Tagarchief: Delft

Carla Drift – Een nomadenbestaan 2


Een nieuw nomadenbestaan begon met het uitwuiven door het dorp van mijn jeugd – nu een bestaan zonder doel. Sinds mijn jeugd heb ik altijd een drijfveer gehad om een doel te bereiken. Op de lagere school las avonturen over ridders en avonturiers en ik wilde alles weten over het heelal en over biologie. Op de middelbare school kwamen daar literatuur, wiskunde en natuurwetenschappen bij. Als oudste dochter was het mijn plicht om het goede voorbeeld te geven. In Delft stortte ik mij op mijn studie natuurwetenschappen en ik verloor mij in een liefdesrelatie; allebei waren een doodlopend pad. Met menswetenschappen vond ik een nieuw doel in Amsterdam. Mijn werk op dit terrein nam mij helemaal in beslag en het onderzoek in de tropen ontnam mij een deel van mijn gezondheid. Achter het stuur op de tractor had ik ineens geen doel meer, behalve de weg voor mij.

Het voorjaar was begonnen en ik reed naar het zuiden de zon tegemoet. De weg voerde via België naar Frankrijk. De eerste paar dagen nam het nieuwe trekkersbestaan mij beslag. In mijn studententijd had ik op mijn fiets lange trektochten naar Zuid Europa gemaakt. Het suizen van de fietsbanden was toen mijn metgezel, nu was het dreunen van de dieselmotor mijn compagnon. Na een aantal uren was dit monotone geluid samen met het trillen van de tractor heel vermoeiend. Met mijn matige gezondheid moest ik na drie of vier uur rijden halverwege de middag weer een overnachtingsplaats vinden. Soms was dat een camping, vaak kampeerde ik in het wild.

[1]

Bijna altijd kwam ik aardige en behulpzame mensen tegen; ik sprak met hen over mijn trektocht en soms hadden wij het over elkaars leven. Alleenreizend zag ik veel bijzondere dingen: een haan tussen een groep eenden. Een paar dagen ben ik opgetrokken met een vrouw met een papegaai op haar schouder. Wij gingen dat deel van de reis dezelfde weg. Haar fiets werd in de caravan gezet en zij en haar papegaai kwamen op de tractor zitten. Zij was op drift geraakt na haar scheiding en het overlijden van haar ex-man. Zij kon moeilijk kiezen tussen de opluchting en het verdriet van het verliezen. De papegaai was haar metgezel voor aanspraak en samen deden zij voorstellingen op marktpleinen om voor een deel in hun levensonderhoud te voorzien. Ik denk dat zij voor een ander deel waren aangewezen op liefdadigheid en bedelen, maar daar hadden wij niet over gesproken.

 [2]

Deze bijzondere vrouw bracht mij op het idee om met jongleren wat bij te verdienen. Overdag ben ik begonnen met oefenen. Na verloop van tijd beheerste ik de kunst met drie ballen en drie knotsen. Met deze acts vulde ik het begin en middenstuk van mijn voorstelling; de apotheose werd de dansende stok [3] met brandende uiteinden.

[4]

Door een behulpzame man die mij hielp met een lekke band van mijn caravan, kwam ik in contact met een schoolbestuur dat meteen een invaldocent wiskunde voor tot de zomervakantie nodig had. Een dag later was ik docent wiskunde in de bovenbouw.

Het eerste lesuur vroeg ik wie wist wat differentiëren en integreren was. Gelukkig konden veel leerlingen vertellen hoe dit werd gedaan: gelukkig hadden zij dat goed geleerd. Maar niemand kon mij antwoorden wat deze handelingen voorstelden. Ik heb uitgelegd dat dit bijzondere wiskundige handelingen waren voor optellen en aftrekken. De leerlingen lachten mij uit van ongeloof omdat zij deze uitspraak absurd vonden. Differentiëren was de wijze waarop de verandering van de functie verminderde of vermeerderde over een bepaalde weg of tijd – dus een bijzondere manier van optellen en aftrekken. Integreren is de wijze waarop de vermeerdering of verminderen door de wiskundige functie over een bepaalde weg of tijd plaatsvindt – dus ook een bijzondere manier van optellen en aftrekken. Na enkele voorbeelden uit de natuurkunde en het leven van alledag was hun nieuwsgierigheid voor wiskunde gewekt.

