Tagarchief: boeddhisme

De wind in de zeilen


Rond 9 uur in de ochtend varen Carla, Man en Narrator op de buitenboordmotor door de veerhaven van Lauwersoog. De passagiers gaan aan boord van de ochtend veerboot van half tien naar Schiermonnikoog. Zij wuiven naar de kleine zeilboot. Carla en Man wuiven terug terwijl zij bezig zijn met het in gereedheid brengen van de zeilen: Narrator is al de kajuit ingegaan om te gaan slapen. Een van de vakantiegangers roept: “Goede vaart!”. Man roept terug: “Mooi dagen” en Carla: ”Goede vakantiedagen”. Een man op de veerboot roept: “Gaat lukken, het weer wordt goed!”.

Bij het verlaten van de haven zet Man de buitenboordmotor uit en kantelt deze uit het water. Daarna hijst Man met hulp van Carla de zeilen; eerst de fok en de druil en daarna het grootzeil van deze yawl-getuigde [1] zeilboot. Er waait een zachte bries uit het zuidwesten. Dan gebeurt het wonder: vanuit het niets bollen de zeilen licht flapperend en de boot wordt door de wind voortgedreven. Man trimt de zeilen zodat zij mooi strak staan en de boot goed op koers komt te liggen.

Na een half uur haalt de veerboot hen in; weer wuiven passagiers en Carla en Man naar elkaar. Narrator slaapt stil in de kajuit.

Veerboot[2]

“Over een half uur hebben wij een stroming van twee knopen mee; met deze wind zullen wij door deze stroming zo’n twee uur met een snelheid van zeven knopen varen en kunnen wij voorbij Het Rif richting Ameland ons om 12 uur laten droogvallen. Wij gaan dan lunchen en wachten op het volgende hoogwater aan tegen het einde van de middag om ons tegen het donker droog te laten richting Terschelling”, zegt Man.

“Zeven knopen is een aardige snelheid, want met een waterlijn van iets meer dan 5,80 meter is volgens de vuistregel “2.45 x wortel waterlijn (in meters) = rompsnelheid” met deze Drascombe Drifter een snelheid van een 5,90 knopen mogelijk”, zegt Carla.

“Misschien is het goed dat ik jou enkele aanwijzingen geef om de boot te bedienen wanneer mij iets overkomt. Je kunt in dat geval het beste op de motor naar een haven varen. Wanneer het gaat stormen dan is het verstandig om alleen de druil als zeil te voeren, want hierdoor blijft de boot met de kop in de wind en meestal de golven varen. Wanneer de motor uitvalt, dan is de boot uitstekend te varen met druil en fok. In geval van nood kun je altijd hulp inroepen of je kunt de boot aan laten landen bij een strand”, zegt Man.

Yawl[3]

“Behalve als het noodweer wordt, kunnen wij ons redden als het moet met de roeispanen. Laten we hopen dat het niet nodig is”, zegt Carla.

Na een kleine drie uren varen haalt Man het zwaard op, laat de boot droogvallen en strijkt de zeilen; Carla helpt hierbij. Op het tweepits gascomfort bakt Man eieren voor de lunch. Carla maakt Narrator wakker en zij pakt het brood, de borden en het bestek. Bij het weidse uitzicht van het droogvallend wad genieten zij van hun lunch.

“Nu begrijp ik waarom jij ons hebt uitgenodigd om hier naartoe te gaan. Met het wisselen van het tij, vloeien water en vaste grond – voortdurend complementair – oneindig veranderend in elkaar over, net als leegte en vorm. In de biografie van Narrator heb jij een passage uit de Hart Sūtra opgenomen [4] met de beginstrofe “Vorm is gelijk aan leegte, zoals leegte gelijk is aan vorm”. Tot nu toe heb ik “vorm” en “leegte” gezien als complementair net als “één” en “nul” in de informatica die via beeldschermen een volledig nieuwe menselijke communicatie gestalte geeft; zonder leegte geen vorm zoals zonder vorm geen leegte: beiden vormen elkaar door elkaar te vervangen net als letters op een leeg vel bij grafische vormgeving in de plaats van de leegte komt.

Hier op het Wad bij de wisselingen van het tij vervagen de grenzen tussen vorm en leegte; nog steeds brengen vorm en leegte elkaar tot leven. Nu zie ik beiden niet gescheiden en complementair, maar al voortdurend in elkaar vervloeiend”, zegt Carla.

Het Wad[5]

“Ja, ik ben steeds naar het Wad teruggekomen om dit schijnbaar tijdloos in elkaar overvloeien van getijden te beleven – volgens de strakke regelmaat van het tij – en tegelijkertijd steeds wisselend, steeds anders. Binnen een dag zeilen op het Wad wordt ik één met dit ritme en vervaagt mijn gejaagde alledaagse ego. Daarbij vraagt het discipline en overzicht om voortdurend zorg te blijven dragen voor een behouden vaart van de boot. Ik heb mij hier altijd onder alle omstandigheden – ook bij slecht weer en opkomende storm – thuis gevoeld”, zegt Man.

“Op mijn reis van mijn geboorteland Kenya naar Rome heb ik dezelfde ervaring van vervloeien van vorm en leegte gehad in de uitlopers van de woestijn en woestijnsteppe, op de boot op de Nijl en tijdens mijn bootreis over de Middellandse Zee; daarbij groeide ik naar een nieuw leven in een andere omgeving [6]. Nu in mijn leven als bhikṣu ben ik weer opgenomen in de eeuwige baarmoeder van moeder aarde; en de wind neemt mij mee in vluchtigheid van vorm en leegte”, zegt Narrator.

“Misschien een idee: zullen wij “verandering” – de volgende gangbare werkelijkheid op onze zoektocht naar “Wie ben jij” – in Afrika (bijvoorbeeld in Kenya) gaan onderzoek? Ik ben nog nooit in Afrika geweest en voor jullie is het een mooie gelegenheid om ernaar terug te keren. Reis en verblijf kan ik eenvoudig uit mijn middelen bekostigen. Misschien iets om aan het einde van deze boottocht op terug te komen.

Vorm en leegte zijn volgens mij de kernbegrippen van de Hart Sūtra. Wat betekent de titel van deze Sūtra in het Sanskriet”, vraagt Man aan Narrator.

“Zullen wij de Sūtra uit het Sanskriet gaan vertalen?”, vraagt Narrator.

“Dat is een stille wens van mij. Hierdoor kan mijn studie Sanskriet van nut zijn voor alles en iedereen. Zonder jouw hulp gaat het niet”, zegt Man.

“Goed idee. Dan vul ik aan vanuit mijn achtergrond en algemene kennis”, zegt Carla.

“Laten wij beginnen met de titel van de sūtra. De volledige titel “prajñāpāramitā hṛdaya sūtra” wordt vaak vertaald met “Volmaakte overdracht van het hart – of de kern – van wijsheid” [7].
Mijn vader heeft mij de betekenissen van “prajñāpāramitā”, “hṛdaya” en “sūtra” uitgelegd door te wijzen op de verschillende delen van deze woorden in hun samenstelling.

Volgens mijn vader bestaat het woord “prajñāpāramitā” uit de hoofddelen “prajñā”, “pāra” en “mitā”.

Het woord prajñā – meestal met wijsheid vertaald – is samengesteld uit pra en jñā, waarvan:

• pra de betekenissen van “voor, vooruit, aan de voorzijde, vandaan, excessief” en “vullen, vervullen, positief waarderen” – net zoals het Latijnse woord “pro” als tegenstelling van “contra” – heeft en
• jñā de betekenissen van “kennis, begrijpen, ervaren, herinneren, bekend met” bezit [8].

In de samenstelling krijgt “prajñā” de betekenis van (levens-)wijsheid, intelligentie, kennis, onderscheid en/of het oordeel van een wijze of verstandige vrouw/moeder. Met deze laatste duiding wordt verwezen naar “tao” of “levensweg” in het eerste hoofdstuk van de Tao Te Ching waarin “tao” – in de vorm van “naam” – is de “moeder aller dingen” [9]”, zegt Narrator.

Tao[10]

“Ik heb ergens gelezen dat het Boeddhisme drie vormen van “prajñā” of wijsheid onderscheidt:
• wijsheid binnen de alledaagse wereld, waarbinnen het tijdelijke binnen ons leven als permanent wordt gezien, waar illusies als werkelijkheid worden ervaren, en waar het vergankelijke ego als absoluut zelf wordt beschouwd. Veruit de meeste mensen leven binnen het kader van deze wijsheid.
• wijsheid binnen de metafysische wereld, waarbinnen de permanente verschijningsvormen als tijdelijk worden gezien, waar werkelijkheid als een illusie wordt ervaren, en waar de verschijningsvormen met een “zelf” gezien worden als zonder zelf. Deze wijsheid is bereikbaar met meditatie en filosofie.
• wijsheid die de alledaagse en metafysische wereld overstijgt waarbinnen de verschijningsvormen als noch tijdelijk noch permanent worden gezien, noch puur en onzuiver worden ervaren, noch voorzien van een “zelf” en/of “zonder zelf” worden gezien, en waar alles onbevattelijk en onuitspreekbaar is.

Waar alledaagse en metafysische wijsheid resulteren in een hang naar verschijningsvormen, illusies en kenmerken, blijft de derde vorm van wijsheid hiervan gevrijwaard [11].

