “weidegrond” (voor een nomadenvolk is dit een vorm van bestemming). Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[8] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Kenya

[9] Arjuna is een van de hoofdpersonen in de Mahābhārata. Hij is een van de vijf broers die allen met een vrouw Draupadi – de mooiste en invloedrijkste vrouw van haar tijd – in polyandrie samenleven. De vijf broers strijden voor hun rechtmatig deel van het koninkrijk, voor het herstel van de eer van Draupadi en voor behoud van de wereldorde. De naam Arjuna betekent onder meer “wit, helder”; in de naam is ook “arh” te herkennen dat “waardig, in staat tot” betekent.

[10] In het Sanskriet is een woord voor overbruggen: “yuj” dat ook “verbinden, voorbereiden, bevelen” betekent.

[11] Krishna [4] – de wagenmenner – zet in de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – Arjuna aan tot het betreden van het strijdperk waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht (Dharmakshetra) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra). Dharmakshetra is samengesteld uit Dharma “plaatsen van voortdurende zelf/Zelf”, en “kshetra” – letterlijk: veld. Kurukshetra is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat “maken, doen of handelen” betekent en “kshetra” – letterlijk: veld.

Carla Drift – Een nomadenbestaan 2


Een nieuw nomadenbestaan begon met het uitwuiven door het dorp van mijn jeugd – nu een bestaan zonder doel. Sinds mijn jeugd heb ik altijd een drijfveer gehad om een doel te bereiken. Op de lagere school las avonturen over ridders en avonturiers en ik wilde alles weten over het heelal en over biologie. Op de middelbare school kwamen daar literatuur, wiskunde en natuurwetenschappen bij. Als oudste dochter was het mijn plicht om het goede voorbeeld te geven. In Delft stortte ik mij op mijn studie natuurwetenschappen en ik verloor mij in een liefdesrelatie; allebei waren een doodlopend pad. Met menswetenschappen vond ik een nieuw doel in Amsterdam. Mijn werk op dit terrein nam mij helemaal in beslag en het onderzoek in de tropen ontnam mij een deel van mijn gezondheid. Achter het stuur op de tractor had ik ineens geen doel meer, behalve de weg voor mij.

Het voorjaar was begonnen en ik reed naar het zuiden de zon tegemoet. De weg voerde via België naar Frankrijk. De eerste paar dagen nam het nieuwe trekkersbestaan mij beslag. In mijn studententijd had ik op mijn fiets lange trektochten naar Zuid Europa gemaakt. Het suizen van de fietsbanden was toen mijn metgezel, nu was het dreunen van de dieselmotor mijn compagnon. Na een aantal uren was dit monotone geluid samen met het trillen van de tractor heel vermoeiend. Met mijn matige gezondheid moest ik na drie of vier uur rijden halverwege de middag weer een overnachtingsplaats vinden. Soms was dat een camping, vaak kampeerde ik in het wild.

[1]

Bijna altijd kwam ik aardige en behulpzame mensen tegen; ik sprak met hen over mijn trektocht en soms hadden wij het over elkaars leven. Alleenreizend zag ik veel bijzondere dingen: een haan tussen een groep eenden. Een paar dagen ben ik opgetrokken met een vrouw met een papegaai op haar schouder. Wij gingen dat deel van de reis dezelfde weg. Haar fiets werd in de caravan gezet en zij en haar papegaai kwamen op de tractor zitten. Zij was op drift geraakt na haar scheiding en het overlijden van haar ex-man. Zij kon moeilijk kiezen tussen de opluchting en het verdriet van het verliezen. De papegaai was haar metgezel voor aanspraak en samen deden zij voorstellingen op marktpleinen om voor een deel in hun levensonderhoud te voorzien. Ik denk dat zij voor een ander deel waren aangewezen op liefdadigheid en bedelen, maar daar hadden wij niet over gesproken.

 [2]

Deze bijzondere vrouw bracht mij op het idee om met jongleren wat bij te verdienen. Overdag ben ik begonnen met oefenen. Na verloop van tijd beheerste ik de kunst met drie ballen en drie knotsen. Met deze acts vulde ik het begin en middenstuk van mijn voorstelling; de apotheose werd de dansende stok [3] met brandende uiteinden.

