Tagarchief: buitenbeentje

Proefeditie biografie “Carla Drift – Een Buitenbeentje” beschikbaar


Op de website van Omnia – Amsterdam Uitgeverij is de proefeditie voor de biografie “Carla Drift – Een buitenbeentje” beschikbaar. De biografie is door Narrator samengesteld aan de hand van de gebundelde berichten van december 2011 – juli 2012 over de zoektocht naar “Wie ben jij”.

De proefeditie is verkrijgbaar op de website van de uitgever onder “Boeken” op de webpagina “Manuscripten”:

www.omnia-amsterdam.nl

De proefeditie in Pdf-formaat omvat 15 Mb en 177 pagina’s – zie onderaan de pagina “Manuscripten” onder “Downloads”. Het printen van deze proefeditie voor eigen gebruik en voor educatieve doeleinden is toegestaan binnen de Creative Commons Licentie.

De uitgever gaat deze biografie binnenkort uitbrengen als e-boek in Pdf-formaat en als paperback editie.

Manuscript “Carla Drift – Een buitenbeentje” verkrijgbaar


Omnia – Amsterdam Uitgeverij heeft het manuscript voor de biografie “Carla Drift – Een buitenbeentje” ontvangen. Deze biografie is door Narrator samengesteld aan de hand van de gebundelde berichten van december 2011 – juli 2012 over de zoektocht naar

“Wie ben jij”

Het manuscript is verkrijgbaar op de website van de uitgever:

www.omnia-amsterdam.nl

Het manuscript in Pdf-formaat omvat 10 Mb en 115 pagina’s. Het printen van het manuscript voor eigen gebruik en voor educatieve doeleinden is toegestaan binnen de Creative Commons Licentie.

Omnia – Amsterdam Uitgeverij gaat deze biografie uit te geven als e-boek in Pdf-formaat en als paperback editie. Het e-boek zal aan het einde van de zomer verkrijgbaar zijn.

Carla Drift – Terugblik op mijn onschuld


Voordat wij begonnen met de zoektocht naar “Wie ben jij” vertelde ik Narrator in het kort over mijn jeugd – de jaren van mijn onschuld.

“Er was er eens een meisje dat was zo slim dat zij overal een buitenbeentje was. Zij ging al de kennis van haar omgeving te buiten. Dit meisje was zo wijs om deze bijzondere gave aan niemand te laten zien. Zij had al heel jong ontdekt dat haar omgeving hierdoor volkomen in de war raakte. Heel af en toe liet zij een glimp zien van waaraan zij dacht.

Op de lagere school leerden de andere kinderen optellen, vermenigvuldigen en delen. Dit meisje rekende in het oneindig of in het ontelbare zoals zij dit noemde. Telbaar was alles wat binnen een doosje van het “kenbare” paste. Zij dacht hierbij aan het luciferdoosjes waarin zij vroeger een sprinkhaan had gevangen.

[1]

Toen de klas tot tien leerde tellen, was de inhoud van het luciferdoosje tien. Voor de klas was ontelbaar op dat moment “tien plus één”. Toen de klas tot honderd leerde tellen was vanaf dat moment het telbare honderd; honderd en één werd ontelbaar en zo voort voor zover de klasgenoten leerden rekenen.

Het telbare en dus het kenbare groeide mee met de kennis van de klas en het ontelbare werd steeds een groter. Dit meisje leerde dat het telbare – dus de inhoud van het luciferdoosje L – veranderde met de verandering van de omgeving. Het ontelbare was dan steeds L+1. Dit meisje ging het telbare optellen, dus voor de klas was L gelijk aan tien en het meisje besloot tien luciferdoosjes achterelkaar te plaatsen: dat maakte het telbare voor haar gelijk aan honderd; oneindig werd dan tien Luciferdoosjes plus 1. Zij plaatste honderd luciferdoosjes achter elkaar en het “honderd keer telbare van 10” werd dan 1000 en ontelbaar werd honderd doosjes plus 1. Zij deed hetzelfde met doosjes die steeds kleiner werden zoals Russische poppen. Oneindig klein was dan steeds een maatje kleiner dan het kleinst kenbare.

[2]

En nul was een lege tafel zonder een doosjes of poppetje. Zij schrijf dit als “O”. Dit was heel eenvoudig voor haar.

Dit meisje besloot voor de eenvoud oneindig te schrijven als L+1; dit was gelijk aan het grootste doosje of het grootst aantal kenbare doosjes plus 1.

