Tagarchief: Calvijn

Vrijheid en gebonden: hebben of zijn


De volgende morgen ontmoeten Carla, Man elkaar op het Beursplein.

“Gisteravond was ik te uitgesproken in mijn mening over Calvijns predestinatie. Misschien had ik de uitwassen teveel voor ogen – ik denk hierbij aan de slavenhandel, het neerslaan van opstanden in de Hollandse kolonies, en het streven naar kapitaal – en ik had te weinig oog voor de verdiensten, zoals het leefbaar houden van een groot stuk land onder zeeniveau, een grote tolerantie vaak gebaseerd op een goede handelsgeest. Ik ben vaak te uitgesproken, wat meer mildheid zou mij sieren”, zegt Carla.

“Ik bewonder Holland om zijn schilderkunst, zijn pragmatisme, zijn verhoudingsgewijs goede huisvesting voor iedereen. Ook dit is voortgekomen uit de handelsgeest en het rentmeesterschap Gods dat in onze eeuw geregeld gestalte heeft gekregen in een socialistische vorm. Jij hebt een aantal aanzetten tot latere ontsporingen treffend verwoord die mede zijn veroorzaakt door Calvijns leer van predestinatie. Iedere stroming of sekte die zich superieur acht, heeft een sterke tendens om na verloop van tijd te gaan ontsporen. Daar komt Narrator”, zegt Man.

“Staan jullie al lang voor deze kathedraal van het kapitalisme? In veel vroegere Christelijke kerken vinden geen reguliere kerkdiensten meer plaats, omdat de gelovigen zijn verdwenen of naar elders vertrokken. Deze kapitalistische kathedraal is ook niet meer in gebruik, de volgelingen van deze religie zijn vertrokken naar profijtelijkere plaatsen zoals de Zuid-as in Amsterdam of naar de beurzen in London of New York”, zegt Narrator.
Berus van Berlage[1]

“Dat klopt, de kapitalisten streven naar winstmaximalisatie [2] en daarmee bijten zij zich in hun eigen staart vergelijkbaar met spelers van een piramidespel. De bronnen van kapitaal zijn groot, maar eindig: eens drogen zij op.

Het kapitalisme had al een lange weg achter de rug voordat het Calvinisme er deels uit is voortgekomen en er verder vorm aan heeft gegeven. Laat ik eerst deze lange weg in vogelvlucht vertellen.

Waarschijnlijk is het begrip kapitalisme afgeleid van het Romeinse woord “caput” [3], dat hoofd (van een mens) betekent. Hiermee wordt het belang van privébezit binnen het kapitalisme benadrukt.

De aanzet voor het kapitalisme is gegeven met het gebruik van hulpmiddelen door afzonderlijke mensen om bepaalde activiteiten eenvoudiger en/of sneller te kunnen verrichten. Bij de jager-verzamelaars bestonden deze hulpmiddelen uit stenen om noten te kraken, uit wapens om op dieren te jagen en later uit hulpmiddelen in combinatie met vernuft om dieren te domesticeren voor voedsel of als hulpmiddelen bij de jacht. Daarbij hadden jager-verzamelaars een grote leefomgeving nodig als hulpmiddel voor hun bestaan. Wanneer deze leefomgeving of leefomstandigheden – denk daarbij aan vrouwen en kinderen – werd bedreigt door andere jager-verzamelaars of groepen jager-verzamelaars, dan werden deze kapitale hulpmiddelen verdedigd.

Het kapitalisme kreeg een nieuwe gestalte bij nomadische samenlevingen van veehoeders; het kapitaal van deze nomadische veehoeders was hun kudde en hun weidegronden. De bijbehorende kapitale hulpmiddelen – zoals dieren voor transport en voor het hoeden van vee – stonden in dienst van het hoeden en verdedigen van de kudde vee, of deze hulpmiddelen – zoals vrouwen en kinderen – waren voor mannen nodig voor het voortbestaan. Een religieuze uiting binnen deze samenleving van veehoeders was de veecyclus [4]. In deze Proto-Indo-Europese wereld vertegenwoordigen vrouwen het enige bezit dat echt van waarde is [5]; mannen hadden het bezit van vee nodig als ruilmiddel om vrouwen te verkrijgen. In de Rooms-katholiek en Lutheraans versie van de tien geboden zien wij hiervan nog een overblijfsel in de vorm van het negende gebod: “Gij zult de vrouw van uw medemens niet begeren” dat vooraf gaat aan het tiende gebod: “Gij zult het huis van uw medemens niet begeren” [6].