[4]

Door een behulpzame man die mij hielp met een lekke band van mijn caravan, kwam ik in contact met een schoolbestuur dat meteen een invaldocent wiskunde voor tot de zomervakantie nodig had. Een dag later was ik docent wiskunde in de bovenbouw.

Het eerste lesuur vroeg ik wie wist wat differentiëren en integreren was. Gelukkig konden veel leerlingen vertellen hoe dit werd gedaan: gelukkig hadden zij dat goed geleerd. Maar niemand kon mij antwoorden wat deze handelingen voorstelden. Ik heb uitgelegd dat dit bijzondere wiskundige handelingen waren voor optellen en aftrekken. De leerlingen lachten mij uit van ongeloof omdat zij deze uitspraak absurd vonden. Differentiëren was de wijze waarop de verandering van de functie verminderde of vermeerderde over een bepaalde weg of tijd – dus een bijzondere manier van optellen en aftrekken. Integreren is de wijze waarop de vermeerdering of verminderen door de wiskundige functie over een bepaalde weg of tijd plaatsvindt – dus ook een bijzondere manier van optellen en aftrekken. Na enkele voorbeelden uit de natuurkunde en het leven van alledag was hun nieuwsgierigheid voor wiskunde gewekt.

[5]

Het volgend schooljaar was er behoefte aan een invalkracht natuurkunde in de bovenbouw. Deze klas had geen zin in natuurkunde. Enkele gangmakers in de klas waren weg van oorlogspelletje met de computer. Ik heb voor hen verborgen gehouden dat ik de gevolgen van oorlogen veel te goed kende – weer verstoppertje spelen.

Ik koos voor een andere aanpak; ik vroeg hun of zij wisten wat natuurkunde was. Als antwoord ging ik met de sterkste jongens armpje drukken: gelukkig won ik. De oorlogszuchtigen liet ik een foto van een gevechtsvliegtuig zien dat bij het door de geluidsbarrière gaan een lensvormige condens wolk liet ontstaan. De milieubewusten liet ik foto’s van zonneauto’s zien. Deze onderwerpen sloten mooi aan bij de natuurkunde onderwerpen van dat jaar.

[6]

Na een half jaar was de zonneauto doorgerekend, de oorlogszuchtigen wisten wat een kogelbaan, energie en impact was, en met armpje drukken leerden zij een moment kennen. Aan het einde van mijn periode in deze klas heb ik nog een keer armpje gedrukt: nu won de jongeman, zoals het hoort.

[7]

Een korte tijd na de tweede invalperiode ontstond een donkere bladzijde in de geschiedenis van mijn leven. Iemand had het op mijn eer en leven voorzien. Door zelfverdediging redde ik mijn leven. Naar mijn gevoel en rede was dit noodweer juridisch en ethisch geoorloofd, maar ik stak de morele grens over van onderzoeker naar misdrijven naar een pleger van dergelijke daad. Ik schaarde mij gevoelsmatig tussen daders van misdaden. Ik had mijn onschuld verloren, een deel van mij was gestorven.

Een winter volgde waarin ik Narrator ontmoette.

Nieuws

Mijn uitgeverij Omnia – Amsterdam Uitgeverij heeft haar nieuwe website in gebruik genomen:

www.omnia-amsterdam.nl

Paperback editie van “Wie ben jij – deel 1” verschenen


Deze week verschijnt de paperback “Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan” geschreven door Jan van Origo bij Omnia – Amsterdam Uitgeverij.

Jan van Origo bedankt iedereen voor de bijdragen aan het ontstaan van dit boek.

Het grootste mysterie ben jezelf

Click here → 978-90-818390-7-5_WiebenJij_1_Inhoud ← Click here

Click here → 978-90-818390-7-5_WiebenJij_1_Cover ← Click here

Download de inhoud (12 Mb) en de omslag/cover (1 Mb). Print de paperback op een “Espresso Book Machine”; bijvoorbeeld bij de boekwinkel American Book Center in Amsterdam of in Den Haag

Het e-boek “Wie ben jij” is ook verkrijgbaar in Pdf-versie via de volgende hyperlink:

Hoge (300 dpi) kwaliteit e-boek – 13 MB – in A5 formaat:

Klik hier → 9789081839068_Wie_ben_jij_1 ← Klik hier

Afdrukken (262 pagina’s) voor eigen gebruik of voor educatieve doelen is toegestaan.

