Tagarchief: Chao-chou

De Oude kerk in Amsterdam – een kerk in beweging


De volgende ochtend zitten Carla, Man en Narrator op de Nieuwmarkt bij de Waag koffie te drinken.

“Gisteravond dacht ik aan het antwoord van Yunmen [1]: “De hal van de monniken, de kerkruimte, de keuken, en de kloosterpoort” op zijn vraag: ”Wat is ieders stralend licht?” [2], terwijl ik de uitspraak las van Poolse kardinaal Hosius [3] – aanwezig bij het Concilie van Trente [4] dat met tussenposen plaatsvond tussen 1545 en 1663 na Chr. om een antwoord binnen de Katholieke kerk te vinden op de Reformatie – over de bijbel: “Als de Kerk er niet was geweest, dan was de bijbel net zo ongeloofwaardig als de fabels van Aesopus” [5]. Tijdens dit Concilie werd onder meer besloten dat de Openbaring uit de Heilige Schrift alleen bestaat in samenhang met de kerkelijke traditie, waarbij de Latijnse Vulgaat vertaling [6] van de bijbel – een aangepaste weergave in Volkslatijn uit 400 na Chr. – voor de Katholieken de standaardtekst werd van de Heilige Schrift. Welk antwoord zou Yunmen aan Kardinaal Hosius hebben gegeven?”, vraagt Carla.

“Ik denk een antwoord dat lijkt op een commentaar bij dit Boeddhistisch vraagstuk: “Zelf als de Kerk en de Bijbel de voorouders van Buddha zijn, dan kunnen deze niet voorkomen ieder en elk mens te zijn””, zegt Man.

““Het Universum – dus ook de kerk en de bijbel – belichaamt het stralende licht [7], Mensen van onmetelijke grootheid worden heen en weer geslingerd in de eb en vloed van woorden [8]”, en als hardhandige zenmeester zal Yunmen vervolgens de vragensteller – en daarmee zichzelf en het hele universum – hardhandig in de neus hebben geknepen met de woorden: “Kijk het stralende licht – werk hard aan de verlichting van alles en allen”. Zullen wij de Oude Kerk bezichtigen”, zeg Narrator.

Oude Kerk Amsterdam 1[9]

Carla, Man en Narrator lopen via de Monnikensteeg en de Oudekennissteeg naar de brug bij het Oudekerkplein op de Oudezijdsachterburgwal.

“Op de plaats van de Oude Kerk stond in de eerste helft van de dertiende eeuw een kleine houten kapel met een kerkhof. In de tweede helft van de dertiende eeuw werd deze houten kapel vervangen door een stenen zaalkerk. Deze kerk behoorde waarschijnlijk bij de kerkparochie van Ouderkerk aan de Amstel. Vanaf 1334 na Christus werd Amsterdam een eigen parochie met op deze plaats de parochiekerk gewijd aan St. Nicolaas, de beschermheilige van de zeelieden. In het begin van de 15e eeuw werd in het westelijk deel van Amsterdam een nieuwe parochie gesticht met de Nieuwe Kerk als parochiekerk. Vanaf die tijd werden beide delen van Amsterdam aangeduid met de Oudekerks- en Nieuwekerkszijde, of afgekort met de Oude- en Nieuwezijde. De Oude Kerk bleef voorlopig de hoofdkerk van Amsterdam. In de loop der tijd is de Oude Kerk vele keren vergroot en verbouwd: dit is vanaf hier duidelijk te zien. In 1655 werd de begraafplaats op het kerkhof rondom de Oude Kerk geruimd. Hiermee ontstond het huidige Oudekerksplein rondom de Oude Kerk [10]. Zullen wij naar binnen gaan?”, zeg Narrator.

768px-Amsterdam_oude_kerk2[11]

Carla, Man en Narrator gaan de kerk binnen.

“Bij het horen van jouw inleiding moest ik denken aan een aanhaling van een citaat van Herakleitos [12] in een boek met werk van de architect Aldo van Eyck [13]; vrij weergegeven: “Jij kan niet twee keer dezelfde kerk betreden”, zegt Man.

Het drietal gaat de Oude Kerk binnen.