Binnen het agrarisch kapitalisme van de akkerbouw werd de beschikking over – en later het bezit van – grond en water een noodzakelijk kapitaal dat nodig was voor het voortbestaan [7]. In de loop der tijd heeft het agrarisch kapitalisme van de akkerbouw door in bezit name van vaste akkerbouwgronden de nomadische samenlevingen van veehouders verdreven naar uithoeken van de Westerse menselijke samenleving. Door de invoering van het drieslagstelsel binnen de akkerbouw in de vroege Middeleeuwen – in combinatie met beperkte veeteelt – kunnen uiteindelijk meer mensen een bestaan hebben op vaste stukken grond.

Binnen de samenlevingen van veehoeders en akkerbouwers was ruilhandel nodig omdat mensen binnen deze samenlevingen niet meer volledig zelfstandig in hun bestaan konden voorzien en omdat de behoefte aan gespecialiseerde hulpmiddelen of diensten steeds verder toenam. Er was ruilhandel nodig op lokale markten of tijdens kermissen. De ruilhandel verliep in eerste instantie in natura; later werden zeldzame objecten – eerst zeldzame stenen of metalen en later muntgeld met een afbeelding van een leider als vertrouwenwekkend “persoon in het midden – gebruikt als “objecten in het midden”.

In de Westerse samenleving van de tweede helft van de Middeleeuwen nam tijdens en na de Kruistochten de handel in speciale voorwerpen en diensten steeds verdergaande vorm aan. Hierdoor en ook door het verval van het feodalisme ontstond er tijdens de Renaissance een nieuwe economische organisatie in West-Europa waarbij handel gesteund door de (stad-)staat in de vorm van het mercantilisme [8] steeds verder in belang toenam. Met het mercantilisme nam het belang van muntgeld als vertrouwenwekkende “object in het midden” steeds meer toe. Het bezit van muntgeld werd steeds meer een zelfstandig nastrevenswaardig levensdoel op zich, want met geld zouden alle levensdoelen verkregen kunnen worden, zelfs kwijtschelding van zonden voor een goed hiernamaals door middel van aflaten [9] binnen de Katholieke kerk aan het einde van de Middeleeuwen.
Mercantilisme[9]

Door het mercantilisme verschoof de aandacht in het leven van mensen steeds meer van “zijn” naar “hebben”. In de vroegere wereld van de scholastiek was men een mens binnen een vast liggende levensorde waarbinnen een mens deugdzaam behoorde te leven. In de nieuwe wereldorde was het hebben van bezit in de vorm van geld een groot goed waarmee een goede plaats in het leven en in het hiernamaals kon worden verkregen; het bezit en behoud van muntgeld steeg in achting en het verkrijgen van winst veranderde in de loop der tijd van verachtelijk handeling in een lovenswaardige activiteit.

Deze vorm van mercantilisme nam in de Republiek der Nederlanden een grote vlucht, door de unieke positie van Holland in de een belangrijk rivierdelta, door gebrek aan akkerbouwgrond in Holland waardoor granen door ruilhandel verkregen moesten worden net als in de stadstaat Athene in de vijfde eeuw voor Christus, en door een unieke vorm van collectief beheer van de polders. Daarbij gaven de handelaren en welgestelde burgers – de Nouveau Riche uit die tijd – in Holland de aanzet tot vergaande aanpassingen en vernieuwingen van het mercantilisme.
Een van de aanpassingen betrof het vervangen van muntgeld als “ruilobject in het midden” door waardepapieren [10]. Zonder directe koper van de goederen kon na keuring een scheepslading op de Dam van Amsterdam worden geruild tegen waardepapieren. De handelaren in Holland deden er alles aan om het vertrouwen in deze waardepapieren te bestendigen.

Een belangrijke verandering betrof het uitgeven van aandelen binnen corporaties van handelaren om omvangrijke risicovolle handelsondernemingen mogelijk te maken naar verre overzeese koloniën. Hierdoor verplaatste het initiatief van uitgave van aandelen zich van de adel of (stad-)staat naar initiatieven door privépersonen.
Waardepapier van de VOC uit 1662[11]

Door deze aanpassingen verschoof het belang van muntgeld – geslagen uit edelmetaal en met een opdruk van de afbeelding van een vertrouwenwekkende heerser – naar gedrukte waardepapieren uitgegeven door handelaren en welgestelden. Door deze verandering verschoof het economisch initiatiefrecht van de adel en de (stad-)staat naar handelaren en welgestelde privépersonen en corporaties hiervan.