[5]

Het volgend schooljaar was er behoefte aan een invalkracht natuurkunde in de bovenbouw. Deze klas had geen zin in natuurkunde. Enkele gangmakers in de klas waren weg van oorlogspelletje met de computer. Ik heb voor hen verborgen gehouden dat ik de gevolgen van oorlogen veel te goed kende – weer verstoppertje spelen.

Ik koos voor een andere aanpak; ik vroeg hun of zij wisten wat natuurkunde was. Als antwoord ging ik met de sterkste jongens armpje drukken: gelukkig won ik. De oorlogszuchtigen liet ik een foto van een gevechtsvliegtuig zien dat bij het door de geluidsbarrière gaan een lensvormige condens wolk liet ontstaan. De milieubewusten liet ik foto’s van zonneauto’s zien. Deze onderwerpen sloten mooi aan bij de natuurkunde onderwerpen van dat jaar.

[6]

Na een half jaar was de zonneauto doorgerekend, de oorlogszuchtigen wisten wat een kogelbaan, energie en impact was, en met armpje drukken leerden zij een moment kennen. Aan het einde van mijn periode in deze klas heb ik nog een keer armpje gedrukt: nu won de jongeman, zoals het hoort.

[7]

Een korte tijd na de tweede invalperiode ontstond een donkere bladzijde in de geschiedenis van mijn leven. Iemand had het op mijn eer en leven voorzien. Door zelfverdediging redde ik mijn leven. Naar mijn gevoel en rede was dit noodweer juridisch en ethisch geoorloofd, maar ik stak de morele grens over van onderzoeker naar misdrijven naar een pleger van dergelijke daad. Ik schaarde mij gevoelsmatig tussen daders van misdaden. Ik had mijn onschuld verloren, een deel van mij was gestorven.

Een winter volgde waarin ik Narrator ontmoette.

Nieuws

Mijn uitgeverij Omnia – Amsterdam Uitgeverij heeft haar nieuwe website in gebruik genomen:

www.omnia-amsterdam.nl

Advertenties

Carla Drift – Gedrag 2


Mensen accepteren tot een zekere hoogte verschillen in gedrag en in omgang met elkaar. Deze acceptatie wordt bepaald door onderlinge verhoudingen binnen een wereldbeeld dat een duiding geeft aan de gelijkenis en aan de verschillen tussen mensen. Dit wereldbeeld geeft ook duiding aan de overeenkomsten en verschillen tussen groepen mensen. Priesters en leiders hebben een andere plaats en andere gewoonten in de samenleving dan handarbeiders. Binnen een stabiele samenleving met een eensluidend wereldbeeld ervaart ieder individu en iedere groep mensen zijn plaats als noodzakelijk en passend binnen een hogere orde. De onderlinge verschillen hebben vaak een duiding en een hoger doel in een voorbestemde wereldorde. In een stabiele samenleving ervaart ieder mens haar/zijn plaats en haar/zijn levensloop met alle veranderingen als volkomen normaal – hoe buitenissig en absurd de situatie in de ogen van buitenstaanders ook mag lijken.

In Afrika zitten mannen gerust de hele dag in de schaduw – in de westerse wereld werken de mensen bijna de hele dag om een half uur in de zon te zitten. In Europa duurt een wandeling naar een volgend dorp een klein uur – in Afrika duurt een wandeling met dezelfde afstand ruim een halve dag omdat onderweg ook alle sociale contacten worden onderhouden.

[1]

In de westerse – moderne geïndustrialiseerde – wereld leven veel paren samen in een klein gezin dat bestaat uit twee partners en enkele kinderen. De kinderen blijven in huis wonen totdat zij oud genoeg zijn om zelfstandig in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.