Welke wijsheid wordt hier in het Sanskriet aangeduid?”, vraagt Man aan Narrator.

“Mijn vader zei dat “prajñā” voorafgaat aan alle wijsheid zonder eraan voorbij te gaan: het omvat Al en Een zonder voorbij te gaan aan de verscheidenheid der dingen in ons dagelijks leven, aan de ideeën en gedachten in de wetenschap en aan de kennis en wijsheid van het onbevattelijke en uitspreekbare”, zegt Narrator.

“Jouw vader is een wijs man”, zegt Man.

“In al zijn beperkingen en gebondenheid. Zal ik verder gaan met pāramitā?”, vraagt Narrator.

“Dat is goed”, zeggen Carla en Man.

“Het woord “para” komt in het Sanskriet in de volgende drie vormen voor met als betekenis:
• pāra: oversteken, naar de andere kant, naar de andere oever, wachter, vervullen, doorstaan, beëindigen. In het Boeddhisme wordt verlichting soms met de metafoor “de andere oever” geduid.
• parā: weg, vandaan
• para: hoogste, opperste, oud, afgelegen, vreemd en ook soms best of slechts.
Hier wordt de eerste vorm en betekenis van het woord gebruikt; mijn vader voegde eraan toe dat bij een van de vormen van het woord para, de andere vormen altijd zachtjes meeklinken.
Het hoofddeel “mitā” is de nominativus (of onderwerpsvorm) meervoud van het woord “mita” – verwant aan het Latijnse werkwoord “mittere” met de betekenis “doen gaan” of “zenden” en “laten gaan” – dat in het Sanskriet “gevestigd, stabiel, afgewogen, iets bevatten, matig, van een goddelijke orde” betekent.

Door deze analyse krijgt “prajñāpāramitā” naast “perfecte wijsheid” ook de verwijzing naar “tao” uit het eerste hoofdstuk van de Tao Te Ching als “naam” die als naam niet de “Onsterfelijk Naam” wordt maar de “moeder aller dingen” enerzijds in duiding en anderzijds in vluchtigheid en onvermijdelijkheid.

In het Boeddhisme wordt hier vaak – met een creatieve uitleg van pāramitā dat samengesteld is uit “pāra” en “ita” dat “gaan”, “terugkeren”, “verkrijgen” en “herinneren” in het Sanskriet betekent en daardoor in het samenstel “gaan/terugkeren/herinneren van de andere zijde” [12] – de wijsheid van “de andere oever” en wijsheid van de staat van verlichting bedoeld waarbij de “de andere oever” door de stroom of de bron met “de ene oever” van het leven van alledag verbonden is [13], net zoals in de metafoor van de cycloon de kern door een muur van wind verbonden is met de tollende tropische storm.

Het woord “hṛdaya” wordt meestal vertaalt met het “hart” of “binnenste van een lichaam” en “hart, kern, essentie, beste, dierbaarste of meest verborgen/geborgen deel van iets” [14]. Dit woord hṛdaya bestaat volgens mijn vader uit de delen “hṛ”, “da” en “ya” met de betekenissen:
• “hṛ” dat “nemen, meenemen, stelen en offeren” betekent – zoals in de vee-cyclus [15], waardoor deze werkwoordkern mogelijk verwant is aan het Duitse woord “Herr” – en “vernietigen/verliezen (ook van het eigen ego), ontvangen, overwinnen, fascineren”
• “da” dat “geven”, “offeren”, “voortbrengen” en “afsnijden – volgens mijn vader scheiden van het “Al en Een”” – betekent
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” aanduidt. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel”. Mijn vader gebruikt dit werkwoord altijd in de vorm van “yayate”, waarbij de vrucht van de actie van offeren en geven aan de gever of het Alomvattende zelf toekomt en het misschien ook wel “Gods gave” in volkomen wederkerigheid is. Hij zei hierbij dat “ya” nauw verbonden is met ons woord “ja” ter positieve instemming, en bevestiging. In Holland gaat “ja” – met de handelsgeest altijd in het achterhoofd – al snel over in een overeenkomst, maar ik denk dat mijn vader doelt op de erkenning van de ander en de instemmende grondhouding voor de ander.

Door ook de betekenis van de delen van “hṛdaya” te bezien, krijgt dit woord naast “hart of binnenste van een lichaam” en “hart, kern, essentie, beste, dierbaarste of meest verborgen/geborgen deel van iets” ook de betekenis van een “lege kern” zoals in een cycloon of waterhoos met vergaande gevolgen voor alles en iedereen.

Hart[16]

In het woord “sūtra” zijn de twee kernen “sū” en “tṛ” te zien waarbij “sū” in de Vedische tijd en in samenstellingen van woorden de betekenis “goed” heeft en later is de betekenis overgegaan in “scheppen, voortbrengen, tot leven brengen, produceren, toestaan en schenken”. En “tṛ” heeft de betekenis “oversteken”.

Met deze aanvulling van mijn vader krijgt de gebruikelijke vertaling “Volmaakte overdracht van het hart – of de kern – van wijsheid” een verbreding, transparantie en tegelijkertijd een vluchtigheid als het leven zelf. Eigenlijk doelt deze titel op het leven zelf, in al haar rijkdom en facetten”, zeg Narrator.

“Tijdens jouw uitleg dacht ik voortdurend aan de parels en de alle afzonderlijke weerspiegelingen in de metafoor van “Indra’s Net”. Bij de metafoor van Indra’s Net heb ik tot nu toe altijd gedacht aan ingang tot het onkenbare. Met jouw toelichting – aangevuld met jouw vaders wijsheid – op de titel in het Sanskriet van de Hart Sūtra is mij duidelijk dat Indra’s Net ook een metafoor is voor ons leven van alledag”, zegt Carla.

“Bij een nadere bestudering gaan alle serieus religieuze beschouwingen voortdurend over hetzelfde. Het is tijd om deze uitgebreide lunch te beëindigen en de borden en bestek af te wassen. Wij moeten ons weer voorbereiden op het volgende deel van onze vaart tijdens het komende hoogtij voorbereiden. Vanavond zullen wij nadat wij weer zijn drooggevallen, in het donker moeten eten. Wij moeten nu de afwas doen, want dat gaat niet goed in het donker voor de avondmaaltijd. Trouwens mijn moeder zij dat alleen Bohemiens voor het eten afwassen. Ik heb niets tegen Bohemiens, maar een opgeruimde boot vaart prettiger”, zegt Man.

“Hebben wij genoeg water voor de vaat?”, vraagt Carla.

“Ik zal een keteltje water koken: dat moet genoeg zijn wanneer wij de borden en bestek met zeewater voorspoelen”, zegt Man.

Na de afwas komt langzaam het hoogtij op. Man en Carla maken de boot klaar om weg te kunnen varen.

“Tijdens het droogvallen heb ik de voorkant van de boot zo kunnen plaatsen dat wij dadelijk met de stroom mee kunnen wegvaren. Wij hoeven de boot niet tegen de stroom in naar dieper water te brengen. Daar komt het tij al op tussen Schiermonnikoog en Ameland. Dadelijk wanneer ik het sein geef graag het anker inhalen”, zegt Man.

Met het opkomen van het tij varen zij weg naar de volgende aanlegplaats om droog te vallen.

[1] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Yawl
[2] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Wagenborg_(rederij)
[3] Voorbeeld van een yawl-getuigde zeilboot. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Yawl
[4] Zie: Leben, Man, Narrator Nārāyana – Een weg – Een Biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 110 – 112
[5] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Wattenmeer_(Nordsee)
[6] Zie: Leben, Man, Narrator Nārāyana – Een weg – Een Biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 31 – 36
[7] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Heart_Sutra Zie: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21 – 31. Zie: Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 29 – 40
[8] Bron voor vertalingen uit het Sanskriet: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Red Pine (Bill Porter), Lao-Tzu’s Tao Te Ching (revised edition). Port Townsend: Copper Canyon Press, 2006, p.2
[10] Afbeelding van een symbool dat vaak wordt gebruikt om Tao en uitwerking aan te duiden. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Tao
[11] Bron: Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 30 – 31
[12] Bron: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21-22
[13] Bronnen: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21-22 en Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 32
[14] Bron voor vertalingen uit het Sanskriet: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[15] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 94 – 95
[16] Afbeelding van 3D echocardiogram van een menselijk hart. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Heart

Advertenties

Leegte: naar het einde van de nacht


Nacht. Een heldere hemel bij nieuwe maan. Narrator rijdt de geleende Skoda Superb [1] Combi van Amsterdam door de Noordoostpolder [2] naar de jachthaven aan het Lauwersmeer bij het vertrekpunt van de veerboot naar Schiermonnikoog. De beide koplampen schijnen over de lege snelweg door het donkere lege land dat ruim 50 jaar geleden nog bodem van de Zuiderzee was. Carla doezelt op de achterbank. Man zit als bijrijder naast Narrator; in het spaarzame licht van het dashboard kijken zij naar de afslag bij Emmeloord die heel in de verte weg oplicht door lantaarnverlichting.