Voor de “Kleine Luyden” van boeren, lokale middenstand en ambachtslieden in Holland betekenden deze nieuwe vorm van mercantilisme een aardverschuiving; hun gehele economisch bestaansrecht kon door een oorzaak van buiten binnen korte tijd volledig verdwijnen doordat anderen – vaak in gewijzigde vorm – hun middelen van bestaan overnamen. Hierop kon door hen geen enkele invloed worden uitgeoefend.
Binnen deze wijziging van de leefwereld van de “Kleine Luyden” van een wereld gemodelleerd volgens de Middeleeuwse Scholastiek naar een wereld van mercantilisme is het Calvinisme tijdens de Reformatie in het redelijk welvarend Geneve ontstaan [12], en het heeft in het Holland van de 17 eeuw een zeer vruchtbare voedingsbodem gevonden.

Door het Calvinisme in combinatie met het mercantilisme is de aandacht in het leven van mensen verschoven van “zijn” naar “hebben”. Hoewel binnen het Calvinisme – met de predestinatie leer – het “zijn” in Gods genade van het allerhoogste levensbelang is, heeft enerzijds de dankbaarheid en de plicht voor de uitverkorenen om rentmeester Gods te zijn en anderzijds de voortdurende hang om door succes een voorbode van Gods uitverkiezing te verkrijgen, tot gevolg gehad dat het “hebben” in het aardse leven van immanent en onmetelijk belang is om later in dit leven en vooral in het hiernamaals te kunnen “zijn”.

In het verlengde van zijn werk “De angst voor vrijheid” stelt Erich Fromm in zijn latere werk “Hebben of zijn” [13]: “Wij leven in een maatschappij die berust op de drie pijlers van privébezit, winst en macht. Verwerven, bezitten en winst maken zijn het geheiligde en onvervreemdbare recht – en de plicht als rentmeester Gods volgens Calvijns predestinatie – van de mens in de nieuwe wereldorde die is voortgekomen uit het mercantilisme. Daarbij speelt het geen rol waar het eigendom vandaan komt, noch de vraag of er aan iemands bezit verplichtingen zijn verbonden” [14].

Calvijn predestinatie – ingebed in het mercantilisme – beschouwt het hebben van bezit als een voorbestemming Gods en daarom een onveranderlijk recht en plicht voor de rentmeesters Gods. Dorothee Sölle stelt in haar werk “Mystiek en verzet – Gij stil geschreeuw” dat Erich Fromm terecht een zinvol onderscheid maakt tussen enerzijds het functioneel eigendom van gebruiksvoorwerpen om in het bestaan te voorzien en anderzijds eigendom om de sociale status van het ego te verhogen, zekerheid voor de toekomst te garanderen of alleen maar ten gerieve van de zelfstandige begeerte. Over het hebben van deze laatste vormen van eigendom zegt Dorothee Sölle – denk ik terecht – dat het “hebben” de relatie tot de naaste, tot de natuur en tot het ik vernietigt [14]. En zij stelt vrij weergegeven: het uitzicht op een hiernamaals in Gods genade door het streven naar aardse bezittingen verwordt al gauw in een gevangenis op aarde en een voorbode van de hel. Franciscus van Assisi duldde geld slechts op de mestvaalt. [14]
In onze moderne tijd is het papiergeld ingeruild voor virtuele bits in computersystemen die ons – via beeldschermen – al dan geen toegang bieden tot aardse hulpmiddelen. Deze virtuele bits zijn een eigen leefwereld gaan leiden waarin de mensheid steeds meer een dienaar is gaan worden van de vele vormen van bitcoins binnen deze computersystemen. Toegang hebben tot deze leefwereld van bits en beeldschermen is het “zijn” in ons dagelijks bestaan steeds meer gaan overschaduwen. Via deze grote omweg heeft de leegte van de virtuele bits en beeldschermen de rijkdom van ons bestaan in beslag genomen. Dit is in vogelvlucht mijn inleiding tot het kapitalisme”, zegt Carla.