“Tijdens de Beeldenstorm van 1566 n. Chr. in Amsterdam werden de altaren van de Oude Kerk beschadigd. Na de Alteratie van 1578 n. Chr. – waarbij het Katholieke bestuur in Amsterdam werd afgezet – werd de kerk heringericht voor de Protestantse eredienst. Van 1584 tot 1611 n. Chr. – het jaar waarin de Beurs van Hendrick de Keyser op het Rokin werd geopend – had de Oude Kerk als beurs voor handelaren gediend. Vanaf 1632 vonden de vergaderingen van de Kerkenraad afwisselend plaats in de Oude en Nieuwe Kerk. Door de bouw van het stadhuis aan de Dam won de Nieuwe Kerk aan belang en werd definitief de hoofdkerk. Vanaf 1951 is de kerk 24 jaar gerestaureerd, omdat er instortingsgevaar dreigde door problemen met de fundering. In 1994/1998 is de kerk opnieuw gerestaureerd. Dit is in een notendop de geschiedenis van de Oude kerk”, zegt Narrator.

“Voor de beeldenstorm moet de Oude Kerk vol – misschien wel overvol – zijn geweest met afbeeldingen van Christus, Maria en Heiligen voor het aanroepen van steun, moed en troost in bange tijden. De muren en plafonds zijn vol geweest met schilderingen als preken in verf. Nu met deze witte muren moet ik denken aan een andere strofe van Aldo van Eyck uit een artikel over het werk van de Gerrit Rietveld: “Sinds zijn Stijl-periode heeft Gerrit Rietveld het gebruik van actieve kleur vermeden en hij heeft de ruimte afgegrensd met wit, misschien omdat hij een van de weinigen is die ruimte wilde scheppen niet zozeer door materiaalbegrenzing maar door het vormen van licht [14]”. Is hier in de Oude Kerk het stralende licht de kerkruimte?”, zegt Man.

Oude Kerk Amsterdam 3.jpg[15]

“Dat is een mooie vergelijking met de kunstbeweging de Stijl: deze beweging kan worden gezien als een recente beeldenstorm en opstand tegen een overdadige en vastgelopen beeldtaal van de Amsterdamse school zoals wij die kunnen zien in het Scheepsvaarthuis aan de Prins Hendrikkade.

Scheepvaarthuis Amsterdam[16]

Scheepvaarthuis Amsterdam 2[17]

“Zoals mogelijk Gerrit Rietveld tijdens zijn Stijl-periode geen begrenzing meer wenste door muren, door afbeeldingen en door geschilderde kleuren, zo wilden de Protestanten tijdens en na de Reformatie geen beeldtaal – als stripverhaal voor de ongeletterden – geen symbolen en oude gebruiken van de Katholieke kerk meer aanvaarden als brug met het eeuwige licht van God en zijn openbaringen in de Heilige Schrift. Zij wilden rechtstreeks in Gods genade zijn en zijn openbaringen zelf ervaren. Maar zoals vele kleine vernieuwende gemeenschappen stonden ook de kerkgemeenschappen voor het dilemma van de overdracht van de vernieuwing naar het nageslacht. Bij het bestendigen van de overdracht van de ware oorspronkelijke vernieuwing aan het nageslacht neigde men vaak naar een strakke interne discipline met een autoritaire onderdrukking. Ook tijdens de kerkzang – door de gehele kerkgemeente uit volle borst gezongen – wilden zij in eerste instantie niet worden gehinderd door muziekinstrumenten. Later hebben de kerkgemeenten ervaren dat een kerkorgel wel zinvol is om de kerkzang van de gemeente te binden. In de Oude Kerk is het kerkorgel geregeld vernieuwd en uitgebreid. Vanmiddag wilde ik graag op de beeldenstorm terugkomen. Zullen wij nu naar buiten gaan”, zegt Narrator.

Oude Kerk Amsterdam 4.jpg.png[18]

“Deze vernieuwing in religie en staatsvorm heeft een keerzijde van een ongebreidelde handelsgeest en een grenzeloze veroverings- en bekeringsdrang. Ik zou daar later op willen terugkomen”, zegt Carla.

Carla, Man en Narrator verlaten de Oude Kerk.