Skoda Superb Combi[3]

“Binnen de leegte tovert het licht van de koplampen – met straatverlichting heel in de verte – een donker toverlandschap tevoorschijn waarin alles dat wij nu zien ontstaat en meteen weer verdwijnt als schimmen die in een flakkering tot leven worden geroepen om daarna weer te verglijden in de donkere leegte. Ik heb als jongen in Zuid Limburg al gehouden van donkere nachten met het oneindig heelal waarin ik – opgenomen – één was met alle sterren en melkwegstelsels aan het firmament. Nu voel ik mij zweven binnen een vage witte nevelgloed op oneindige reis door het heelal en daarbij volmaakt thuis in dit vaartuig. Vanavond – voordat wij ons klaarmaakten om te vertrekken – heb ik in een boek een definitie van Boeddhistische verlichting [4] opgezocht: “Verlichting is realisering van de eenheid van leven” [5].

Ik ben deze definitie gaan opzoeken omdat wij gistermiddag het onderzoek van de intensiteiten en associaties hebben afgesloten met de vraag: “Een – wat is dat?” die een boeddhistische wijze aan een wijze vrouw stelde. Zij was niet in staat deze vraag te beantwoorden. Ik vraag mij af of het onvermogen – of de leegte – van de wijze vrouw om te antwoorden niet beter past bij de vraag: “Een – wat is dat?” dan deze definitie van Boeddhistische verlichting.

Wij beginnen nu aan het onderzoek van leegte op onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Het woord in Sanskriet voor leegte in de Hart Sūtra is “śūnyatā”. Weet jij welke betekenissen dit woord in het Sanskriet heeft?”, zegt Man.

De auto nadert de wegsplitsing bij Emmeloord. Narrator remt wat af en neemt de afslag naar Lemmer; hierbij is Carla wakker geworden en zij vraagt: “Waar zijn wij?”. “Bij Emmeloord in de Noordoostpolder, wij gaan nu richting Friesland. Ik heb Narrator naar de betekenis van het woord “śūnyatā” gevraagd”, zegt Man.

“Het woord “śūnyatā” wordt meestal met “leegte” of “leeg van zelf” vertaald [6], maar deze vertaling geeft alleen de kern van het woord weer net zoals er in de kern van een wervelstorm meestal een windstilte heerst bij een heldere hemel; de kern van de cycloon is zonnig en “vrij” van wind.

Kern van een cycloon[7]

Het woord “śūnyatā” is samengesteld uit de werkwoordkernen:
• “śvi” – met de zwakke vorm “śū” – met de betekenissen “opzwellen” en “uitdijen”;
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” betekent. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel” (misschien ook wel “Godsgave” in wederkerigheid) en,
• “tā” met de betekenissen “onbegaanbaar”, “ontoegankelijk”, en ook “onschendbaar” en “heilig” [8].

Een hedendaagse Japanse Zenmeester in Amerika schrijft in zijn uitleg van “śūnyatā” dat dit woord geen ontkenning van het concept van bestaan is, maar het woord geeft aan dat ons gehele bestaan in al haar vormen volledig afhankelijk is van het beginsel van oorzaak en gevolg; wij lazen eerder dat zelfs de Goden zijn gebonden aan het beginsel van oorzaak en gevolg [9].

Omdat de factoren van oorzaak en gevolg voortdurend veranderen, is er geen statisch – vaststaand – bestaan mogelijk. Het woord “śūnyatā” ontkent categorisch de mogelijkheid van het bestaan van statische – vaststaande – verschijningsvormen. Alle verschijningsvormen zijn volgens deze hedendaagse Japanse Zen meester relatief en onderling afhankelijk.

Daarbij schrijft hij dat “śūnyatā” ook “nul” betekent, een begrip dat in Europa pas laat bekend is geworden, maar in India al veel langer in gebruik was. Nul heeft geen getalswaarde in zichzelf, maar vertegenwoordigd de afwezigheid van getalswaarden en symboliseert daarmee tegelijkertijd de mogelijkheid van alle getalswaarden. Vergelijkbaar hiermee vertegenwoordigt “śūnyatā” door middel van het begrip “nul” of “geen” de mogelijkheid van het bestaan van alle verschijningsvormen en is daarmee tevens opgenomen in alle verschijningsvormen, die alleen bestaan in relatie tot hun niet-bestaan en in hun onderlinge verbondenheid [10]”, zegt Narrator.

vorm en leegte[11]

“De definitie van nul is wat te beperkt: daar ga ik nu niet op in. Als ik het goed begrijp, dan duidt “śūnyatā” op “leeg van” en “leeg tot”, net zoals Erich Fromm bij het begrip “vrijheid” volgens mij doelt op “vrij van” en “vrij tot” in onderlinge samenhang [12]. Hierbij moet ik denken aan de Franse fenomenoloog Maurice Merleau Ponty die stelt dat verschijningsvormen ontstaan door een creatief proces van gelijktijdige zingeving en zinneming [13]. De Zenmeester voegt hier de leegte – of ruimte – voor het ontstaan van verschijningsvormen aan toe”, zegt Carla.

“Interessant dat jij een creatief proces noemt voor het ontstaan van verschijningsvormen. De Japanse Zenmeester geeft aan dat een intuïtief en onmiddellijk begrip van “śūnyatā” de basis vormt voor alle begrip. Maar voordat hij dit stelt, benoemt hij eerst de “śūnyatā” van het ego en vervolgens de “śūnyatā” van dharma [14] – de wereldorde en plicht [15] – en van het subjectieve en het objectieve. Hierna concludeert hij dat alles – iedere verschijningsvorm en ieder wezen – alleen bestaat door middel van het beginsel van onderlinge afhankelijkheid gebonden door de wet van vergankelijkheid. Het intuïtief en onmiddellijk begrip leidt tot kennis en begrip van de vier grote waarheden te weten vergankelijkheid, onderlinge verbondenheid, verschijningsvormen en essentie; misschien is het goed om later op deze vier waarden terug te komen. De Zenmeester gaat verder in zijn oordeel over het belang van vergankelijkheid – leegte of ijdelheid – en onderlinge verbondenheid dan Maurice Merleau Ponty bij het ontstaan of creatie van alle verschijningsvormen en ieder wezen.

De uitleg van “śūnyatā” komt uit de inleiding van deze Zenmeester in zijn boek over de Boeddhistische Hart Sūtra.

Deze beschrijving van de Zenmeester is mij bijgebleven omdat zij zo goed pas bij mijn beleving van de geesten in de nacht. Als kindsoldaat in Afrika stak ik met onze militie aan het einde van een nacht het bos rondom een dorp in brand. Wij schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [16]. De geesten van deze dorpelingen draag ik nog altijd met mij mee; hun adem – in leegte en ijdelheid – is was mijn adem geworden. ’s-Nachts zijn zij voor mij even reëel als mensen die ik overdag tegenkom; deze geesten zijn met mij verbonden in onderlinge afhankelijkheid binnen de wet van vergankelijkheid: overdag zijn zij weer verdwenen”, zegt Narrator.

“Zijn deze geesten ook nu hier in deze auto voor jou reëel aanwezig?”, vraagt Man.
“Nee, nu bestuur ik de auto en heb ik mijn aandacht bij de weg, maar als ik mijn aandacht nergens meer op richt, dan komen de geesten vanuit de leegte van de duisternis tot leven net zo levensecht als een droom tijdens de slaap. Of om een citaat aan te halen dat vaak ten onrechte aan Mark Twain wordt toegeschreven: “I am an old man and have suffered a great many misfortunes, most of which never happened” [17]”, zegt Narrator.

“Gelukkig, want anders zou ik jou willen vragen om een parkeerplaats op te zoeken en morgenochtend bij daglicht verder te rijden. Ik heb enkele versies van de Hart Sūtra in mijn bagage om te bestuderen. Zou jij mij willen helpen bij de interpretatie van het Sanskriet?”, vraagt Man.

“Dat is een goed idee. Ik heb een exemplaar van de uitleg van de Japanse Zenmeester bij mij. Heb jij een waterdichte ruimte voor boeken op de boot?”, vraag Narrator.

“Jouw boek past nog makkelijk in de waterdichte ton. Wanneer wij droog liggen bij laag tij, dan is er tijd om te lezen”, zegt Man.

“De definitie voor verlichting die jij net hebt genoemd, geeft een aspect van verlichting – in lijn met de onderlinge verbondenheid binnen de metafoor van Indra’s Net – duidelijk weer. Het is slechts een zijde van de medaille, de andere zijde is “śūnyatā”. In het Boeddhisme wordt voor verlichting vaak de term “nirvana” – letterlijk: afwezigheid van bos (of belemmeringen), op de open vlakte [18] – gebruikt. In het Hindoeïsme duidt men verlichting vaak met “moksha” [19] dat afkomstig is van de werkwoordkern “muc” die onder meer “losmaken, bevrijden” betekent. Met beide duidingen ben ik niet gelukkig, want ik denk dat “śūnyatā” tezamen met de metafoor van Indra’s Net een betere duiding geeft aan het begrip verlichting. Het lijkt mij goed om op dit deel van onze zoektocht niet alleen leegte in de zin van “leeg van” of ruimte, maar ook in relatie met onder meer de vier grote waarheden van het Boeddhisme en met Indra’s Net te bezien”, zegt Narrator.