Volgens het Westerse ideaal komt het huwelijk voort uit een romantische liefdesrelatie die na enkele jaren overgaat in een huwelijk waarin na een jaar achtereenvolgens twee tot vier kinderen worden geboren. Nadat de kinderen zelf via een romantische liefdesrelatie in een goed huwelijk zijn beland, leven de twee partners tot hoge ouderdom gelukkig en tevreden samen. Dit klein gezin is redelijk mobiel om mee te verhuizen met de mogelijkheden die de arbeidsmarkt kan bieden.

[2]

De werkelijkheid is vaak anders dan het ideaal. Eerst verkennen jonge mensen de wereld van het aangaan van liefdesrelaties; zij hebben een aantal los/vaste relaties. Na deze oriëntatie volgt veelal een keuze van een partner voor een langdurige liefdesrelatie. Deze romantische zoektocht kost naast geluk, hoop en verwachtingen ook teleurstellingen, verdriet en hoofdbrekens; veel literatuur en films op dit gebied geven een samenvatting van deze strubbelingen. De ontluikende liefde krijgt – met wat geluk en doorzettingsvermogen – vorm in de belofte op een  langdurige samenlevingsvorm. Na verloop van een aantal seizoenen besluiten de partners de langdurige relatie te bestendigen in een huwelijk of samenlevingsovereenkomst. In praktijk lopen ongeveer 36 % van de huwelijken uit op een scheiding [3]. Het leven van alledag is niet maakbaar volgens het gangbare ideaal. Binnen het klein gezin is de verplaatsing van arbeid naar een ander deel van het land een spanningsvolle gebeurtenis: wie van beide partners moet haar/zijn ambitie op de arbeidsmarkt herzien. Een huwelijks– of samenlevingsovereenkomst heeft naast elementen van een liefdesrelatie ook de kenmerken van een zakelijke overeenkomst.

Ruim een halve eeuw geleden leefden in de Westerse – agrarische – wereld veel mensen samen in een grootfamilie [4] waarbij kinderen, ouders met vaak broers en zussen en grootouders langdurig onder een dak leefden. Een aantal mensen stierven in hetzelfde bed waarin zij geboren werden.

[5]

In deze grootfamilie was de eer, het aanzien van de familie en het voortbestaan van de boerderij van groot belang voor het aangaan van goede langdurige levensrelaties. Wanneer dit aanzien was beschadigd, dan werd het voor potentiële huwelijkskandidaten uit de grootfamilie onmogelijk om juiste levenspartners te vinden. Een huwelijksovereenkomst was naast een samenlevingsovereenkomst vooral een zakelijke overeenkomst voor de grootfamilie. Nieuwe leden traden toe tot de grootfamilie met een voorschot op hun erfenis en andere leden verlieten het huis van de grootfamilie met huwelijksgeschenken om het leven in een andere familie vorm te kunnen geven. Huwelijken werden in deze samenlevingsvorm vaak gearrangeerd – kinderen werden uitgehuwelijkt.

In sommige agrarische gebieden kregen huwbare dochters in een bijgebouw van de boerderij de mogelijkheid om in verwachting te raken. Na de zichtbare zwangerschap volgde meteen het huwelijk. Deze boerengemeenschap wilde het voortbestaan van de boerderij niet op het spel zetten door  huwelijken zonder nakomelingen. Het Christelijk geloof heeft deze oeroude manier van huwelijksovereenkomsten met een vergrote zekerheid op nakomelingschap niet kunnen uitbannen.

De lokale samenleving hield dit aanzien van de grootfamilie nauwlettend in de gaten: er werd alles aan gedaan om de “biologie tussen mensen” in bedwang te houden. Jonge huwbare vrouwen werden voortdurend gechaperonneerd door naaste familie. Rond 1950 werden in het Katholieke Zuid Limburg pension- en hotelkamers aan het begin van de nacht nog door de lokale politie gecontroleerd op ongewenste buitenhuwelijkse activiteiten. In november 1961 werd in het Protestantse Staphorst nog een volksgericht gehouden waarbij een man en vrouw op de mestwagen door het dorp zijn gereden om hun te schande te zetten voor een buitenechtelijke relatie [6] .