Nu was het meisje zover dat zij oneindig of L+1 zag als een luciferdoosje van al het kenbare plus één. Zij begon in de eerste klas van de lagere school te rekenen met het oneindige, dat ook een buitenbeentje was dat buiten het kenbare viel. Voor oneindig golden dezelfde regels, maar het oneindige was steeds buiten het kenbare van de anderen: zo hield zij een band met de rekenlessen van haar klasgenoten. De tafels in het oneindige verliepen hetzelfde als de gewone tafels en hetzelfde gold voor delingen van het oneindige – een fluitje van een cent. Vergroot het kenbare en het oneindige is net iets groter; maak het kleinst kenbare nog kleiner en het oneindige kleine is net weer iets kleiner.

Het oneindige of L+1 was volgens haar op de Katholieke lagere school het bewijs voor het bestaan van God. God kon alle dimensies aannemen al naar gelang de omstandigheden dat noodzakelijk maakte, maar God zelf was groter dan het kenbare zodat hij alomvattend bleef. Als de veranderingen snel toenamen dan werd God ook snel groter en omgekeerd. En omdat God alomvattend was – dus L +1, nam God ook meteen de vereiste vorm aan. Zo differentieerde en integreerde zij al in de tweede klas van de lagere school. Het mooiste was dat God geen vreemde was, hij was net als zij een buitenbeentje. God had de mens (het kenbare) naar zijn evenbeeld geschapen – ook de buitenbeentjes zoals zij vielen met hem samen. Zij maakte het kenbare als buitenbeentje wel net iets groter. Later heeft zij haar kijk op God aangepast.

In de tweede klas van de lagere school las zij in een boek uit de bibliotheek – dat via haar vader was meegesmokkeld – over priemgetallen. Zij besloot de priemgetallen als luciferdoosjes te zien waarmee mooi gerekend kon worden. Volgens haar nieuwe rekenmethode waren de kerngetallen L, 2L, 3L, 5L, 7L, 11L, 13L, 17L, 19L en zo verder als priemgetallen. Met deze priemgetallen konden alle aantallen luciferdoosjes worden gemaakt [3].

In de vierde klas van de lagere school zag zij in de bibliotheek bij de afdeling wiskunde een boek staan over Gödel. In dit boek las zij de twee onvolledigheidsstellingen van Gödel [4]. Dit boek heeft zij via haar vader geleend. Door het benoemen van L+1 kende zij de eerste onvolledigheidsstelling en met haar nieuwe rekenmethode – waarbij zij de kerngetallen L, 2L, 3L, 5L, 7L, 11L, 13L, 17L, 19L volgens de reeks van priemgetallen gebruikte – zag zij meteen de tweede onvolledigheidsstelling; wij kunnen nooit de hele rekenkunde L bewijzen omdat er altijd een L+1 zal zijn. Dit bewijs is een fluitje van een cent.

Met opzet bleef zij een paar fouten in de staartdelingen [5] maken om niet op te vallen.

In de vijfde en zesde klas van de lagere school liet een nieuwe schoolmeester haar het boek van Kees Boeke’s “Wij in het heelal, een heelal in ons”  lezen. Met haar vader verdiepte zij zich in astronomie en microscopie. In haar eentje rekende zij de Keplerbanen uit. In een cursus theoretische fysica [6] zag zij op de TU-Delft in het deel mechanica haar berekeningen terug. Een van de twee auteurs was een buitenbeentje [7] op het gebied van wiskunde en natuurkunde.”

[8]

Na deze korte beschrijving van mijn jaren van onschuld op de lagere school, besloten Narrator en ik samen de zoektocht naar “Wie ben jij” te beginnen. Tijdens de voorbereidingen hebben wij Man Leben – na het overlijden van zijn tweede levensgezel – gevraagd om mee te gaan. “Met hoop en vertroosting” heeft hij de uitnodiging aanvaard.

Carla Drift – eerste jaren


De geschiedenis van mijn voorouders is in nevelen gehuld. Mijn oom heeft de stamboom van mijn moeders familie tot de tijd van Napoleon kunnen samenstellen, daarvoor is op papier niets meer terug te vinden. Mijn vaders familie heeft geen moeite gedaan voor een stamboom, want zijn familie is nauw verbonden met de drie families die al meer dan 1000 jaar in ons dorp wonen. Het dorp bestaat al veel meer dan duizend jaar, maar ruim 1000 jaar geleden is het dorp in een akte vermeld. En als het officieel op papier staat dan bestaat het volgens de mensen in mijn dorp.