Een zucht van de wind
In het ruisen van de bomen
Licht jouw stem weer op

De verkenning “Wie ben jij” is samengesteld op basis van de gebundelde berichten van maart – augustus 2011.

Man Leben, Narrator en Carla Drift zijn de drie hoofdpersonen op dit deel van de Odyssee.

De Odyssee naar “Wie ben jij – een zoektocht naar ons bestaan” is een queeste met vele aanlegplaatsen. De zoektocht naar “Wie ben jij” is over jou en mij en alles dat met ons verbonden is. Niets is op voorhand uitgesloten. Zijn jij en ik verbonden of zijn wij gescheiden? Wat maakt jou tot de persoon die jij bent? Wie ben jij voor jouw geboorte en wie zal jij zijn na jouw dood? De antwoorden op deze vragen zijn voorlopig onbekend, maar toch stellen wij deze vragen.

 De voortgang van deze zoektocht naar “Wie ben jij” is te lezen via deze weblog.

De volgende twee delen van “Wie ben jij” bevatten de hoofdstukken 5, 7 en 0 van deze zoektocht.

Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 3.0 Unported licentie.

Foto’s, afbeeldingen, en aanhalingen in de tekst kunnen onder een andere vorm van copyright vallen.

Carla Drift – Veranderingen en Conflicten 2


Mijn laatste studiejaar in Amsterdam kende een schitterende lente, een lente als geen ander. De gestolde tijd kwam in beweging. Nooit heb ik de bloemen en de bloesem mooier gezien. De natuur rook naar leven.

Een lente als geen ander[1]

Het leven straalde en ik straalde terug. Alles om mij heen was nog even intens als in de drie jaren als drie eeuwen, maar de ijselijke verkilling ontdooide en de verstijving verdween in de warmte van de lentezon. Ik zweefde in een gouden gloed.  “Leven is een voortdurend sterven van het nu” – de zin uit de gestolde tijd – veranderde in:

Voor de natuur is
scheppen en voltooien één
en dezelfde daad

Zon schijnt in een kloof[2]

In de zomer en de herfst werd mijn leven normaal. Nog steeds mis ik de intensiteit en de eindeloosheid van het hier en nu.

Mijn eindscriptie voor mijn studie menswetenschappen had als onderwerp “Voorkomen van excessen bij veranderingen en conflicten”. Het eerste deel behandelde de omstandigheden waaronder excessen zich bij voorkeur manifesteren; het tweede deel beschreef de factoren die een dempende werking hebben op het ontstaan van uitwassen.

Bijna alle veranderingen gaan stilzwijgend voorbij. Deze stille veranderingen zijn als een ademhaling, het knipperen van de ogen of het draaien van het hoofd. De aanleiding kan zijn het lezen van de krant, het zien van een foto of het horen van een verhaal. Daarna is de wereld anders dan voorheen. Dit soort verandering is even natuurlijk als het leven.

Het onderwerp van mijn scriptie richtte zich op veranderingen die met spanningen zijn omgeven. In dit bericht volgen enkele aspecten uit mijn studie.

Ik had bij het onderzoek voor mijn eindscriptie gekozen voor zeven verschillende invalshoeken bij het bezien van veranderingen.

De eerste invalshoek had betrekking op de reikwijdte van de verandering. De reikwijdte van de (direct aanwijsbare) gevolgen van de verandering – en de spanningen die hiermee gepaard gaan – kunnen bij mensen variëren tussen een individu, een familie, een leefgemeenschap, een stad, een land, een continent, de wereld, of het heelal.

De tweede invalshoek bezag de intensiteit, de kracht en hevigheid van de veranderingen. De hevigheid en intensiteit kan variëren van een kleine rimpeling in het bestaan tot een alles volledig overweldigende verandering.

De derde invalshoek was de tijdsduur waarbinnen de verandering zich voltrok. De tijdsduur kan variëren van een schok als bij een inslag van een grote meteoor of de explosie van de vulkaan op het eiland Krakatau in 1883 [3]; de gevolgen van deze explosies en inslagen zijn vele jaren later nog merkbaar en kunnen samenlevingen wegvagen. Andere veranderingen hebben een lange aanlooptijd zoals het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog of de introductie van lees- en schrijfvaardigheid in de Westerse samenleving.