Aan het einde van de jaren 60 kreeg een sluimerend gevoel van onbehagen in de samenleving – mede door een toegenomen welvaart en door de beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen – vorm in vrijere omgangsvormen tussen mannen en vrouwen. Jonge mensen voelden zich jong, alternatief en zij wilden het leven en hun seksualiteit openlijker verkennen. Daarnaast zorgde de tweede feministische golf ervoor dat de verhoudingen tussen mannen en vrouwen ter discussie werd gesteld. Jonge mensen kregen een grote mate van vrijheid om seksuele en levensrelaties aan te gaan. De nieuwe mogelijkheden zorgden ook voor grotere onzekerheden – de samenleving raakte op drift [7].

In onze samenleving blijven de meeste getrouwde paren tijdens het huwelijk monogaam. Veel andere samenlevingsvormen kennen een grote mate van monogamie. Wel neemt het aantal buitenechtelijke kinderen in Nederland snel toe: tussen 1985 en 1995 is het percentage buitenechtelijk geboren kinderen gestegen van ruim 8 % naar 16 %. Daarna is het percentage gestegen van 25 % in het jaar 2000, 35% in 2005 tot 45 % in 2009. De oorzaak hiervan is waarschijnlijk de afnemende Christelijke moraal en de toegenomen welvaart met een grotere zelfstandigheid van vrouwen [8]. Het lijkt erop dat de sequentiële monogamie – partners zijn monogaam binnen een relatie, maar de relaties wijzigen in de loop der tijd – in onze samenleving toeneemt.

Andere samenlevingen kennen naast monogamie ook polygamie [9] – meer vrouwen met één man – en polyandrie [10] – meer mannen met één vrouw – of mengelingen van beide vormen. In dunbevolkte gebieden of in samenlevingsvormen waar een tekort is ontstaan aan een sekse, kunnen deze andere samenlevingsvormen noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de mensheid. In de Arabische wereld werd veel oorlog gevoerd met een hoge sterfte van de mannelijke populatie; om de bevolkingsaantallen op peil te houden, huwden meer vrouwen met een man – als de man deze vrouwen kon onderhouden. In de Caraïben en rond Miami zitten mannen van een bepaalde klasse zeer langdurig in de gevangenis; vrouwen gaan over tot passanten huwelijken met beschikbare mannen – de vrouw heeft een relatie met een man zolang deze zorgzaam kan zijn voor de vrouw. In dun bevolkte gebieden hebben ook meer mannen een blijvende relatie met één vrouw opdat nakomelingschap en ondersteuning van de vrouw bij het opvoeden van haar kinderen gewaarborgd is.

In gebieden in Afrika en in sommige streken van de Himalaya komt polyandrie voor. Een voorbeeld hiervan is te lezen in de Mahābhārata waar een vrouwelijke hoofdpersoon – Draupadi – is getrouwd met vijf broers – vijf andere hoofdpersonen – nadat de moeder van de vijf broers heeft gezegd dat haar zonen moeten delen wat een van de broers heeft verkregen. De broers leven achtereenvolgens een jaar met hun vrouw waaruit vijf zonen voortkomen [11].

[12]

Een ander voorbeeld van polygamie en polyandrie is te vinden bij de Masaï in Kenia. Vrouwen en mannen leven in een mengvorm van polygamie en polyandrie. Een vrouw trouwt soms met een leeftijdsgroep van mannen. Een man wordt geacht zijn huwelijksbed af te staan aan een gast/ leeftijdsgenoot – alleen de vrouw beslist of zij het bed wil delen met de gast. Alle kinderen van de vrouw zijn ook de kinderen van de echtgenoot [13] .