“De Oude Kerk is waarschijnlijk de enige kerk in de wereld waar het kerkplein bijna uitsluitend omringd is met bordelen. Dit gegeven wordt geëerd met een standbeeld “Belle” met de tekst “Respect sex workers all over the world” [19] . Waar ik “Belle” op mijn weg zie, moet denken aan Mattheus 21:31 waar Jezus zei: “Ik verzeker u: de tollenaars en de hoeren zijn u voor bij het binnengaan van het koninkrijk van God”. En wanneer ik afkeuring over hoeren zie of hoor, dan denk ik aan het Boeddhistisch vraagstuk Chao Chou’s [20] Weg van het Hemelrijk: “De Weg van het hemelrijk is niet moeilijk, deze weg houdt niet van keuzes maken”. [21]

Oudekerkplein Belle Amsterdam[22]

In 1993 is in het plaveisel van het plein door een anoniem kunstenaar een sculptuur geplaatst dat een hand uitbeeldt die een vrouwenborst vasthoudt”, zegt Narrator.

Oudekerkplein Amsterdam[23]

“Wanneer ik de Weg van het Hemelrijk hoor noemen, dan denk ik aan mijn lagere schooltijd in Zuid Limburg. In die tijd tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het zoals het kwam, het was zoals het was en het ging zoals het ging. In de Katholieke kerk zong de pastoor met een krakende stem “Credo in unum Deum [24]”, waarna het koor verder ging met het prachtig gezongen “Patrem omnipotentem, factorem caeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium [25]”. De mannen – als zij al naar de kerk gingen – speelden achter in de kerk hun kaartspel of zij hoorden mis in het voorportaal; meestal bleef hun kerkbezoek beperkt tot vier keer per jaar. Alleen met Kerstmis, Pasen – de mannen hadden dan een paar dagen daarvoor gebiecht zodat zij ter communie konden gaan –, voor de grote processie en met Allerheiligen en Allerzielen zat de kerk helemaal vol. Alleen tijdens de consecratie [26] die werd aangegeven met het drie keer klingelen van de belletjes, was iedereen stil; na de consecratie begon de kerk met geroezemoes weer tot leven te komen.

Tijdens mijn middelbare schooltijd – na mijn verhuizing met mijn tante naar Rotterdam – ging ik naar een Gereformeerde kerk. De hele kerk zong vol overgave: ”U zij de glorie”; de preken werden aandachtig gevolgd en thuis na de kerkdienst werd de preek nabesproken. De intensheid waarmee men in Holland het geloof beleed kwam overeen met de volledige inzet waarmee men tegen het water streed: pompen of verzuipen. Met dezelfde intensheid en vreze Gods werd het juiste geloof – naar de letter en naar de geest – gezocht en beleden.

In Zuid Limburg nam de pastoor of kapelaan de biecht af achter een gesloten deurtje; na het biechten gevolgd door enkele Onze Vaders en Weesgegroetjes in de kerkbank – een keer kreeg een klasgenoot een draai om de oren van de pastoor –, waren bijna menselijke zonden vergeven en via de communie werd de zondaar weer in het grote vaartuig van de Katholieke kerk en daarmee in Gods genade en opgenomen.

Tijdens mijn eerste middelbare schooljaar – na mijn verhuizing naar Rotterdam – zag ik met verbijstering hoe in de Gereformeerde Kerk een zondaar in de openbaarheid voor de kerkgemeenschap zijn zonde beleed; ik begreep dat – hoewel binnen deze kerkgemeenschap Gods genade ondoorgrondelijk was – de zondaar weer in de kerkgemeenschap werd opgenomen. Een andere geloofsovertuiging – al betrof het maar één andere uitleg van een geloofskwestie – kon een reden zijn voor een scheuring binnen de kerkgemeenschap en daarmee ook een scheuring binnen familie, vrienden en bekenden: zo belangrijk was het ware geloof. In 1944 tijdens de Duitse bezetting heeft er binnen de Gereformeerde Kerk een kerkscheuring (of vrijmaking) plaatsgevonden over de vraag of de doop alleen geldig is als de gedoopte de rest van haar/zijn leven het ware geloof blijft belijden en op grond daarvan zicht mag hebben op een veronderstelde wedergeboorte (de synodalen), of is de doop een teken van Gods belofte dat je Zijn kind mag zijn waarbij de dopeling geroepen wordt om als kind van God te leven (de vrijgemaakten). Deze scheuring tijdens het dieptepunt van de Duitse bezetting was verschrikkelijk en onvermijdelijk voor de betreffende kerkgemeenten en voor de families [27]. Als afzonderlijk zuilen gingen beide Gereformeerde Kerken verder om daarna nog enkele afscheidingen door te maken.