De vierde invalshoek bezag spanningen veroorzaakt door veranderingen van menselijke behoeften. Hierbij maakte ik gebruik van de hiërarchie van behoeften van Maslow [4] waarbij de vijfde hiërarchie door mij was opgedeeld in drie afzonderlijke hiërarchieën: behoefte aan kennis, behoefte aan religie en behoefte aan zelfverwezenlijking. De behoefte piramide van Maslow is een model voor ordening van menselijke behoeften oplopend van Zelfbehoud tot Zelfverwezenlijking. Onze Odyssee naar “Wie ben jij” is een zoektocht naar deze Zelf in al haar eindigheid en onmetelijkheid – wij komen dit model van Maslow op een aantal aanlegplaatsen van onze Odyssee tegen. Spanningen kunnen zich manifesteren bij overgangen van een hiërarchie naar de andere hiërarchie – menselijke groei gaat vaak met schokken gepaard. Ook treden spanningen op bij regressie van de behoeften door gewijzigde omstandigheden zoals hongersnood, onzekerheid, verharde omstandigheden, aantasting van de eer en/of belemmering van meningsuitingen, creativiteit, religie en/of zelfactualisatie.

Hierarchie van behoeften volgens Maslow [4]

De vijfde invalshoek bezag het stadium van de ontwikkeling van de samenleving. Een jager-verzamelaars samenleving heeft in het algemeen minder middelen voor extreem geweld dan een hoog ontwikkelde agrarische/industriële samenleving met een enorm reservoir aan surplus in mensen, voeding, middelen en kennis.

De zesde invalshoek had betrekking op de mate van sociale stratificatie binnen een samenleving [5]. Bij een extreem gestratificeerde samenleving is de rol van de absolute heerser – bijvoorbeeld een farao of zonnekoning – zeer bepalend. Bij een oligarchie zijn groepsdynamisch proces binnen de kleine heersende klasse bepalend. Een niet gestratificeerde samenleving heeft een eigen – voor mensen ogenschijnlijk chaotische – dynamiek. Bij nadere analyse heeft deze samenleving een dynamiek die vaak in enkele parameters kan worden weergegeven, maar uitkomsten zijn bij omslagpunten erg afhankelijk van uiterst kleine triviale toevalligheden. Veel mensen voelen zich bij chaotische processen onzeker: snel ontstaat een roep om leiding.

De zevende invalshoek is de wijze waarop met de verandering/spanning wordt omgegaan. Deze zevende invalshoek geeft de reactie weer van individu, groepen en/of samenleving op veranderingen/spanningen. De reactie kan variëren van negeren, meegaan, medeleven tonen, positie kiezen, woede en/of verzet. Deze zevende invalshoek kwam vooral in het tweede deel aan de orde waar ik de factoren onderzocht die een dempende werking hebben op het ontstaan van uitwassen.

Een volledige beschrijving en bestudering van deze zeven invalshoeken was niet mogelijk binnen het kader van mijn eindscriptie. De zeven invalshoeken heb ik in mijn eindscriptie als uitgangspunt genomen om als casus de veranderingen en spanningen te onderzoeken en beschrijven van mannen die alleen hun habitat verdedigen via een eerste groeispurt in de mensheid – door een betere voedselvoorziening – waarbij een mannenoverschot als mannenbroeders tijdelijk rondtrekt op zoek naar zelfbevestiging door veroveringen via een tweede groeispurt – door verdergaande specialisatie in de mensheid – waarbij mannen in rondtrekkende legers van vechten hun beroep maken via een derde groeispurt – door grotere welvaart – waarbij een permanente krijgsmacht zich endemisch nestelt in de samenleving. Hierbij onderzocht ik de gevolgen voor de inrichting van de publieke orde: de krijgsmacht wordt een machtsfactor in de openbare orde die rechtstreekse toegang nodig heeft tot mensen en middelen voor haar bestaan. Ruim 10 jaar na mijn eindscriptie heeft John Keegan een zeer lezenswaardige studie over dit onderwerp geschreven [6].