Bigamie, Polygamie, Polyandrie en huwelijken tussen gelijke seksen zijn in vele landen wettelijk verboden. Vaak heerst er een traditioneel taboe op andere samenlevingsvormen. Veel samenlevingen hebben er alles voor over – inclusief verbanning, hel en verdoemenis – om deze samenlevingsvormen uit te bannen. Worden andere samenlevingsvormen als minderwaardig en onethisch beschouwd om de eigen onzekerheid en om de heimelijke wensen voor verandering te onderdrukken? Of is het makkelijk om andere samenlevingsvormen als een gebrekkige samenleving te beschouwen en hierdoor als minderwaardig te zien [14]? Bij spanning en conflicten is er de wens om dit gebrek en deze minderwaardigheid van de ander aan te tonen. Of zoals Prof. Dr. W. Luijpen in zijn colleges aan de Technische Universiteit in Delft zei: ”Bewijzen is dwingend doen kennen dat een ander door de knieën gaat”. Dit dwingend doen kennen kan overgaan in stigmatisering , het zoeken van zondebokken in onze naasten. Bij verder oplopende spanning ontstaat een gewapend conflict met bijbehorende moordpartijen. Is het accepteren van andere manieren van samenleven – en acceptatie van de onzekerheid en spanningen over onze eigen samenlevingsvorm – geen betere oplossing?

 

[1] Bron afbeelding: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Mt_Uluguru_and_Sisal_plantations.jpg

[2] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Old_marriage_at_Plac_Kaszubski.jpg

[3]  De Katholieke kerk kent drie gronden voor echtscheiding: overlijden van een van de partners, “niet voltrokken zijn van het huwelijk” en langdurige afwezigheid van één partner zonder zicht op terugkomst. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Divorce

[4] Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Extended_family

[5]  Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:FamiliaOjeda.JPG

[6] Bron: Nieuwblad van het Noorden, 13 november 1961 – pagina 1.

[7] Zie ook: Drift, Carla, Man Leben – Een Leven, Een Biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 44 – 47.

[8] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Buitenechtelijk_kind

[9] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Polygamie

[10] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Polyandry

[11] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Mahabharata

[12] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:2716_PandavaDraupadifk.jpg.jpg

[13] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Maasai_people

[14] Zie ook: Agar, Michael, Language Shock – Understanding the Culture of Conversation. New York: Perennial, 1994, 2002, p. 23, 37

Carla Drift – Studie menswetenschappen


Na mijn derde studiejaar verhuisde ik aan het begin van de zomervakantie met hulp van studievrienden uit Delft naar Amsterdam. Mijn nieuwe kamer had ik gevonden door bemiddeling van de charmante man met wie ik in Delft de colleges filosofie had gevolgd die werden gegeven door Prof. Dr. W. Luijpen. Pas halverwege de collegereeks begreep ik dat zijn naam Man Leben was. Hij stelde mij voor aan vrienden van hem die in de binnenstad van Amsterdam woonden; zij hadden een kamer over op de bovenverdieping. Mijn hele studietijd in Amsterdam ben ik op deze kamer blijven wonen; al snel werd ik van kamerbewoner een huisgenoot die een aandeel in het algehele huiselijk leven – samen koken, om beurten schoonmaken, aan het einde van een drukke dag nog wat napraten en heel soms een feest – op mij nam. De vrienden van Man waren blij met wat extra leven in huis en ik had deze huiselijkheid nodig nadat ik leeg uit Delft was vertrokken. Later hierover meer.

[1]

In Delft had ik de verplichte vakken voor menswetenschappen en wetenschapsfilosofie gevolgd. Daarnaast koos ik er voor om veel keuze vakken op dit gebied te volgen. Mijn technische natuurwetenschappelijke studie kon ik in Delft niet voortzetten in de richting die ik voor ogen had. Na gesprekken met veel mensen over mijn drijfveren, heb ik ervoor gekozen om mijn studie voort te zetten op het gebied van de menswetenschappen – de tweede hoofdstroom van mijn studie in Delft.

Met mijn kandidaatsdiploma in een technische studie kreeg ik maar enkele vrijstellingen voor bepaalde vakken in de menswetenschappen. Ik las snel en gelukkig kon ik voor de verplichte vakken in een hoog tempo examen doen. Binnen een jaar had ik mijn achterstand ingehaald.