“Goed idee. Wanneer ik op mijn reizen onder de donkere sterrenhemel wakker lag, dan voelde ik mij in de ruimte – of de oneindige leegte – opgenomen. De grenzen tussen de ruimte en mijzelf vervloeiden en ik werd één met alles om mij heen. In een boek over Zen Boeddhisme heb ik twee gedichten gelezen die een lege spiegel als metafoor voor het leven benoemden; in het tweede gedicht werd ook de illusie van de lege spiegel weggenomen zoals tijdens deze autorit door de donkere polder het zicht op het landschap. Kennen jullie de tekst van deze gedichten?”, vraagt Carla.

“Het zijn twee gedichten geschreven tijdens de benoeming van – of beter de Dharma overdracht aan – Huineng [20] de zesde Zen patriarch. In mijn eigen woorden: de vijfde patriarch voorvoelde dat de gedoodverfde kandidaat was tegen deze taak was opgewassen. Hij vroeg aan iedere monnik die kandidaat zou willen zijn, een kort gedicht met de kern van Zen te schrijven en te openbaren op de kloostermuur. Alleen de gedoodverfde kandidaat publiceerde anoniem het volgende gedicht:

Het lichaam is een Bodhi boom;
De geest als een lege spiegelstandaard.
Nu en altijd veeg hem schoon
En laat geen stof oplichten [21]

Bodhi – dat qua klank (en betekenis via “et incarnatus est” [22]) verwant is aan het Engelse woord body – betekent in het Sanskriet “een boom van wijsheid, of een boom waaronder een mens een Boeddha wordt” [23].

Een volgende ochtend hing er naast dit gedicht een tweede gedicht met de tekst:

Bodhi is fundamenteel zonder boom;
De lege spiegel heeft geen standaard.
Van oorsprong is er geen enkel ding.
Waar kan stof oplichten?

In het Sanskriet heeft Bodhi als tweede betekenis: “volkomen verlichting” [24]. De vijfde patriarch wist dat een nederige houtsprokkelaar – zonder enige formele opleiding tot monnik – dit tweede gedicht had geschreven en hij voorzag een opstand van het klooster tegen de benoeming van deze leek als Dharma opvolger. In de volgende nacht heeft de Dharma overdracht plaatsgevonden en bij het eerste ochtendlicht is de zesde Zen patriarch uit het klooster moeten wegvluchten. De monniken hebben hem nog lang achtervolgd. Uiteindelijk is hij na een lange vlucht volledig geaccepteerd als Dharma erfgenaam; iedere Zenmeester is in directe lijn met deze zesde patriarch verbonden. En met het voordragen van het gedicht weerspiegel ik hem in de leegte van de nacht”, zegt Man.

“Schitterende uitleg. Zullen wij morgen hierover verder gaan? Ik zou graag nog wat verder doezelen”, zegt Carla.

“Dan ga ik ook wat dutten. Morgen is het al vroeg licht”, zegt Man.

Narrator rijdt de auto met de slapende Carla en Man door Friesland en Groningen naar de parkeerplaats van Lauwersoog bij de veerboot naar Schiermonnikoog. Hij parkeert de auto naar het Oosten om over enkele uren de dageraad te kunnen aanschouwen. Bij het zien van de eerste schemering maakt hij Carla en Man wakker.

“Op deze heldere ochtend moeten wij naar de zonsopgang kijken voordat wij zo meteen bij de jachthaven de zeilboot gaan optuigen”, zegt Narrator.

“Bij het zien van het opkomen van de eerste zonnestralen door deze autoruit moet ik denken aan het gedicht “De Ramen” van Guido Gezelle, waarin hij als katholiek priester aan het einde van de negentiende eeuw de beeldenstorm nog een dunnetjes overdoet.

D E  R A M E N

De ramen staan vol heiligen, gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond, gehertoogd en gegraafd;
die ’t branden van het ovenvier geglaasd heeft in den scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf [25].

Doch schaars is herontsteken in den oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op de heiligen, zoo smelt
’t samijtwerk uit den mantelworp, de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen en graven dan, zoo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer, ’t is alles henen, tot
één’ helderheid gesmolten, in één zonnelicht – in God. [26]

– Guido Gezelle [27]

Kerkramen Noordzijde Keulen[28]

Volgens mij bepleit Guido Gezelle met dit gedicht – ondanks de pracht van gebrandschilderde kerkramen als vensters op de wereld – een lege spiegel zonder standaard in Gods aangezicht”, zegt Man.

 

 

[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[2] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Noordoostpolder
[3] Bron afbeelding: http://da.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[4] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(boeddhisme)
[5] Bron: Bridges, Jeff & Glassman, Bernie, The Dude and the Zen Master. New York: Plume, 2014, p. 95
[6] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sunyata, zie ook de Engelse Wikipedia-pagina over dit onderwerp
[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tropische_cycloon
[8] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 85 en 122
[10] Bron: Deshimaru, Taisen, Mushotoku Mind – The Heart of the Heart Sutra. Chino Valley: Hohm Press, p. 28, 29
[11] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C5%ABnyat%C4%81
[12] Bron: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 97
[13] Zie ook voor de “creatieve daad van zinneming en zinneming”: Merleau-Ponty, Maurice, Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Boom, 2009
[14] Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”.
[15] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.
[16] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84
[17] Zie: http://quoteinvestigator.com/2013/10/04/never-happened/
[18] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[19] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Moksha
[20] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Huineng
[21] Bron: The Sixth Patriarch’s Dharma Jewel Platform Sutra. Burlingame: Buddhist text translation society, 2002, p. 67
[22] Letterlijke vertaling uit het latijn: hij/zij/het is vlees geworden
[23] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[24] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[25] “Gemiterd en gestaafd”: van mijters en staf – als tekenen van autoriteit – voorzien. “’t branden van het ovenvier geglaasd”: tot glas geworden door het branden van het overvuur. “Al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf”: toont al de schilderingen op de plafonds van de kerken.
[26] Bron: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/gezelle/rijmsnoer/ramen.htm Het gedicht is door Guido Gezelle gedateerd op 14 april 1895.
[27] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Guido_Gezelle
[28] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Stained_glass

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 8


Carla, Man en Narrator zitten aan de Piazza di Santa Croche voor hun lunch.

“Hebben wij met onze inleiding de bestaande wetenschap tekort gedaan?”, vraagt Man.

“Zeker, want de bestaande wetenschap is evenals de klassieke logica “het sterkst samenhangend intellectuele stelsel” dat goed gedocumenteerd en vatbaar voor kritiek is. De pretentie dat de bestaande wetenschap alles van waarde zou kunnen voorspellen en bewijzen, is te hoog gegrepen. Jij wilde onze mening horen over feiten en logica van de kijk op God”, antwoord Carla aan Man.

“Laat ik met het Alomvattende – en de twee aspecten van “Een” bewustzijn – beginnen en daarna verdergaan met monotheïsme. Vandaar zou ik willen besluiten met de monotheïstische God in de gedaante van een mens. Om de vaart in onze zoektocht te houden lijkt het mij verstandig om het polytheïsme over te slaan”, zegt Man. feiten en logica 81[1]

“Ik denk dat jij gelijk hebt; er zijn verschillende goede inleidingen in de Godsgeschiedenis en in Wereldgodsdiensten waarin de verschillende vormen van polytheïsme worden behandeld”, zegt Narrator.

“Wanneer het nodig is om ons verder te verdiepen in polytheïsme dan kunnen wij dat altijd nog doen. Ik ben benieuwd naar jouw uitleg over de twee aspecten van “Een”- bewustzijn; ik kan mij er verschillende voorstellingen bij maken, maar ik weet niet of mijn gedachten stroken met wat jij gelezen hebt”, zegt Carla.

“In het “Commentary on the Awakening of Faith” door Fa-Tsang [2] heb ik een beschouwing gelezen over de Cosmologie [3] van “Een” binnen de Hua-Yen [4] tak – gebaseerd op de Avatamsaka Sutra [5] – van Zen Boeddhisme [6]. In zijn commentaar op de “Ontwaking van Geloof” beschrijft Fa-Tsang dat “Een”-bewustzijn bestaat uit:

  • “Thusness/Zodanigheid” – “Aldus” of “Evaṃ” [7] in het Sankriet. Het “Aldus”-aspect wordt beschreven als de essentie die zonder kenmerken de bron van leegte of śūnyata [8] vormt waarin alles in onderlinge afhankelijkheid ontstaat. Het “Aldus”-aspect is alles voordat het een naam kreeg en het is ook de leegte binnen Indra’s Net [9];

en

  • “Saṃsāra” [10] – of de “Samenloop der dingen”. Het “Samenloop der dingen”-aspect vormt de kenmerken en functies waarin alles in onderlinge afhankelijkheid ontstaat. Het “Samenloop der dingen”-aspect vormt de waargenomen eigenschappen van Indra’s Net; het is de “Gestalt” [11] of samenloop van dharmas [12] die in onderlinge afhankelijkheid en wederkerigheid in de leegte ontstaat.

feiten en logica 82 [13]

Deze beschrijving vormt meteen een probleem doordat de leegte of śūnyata door het ontbreken van kenmerken onuitspreekbaar is en doordat de mogelijkheden van kenmerken en functies die in onderlinge afhankelijkheid en wederkerigheid ontstaan, oneindig zijn. Wij kunnen dit niet onder woorden brengen en misschien moeten ik op dit punt met Wittgenstein concluderen: “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen [14]“, zegt Man.