Verzuiling in Nederland[28]

Enkele jaren later las ik op de middelbare school uit het Evangelie van Johannes:

In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen [29].

Op Yunmen’s vraag: “Wat is ieders stralend licht?” antwoord ik naar de strofe uit het Johannes Evangelie: “Het leven”. Met Mŗtyū [30] – in de Mahābhārata de dood geschapen door Brahman in de gedaante van een vrouw – vraag ik mij af: “Waarom leren mensen niet te leven?””, zegt Man.

“Waarom gunnen mensen elkaar niet het licht in de ogen”, zegt Carla.

“Waarin verschillen mensen van Krishna (de wagenmenner) die Arjuna in de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – aanzet tot het betreden van het strijdperk waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht en anderzijds het menselijk handelen [31]? Hij die de wereld kent spreek! Zullen wij vanmiddag verder gaan met de beeldenstorm?”, zegt Narrator.

“Dat is goed”, zegt Carla.

“Mag ik jullie uitnodigen voor een eenvoudige lunch”, zegt Man.


[2] Zie: Tanahashi, Kazuaki ed., Treasury of the true dharma eye – Zen Master Dogen’s Shobo Genzo. Boston: Shambhala, 2012, p. 419 – 420

[5] Bron: Fernández – Armesto, Felipe & Wilson, Derek, Reformatie – Christendom en de wereld 1500 – 2000, Amsterdam: Uitgeverij Anthos, 1997, p. 61

[7] Zie ook casus 14 in:  App, Urs, Master Yunmen. New York: Kodansha International: 1994, p. 91. Vrij weergegeven: Iemand vraagt Yunmen: “Wat is de bron van het ware geloof?”. Yunmen antwoordt: “Overal”.

[13] Bron: Eyck, Aldo van, Writings – The Child, the City and the Artist. Nijmegen: Sun, 2006, p. 73

[14]Bron: Eyck, Aldo van, Writings – Collected articles and other writings 1947 – 1998. Nijmegen: Sun, 2006, p.145

[21] Zie ook: Hekiganroku – Casus 2. Zie ook: Yamada Kôun Roshi, Hekiganroku, Die Niederschrift vom blauen Fels. München: Kösel-Verlag, 2002

[24] Vertaling: “Ik geloof in een God”

[25] Vertaling: “Almachtige Vader, schepper van hemel en aarde, van het zichtbare en onzichtbare”

[28] Een overzicht van een aantal afsplitsingen van kerken in Nederland. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gereformeerde_Kerken_vrijgemaakt

[29] Uit: Johannes 1:4

[30] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan, Deel 2: Vijf gangbare werkelijkheden – Feiten en logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 124 en: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 170 – 173

[31] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan, Deel 2: Vijf gangbare werkelijkheden – Feiten en logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 117

Advertenties

Een oorlog als geen ander – de hoofdrolspelers


In het vorige bericht heeft uw verteller een kort intermezzo geschreven over het zelfbeeld van strijders in oorlog en geweld. Hierbij heeft uw verteller een inkijkje gegeven in de deelname van de filosoof Socrates aan de Peloponnesische oorlog in Griekenland.

Nu zal uw verteller een inkijkje geven in de hoofdrolspelers tijdens de Peloponnesische oorlog.

Een boek over deze oorlog begint met het gedicht:

Toorn, ijselijke toorn die ontelbare verschrikkingen aan de Achaeans bracht,

en dappere zielen van veel helden naar Hades zond

en hun lichamen veranderde in prooi voor een hond

en voor zwermen vogels, en de wil van jou – Deus/God – werd volbracht [1].