Mijn studie omvatte psychologie die vooral was gericht op de ontwikkelen van mensen en op gedragingen van mensen in hun dagelijks leven. De behoeftepiramide van Abraham Maslow had ik in Delft al bestudeerd. Aanvullend daarop bestudeerde ik hoe mensen leerden kijken en zien; welke processen bij inprenting en beeldvorming een rol spelen. Inprenting en beeldvorming kan geschieden door het zien van voorbeelden van ouders en opinievormers, maar kan ook fysiek gebeuren door het eten van bedorven eten waarna het voedsel dat hiermee wordt geassocieerd nooit meer aangenaam wordt gevonden. Ik bestudeerde hebzucht in relatie tot overlevingsdrang van mensen; daarbij las ik veel studies over de rol van individuen op conflicten en oorlogsvoering, de gevolgen van deze conflicten op individuen en de interacties tussen beiden. Door verheerlijking en verering van heldendaden tijdens de oorlog worden individuen en samenlevingen rijp gemaakt voor acceptatie van de verschikkingen van oorlogsvoering. In de beeldvorming zouden deze verschrikkingen noodzakelijk zijn om een hoger doel te bereiken op het gebied van religie, overleving, grotere welvaart of overwinning van basisangsten. Later volgde ik als speciaal onderwerp de interactie tussen literatuur en kunst enerzijds en oorlogsgeweld anderzijds. Na het volgen van dit vak ben ik voor altijd anders naar bepaalde kunstuitingen gaan kijken. Een aantal dadaïstische en surrealistische kunstenaars hebben zich in de loopgraven van de eerste wereldoorlog hun beeldtaal eigen gemaakt; zij hebben letterlijk de verschrikkingen – lijken en paarden – in de bomen zien hangen.

[2]

[3]

Op het terrein van sociologie bestudeerde ik groepsgedrag waarbij inprenting en beeldvorming door initiatieriten en groepsdwang mijn bijzondere aandacht hadden. Ook veranderingen binnen groepen met de bijbehorende groepsdynamica en de gevolgen van deze veranderingen op het persoonlijke leven van groepsleden werden door mij bestudeerd. Tijdens het begin van de Eerste Wereld Oorlog was de deelname voor jonge mannen nog vrijwillig, maar als aan deze “vrijwillige” aanmelding geen gehoor werd gegeven, dan werden de jonge mannen en hun families fysiek en mentaal volledig uit de lokale gemeenschap buitengesloten – meer voorbeelden volgen later tijdens onze Odyssee.

[4]

Mijn interesse bij het vak geschiedenis ging uit naar de wijze waarop de geschiedenis in de loop der tijd vorm kreeg onder invloed van heersende beelden van de werkelijkheid in de samenleving. Vaak werd de geschiedenis geschreven door de overwinnaar of door de heersende klasse. De heersende klasse bepaalde van oudsher wanneer het jagen van dieren een edele en nobele activiteit – een privilege van de adel – was of moest worden gezien als ordinair stropen – door mensen zonder privileges. Dezelfde wijze van beeldvorming was ook werkzaam bij het bepalen wanneer een verovering moest worden gezien als een triomfantelijke weldaad voor de samenleving of een laaghartige roof van eigendommen en rechten. De werkelijkheid en de bijbehorende beeldvorming werden vaak aangepast aan noden en wensen van heersende klasse of aan de opkomende nieuwe klasse van heersers. De anarchist Mikhail Bakunin heeft ruim honderd jaar geleden heel terecht opgemerkt dat de revolutionairen in Rusland in hun beeldvorming en in hun daden binnen een jaar erger zouden zijn dan de Tsaar [5]. Tegen het einde van mijn studie heb ik met veel interesse de studie over de Geschiedenis van het persoonlijke leven van onder andere Philippe Ariès [6] en George Duby [7] gelezen. Hierin werd mooi weergegeven dat hoewel alles verandert, heel vele oude elementen in een gewijzigde vorm aanwezig blijven. Volgens oud romeins recht heeft een vader het recht een kind na de geboorte te aanvaarden of af te wijzen: mogelijk is de doop van een pasgeborene nog een overblijfsel van dit oude patriarchale recht. Het Romeinse rijk is in België en de Zuidelijke Nederlanden tot op heden blijven voortbestaan in de kerkprovincies van de Katholieke kerk. De kazuifels van de priesters in de Katholieke kerk vertonen nog steeds sterke overeenkomsten met de heersende mode in Rome in de vijfde eeuw na christus.