“Dat is een vraag; ik weet niet zeker of de mogelijkheden van kenmerken en functies die in onderlinge verbanden ontstaan, oneindig zijn [15]. Wanneer deze kernmerken en functies eindig zijn, dan zijn de afhankelijke combinaties ook eindig. Ga door met jouw inleiding”, zegt Carla.

“Ik herinner mij de “Terugblik op mijn onschuld” in jouw levensbeschrijving waarin jij – als jong meisje – aan de hand van luciferdoosjes had aangetoond dat jij in dezelfde vorm nog een aantal keren in het oneindige Universum kan bestaan.  De “Ontwaking van Geloof” lost het probleem van eindigheid en oneindigheid voorlopig op door te wijzen naar de leegheid en vluchtigheid van alle woorden en dharmas die slechts namen – zonder werkelijkheid – zijn voor illusionaire beeldvormingen”, zegt Narrator.

“Ik moet ineens aan hologrammen denken die tegelijkertijd illusionair en levensecht zijn. Hoe ouder ik wordt hoe meer mijn verleden op hologrammen lijkt: volkomen echt en werkelijk en op hetzelfde moment onecht en vluchtig”, zegt Man.

feiten en logica 83[16]

“Misschien moeten wij de vraag over de eindigheid of oneindigheid van śūnyata (of leegte) voorlopig laten rusten. Wij kunnen dit probleem verder onderzoeken wanneer wij tijdens onze Odyssee “leegte” als derde gangbare werkelijkheid aandoen”, zegt Carla.

“Dat is goed”, zegt Man.

“Bij het horen van het “Aldus”-aspect en het “Samenloop der dingen”-aspect van “Een”-bewustzijn kreeg ik de gedachte dat hiermee een synthese begon te ontstaan tussen de wereld van de Upanishads (met de nadruk op Ātman) en de Mahābhārata (met daarin het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht  (Dharmakshetra) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra)). Ik laat deze gedachte rusten totdat jij de inleiding hebt beëindigd”, zegt Narrator.

“De inleiding bij het Commentaar op het “Ontwaken van Geloof” gaat vervolgens verder met de structuur van bewustzijn. Ik zal deze in een vogelvlucht vertellen. “Een”-bewustzijn heeft aspecten van “Aldus”-bewustzijn en “Samenloop der dingen”-bewustzijn. Denken komt via een tussenstap voort uit het “Samenloop der dingen”- bewustzijn (of “Gestalt”- bewustzijn) [17].

feiten en logica 84[18]

Er zijn vijf vormen van denken:

  1. Bewustzijn van oorzaak en gevolg
  2. Bewustzijn van ontplooiing en evolutie
  3. Bewustzijn van manifestaties
  4. Bewustzijn van verschillen en illusies
  5. Bewustzijn van voortdurende effecten van oorzaak en gevolg [19]

Wanneer de eerste drie vormen van denken tevens gegrondvest zijn in de leegte van “Aldus”-bewustzijn, dan kunnen deze vormen een basis zijn voor Boeddhistische verlichting. De laatste twee vormen zijn de aanzet voor het vermogen tot onderscheid der dingen.

Het vermogen tot onderscheid leidt weer tot bewustzijn van afzonderlijke fenomenen:

  • Bewustzijn van lijden en vreugde
  • Op basis van verlangens die voortkomen uit lijden en vreugde, krijgen objecten vorm
  • Wanneer objecten zijn gevormd, dan ontstaan namen en symbolen – waaronder letters – voor objecten
  • Op basis van namen en symbolen ontstaan handelingen met “oorzaak en gevolg”
  • Verbonden met handelingen ontstaat lijden (en vreugde).

Daarna gaat de inleiding verder met een toelichting op ontaarde vormen van bewustzijn die hun oorsprong vinden in een combinatie van een hang naar illusies, symbolen, handelen enz. Misschien kunnen wij daar op ingaan bij de volgende gangbare werkelijkheid “Intensiteiten en associaties”.

Ik wil deze inleiding aan jullie voorleggen omdat het in vogelvlucht een integrale, gedifferentieerde en logische beschrijving geeft van het ontstaan van dingen en van de ontaarding van dingen. Daarnaast vind ik deze inleiding goed omdat hier een sacraal en profaan bewustzijn uit één oorsprong ontspruit en omdat tegelijkertijd verlichting/hemel, profaan/aards en ontaard/hel onderling in een alomvattend eenheid zijn verweven. In principe is – volgens deze inleiding – de verlichte/hemelse wereld gelijk aan ons aards bestaan [20]. Op basis van deze gedachtegang is de “Porta del Paradiso” altijd open; met onze gedachten en illusie sluiten wij de deur en plaatsen er een hek voor. Wat is jullie mening over deze inleiding”, zegt Man.

“In jouw reisbagage zag ik een boek over Hua-Yen Boeddhisme met de titel “Entry into the inconceivable [21]” (Ingang tot het onwaarneembare). Deze titel is ook goed van toepassing op jouw inleiding. Ik heb natuurlijk mijn gebruikelijke vraag bij de definitie van de eerste grondbeginselen van “Een”-bewustzijn. Maar mijn vragen en aarzelingen bij het uitgangspunt in jouw inleiding liggen op een veel abstracter en fundamenteler niveau dan bij alle andere parabels, verhalen en inleidingen over het ontwaken van bewustzijn. Ik ben benieuwd naar de derde gangbare werkelijkheid “Leegte” die wij zullen gaan onderzoeken op onze Odyssee. Bij het “Samenloop der dingen”-aspect en het vervolg heb ik aanvullingen, kanttekeningen en ook wel kritiek uit de fenomenologie, maar die kennen jullie al [22]”, zegt Carla.

“Ik kom terug op een mogelijk synthese tussen de wereld van de Upanishads en de Mahābhārata; jouw uitleg bij de inleiding op het Commentaar op het “Ontwaken van Geloof” laat inderdaad een mogelijkheid tot synthese zien op een hoog abstracte synthese met andere accenten. Omdat wij “licht” en “snel” reizen denk ik dat wij beter verder kunnen gaan. Ik ben benieuwd hoe jij “God zoekt de mens” met deze inleiding verbind. Maar laten wij eerst een rondje om het plein lopen”, zegt Narrator.


[1] “Schepping van de zon en maan”- detail van de fresco’s in de Sixtijnse Kapel in Vaticaanstad door Michelangelo. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/God

[2] Zie ook: Vorenkamp, Dirck, An English Translation of Fa-Tsang’s Commentary on the Awakening of Faith. New York: The Edwin Mellen Press. 2004 p. 10 – 14

[7] In Sanskriet bestaat het woord “Evam” uit de werkwoordkern “e” dat “naderen, bereiken, nader komen” en het zelfstandig naamwoord “va” dat “wind, oceaan, water, stroom, gaan” betekent. Bron: electronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[8] Zie ook: Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 110 – 112

[9] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 66 – 68

[10] Saṃsāra is samengesteld uit “sam” dat “samen, met, samen met” en “sāra” dat “loop, koers, uitbreiding, kracht, kern, waarde” in het Sanskriet betekent, waardoor Saṃsāra kan worden opgevat als “de samenloop der dingen”.

[12] Zie ook: Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 3

[13] Leegte (of śūnyata) en Gestalt (of Saṃsāra) kunnen worden vergeleken met leegte en zeepbellen; beiden vormen elkaar. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C5%ABnyat%C4%81

[14] Zie ook: Wittgenstein, Ludwig, Tractatus Logico-Philosophicus. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennip, 1976 p. 152

[15] Zie ook: Nārāyana, Narrator, “Carla Drift – Een Buitenbeentje, Een Biografie”. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 156

[16] Voorbeeld van een hologram. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Holography

[17] Zie ook: Vorenkamp, Dirck, An English Translation of Fa-Tsang’s Commentary on the Awakening of Faith. New York: The Edwin Mellen Press. 2004 p. 14 – 15

[18] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Gestalttherapie

[19] Ergens stond geschreven dat zelfs de Goden zijn gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg.

[20] Zie ook de parabel over hemel en hel verteld door een pastoor in Valkenburg in: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 82 – 83

[21] Cleary, Thomas, Entry into the inconceivable – An introduction to Hua-Yen Buddhism. Honolulu: University of Hawaii Press, 1983

[22] Zie ook: Nārāyana, Narrator, “Carla Drift – Een Buitenbeentje, Een Biografie”. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 34 en 114

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 3


“Na mijn middagrust heb ik weer genoeg energie voor de avond. De vele tropische ziekten hebben hun sporen in mijn lichaam achtergelaten; een hele dag actief blijven is soms teveel van het goede. Welke boeken heb jij gekocht?”, zegt Carla.