Wie ben jij die deze verschrikkingen bracht? Wie ben jij die deze oorlog als geen ander wilde? Wie ben jij die de verschrikkingen van broedermoorden, roof, eerroof en slavernij aan jouw buren toebracht en die de lichamen van jouw naasten als prooi voor honden en zwermen vogels achterliet. Wie ben jij die deze moorden wilde? Wie ben jij die de voortdurende cyclus van eer/macht – hoogmoed – toorn – wraak [2] wil laten bestaan? Volbrengen de hond en de vogels ook jouw wil; hebben zij een goddelijke natuur [3]?

Waarin verschil jij van Krishna [4] – de wagenmenner – die Arjuna [5] in de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – aanzet tot het betreden van het strijdperk waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht [6] en anderzijds het menselijk handelen [7] [8].

Uw verteller weet de antwoorden niet, maar stelt wel de vragen. Wie de wereld kent, spreek!

De belangrijkste spelers in de Peloponnesische oorlog zijn Sparta en Athene met hun respectievelijke bondgenoten. Maar de invloed van Perzië was nog steeds groot. Wie zijn zij?

Tussen 490 v. Chr. tot 479 v. Chr. heeft Perzië – een dictatuur met “volgzame” lokale satrapen – geprobeerd Griekenland bij het Perzische rijk in te lijven. In 449 v Chr. heeft Perzië de Griekse stadstaten in Klein Azië erkend. Perzië heeft Griekenland niet rechtstreeks meer aangevallen, maar zij heeft als eerste hoofdrolspeler de Griekse stadstaten met veel succes tegen elkaar uitgespeeld. Daarnaast heeft de herinnering aan de oorlogshandelingen tijdens de Perzische oorlogen nog veel invloed gehad op de gebeurtenissen tijdens de Peloponnesische oorlog .

De tweede hoofdrolspeler is de militaristische en oligarchische stadstaat Sparta gelegen in het midden van de Peloponnesos in Griekenland. In deze stadstaat was strijdvaardigheid van de vrije mannen van imminent belang. Al voor de geboorte van een kind werden er voorbereidingen getroffen om de beste genen te laten samenkomen voor uitmuntend nakomelingschap. Een gehuwde vrouw had een zekere mate van vrijheid om de beste man uit te kiezen voor het verwekken van haar kinderen: oudere echtgenoten stonden hun vrouw toe kinderen te verwekken met jongere fitte mannen [9]. Bij de geboorte was de gezondheid bepalend voor het levenslot van de baby. Vanaf 6 jarige leeftijd werden jongens en meisjes rigoureus getraind: de jongens als strijders en de meisje voor gezondheid. Mannen en vrouwen leefden grotendeels gescheiden van elkaar. Spartanen stamden af van de originele inwoners van de stad. Naast Spartanen woonden rondom Sparta de vrije Perioikoi die soms als hopliten met de Spartanen meevochten in de strijd. In en rondom Sparta waren veruit de meeste bewoners Heloten die als dienaren/slaven voor alle arbeid buiten oorlogsvoering moesten zorgen. De Heloten waren de oorspronkelijke bewoners van de streek die door de Spartanen waren verslagen in de strijd en dus de Spartanen als slaven hadden te dienen. Maar altijd voelden de Spartanen de dreiging van een opstand van de Heloten; zij deden er alles aan om deze opstand te voorkomen. De Spartanen werden zeer gevreesd in de strijd: zij hadden de naam om nooit op te geven. Misschien werd deze standvastigheid nog verstrekt door de constante dreiging van een opstand van de Heloten na een eventuele vlucht van Spartanen. De Spartanen waren zeer (bij)gelovig; zij gingen pas ten strijde als alle religieuze verplichtingen waren voldaan en de voortekenen gunstig waren. Hierdoor moesten bondgenoten geregeld lang wachten op de steun van de Spartanen. Tijdens de Slag bij Sphacteria – in het zuid-westen van de Peloponnesos gaven een groep van 292 strijders waaronder 120 jonge Spartanen zich over aan de Atheners. Deze overgave schokte de Griekse wereld [10], want Spartanen gaven zich nooit over. De schok voor Sparta was nog groter, want naast een enorm gezichtsverlies omvatten deze jonge Spartanen een groot deel van de  toekomstige generatie. Athene heeft deze gevangenen als gijzelaars in Athene vastgehouden waarna Sparta gedurende de gijzeling is gestopt met het platbranden van het koren op de akkers in de buurt van Athene. Na hun vrijlating zijn deze gevangenen in Sparta nooit meer echt voor vol aangezien.