“Zoveel in zo weinig woorden bij deze kathedraal van het kapitalisme. Bij dit gebouw en bij jouw inleiding moet ik denken aan de haiku van Rӯokan nadat dieven alles uit zijn hut hadden meegenomen:

Uit mijn kleine hut
Namen dieven alles mee
De maan bleef achter [15]

De maan staat voor het rotsvaste geloof van Rӯokan”, zegt Narrator.

“Hebben of zijn. Na dit terecht somber beeld van het menselijk bestaan zou ik jullie een andere vorm van leegte willen laten zien: de leegte van de Waddenzee. De komende dagen is het mooi weer. Mag ik jullie uitnodigen voor de laatste zeiltocht met mijn zeilbootje, want binnenkort geef ik het bootje aan een goede vriend die veel jonger is. Op de zeilboot kunnen wij “leegte” – het volgende deel van onze zoektocht – voorbereiden”, zegt Man.

“Zullen wij vanmiddag bezien wat wij op dit deel van onze zoektocht nog willen onderzoeken?”, vraagt Carla.
[1] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Beurs_van_Berlage
[2] Zie voor een andere uitleg van kapitalisme: http://en.wikipedia.org/wiki/Capitalism
[3] Bron: Ayto, John, Word Origins – The hidden Histories of English Words from A to Z. London: A & C Black Publishers, 2008
[4] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 33
[5] Zie: McGrath, Kevin, STRῙ Women in Epic Mahābhārata. Cambridge: Ilex Foundation, 2009, p. 9 – 15
[6] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tien_geboden
[7] Zie ook: Beyens, Louis, De Graangodin – Het ontstaan van de landbouwcultuur. Amsterdam: Atlas, 2004
[8] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Mercantilism en http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_Europa
[9] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aflaat
[10] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Mercantilism
[11] Een obligatie van de Vereenigde Oostindische Compagnie uit 1622. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Waardepapier
[12] Zie ook: Fromm, Erich, De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme. Utrecht: Bijleveld, 1973 p. 67
[13] Fromm, Erich, Haben oder Sein. München: Deutscher Taschenbuch Verlag, 2011, p. 89
[14] Sölle, Dorothee, Mystiek en verzet – Gij stil geschreeuw. Baarn: Ten Have, 1998, p. 327 – 328
[15] Bron: Stevens, John, Three Zen Masters, Ikkyū, Hakuin, Rӯokan. Tokyo: Kodansha International, 1993, p. 131.

Advertenties

Vrijheid en gebonden: de angst voor vrijheid


Aan het begin van de avond ontmoeten Carla, Man en Narrator elkaar in de Vijzelstraat met zicht op de Gouden Bocht [1] aan de Herengracht.
Gouden Bocht Herengracht[2]
“Dit is een mooie plaats om verder te gaan met onze zoektocht naar “Een persoonlijk relatie met God”. In het Amsterdam van de 16e en 17e eeuw werd door de Amsterdamse welgestelden de rechtmatigheid en de genade van hun persoonlijke relatie met God onder meer op deze plaats in steen vastgelegd.
Gouden Bocht Herengracht 2[2]
Tijdens de Nederlandse Reformatie heeft het Calvinisme met de leerstelling van de predestinatie van Gods genade het wereldbeeld van deze Amsterdamse handelaren en welgestelden radicaal gewijzigd.
Binnen het Scholastische wereldbeeld voor de Nederlandse Reformatie werd Gods genade in de loop van een mensenleven in synergisme [3] tussen Goddelijk en menselijk handelen bepaald. Door goede daden kon de mens Gods genade verkrijgen en door zonden en doodzonden verloor de mens Gods genade gedeeltelijk of zelfs geheel. Wanneer een groot aantal zonden tijdens het leven waren begaan, diende de mens na de dood een tijd van loutering in het vagevuur door te brengen alvorens weer in Gods genade te kunnen worden aangenomen.
Tijdens de Reformatie heeft Luther zijn leerstelling van het Goddelijk monergisme vastgelegd: alleen God bepaalt in Zijn onmetelijke almacht de rechtmatigheid van Zijn genade voor de mens. Volgens Luther kan een mens Gods genade verliezen doordat een mens het geloof in God verliest; de mens heeft een vrije wil tot het behoud van het geloof in God.
Binnen het Goddelijk monergisme [4] van Calvijn wordt de genade Gods enkel en alleen door God bepaald. De mens heeft geen vrije wil tot het verkrijgen van de rechtmatigheid en de genade van God; de mens verkrijgt en behoudt deze genade door de uitverkiezing van God. Door predestinatie behoudt God zijn genade voor aan zijn uitverkorenen.