“Een Italiaans cursusboek voor Sanskriet om mijn studie nieuw leven in te blazen en “Six memos for  the next Millennium” van Italo Calvino. De titels van deze memos zijn intrigerend:

  • 1 – Lightness,
  • 2 – Quickness,
  • 3 – Exactitude,
  • 4 – Visibility,
  • 5 – Multiplicity

en het nooit op papier gezette memo “6 – Consistency”. De titels voor deze memo’s zouden ook de richtsnoeren voor onze Odyssee moeten zijn, waarbij wij – net als Italo Calvino – het zesde memo nooit op papier kunnen zetten omdat wij dan het volledige universum in zijn volkomen oneindigheid moeten beschrijven”, zegt Man.

feiten en logica 31[1]

“Daar zie ik Narrator aankomen. Mooi om hier in de avondzon te zitten met uitzicht op de “Basilica di Santa Maria Novella”. Voldoet de façade van de Basilica ook aan de titels van de memo’s?”, zegt Carla.

feiten en logica 32[2]

“Goede vraag met vele antwoorden. Goede ontmoeting gehad met jouw vriend?”, zegt Man.

“Mooi om elkaar na zoveel jaren weer te zien. Wij zijn veel veranderd en ook hetzelfde gebleven; vertrouwd en anders. Met de jaren is de lichamelijke aantrekkingskracht verdwenen, maar de genoeglijkheid van het samenzijn is gelukkig gebleven. Zullen wij eerst wat drinken en de menukaart vragen?”, zegt Narrator.

“Dat is goed. Dan zal ik na onze keuze uit het menu – zoals vanmiddag beloofd – mijn kijk op “feiten en logica” van “Wie ben jij?” met jullie willen delen”, zegt Man.

Carla, Man en Narrator bestellen hun drankjes, maken hun keuze uit het menu en bestellen hun avondmaal.

“Gisteren ben ik begonnen in “De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid”, de Nederlandse heruitgave van “Man is not alone – A Philosophy of Religion”, van Abraham Heschel [3] uit 1951. De titel van het boek spreekt mij aan, omdat mijn voornaam erin wordt genoemd en omdat ik meer wil weten over het geloof in God dat mij in mijn volwassen leven vreemd is gebleven. Ik heb lang in kloosters gewoond en ik heb groepen begeleid bij Oosterse wijsheid, maar een ervaring van Gods aanwezigheid heb ik nooit gehad. De eerste acht hoofdstukken van het boek over “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat” komen rechtstreeks uit mijn binnenste en gaan daaraan voorbij zoals bloesem aan een boom – opgenomen in het heelal – uit de aarde voorkomt, erdoor wordt gevoed en er weer in onder zal gaan [4]. In hoofdstuk 9 van het boek staat een passage – ik lees voor – “Wij loven tezamen met de kiezels op het wegdek, die als versteende verbazing gelden, tezamen met alle bloemen en bomen die eruit zien alsof zij in stilte gehypnotiseerd zijn. Wanneer geest en ziel met elkaar in overeenstemming zijn, wordt geloof geboren” [5]. Tot hier is het boek voor mij volkomen logisch en herkenbaar, zoals ook het feit dat het “Ene” – dat alom aanwezige is – bestaat, waarin wij volkomen zijn opgenomen en waarvan wij, ieder en alles om ons heen tijdelijke manifestaties zijn. Maar God – als de andere – blijft een vreemde voor mij. Wie is hij? Waardoor staat God los van “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat”. Deze scheiding is voor mij onwerkelijk; ik kan dit niet bevatten: het in niet logisch”, zegt Man.

feiten en logica 33[6]

“In het land van mijn voorouders wordt het “Individuele Ene” of Ātman [7] – dat qua klank gelijkenis vertoont met ons woord adem – en het “Ene Alomvattende” of Brahman [8] verwoord en onderwezen door de Upanishads [9]. Via een volledig bewustzijn dat Ātman en Brahman twee manifestaties van het “Ene” zijn en daardoor in elkaar samenvallen zoals en druppel in de zee, overstijgen wij ons mens-zijn op aarde.

feiten en logica 34[10]

Of wij – al dan niet – geloven in een “Een alomvattend Zelf” als eeuwigdurende entiteit, is van weinig belang voor ons menselijk leven met alledaagse vreugde, lijden en waanzin. Het Boeddhisme bewandelt een strikte middenweg tussen het “Een alomvattend Zelf” en het “menselijk dagelijks leven” om zo een bodemloze put van metafysische vraagstukken te vermijden [11]. Een tak van deze middenweg is de metafoor van Indra’s Net [12] dat een beperkte weergave biedt voor een onderling verband tussen al de afzonderlijke manifestaties en het “Een alomvattend Zelf”. De Mahābhārata brengt in dit denken een radicale verandering aan door de aandacht in het alledaagse leven te verleggen van Ātman naar “Dharma” – of wereldorde en plicht[13]; Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”. In de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – cumuleert de “aandacht voor het alledaagse leven” wanneer Arjuna het strijdperk betreedt waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht  (Dharmakshetra [14]) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra [15]). Wanneer Arjuna zijn familie, leraren en dierbaren tegenover zich ziet staan, weigert hij het startsein te geven in de strijd tussen de twee partijen. Kṛṣṇa – zijn leidsman en wagenmenner tijdens dit gevecht – zet Arjuna aan om zijn plicht binnen de wereldorde te vervullen en Kṛṣṇa slaagt hier pas in nadat hij tijdens de dialoog zijn Goddelijke gedaante heeft aangenomen; daarna geeft Arjuna het startsein voor de strijd met desastreuze gevolgen voor alle hoofdrolspelers, maar waarin zij hun plicht en taak vervullen binnen de ontstane wereldorde. Binnen en samenvallend met het “Een alomvattend Zelf” is de Goddelijke gedaante van Kṛṣṇa in dit deel van de Mahābhārata een hoeder en leidsman van de wereldorde”, zegt Narrator.

“Binnen het denkkader van jouw voorouders met hun kijk op “feiten en logica” vervullen mensen en Goden hun rol in de wereldorde. Binnen mijn denkkader past geen Goddelijke rol die losstaat van “het Ene onuitsprekelijke”: ik voel mij thuis binnen het denkraam van de Upanishads en binnen de middenweg van het Boeddhisme, maar ik bestudeer graag zienswijzen waar ik het niet mee eens ben, om hetgeen te achterhalen wat anderen zien en ik niet zie”, zegt Man.

“In de laatste zin hoor ik een uitspraak van Professor Dr. W. Luijpen tijdens zijn colleges filosofie aan de TU Delft. Ook ik heb in mijn leven veel gestudeerd waar ik het niet mee eens ben. In mijn studies naar misdaden tegen de mensheid ben ik veel sluitende, onjuiste en leugenachtige denkkaders tegengekomen waar ik het volstrekt mee oneens was. Na studie van het Oude Testament en de Mahābhārata – met de nadruk op ahiṃsā of geweldloosheid als fundament van leven [16] – ben ik tot de conclusie gekomen dat het boeken zijn die vrede tot doel hebben, hoewel beide boeken vol staan van bedrog, geweld en gruweldaden. Ik zie dat onze maaltijd eraan komt. Later hoop ik wat meer over het denkraam van de strijder te kunnen vertellen”, zegt Carla. feiten en logica 35[17]

“Smakelijk eten; later gaan wij verder met onze zoektocht”, zegt Man.

“Voldeed onze discussie aan de titels van de zes memo’s van Italo Calvino?”, vraagt Narrator.

“Volgens mij wel”, zegt Carla.

“Volkomen”, zegt Man.


[1] Zie ook: Calvino, Italo, Six Memos for the next Millennium. New York: Vintage Books, 1993

[3] Zie: Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011. De oorspronkelijke uitgave is: Heschel, Abraham Joshua, Man is not alone – A Philosophy of Religion. New York: Farrar, Straus and Giroux, 1951. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Joshua_Heschel

[4] Zie ook: Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 50 – 51

[5] Zie: Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011, p. 85.

[6] Bron afbeelding: Voorkant van Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011

[8] Het woord Brahman is waarschijnlijk verwant met de werkwoordswortel √bhṝ dat “vermeerderen of vergroten” betekent. Zie voor een verdere inleiding: http://en.wikipedia.org/wiki/Brahman

[9] Upanishad betekent letterlijk in het Sanskriet: “neerzitten gericht naar”. Dit neerzitten vindt plaats bij een leermeester voor onderricht in het eeuwigdurende alomvattende mysterie dat ons leven vormt. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.  Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Upanishads

[11] Zie ook: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 67 – 68

[12] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 66 – 68;  Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra. University Park and London: The Pennsylvania State University Press, 1977; Cleary, Thomas, Entry Into the Inconceivable: An Introduction to Hua-yen Buddhism. Boston:  Shambhala, 2002; en Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993

[13] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.

[14] Dharmakshetra is samengesteld uit Dharma “plaatsen van de voortdurende zelf/Zelf”, en “kshetra” – letterlijk: veld.

[15] Kurukshetra is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat “maken, doen of handelen” betekent en “kshetra” – letterlijk: veld.

[16] Zie ook: hoofdstuk 5 van Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006

Narrator – wijst naar de sneeuw


De eerste sneeuw viel al vroeg in het najaar; de dagen waren nog niet erg kort. In die donkere ochtend klonk het geknisper van de sneeuw onder mijn schoenen gedempt door de Prästgatan waarin ons gouden huis van hoop en dromen op het eiland Gamla Stan in Stockholm stond.

Prästgatan in Juni[1]

De witte sneeuw en kou nam alle kleuren in zich op; de maan en de sterrenhemel versmolten met de sneeuw en de volle kleuren van de vorige zomer waren verdwenen. In de loop van de ochtend werd de sneeuwlaag besmeurd door het leven van alledag. Die avond verscheen een vage gloed in het licht van lantaarns.