[11]

De derde hoofdrolspeler is het – in extreme vorm – democratische Athene gelegen aan de Egeïsche zee in Griekenland. Athene was aan het begin van de Peloponnesische oorlog puissant rijk geworden met het exploiteren van zilvermijnen en met handel. Deze rijkdom veroorzaakte enerzijds bij de stadstaat Sparta een onbehagen over de hegemonie en anderzijds bij Athene de wens om als gelijke erkend te worden. Deze spanning is een van de aanleidingen voor de oorlog.

Ongeveer 50 jaar eerder werd Athene geleid door koningen en tirannen. Tijdens de Peloponnesische oorlog was Athene een democratie van haar vrije inwoners. Maar het merendeel van de bevolking was niet vrij en nam dus niet actief deel aan de democratie. Deze democratie betekende in praktijk vaak imperialisme voor de bondgenoten van Athene. De belangrijke beslissingen werden in Athene genomen tijdens bijeenkomsten van de vrij mensen. Zij namen het besluit en zij wezen een uitvoerder aan. Deze uitvoerder moest verslag uitbrengen aan de vrije mensen. Bij mislukkingen konden de eigendommen van de uitvoerder worden geconfisqueerd en hij en zijn familie droegen de gevolgen waaronder verbanning en/of de doodstraf voor de uitvoerder. Tijdens de oorlog namen de vrije mensen besluiten over het lot van gevangenen en van ingenomen steden. Geregeld werden zeer wrede beslissingen genomen: aan het einde van de oorlog werden enkele veroverde steden van voormalige bondgenoten volledig vernietigd en de inwoners gedeporteerd of gedood nadat deze steden hadden gekozen voor neutraliteit – de oorlogsinspanningen vergden een te grote bijdrage of Athene legde te hoge heffingen op – of waren overlopen naar het ander kamp. Deze besluiten gingen volledig in tegen de wensen van de generaals die de steden hadden veroverd. Wandaden van de democratie verwijderde Athene van andere bondgenoten: vandaag jij – morgen ik.

Athene bezat een oorlogsvloot die oppermachtig was. Athene en haar havenplaats Piraeus waren omgeven met voor de tijd onneembare muren. Hierdoor konden de havenplaats en Athene ongehinderd met elkaar in verbinding staan.

[12]

De rijkdom van Athene werd getoond in de bouwwerken op de Acropolis. Aan het begin van de oorlog bezat Athene een zilver voorraad die voldoende was voor minstens tien jaar oorlogsvoering inclusief voeding voor haar inwoners. Op basis van de rijkdom heeft de oude staatsman Pericles de tactiek voor de eerste periode van deze oorlog uitgewerkt. Met instemming van de vrije mannen in de stad besloot hij dat Athene op het land de strijd zou vermijden: Athene trok zich terug achter haar muren en zij vertrouwde op haar vloot voor oorlogsvoering en voor de veilige toelevering van alle noodzakelijke middelen. Graan werd uit Egypte en het Zwarte Zee gebied aangeleverd. De Spartanen met bondgenoten mochten tijdens de oogsttijd rustig de velden rondom Athene plunderen; dit zou Athene niet schaden. Maar de boeren uit de omgeving die zich tijdens de plunderingen binnen de muren van Athene hadden terug getrokken, moesten handenwringend toekijken hoe hun oogst werd geplunderd of vernietigd. Later volgde een verdere vernedering: olijfbomen – waarmee zij nauw waren verbonden en die ook hun voorouders van oogst hadden voorzien – werden gerooid.

Deze stelselmatige vernederingen zorgden ervoor dat de stadstaat Athene binnen de muren overbevolkt was. Een plaag – die kwam uit Egypte? en leek op mazelen of tyfus? – vaagde een derde van de inwoners van Athene weg. Dit is verhoudingsgewijze een groter aantal doden dan de Spaanse griep die aan het einde van de eerste wereldoorlog meer slachtoffers maakte dan alle slachtvelden samen.