In het volgende bericht meer over mijn studie van de geschiedenis van het recht en de taal.

Carla Drift – jaren van bloei 3


Mijn studie aan de Technische Universiteit in Delft vorderde probleemloos. De wiskunde was nog steeds optellen en aftrekken – soms in een iets andere vorm dan bij het rekenen op de lagere school. Ik was gefascineerd door oneindig keer [1] optellen en aftrekken van heel kleine getallen. Afhankelijk van de eigenschappen van een bepaald uiterst kleine getal, kon de uitkomst van het oneindig keer optellen van dit uiterst kleine getal zijn:

  • uiterst klein;
  • een bepaald getal
  • uiterst langzaam naar oneindig gaan
  • snel naar oneindig gaan.

Vooral de omslag van het punt waar de optellingen van een groot getal naar oneindig veranderden, boeiden mij.

Oneindig is heel grappig, omdat het buiten ons bevattingsvermogen ligt. Als een aap op een willekeurig manier oneindig keer op een typemachine gaat type, dan zal deze aap na een lange tijd de volledige Ulysses van James Joyce achter elkaar typen [2]. Oneindig is zo groot dat deze aap het ook een aantal keren achter elkaar zal doen – het zal wel tergend lang duren voordat dit gebeurd.

[3]

Dit optellen – met positieve, negatieve of imaginaire getallen – kon plaatsvinden over een bepaalde afstand in een lijn, over een oppervlak of in een bepaalde ruimte. De afstand over de lijn, het oppervlak of de bepaalde ruimte kan van uiterst klein tot oneindig variëren, afhankelijk waar naar gekeken wordt.

De manier waarop dit optellen in een lijn, over een vlak of in de ruimte – vanuit verschillende uitgangspunten – plaatsvindt, kan worden onderzocht met vector-analyse [4]. Bij deze analyse wordt gekeken in welke richting de optellingen of toename het snelst plaatsvindt – gradiënt. Daarnaast wordt gekeken hoeveel de toename of afname is op een bepaald punt– divergent – bijvoorbeeld: hoeveel warmte straalt een punt uit of hoeveel warmte neemt dit punt uit de omgeving op. Ook wordt gekeken of op een bepaald punt de naaste buren sneller veranderen – rotatie.

Soms zijn er onregelmatigheden in de optellingen. Dit is het geval als op een bepaalde plaats door bijna nul wordt gedeeld. Als boven de streep het getal ook naar nul gaat, dan kan de uitkomst weer variëren van heel klein tot oneindig. Rond deze bepaalde plaats kan de uitkomst van min oneindig naar plus oneindig overgaan, afhankelijk van de richting waarin deze plaats wordt benaderd.

In mijn tweede studie jaar werden uitkomsten van onderzoeken naar gedragingen van het weer door Benoît Mandelbrot bekend. Hij gebruikte hiervoor vrij eenvoudige vergelijkingen. De uitkomsten van deze vergelijkingen laten na vele herhalingen fascinerende beelden zien. Zwart zijn de plaatsen die keurig binnen de vergelijkingen passen. Blauw de kleuren die erbuiten vallen. De randen zijn uitermate complex en interessant: inzoomen laat een steeds verdergaande complexiteit zien.

[5]

Bij verder inzoomen bij de overgangen worden steeds complexere beelden getoond totdat de computer het rekenen niet meer aankan.

[6]

De vergelijking van de Julia-set laat een zelfde complex en vertrouwd beeld zien:

[7]

De uitkomsten voor de vergelijkingen voor de gedragingen van het weer op aarde lieten zien dat uiterst kleine verschillen in de beginwaarde in kritische gebieden op termijn van enkele dagen een grote invloed kon hebben op het weer over de hele aarde. Als voorbeeld: de vlucht van een vlinder in het Amazone gebied beïnvloedt direct het weer in Europa enkele dagen later en omgekeerd [8].