[1]

Mijn moeder komt niet uit ons dorp. Zij zal nooit bij het dorp horen, hoewel zij er al meer dan 50 jaar woont. Zij zal altijd een Belg – of “Belsh” zoals ze in ons dorp zeggen – blijven. Hierdoor blijven wij – mijn twee zussen en ik – ook buitenbeentjes in ons dorp.  Bij ons thuis is alles net even anders; door mijn moeder hebben wij een aantal Belgische gewoonten in ons gezin. In het begin had ik moeite om de familie van mijn moeder te verstaan: zij spreken onderling een Vlaams dialect. Ook als zij tegen mij een vorm van Nederlands spraken, kon ik ik hen niet volgen. Nu ik ouder ben, heb ik hier geen moeite mee; met het vele reizen is het Vlaams heel vertrouwd geworden. Door mijn moeder ken ik hun manier van leven goed; het heeft een bepaalde charme – gesloten naar buiten en warm naar binnen.

Mijn vader en moeder hebben elkaar in de jaren 50 van de vorige eeuw bij toeval leren kennen. Twee gewone, lieve jonge mensen hebben elkaar ontmoet en zijn van elkaar gaan houden – dat doen zij nog steeds. Na een paar jaar verkering zijn zij getrouwd en al snel zijn wij – de drie zusjes – geboren. Mijn eerst herinnering is de geboorte van mijn zusje. Ik was toen bijna 2 jaar oud. Ineens was alles vreemd in huis en die nacht kwam mijn moeder niet toen ik riep. Daarna zijn de herinneringen elkaar snel opgevolgd. Bij de geboorte van mijn tweede zusje toen ik drie was, voelde ik me haar moeder. Ik was goed in staat om voor mijn jongste zusje te zorgen; mijn moeder dacht daar anders over. Ons eerste generatie conflict was ontstaan.

Op de kleuterschool werd al snel duidelijk dat ik anders was: ik kon veel te goed leren. Ik had al snel door dat het niet verstandig was om dat te laten zien. Lezen was nog niets voor gewone meisjes op de kleuterschool. Ik deed dat onopvallend thuis in oude boekjes van mijn moeder.

In die tijd had ik een sprinkhaan gevangen. In een luciferdoosje zat hij die avond op het nachtkastje bij mijn bed. Als ik met het doosje schudde, dan hoorde ik hem springen. Voor altijd zou ik nu gezelschap van mijn sprinkhaan hebben. De volgende ochtend was hij dood. Mijn vader en ik hebben hem plechtig in de tuin begraven. Dit was mijn eerste echte afscheid.

Op de lagere school speelde ik verstoppertje met de onderwijzers. Ik vond het niet verstandig om te laten zien hoe makkelijk ik leerde. De meester in de tweede klas had een schitterende verzameling vlinders uit Indonesië. Hij was daar als dienstplichtig soldaat geweest: over de gevechten vertelde hij niets. Later, veel later heb ik begrepen dat van de 95.000 Nederlandse soldaten er ongeveer 2500 de gevechten niet hebben overleefd [2]. Dit aantal komt overeen met bijna een derde van de graven op de militaire oorlogsbegraafplaats in Margraten. Het was geen politionele actie, maar een echte oorlog. Het aantal slachtoffers onder de inwoners van Indonesië is vele malen hoger. Na de oorlog wilde de Holland de kolonie behouden voor haar welvaart; de levensvreugde van mijn schoolmeester was daarvoor opgeofferd. Als meisje van 7 jaar oud zag ik dat haarscherp. [3]

Met mijn moeder speelde ik ook verstoppertje. Ik kon heel snel rekenen. Rekenen is optellen en aftrekken van getallen. De tafels hebben ik nooit hoeven leren: ik kon 9 keer 8 ook zo in een flits optellen. Bij het boodschappen doen telde ik het eindbedrag vaak meteen op. Ik zag als meisje van 6 of mijn moeder het juiste wisselgeld terugkreeg. Een discussie over een verschil van een paar centen met de winkelier en mijn moeder is niet handig voor een kind van 6 jaar oud. Sinds die tijd greep ik alleen in bij grote verschillen.

Ik was de oudste van drie zussen. Ik vond het logisch dat ik over alles een beter overzicht had en voor hun kon moederen. Mij viel het niet op dat ik alles zoveel makkelijker kon leren. Zij zijn nog altijd gewone lieve mensen die gelukkig in ons dorp zijn getrouwd. Zij wonen er nog steeds met hun gezin.

Met mijn vader ging ik iedere zaterdag naar de bibliotheek in een grotere plaats. De juffrouw van de bieb koos voor mij boekjes uit om te lezen en mijn vader koos de boeken om voor te lezen. Hij koos in de tweede klas van de lagere school “Brief voor de koning” van Tonke Dragt. De boeken van de juffrouw keek ik niet eens in. De boeken om voor te lezen, las ik zelf – Tiuri was mijn held. Mijn vader werd gevraagd waarom hij zoveel voorlas, mijn vader zei dat hij alleen de eerste bladzijden voorlas. Dat klopte ook: ik las de rest in mijn eentje. Ook hier verstoppertje spelen.