Vloot van oorlogsschepen [7]

Een jaar geleden heb ik een mooie observatie gelezen over de dempende werking van het woord in “An Iliad – A Story of War” van Alessandro Baricco [8]. Als noot bij zijn vertelling van de Ilias merkt Alessandro op dat onderhuids in de Ilias altijd de wens aanwezig is om te stoppen met vechten. Hij ziet dit verlangen zich in de Ilias manifesteren in dialogen, in overleg en in bijeenkomsten – hij noemt dit de vrouwelijk kant van de Ilias. De debatten en bijeenkomsten – in plaats van gevechten – gaan eindeloos tot vervelens toe door. Dit overleg is volgens Alessandro een manier om het gevecht zo lang mogelijk uit te stellen – het overleg is als een Scheherazade die in leven blijft door het vertellen van verhalen. Het woord is het wapen waarmee de oorlog als in gestolde tijd stil wordt gelegd. Zelfs als de helden discussiëren over de manier van vechten, dan voeren zij het niet uit – op deze manier rekken zij hun leven. De helden zijn gedoemd tot de dood, maar zij zorgen dat het “roken van hun laatste sigaret, dat zij roken met woorden” zo lang mogelijk duurt. Als zij de strijd aangaan, veranderen zij in blinde fanatici met volle toewijding aan hun eer en plicht. Maar eerst: eerst is er een gestolde tijd, vrouwelijk, een tijd van bewust uitstel en terugblikken op een verleden. Een stolling van tijd die enkele overeenkomsten heeft met mijn drie jaren als drie eeuwen.

Via deze observatie van Alessandro Baricco komen wij aan bij de samenhang van de publieke zaak – met het gebruik van het woord, overleg, wetgeving, verdragen en rechtspraak – en oorlog – met haar blind fanatisme, woede, haat, wraak en onpeilbaar leed. Volgens Von Clausewitz [9] is oorlog een voortzetting van politiek met andere middelen. John Keegan heeft hierbij opgemerkt dat het instrument oorlog al veel langer bestaat dan politiek als staatsvorm.

Met deze eindscriptie sloot ik mijn studentenleven in Amsterdam af. In dat najaar betrad ik het leven van alledag.

[1] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Lente
[2] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Zonlicht
[3] Zie ook:  http://en.wikipedia.org/wiki/Krakatoa
[4] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Maslow’s_hierarchy_of_needs
[5] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Social_stratification
[6] Zie ook: Keegan, John, A History of Warfare. London: Pimlico – Random House, 2004 en een eerdere studie over de zeemacht: Keegan, John, The Price of Admiralty. London: Penguin Books, 1988
[7] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Military_organization
[8] Bron: Baricco Alessandro, An Iliad. Edinburgh: Canongate, 2007 p. 153 – 154
[9] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Carl_von_Clausewitz

Carla Drift – leven in Amsterdam, de gestolde tijd


In de loop van mijn derde studie jaar in Delft was mijn gevoelsleven op drift geraakt. In dat jaar raakte ik volkomen vervreemd van mijn grote liefde. Mijn studie kon ik niet voortzetten op een manier die mij paste. Ik stond met lege handen.

Naast de leegte in mijn leven, nam de intensiteit waarmee ik alles beleefde toe. Alles wat ik deed, alles wat ik voelde en dacht, scheurde mij – onzichtbaar voor anderen – ragfijn in tweeën. Mijn gevoeligheid voor alles nam steeds verder toe. Iedere handeling, iedere ontmoeting met anderen werd met een intense gloed volkomen uniek en alomvattend gestold in de tijd. In die tijd schreef ik: “Alles rondom mij verstilt, alles rondom mij verkilt en heel ongewild gaat alles wat ik aanraak dood”.

[1]

Met de intensiteit kwam tegelijkertijd ook de kilte. Het leven dat ik leefde stolde als in glas. Al waarmee ik in aanraking kwam, vervloeide en stolde in glas waarna het voor mij onaanraakbaar werd. Na het vervloeien en stollen bleef de kilte van koel glas of koud ijs waarin ik de gestolde tijd van alles dat achter mij lag, waarnam [2]. De intensiteit van mijn leven was onlosmakelijk verbonden met de ijselijke verkilling en verstijving van de dood. Inwendig voelde ik tegelijkertijd de gloed van vuur en de intense koude van ijs. Ik schreef in die tijd: “Leven is een voortdurend sterven van het nu”.