Prästgatan in December[2]

Mijn geliefde zou die nacht thuiskomen van een bezoek aan zijn zieke moeder in Amerika. Zijn terugkeer was het begin van een grote verandering in ons leven. Hij wilde graag dichter bij zijn moeder wonen, want door haar ziekte had zij nog maar een klein jaar te leven. Tijdens zijn verblijf in Amerika bezocht mijn geliefde verschillende Boeddhistische gemeenschappen; hij had besloten in een klooster in de nabij van het huis van zijn ouders te treden. Het contact met zijn vader was nog steeds stroef door het wederzijdse onbegrip over zijn dienstweigering tijdens de Vietnam oorlog. Buiten medeweten van mijn geliefde heb ik die winter een brief aan zijn vader geschreven waarin ik een vergelijking maakte tussen het generaal pardon van president Carter in 1977 voor dienstweigering  tijdens de Vietnam oorlog en de parabel van de verloren zoon [3] in het Nieuwe Testament: Uw zoon was verloren en hij is teruggevonden [4] door het generaal pardon. Na het volgende bezoek aan zijn ouders keerde mijn geliefde blij terug; zijn vader had hem weer met open armen ontvangen.

Die winter zwoegde mijn geliefde op een Boeddhistisch vraagstuk waarin een leraar naar de sneeuw wijst en vraagt: “Is er iets dat voorbij deze kleur gaat?”. Een andere leraar zei: “Op dit punt zou ik het voor hem omvergeduwd hebben”.  Een derde leraar zei: “Hij kan alleen naar beneden duwen, hij weet niet hoe overeind te helpen”. [5]

Dit vraagstuk gaat over het passeren van de Lege Poort en de staat van verlichting. Sneeuw, koude en wit waarin de maan versmelt zijn metaforen voor verlichting. De eerste leraar vraagt naar het iets voorbij deze kleur waarbij deze kleur staat voor de weg na het passeren van de Lege Poort of na verlichting. De andere leraar verwijdert meteen de illusie van verlichting en een weg na het passeren van de Lege Poort door onder meer te verwijzen naar de kleurloze kleur en naar het Boddhisattva ideaal uit het Mahâyâna Boeddhisme waarin een mens die op het punt staat verlicht – of zelfs een levende Boeddha – te worden, hiervan uit compassie afziet totdat alles en iedereen met haar/hem de verlichting of de staat van een Boeddha te betreden. Mijn geliefde kon de uitspraken van de eerste twee leraren plaatsen, maar hij zwoegde die winter op de derde uitspraak.

Ik had net als veel mensen in noordelijke landen moeite met de korte dagen. Onze laatste gemeenschappelijk Kerstfeest en Oud en Nieuw vierden wij uitbundig met vele vrienden en bekenden. Gelukkig werden in januari en februari de dagen weer langer.

Mijn geliefde verkocht die winter zijn buitenhuis in de scheren archipel en het gouden huis in de oude binnenstad van Stockholm. Wij verhuisden voor een korte tijd naar een gehuurde houten woning op het eiland Södermalm vanwaar wij een schitterend uitzicht op de binnenstad van Stockholm hadden. Hier hebben wij onze laatste paar maanden samengewoond. Mijn geliefde studeerde en ik speelde percussie in verschillende jazz ensembles.

Asogatan_213_Stockholm[6]

Aan het begin van het voorjaar vroeg mijn geliefde wat “māyā” in het Sanskriet betekent. Hierop vertelde ik dat “māyā” in de verre oudheid de betekenis had van “kunst en wijsheid” en later zijn hier de betekenissen van “illusie”, “compassie, sympathie” en “een van de 24 kleine Boeddhistische zonden” [7] bijgekomen. De naam van de moeder van Siddharta Gautama was Māyādevī waarin “devī” als vrouwelijk vorm van “deva” [8]  onder meer “vrouwelijk godin” betekent. Ik zei ook dat mijn vader mij heeft geleerd dat “māyā” zich voordoet in de vorm van het algemene of kosmische bewustzijn en daardoor direct verbonden is met de alomvattende Īśa en daarnaast in de vorm van het afzonderlijke of menselijke bewustzijn en daarbij vaak de betekenis van illusie heeft [9]. Beide vormen komen voort en zijn opgenomen in de ene werkelijkheid.

Na deze uitleg straalde mijn geliefde. Door de warmte van de zonnegloed gingen de bloesemknoppen weer open. Met de bloesem van de lente verhuisde mijn geliefde voorgoed naar Amerika.

Bloesem Stockholm[10]

Die zomer is zijn moeder rustig verleden. Vier jaren later ontving ik een droef bericht dat mijn geliefde was overleden aan de mysterieuze ziekte die in onze vrienden- en kennissenkring rondwaarde. In onze briefwisseling heeft hij hier nooit melding van gemaakt. En altijd wanneer de bloesem …..

In de samenleving waar ik uit voortkom, betekent gemeenschapszin alles – je bent wie je kent [11]. In Stockholm was ik op zijn best de vriend van mijn geliefde. Nu ik niemand meer echt kende, was ik ook niemand meer in Stockholm. Aan het einde van de lente heb ik de huur van ons mooie houten huis opgezegd en ik ben naar Kopenhagen verhuisd.


[1] Foto van de Prästgatan op het eiland Gamla Stan begin juni. Bron afbeelding: http://sv.wikipedia.org/wiki/Pr%C3%A4stgatan

[2] Foto van de Prästgatan op het eiland Gamla Stan in december. Bron afbeelding: http://sv.wikipedia.org/wiki/Pr%C3%A4stgatan

[3] Zie het Evangelie van Lucas 15: 11-32 in het Nieuwe Testament

[7] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[8] Het woord Deva waaruit Deus in het Latijn, Zeus in het Grieks en Dieu in het Frans is ontstaan, is in het Sanskriet verbonden met de werkwoordstam “Div”, dat onder meer “stralen, spelen, vermeerderen” betekent.

[9] Zie ook: Nikhilananda, Swami, The Upanishads – A new Translation, Volume I. New York: Ramakrishna-Vivekananda Center, 2003, p. 57, 58

[11] Zie ook: Reybrouck, David van, Congo – Een geschiedenis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012, p. 58

Narrator – terug naar de bewoonde wereld


Wij reden van de lege poort naar de Noord Kaap in het eeuwig licht. Geen nacht, geen duisternis, geen visioenen van vermoorde dorpelingen die wilde ontsnappen aan het vuur in het nachtelijk bos, geen nachtwake voor de adem van de overledenen, alleen de voortdurende dag waarbij de zon niet meer ondergaat aan de horizon. Deze vredige wereld zonder nachtelijke fantomen was mij nieuw. Eindelijk kon ik rustig slapen.

Mijn geliefde was in euforie over het passeren van de lege poort – zijn hier en nu was onbegrensd verbonden met het universum. Bij de Noord Kaap had hij geen slaap nodig; hij rustte vredig zittend op de grond terwijl ik sliep.

Noordkaap[1]

De heenreis naar de lege poort in het noorden was doelgericht verlopen. Bij de terugreis naar de bewoonde wereld maakten wij grote omwegen langs de kronkelende kust van de fjorden in Noorwegen. Mijn minnaar verdiepte zich vanaf de Noord Kaap in de oneindig in elkaar verweven werelden van de Avatamsaka Sūtra [2].

Mijn geliefde was diep bewogen door de overdaad aan beschrijvingen van de in elkaar vervlochten werelden. Stomverbaasd las hij dat er vele Boeddha’s in het verleden hadden bestaan en volgens de sūtra zouden er in de toekomst nog onnoembaar veel Boeddha’s volgen. Tot dat moment kende mijn minnaar met zijn Amerikaans Protestants Christelijke achtergrond maar één god. Nadat hij zich had verdiept in het Boeddhisme, was die ene god vervangen door Boeddha.

De weg naar de lege poort voerde naar een eenheid met het alomvattende Boeddhistisch universum, maar nu verkondigde deze sūtra het bestaan van oneindig vervlochten universa waarin vele, vele Boeddha’s waren verweven. Zijn verbijstering was volkomen, net zo volkomen als mijn verbijstering over de eeuwige dagen en over de oneindig in elkaar kronkelende scheiding van berglandschap en zee langs de oevers van de Noorse fjorden.

Geirangerfjord[3]

Bij onze terugkeer langs de Noorse kust kwamen de nachten met mijn duistere fantomen bijna ongemerkt weer terug. Ik hield weer de nachtwake terwijl mijn geliefde sliep. In de noordelijke havens en plaatsen was ik een bezienswaardigheid – er kwamen niet veel mensen met een blauw-donkere huidskleur. Gelukkig waren wij op doorreis; mijn masker van een idool vervloog bij het verlaten van de plaats.

Na een paar weken studie in de Avatamsaka Sūtra was mijn minnaar gewend aan de onderlinge vervlechting van de universa, maar hij las ook dat de universa zich in elkaar spiegelden en daardoor elkaar beïnvloeden. Hij kon dit verstandelijk bevatten wanneer hij naar het water en de lucht in de fjorden keek, maar deze denkwereld strookte niet met zijn culturele achtergrond. Zijn euforie en hemels geluk bij het passeren van de lege poort was geschokt na het lezen van deze sūtra.