Genade Gods[5]

De handelaren en welgestelden in Amsterdam beschouwden zich door hun Gereformeerd geloof op basis van Calvijn als uitverkorenen van God. Hierdoor dienden zij – als rentmeester van God – tijdens hun aardse leven voortdurend bezig te zijn met het verwezenlijken van Gods werken op aarde. Deze grachtenpanden zijn de vruchten in steen van hun rentmeesterschap Gods”, zegt Narrator.

“Aan de ene kant is de handelaren en welgestelden deze puissante rijkdom komen aanwaaien met de wind in de zeilen van hun handelsschepen. Aan de andere kant hebben zij met de duivel op hun hielen voortdurend ontstellend hard gewerkt om dit aardse rentmeesterschap Gods waar te maken om zo de onzekerheid over de voorbestemming van Gods genade – men was nooit helemaal zeker van deze genade, en een vooruitzicht hierop was in het hier en nu meer dan welkom – te verkleinen. Daarnaast vonden de handelaren en welgestelden dat zij door Gods voorzienigheid en door hun welvaren recht op hadden op het rentmeesterschap van God. Dit rentmeesterschap gaf hen het recht om hun rechtmatige deel van het aardse bezit toe te eigenen en in naam van God te beheren”, zegt Man.

“Erich Fromm [6] heeft in zijn werk “De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme” [7] de invloed en de gevolgen van de predestinatie leer van Calvijn op de mens tijdens de reformatie en op de mensheid in de 20e eeuw onderzocht en beschreven. Volgens Calvijn houdt de volkomen almacht van God de volledige onmacht van de mens in. Het menselijk geloof is gegrond in de menselijke machteloosheid. Alleen op basis van deze machteloosheid kunnen wij vertrouwen op Gods almacht die – wanneer het Hem behaagt – ons zal leiden naar de komst van een nieuwe, betere wereld. Volgens Calvijn is de mens op geen enkele manier meester over zichzelf; het streven naar deugdzaamheid als doel in zichzelf is voor Calvijn ontoelaatbaar en zou alleen tot ijdelheid leiden. De verlossing van een mens uit dit aardse bestaan door middel van Gods genade of een eeuwige verdoeming is al volledig door God bepaald voordat een mensenleven begint; geen goede of slechte daden kunnen hier nog verandering in brengen. Deze uitverkiezing van een mens bepaalt alleen God in zijn absolute almacht waarin de mens niet kan en niet mag binnendringen. Hoewel Calvijn alle rechtvaardigheid en liefde op God projecteert, bezit de God van Calvijn volgens Erich Fromm de kenmerken van een absolute tiran zonder enige compassie; deze God van Calvijn strookt volgens Erich Fromm niet met de Christelijke God uit het Nieuwe Testament.
De predestinatie leer heeft volgens Erich Fromm twee psychologische aangezichten. De mens wordt iedere vrijheid tot eigen handelen ontnomen om hierdoor het leven hier en in het hiernamaals te veranderen: de mens is een machteloos werktuig in Gods handen. Tegelijkertijd wordt de mens de twijfel ontnomen door voortdurend in Gods almacht te verkeren.
De God van Calvijn is voortgekomen uit de Reformatie die een enorme sociale omwenteling teweeg heeft gebracht in Holland, Duitsland en Engeland. In het Duitsland van Luther veroorzaakte de sociale omwenteling een algemene onrust; vooral de middenstand, maar ook de boeren en het stadsproletariaat voelden zich in hun bestaan bedreigd door het wegvallen van de oude zekerheden en onderlinge verbanden van een samenleving gegrondvest op de kerkelijke Scholastiek, door de snelle verspreiding en rechtstreekse toegankelijkheid van deze verandering en de toename van kennis door de boekdrukkunst, en door de opkomst van het kapitalisme. De “kleine luyden” [8] in Holland, Engeland en Frankrijk voelden zich door de Reformatie en de toenemende individualisering nietig, alleen, beangstigd en machteloos binnen een leven waarin ieder menselijk streven zinloos leek. De predestinatie leer van Calvijn gaf voor de “kleine luyden” woorden aan deze gevoelens van onmacht èn gaf doel en zin aan de machteloosheid.