[3]

Met de intensiteit en de verkilling stolde de tijd. De tijd vertraagde en leek bijna stil te staan. Alles duurde eindeloos in geluk en verdriet tegelijkertijd. Het koken, avondeten en napraten met bezoek en/of met de twee huisgenoten in Amsterdam waren alomvattend. Drie jaren van mijn leven waren als drie eeuwen. Alle gebeurtenissen en herinneringen waren een eindeloos samenhangend glasparelspel.

[4]

De dichter Piet Paaltjens had zijn worgengel [5]. Ik had mijn sprong-engel; op galerijen van flats, boven op torens en op station perrons probeerde zij mij als een sirene te verleiden om de sprong in de leegte, in het duister naar de andere kant te wagen. Met dagelijkse fietstochten naar het Gymnasium, door het roeien in Delft en door voortdurende studie was mijn discipline sterk genoeg om de verleiding van deze engel te weerstaan. Natuurlijk ontliep ik zoveel mogelijk de aanlokkelijke plaatsen; voor mijn omgeving zei ik dat ik hoogtevrees had. Ook hier speelde ik verstoppertje.

In Amsterdam ben ik opgehouden met wedstrijdroeien. In het laatste roeiseizoen in Delft merkte ik de grenzen van de mogelijkheden van mijn lichaam – andere roeisters maakten veel makkelijker vooruitgang. Te voet en op de fiets heb Amsterdam en omgeving verkend. Van roeien ben ik overgestapt op fietsen – de zomervakanties tijdens mijn studie in Amsterdam ben ik in mijn eentje op mijn racefiets met tent door Europa getrokken.

[6]

In deze drie jaren als drie eeuwen heb ik voor mijn idee meer gelezen dan ooit. Op het gebied van literatuur maakten “Oorlog en Vrede” van Lev Tolstoj grote indruk door het samenspel van de mens en de omstandigheden op de geschiedenis – de ene handeling van een soldaat die een veldslag kon beslissen, kwam goed overeen met de bifurcatiepunten in de Chaostheorie. De zwerftocht van Holden Caulfield in “The Catcher in de Rye” van J.D. Salinger was een vage afspiegeling van mijn leefwereld. Wel sprak de volgende passage tegen het einde van het boek mij aan: “Ik zie een heleboel kinderen die een spel aan het doen zijn in een groot graanveld. Kleine kinderen en er is niemand bij – behalve ik. En ik sta op de rand van een afgrond. En ik moet ze vangen als ze in de afgrond dreigen te vallen. Dat is wat ik de hele dag zou doen. Dan was ik de vanger in het graan” [7].

Uit de bibliotheek las ik bijna alle boeken van Saul Bellow, Ayn Rand, Bernard Malamud voor de beschrijvingen van de levens van opvallende mensen. In de vier boeken uit de reeks “Into Their Labours” van John Berger vond ik boeiend om de ontwikkeling van gewone mensen met al hun feilen van de boerensamenleving naar het moderne stadsleven te lezen.

Als ontspanning las ik alle boeken van John Le Carré waarbij ik meevoelde met de intensheid en eenzaamheid van George Smiley in serie “The Quest for Karla” (1982), die de eerdere boeken “Tinker, Tailor, Soldier, Spy”, “The Honourable Schoolboy” and “Smiley’s People” omvat. De vervreemding tussen George en zijn vrouw kon ik haarfijn aanvoelen. In de 12-delige reeks spionage boeken van Len Deighton herkende ik mij in de avonturen en de wanhoop van Bernard Samson – zijn vrouw had haar kinderen en hem zonder reden verlaten en was overgelopen. En uiteraard werd ieder nieuw boek van Sjöwall en Wahlöö in de Martin Beck reeks in een ruk uitgelezen.

Na de drie jaren als drie eeuwen kwam er een stralende lente. Een lente als geen ander.  De bloemen en de bloesem hebben daarna nooit meer zo mooi gebloeid. Het leven werd weer normaal. Nog steeds mis ik de intensiteit en de eindeloosheid.