[13]

Er is nog een bijzondere speler: Alcibiades. Hij vervulde achtereenvolgens een leidende rol bij alle drie de hoofdrolspelers. Socrates zou Alcibiades het leven hebben gered tijdens de slag bij Potidaea. Alcibiades was onder meer promotor en een van de drie aanvoerders van Athene bij het avontuur op Sicilië. Toen dat avontuur op een catastrofe uitliep, vluchtte hij naar Sparta waar hij na verloop van tijd een belangrijke adviseur werd en Athene veel schade berokkende. Na onder meer een relatie met de vrouw van een Spartaanse koning moest hij daar vluchten. Hij ging naar Perzië waar hij een adviseur van een satraap werd. Vandaar moest hij weer vluchten en hij ging terug naar Athene voor hulp tijdens zeeslagen. Na een fout van een van zijn medewerkers moest hij Athene weer verlaten. Tussendoor werd hij nog Olympisch kampioen wagenrennen. Na zijn tweede vlucht uit Athene werd hij in Klein Azië in opdracht van een Perzisch satraap en op voorspraak van enkele Atheners vermoord [14].

  [15]

Alle vormen van openbaar bestuur liggen besloten in deze oorlog. Alle verschrikkingen komen hierin voor. Alle motieven voor oorlog zijn aan de orde. Het is een oorlog als geen ander, een oorlog als elkeen.

Het volgende bericht gaat over de roeiregatta bij Athene op weg naar Sicilië, het noodlot aldaar en de gevolgen hiervan.


[1] Vrije vertaling van: Lendon, J.E., Song of Wrath – the Peloponnesian war begins. New York: Basic Books, 2010 p. V

[2] Zie: Lendon, J.E., Song of Wrath – the Peloponnesian war begins. New York: Basic Books, 2010 p. 9

[3] Volgens het Boeddhisme bezit alles de Boeddha natuur. Een leerling vraagt de Zen meester Chao-Chou of een hond – in China een laag wezen – de Boeddha natuur bezit. Chao-chou antwoordt: “Mu”. Dit betekent “nee, leeg, niets”. Chao-Chou heeft ook “ja” gezegd tegen andere leerlingen. Deze koan vraagt een direct en volledig inzicht in deze vraag. Zie ondermeer  Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan) casus 1 en Wick, Gerry Shishin, The Book of Equanimity – Illuminating Classic Zen Koans. Somerville MA: Wisdom Publications, 2005 p. 57 voor een nadere toelichting op deze koan.

[4] In het Sanskriet betekent Krishna “zwart” of “donker”. Deze naam is samengesteld uit “kr” dat maken, doen of handelen betekent en “ish” dat “heersen, God” betekent waarbij de klank overeenkomt met het Duitse woord “Ich”. Krishna betekent ook “Handelen Gods”.

[5] Arjuna is een van de vijf broers die allen met één vrouw Draupadi – de mooiste en invloedrijkste vrouw van haar tijd – in polyandrie samenleven. De vijf broers strijden voor hun rechtmatige deel van het koninkrijk en voor het herstel van de eer van Draupadi en van de wereldorde. De naam Arjuna betekent onder meer “wit, helder”; in de naam is ook “arh” te herkennen dat “waardig, in staat tot” betekent.

[6] Vrije vertaling van Dharmakshetra dat is samengesteld uit Dharma – letterlijk: plaatsen van voortdurende zelf/Zelf, en “kshetra” – letterlijk: veld.

[7] Vrije vertaling van Kurukshetra dat is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat maken, doen of handelen betekent, en “kshetra” – letterlijk: veld.

[8] Uit de openingsverzen van de Bhagavad Gita. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Bhagavad_Gita

[9] Bronnen: http://en.wikipedia.org/wiki/Women_in_Ancient_Sparta onder “marriage” en Hughes, Bettany, Helen of Troy – Goddess, Princess, Whore. New York: Alfred A. Knopf, 2005

[10] Kagan, Donald, The Peloponnesian War – Athens and Sparta in savage Conflict 431 -404 BC. London: Harper and Collins Publishers, 2003 p. 152

[11] Waarschijnlijk een afbeelding van Leonidas, een koning van Sparta in de tijd van de Perzische oorlog. Bron afbeelding: http://uk.ask.com/wiki/Spartan_Army