Synode Dordrecht[9]
Door de predestinatie leer van Calvijn wordt het besef van volkomen minderwaardigheid bovendien gesublimeerd tot een absolute superioriteit voor de uitverkorenen Gods; zij zijn van het begin der tijden tot in eeuwigheid in de genade van Gods almacht: niets en niemand kan ooit meer tornen aan deze uitverkiezing. Zoals wij al eerder hebben besproken: het aanhangen van het juiste geloof en verwerven van succes vormt een teken van de uitverkiezing. Een Godvrezend mens zal elk uur van haar/zijn bestaan in het zweet des aanschijns Zijn werken naar Zijn voorbestemming tot stand brengen – uit overtuiging, uit plicht en uit dwang –, want Calvijn en zijn aanhang hadden de absolute overtuiging tot Zijn uitverkorenen te behoren. Door deze directe relatie met God als Zijn uitverkorenen beschouwden de Calvinisten zich als volkomen superieur aan de andersdenkenden en hierdoor waren zij voorbestemd om op te treden als rentmeester Gods binnen Zijn wereldorde.
De predestinatie leer van Calvijn biedt voor de handelaren en welgestelden in Holland – de Nouveau Riche van de 16e en 17e Eeuw die zijn voortgekomen uit de “Kleine Luyden” – een rechtvaardiging voor de soms zeer discutabele verwerving van hun kapitaal: door Zijn uitverkiezing zijn de Godsdienstige handelaren en welgestelden op Calvinistische grondslag de absolute Rentmeesters Gods.
De predestinatie leer van Calvijn biedt aan een Calvinistische kapitein van een Hollands handelsschip uit die tijd de rechtvaardiging om schipper naast God te zijn. Door Gods uitverkiezing was de kapitein absoluut heerser over de boot, zijn bemanning en vracht; een opstand tegen hem was een opstand tegen de absolute almacht van God. Deze predestinatie leer bood ook de rechtvaardiging aan de Hollanders om te heersen over de koloniën en om ruim een eeuw later slavenhandel te drijven als Gods rentmeester over de niet uitverkorenen minderwaardige wezens.
Rembrandt van Rijn, twee moren[10]

De predestinatie leer van Calvijn veroorzaakte volgens Erich Fromm een vlucht voor vrijheid in de vorm van:
• volgzaamheid aan de Calvinistische leerstellingen en aan de wereldlijke autoriteit op aarde die door God was gezonden,
• destructivisme van onder meer andersdenkenden en andere culturen die Gods orde niet aanvaarden,
• conformisme aan de Gereformeerde (Calvinistische) gemeente.
De predestinatie leer van Calvijn heeft bij zijn volgelingen de angst, onzekerheid, nietigheid en machteloosheid laten sublimeren in absolute superioriteit voor de uitverkorenen. Hierdoor is het voor Calvinisten zo uitermate belangrijk om als uitverkorenen een directe relatie met God te hebben waarbij het helpt om de zuivere leer te volgen en om bij de enig ware gemeente te behoren; de drijfveer tot de zuivere leer binnen de enige ware gemeente heeft in de loop der tijd vele scheuringen in gezinnen, in families en in de Gereformeerde gemeenten veroorzaakt. [7]
Zal ik morgen verder gaan met de opkomst van het kapitalisme tijdens de Reformatie waar de leer van Calvijn mede uit is voortgekomen en waar het Calvinisme in belangrijke mate vorm aan heeft gegeven?”, zegt Carla.

“Het Katholicisme – dat ik in mijn jeugd in Zuid Limburg heb leren kennen – heeft vele tekortkomingen en de leerstelling van het uitverkoren volk binnen de Joodse religie heeft veel leed veroorzaakt en soms ook draaglijk gemaakt. Door deze tekortkomingen heb ik mij nooit volledig thuis gevoeld binnen deze beide religies.
De middelbare school heb ik doorlopen op een Christelijke Gereformeerd gymnasium. Na mijn jeugdjaren in Zuid Limburg vond ik in het begin de nederigheid, de zuiverheid op de letter en overijverigheid binnen dit geloof vreemd; na verloop van tijd ben ik er aan gaan wennen. Maar met de steilheid, de zelfvoldaanheid en superioriteit van de voorste banken in de Gereformeerde kerk heb ik altijd moeite gehouden, zoals ik ook de neerbuigendheid van de notabelen binnen de Katholieke kerk nog steeds slecht kan verdragen.
De angst voor vrijheid van Erich Fromm heb ik net als jij gelezen aan het begin van de 70er jaren. Met jouw uitleg van de sublimering van de machteloosheid naar superioriteit van de uitverkorenen geef jij een interessante aanvulling op dit boek. Dezelfde sublimering van de nietigheid en machteloosheid naar absolute superioriteit heeft in de jaren ‘30 in Duitsland plaatsgevonden met als gevolg autoritariteit, destructivisme en conformisme [11] door het andere regime in Duitsland tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog”, zeg Man.