In 1988 verscheen het boek “Ver heen” van P.C. Kuiper. Hij beschreef hierin zijn ervaringen met de diepe depressiviteit die hij had doorgemaakt na zijn pensionering. De beschrijving was heel herkenbaar – dus depressiviteit was de oorzaak van mijn bijzondere drie jaren. Ik heb er nooit aan gedacht om medische hulp te zoeken. Altijd was ik een buitenbeentje geweest. In liefdesverdriet en in verdriet over afscheid zou ik ook wel bijzonder zijn – hier kon ik beter maar niemand mee lastig vallen. Verstoppertje spelen was voor mij niet nieuw.


[1] Bron afbeelding: “Glass production doghouse”; via: http://de.wikipedia.org/wiki/Glas
[2] Zie ook de slot scene van de film “2001: A Space Odyssey” van Stanley Kubrick uit 1968.
[3] Bron afbeelding: bMA, City of Amsterdam, Keizersgracht 123, 1015 CJ Amsterdam, The Netherlands; via: http://nl.wikipedia.org/wiki/Amsterdam
[4] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Glas
[5] Zie ook: Paaltjens, Piet, “Snikken en grimlachjes: poëzie uit den studententijd” 1867
[6] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Bicycle
[7] Zie ook: Salinger, J.D., The Catcher in the Rye”. Harmondsworth: Penguin Books, 1979.

Carla Drift – Studie menswetenschappen 2


In het verlengde van psychologie en geschiedenis bestudeerde ik ook de geschiedenis van het recht en de gebrekkige rol van taal op het gebied van emoties, cultuur en karakter.

De geschiedenis van het recht bestudeerde ik om meer inzicht te krijgen in de ordening van de samenleving en de verhoudingen tussen individuen onderling. Heel lang geleden was alles privé en groepsrecht. Bij vogels heeft de bewoner van een territorium net even meer te zeggen dan een indringer – meestal druipt de indringer af tenzij de bewoner niet oplet of niet in staat is zijn territorium te verdedigen. De bewoner heeft het territorium nodig om over voldoende voedsel te kunnen beschikken voor de jongen.

[1]

Bij mensen speelt een soortgelijk mechanisme een rol bij de wijze waarop mensen of groepen recht laten gelden op een gebied. Daarnaast hebben mensen gewoonterecht ontwikkeld en gastvrijheid voor bezoekers. Deze gastvrijheid is soms vastgelegd in gastrecht [2] – vaak vinden hierbij ruilprocessen plaats met “objecten in het midden” om vertrouwen te bewerkstelligen en bestendigen tussen bewoners en bezoekers.

[3]

Heersers hebben al vroeg door middel van recht willen aantonen wie het voor het zeggen had – de baas [4]  was – in een bepaald gebied. Een van de oudste wetboeken is de codex van Hamurabi [5]. Met de verspreiding van deze Codex in spijkerschrift op zuilen binnen zijn rijk, toonde Hamurabi aan wie zeggenschap had over de gebruiken en de orde binnen zijn heerschap. Deze codex van Hamurabi kende een lange lijst met straffen op overtredingen – de meeste straffen hadden kenmerken van “oog om oog, tand om tand”. Bijna alle straffen waren af te kopen met een “object in het midden” om het vertrouwen weer te herstellen – de straf op het per ongeluk ernstig verwonden van de buurman bij werkzaamheden kon worden afgekocht met overdracht van vee om het onderlinge vertrouwen te herstellen.

 
[6]

Naast het recht tussen mensen onderling, was er ook recht dat was gericht op het algemeen belang. Een deel van dit publieke recht was vastgelegd in verdragen tussen vorsten en heersers onderling. Het verschil tussen deze vorsten en heersers en de hedendaagse warlords is in vele gevallen slechts gradueel. In de mate van wreedheid en machtswellust wordt het verschil getoond; heel soms zijn de heersers en vorsten wijs en gematigd. Deze verdragen begonnen meestal met een overweging dat er vroeger ook al een verbintenis was tussen de ouders of voorouders van de heersers met een bepaalde ordening; na de overweging volgde de verbintenis die verder bouwde op vroegere ordening en tot slot werden strafbepalingen opgenomen voor het niet nakomen van het verdrag. Deze straffen varieerden van oorlogsverklaringen tot volledig uitroeien van bevolkingen.