Sonnefjord_Norway2[3a]

De beschrijvingen van Indra’s Net [4] bracht enige ordening in de verwarring die was ontstaan na het bestuderen van de vele met elkaar vervlochten werelden, maar hij ervoer dit model als gekunsteld. De euforie en bevrijding van de Noord Kaap veranderde in zorg en twijfel over een oneindig kronkelende weg die mijn minnaar in dit leven nooit zou kunnen voltooien. Een parabel van mijn vader – over een eindeloos leven met vele wedergeboorten waarin levende wezens in vele verschijningsvormen (van microbe tot verlichte mensen en goden via afzonderlijke universa) de weg naar een gelukzalig bestaan bewandelden – gaf geen rust. De beschrijving van de 32 verblijfplaatsen “van Hellen, Titanen, Hongerige geesten, Dieren, Mensen, Goden in 22 categorieën naar vijf sferen van oneindige ruimte, bewustzijn en leegte” [5] in de lange toespraken van Boeddha ontlokten mijn geliefde sombere opmerkingen.

Wij besloten vanaf de Sognefjord via een directe route langs de Staafkerken naar Oslo te reizen. Wij bezochten eerst de kerk in Kaupanger en daarna de oudste staafkerk in Urnes met een crucifix waarvan een deel van de originele verf volgens de gids uit Afghanistan afkomstig was. In de kerk was de donkere nacht met een schijnsel van boven – buiten de overdaad van het zomerse licht.

Stave_church_Urnes,_panorama[6]

Mijn geliefde en ik maakten een dagtocht over de hoogvlakte van de Hardangervidda [7]. Naar het noorden leken de wolken en het landschap eindeloos verder te gaan. Mijn minnaar vergeleek de zich herhalende wolken met de in elkaar vervlochten universa uit de Avatamsaka Sūtra. Hij vroeg zich af hoe wij de verlichting van de vervlochten universa kunnen bewerkstelligen. Ik gaf aan dat de wolken en de werelden voor zichzelf kunnen zorgen; de wind is overal  hetzelfde – uiteindelijk is geen tweede wind [8]. Na mijn terloopse opmerking begon mijn geliefde weer te stralen; zijn zorgen en verwarring waren vervlogen. Mijn nachtelijke fantomen bleven terugkeren.

800px-Hardangerviddaflora[9]

De vreugde van mijn geliefde bleef in mijn leven totdat hij het volgende voorjaar terugkeerde naar zijn ouderlijk huis.


[2] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Avatamsaka_Sutra. De volledige naam van deze sutra is: “ Mahāvaipulya Buddhāvataṃsaka Sūtra ( महावैपुल्यबुद्धावतंसकसूत्र)” of “De enorm uitgebreid prachtig gedecoreerde guirlande van bloemknoppen sūtra”, waarin “Avatamsaka” onder meer “schitterende guirlande” betekent en “sūtra” staat voor “overdracht van het goede”.

[3a] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sognefjord

[4] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een zoektocht naar ons bestaan, deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p.66 – 68

[5] The Long Discourses of the Buddha. Massachusetts: Wisdom Publications, 1995 p. 38-39

[8] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 110.

Narrator – poort in het noorden 2


Het leven met mijn geliefde – die zijn dienstplicht in het Amerikaanse leger tijdens de oorlog in Vietnam had ontdoken en nog steeds in Europa verbleef hoewel hij na het generaal pardon van president Carter in 1977 weer terug kon keren naar de Verenigde Staten [1] – was in Stockholm even vertrouwd als in Amsterdam en het was tegelijkertijd in alle opzichten anders.

Naast het gouden huis in de oude binnenstad van Stockholm had hij ook de beschikking over een prachtig buitenhuis in de scheren archipel aan de kust. In de weekenden en tijdens vrije dagen gingen wij met een bootje naar dit houten huis op een klein eiland. Wij genoten van de prachtige luchten en ’s-nachts sliepen wij buiten als het weer het toeliet. Ik verbaasde mij over de dagen die steeds langer werden.

[2]

Verschillende vrienden van mijn minnaar speelden in jazz-ensembles. Via hen leerde ik de muziek van de groten in de jazz muziek waarderen; mijn favorieten waren het Miles Davis Quintet [3] en John Coltrane [4] met zijn quartet; zijn LP’s met “Joy“, and “A Love Surpreme” – geschreven tijdens de strijd voor gelijke rechten in Amerika waarbij John Coltrane met deze muziek een spirituele eenheid wilde creëren om daarmee een maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen [5] – draaide ik grijs.

[6]

Tijdens enkele oefensessies speelde ik op percussie met een jazz-ensemble; de leden waren zo onder de indruk van mijn spel dat ik die zomer mee mocht spelen tijdens het Stockholm Jazz Festival [7]. Daarna trad ik regelmatig op met wisselende muzikanten in Stockholm en later in Kopenhagen.

Mijn geliefde had zich in Stockholm verdiept in Boeddhisme en meditatie om zo meer inhoud aan zijn leven te geven. Onder zijn invloed ben ik mij langzaamaan gaan verdiepen in de Boeddhistische en Taoïstische kant van de Oosterse wijsheid.  Hij kon mijn hulp bij het leren doorgronden van bronteksten geschreven in het Sanskriet goed gebruiken. Samen bewandelden wij in Stockholm deze weg: hij volgde de inhoud en ik ondersteunde bij de vorm.

Vrijdag en zaterdag voor de laatste week in Juni maakte ik voor het eerst Midzomerfeest in Scandinavië mee. De nacht duurde in Stockholm maar enkele uren en die zaterdag en zondag lag het hele openbare leven stil. Wij waren bij vrienden uitgenodigd en namen deel aan dit traditionele feest.

Enkele dagen na midzomer zijn mijn minnaar en ik in de Godin op vakantie naar de Noordkaap gegaan. Door het bijna verlaten landschap van Noord Zweden – waar je buurman je beste vriend is, omdat er niemand anders in de omgeving woont – reden wij bij het eeuwige licht.

[8]

Net voor de grens met Noorwegen zagen wij de Lapporten. Mijn geliefde noemde het de Lege Poort [9]. Hij vroeg aan mij wat “leeg” in het Sanskriet was. Hierop antwoordde ik “śūnya” [10] dat verwant is aan het Engelse woord “shunt” [11] waarbij een lage parallelweerstand een kortsluiting van een elektrische stroom veroorzaakt. Daarop begon hij een deel van de Hart Sutra te zingen:

De Hart Sutra is te luisteren op: http://www.youtube.com/watch?v=z0jcx9fnoWc

Of beknopt en vrij weergegeven in het Nederlands:

Vorm is gelijk aan leegte zoals leegte gelijk is aan vorm;

Vorm zelf is leegte en leegte zelf is vorm;

Zo ook gevoel, kennis, dingen en bewustzijn.

Aldus Shariputra, alle Dharmas zijn leeg van kenmerken.

Zij worden niet gemaakt, niet vernietigd, niet bezoedeld en zij zijn niet puur;

en zij worden niet groter noch kleiner.

Daarom in leegte is geen vorm, gevoel, kennis, dingen en geen bewustzijn;

geen ogen, oren, neus, tong, lichaam en geest;

geen gezichtsvermogen, geluid, geur, smaak, tastzin en Dharmas;

Ik zei dat de Lege Poort de toegang tot het Nirvana[12] leek. Hij antwoordde dat de Lege Poort ook leeg was van Nirvana en hij straalde [13] als een god. Mijn geliefde is volmaakt gelukkig blijven stralen tot voorbij de Noordkaap.

[14]


[9] De Mumonkan – in Engels meestal vertaald met Gateless Gate – is een verzameling van 48 Zen Koans door de monnik Mumon samengesteld in de 13e eeuw na Christus.

The character 無 () has a fairly straightforward meaning: no, not, or without. However, within Chinese Mahayana Buddhism, the term 無 () is often a synonym for 空 (sunyata). This implies that the 無 () rather than negating the gate (as in “gateless”) is specifying it, and hence refers to the “Gate of Emptiness”. This is consistent with the Chinese Buddhist notion that the “Gate of Emptiness” 空門 is basically a synonym for Buddhism, or Buddhist practice. 門 (mén) is a very common character meaning door or gate. However, in the Buddhist sense, the term is often used to refer to a particular “aspect” or “method” of the Dharma teachings. Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/The_Gateless_Gate

Er zijn vier goed verkrijgbare uitgaven in het Engels:

Aitken, Robert, The Gateless Barrier, The Wu-men Kuan (Mumonkan). New York: North Point Press, 2000

Sekida, Katsuki, Two Zen Classics – Mumonkan & Hekiganroku. New York:Weatherhill, 1977

Shibayama, Zenkei, The Gateless Barrier, Zen Comments on the Mumonkan. Boston: Shambhala, 1974

Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990

[10] “Empty, void” volgens: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[11] Volgens Shorter Oxford English Dictionary een natuurlijk of kunstmatig bloedvat om de bloedstroom om te leiden.

[12] “Land zonder bos” volgens: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[13] Het woord Deva waaruit Deus in het Latijn, Zeus in het Grieks en Dieu in het Frans is ontstaan, is in het Sanskriet verbonden met de werkwoordstam “Div”, dat onder meer “stralen, spelen, vermeerderen” betekent.