“De droeve gevolgen van deze sublimatie zijn te lezen in de geschiedenisboeken en velen dragen deze verschrikkingen nog dagelijks mee.
Heeft Indra’s net – waarbinnen iedere schitterende parel tegelijkertijd het volledige net vormt en weerspiegelt – ook te maken met nietigheid, machteloosheid binnen iedere parel om door sublimatie een echte of vermeende innerlijke superioriteit te verwerven?”, vraagt Narrator.

“Interessante vraag. Ik denk dat de oorsprong van het Boeddhisme, het Zen Boeddhisme en deze tak daarvan ook zijn voortgekomen uit de diepe doorleving van nietigheid, zinloosheid en machteloosheid binnen het menselijke leven. Hierdoor zijn deze Oosterse religies in ieder geval verbonden met de oorsprong en de oorzaak van de leer van Calvijn. Maar ik weet zeker dat Indra’s net aan de ene kant de predestinatie leer van Calvijn eenvoudig kan bevatten en weerspiegelen, maar door de vele andere lichten zal Indra’s net waarschijnlijk niet zo snel radicaal en absoluut tot de uiterste consequenties van de predestinatie leer van Calvijn overgaan”, zeg Man.

“Ik ben daar minder zeker van. Ik denk dat Indra’s net wel degelijk een extreme levensovertuiging zoals het andere regime in Duitsland kan voortbrengen; zoals wij al eerder zagen: Indra’s net kan ook ziek zijn. Maar ik betwijfel of iedere parel door sublimatie van nederheid, nietigheid en machteloosheid spontaan tot superioriteit zal besluiten; hiervoor is er teveel tegenwicht binnen Indra’s net zoals er tijdens het andere regime in Duitsland ook tegenwicht aanwezig was, dat helaas volledig werd overstraald door de hoofdstroom van conformisme aan de autoriteit van de leider en destructivisme van andersdenkenen. De drie stromen van autoritariteit, destructivisme en conformisme zijn van alle tijden net zoals de voortdurende cyclus van eer/macht – hoogmoed – toorn – wraak bij strijders in de klassieke oudheid. Op dit punt heb ik helaas realistisch pessimisme”, zeg Carla.

“Het realistisch pessimisme deel ik met jou en daar zou ik het ideaal van de Boddhisattva met een grenzeloze compassie aan toe willen voegen waarbij ik onder compassie ook reken het aanvaarden van standpunten waar ik het volledig mee oneens ben”, zegt Man.
“Een mooi ideaal dat mij hoop geeft”, zegt Narrator.

“Zonder hoop op een betere toekomst is het voor veel mensen moeilijk om te leven”, zegt Carla.

“Volgens mij ontbreekt binnen de metafoor van Indra’s net niets”, zegt Narrator.

“Morgen verder? Laten we nu verder genieten van deze mooie avond”, zegt Carla.
“Dat is goed”, zeg Narrator.

“Laten wij nog wat drinken, wat willen jullie”, zegt Man.

“Voor mij wat fris”, zegt Carla.

“Voor mij een pils: dat is nodig na de steile predestinatie leer van Calvijn”, zegt Narrator.
[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gouden_Bocht
[2] Bron afbeeldingen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gouden_Bocht
[3] http://en.wikipedia.org/wiki/Synergism_%28theology%29
[4] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Monergism
[5] Bron overzicht en zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Justification_(theology)
[6] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Erich_Fromm
[7] Dit betoog van Carla Drift volgt op een vrije wijze – met enkele aanvullingen – de passages over dit onderwerp uit: Fromm, Erich, De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme. Utrecht: Bijleveld, 1973 p. 67 – 138
[8] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Kleyne_luyden
[9] Gravure van de Synode in Dortrecht in de 17e eeuw. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Calvijn
[10] Schilderij “Twee moren” van Rembrandt van Rijn. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Rembrandt_van_Rijn
[11] Zie ook: Fromm, Erich, De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme. Utrecht: Bijleveld, 1973 p. 104 – 138