Een andere vorm van publiekrecht was oorlogsrecht waarin de gebruiken van oorlog en belegeringen waren bepaald. Enkele voorbeelden hiervan. Een stad kon belegering en plundering meestal voorkomen door het overhandigen van een buit tot het moment was aangebroken waarop de stad volledig was omslingeld; daarna was alleen een volledige overgave mogelijk. De plundering van de stad na de overgave of inname duurde een vastgestelde tijd van meestal een paar dagen. Na die tijd werd de buit verdeeld onder de veroveraars; de inwoners van de stad waren na verovering meestal een periode rechteloos – soms vervielen zij tot slavernij.

Naast deze vormen van publiekrecht waren er ook vormen van gemeenschapsrecht – bijvoorbeeld het gebruik van algemene weidegronden. Tegen het einde van mijn studie las ik een studie over oud Iers recht [7]; het is verrassend hoe herkenbaar deze rechtsvorm – met vele vormen van onderlinge zorgplicht – nog steeds is. Veel aandacht werd gegeven aan het in stand houden van het algemeen belang. Recent zijn in de wereld aan het gemeenschapsrecht nog het recht op educatie, ontwikkeling en ontplooiing toegevoegd ter verbetering van de samenleving. In het belang van de gemeenschap zijn straffen zoals “oog om oog” vaak gewijzigd in onder meer educatie en resocialisatie.

Op het gebied van taal bestudeerde ik hoe taal de onderlinge verhoudingen tussen mensen weerspiegelde en hoe de kijk op de wereld in taal wordt weerspiegeld. Later op onze Odyssee komen wij hier voorbeelden van tegen.

Erich Fromm [8] heeft in een van zijn werken gesteld dat wij de taal voor intensiteiten en associaties hebben verloren. Tijdens mijn studie is het mij opgevallen dat onze taal voor emoties, cultuur en karakter ook erg gebrekkig is. In onze hedendaagse samenleving kunnen wij over emoties, liefde , cultuur ons maar gebrekkig uitdrukken. Onderling praten wij hierover niet veel – met mijn grote liefde heb in taal geen goede communicatiemogelijkheid kunnen vinden voor de diepere emoties. Wij hebben altijd veel beter kunnen communiceren door handelingen, bewegingen en lichaamstaal. De belangrijke beslissingen hebben mijn grote liefde en ik altijd intuïtief gemaakt – hierbij was onze onderbuik belangrijker dan onze gedachten. Ik heb eens gelezen dat wanneer Fransen vragen “Comment ça va? ”, dit “ça” betrekking heeft op de onderbuik – een mooie gedachte. Waarschijnlijk communiceren wij op het gebied van emoties, cultuur en karakter wel meer door middel van gedragingen zoals lichaamstaal, handelingen zoals gastvrijheid, openheid en acceptatie enerzijds en negeren, afsluiten en agressie anderzijds. In Holland is zijn de inwoners door middel van de verzuiling tot ongeveer 30 jaar geleden erg goed geweest in het volledig naast elkaar leven van volstrekt verschillende religies. Tegenwoordig wordt negeren bij kinderen gezien als een vorm van pesten – misschien was deze manier van samenleven voor de inwoners van Holland wel een modus vivendi om erger te voorkomen.

In mijn bijbaan hield ik mij bezig met statistiek en correlaties tussen verschillende meetresultaten; vele medewerkers en studenten in de menswetenschappen konden hierbij wel enige hulp gebruiken. Als kleine intellectuele uitdaging volgde ik de ontwikkelingen van populatie mathematica; later heb ik deze kennis bij verschillende studies naar misdrijven tegen de mensheid kunnen gebruiken. Deze intellectuele uitdaging hield ik voor mijzelf – het leek mij verstandig om op dit punt verstoppertje te spelen, want deze vorm van wiskunde viel buiten de menswetenschappen.

Het volgende bericht gaat verder over mijn dagelijks leven in Amsterdam – ook een vorm van verstoppertje spelen.


[4] Man Leben zou hier hebben opmerkt dat “bhâsh” in het Sanskriet “spreken, noemen” betekent.

[7] Zie ook: Kelly, Fergus, A Guide to Early Irish Law. Dublin: Duldalgan Press, 2005 (eerste editie van 1988)

[8] Zie ook: Fromm, Erich, The Forgotten Language. New York: Rinehart & Co, 1951