In die tijd probeerde ik een verband te leggen tussen de uitkomsten van het pionierswerk van Benoît Mandelbrot en de inhoud van Kees Boeke’s “Wij in het heelal, een heelal in ons” [9]Iedere schaalvergroting of – verkleining liet een heelal zien met een uitermate intrigerend en complexe omgeving die door verhoudingsgewijze eenvoudige vergelijkingen werd bepaald.

De vergelijkingen voor de (sub-)atoomfysica waren verhoudingsgewijze eenvoudig. De uitkomsten waren complex waarbij deeltjes een golf en een deeltjes karakter konden hebben. Het deeltje was met grote kans op een of enkele plaatsen, maar er was ook een uiterst minieme kans dat het deeltje overal en nergens kon zijn. De microkosmos had ik in haar rijkdom al door een microscoop gezien. Onze leefwereld kan iedereen beschouwen. Van de Macrokosmos had ik in al haar pracht al een glimp mogen zien door een telescoop.

In het derde jaar van mijn studie was ik van plan om mij verder te verdiepen in een universele veldtheorie met vergelijkingen die even eenvoudig waren als de vergelijkingen van Manderbrot-set [10]. Deze vergelijkingen beloofden op een zelfde manier na verloop van tijd grote verschillen in de uitkomst te vertonen bij zeer minieme verschillen van de beginconditie. Daarnaast was te voorzien dat de vergelijkingen van iedere uitgangspositie in het veld bekeken een samenhangend geheel zouden vormen. De meeste verschuivingen van de uitgangspositie waren gelijkmatig en voorspelbaar, maar sommige verplaatsingen vertoonden een grote sprong die af en toe oneindig kon zijn. Een verklaring voor de oerknal [11] zou hierdoor herleidbaar kunnen zijn, doordat alle plaatselijke energie voor een deel zou samenbundelen op een plaats en daarna zich in een fractie als een oerknal weer zou verspreiden. Volgens deze theorie kan overal een oerknal optreden, maar de kans daarop is uitermate klein.

Hierbij is er nog de vraag naar de totale energie in het oneindig universum:

  • nul – hierbij bestaan er mogelijk een of meer gespiegelde universa met gespiegelde energie
  • een bepaald getal – hierbij ontstaat de vraag naar de verklaring van dit getal
  • oneindig – hierbij ontstaat de vraag of er oneindig veel andere universa bestaan die gelijkenis hebben met ons universum of dat er een gelaagdheid in universa aanwezig is waarbij het ene oneindige universum deel uit maakt van heel veel andere oneindige universa; een oplossing zou de machten van tien kunnen zijn waarbij op iedere macht een ander universum zichtbaar is die voldoet aan het universele vectorveld.

Dit idee [12] was zeer ambitieus. De uitwerking van dit idee oversteeg mijn mogelijkheden binnen drie of zes jaren studie; dit moest in groepsverband worden onderzocht. De Technische Universiteit kon of wilde hierbij geen begeleiding bieden. Het idee paste niet binnen het indertijd bestaande onderzoeksprogramma van Universiteit.

In de tweede helft van mijn derde jaar in Delft stond ik met lege handen in mijn studie en met lege handen in de liefde. Nu merkte ik in de mensenwereld het nadeel van de oudste zijn: ik kon geen controle kon hebben over alles wat er om mij heen gebeurde [13]. Ik was gedwongen afscheid te nemen van mijn grote liefde en van mijn ambities in de technische studie.

Na gespreken met veel mensen besloot ik verder te studeren in Amsterdam op het gebied van menswetenschappen. Gelukkig kon ik – met een aanbeveling van docenten aan de Technische Universiteit – een bijbaan krijgen aan de universiteit in Amsterdam op het gebied van wiskunde in de menswetenschappen.


[9] Zie: Boeke, Kees, Wij in het heelal, een heelal in ons – Twee tochten: door macrokosmos en microkosmos. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1959

[12] Het beschreven idee is fictief. De auteur heeft niet alle implicaties van het idee op zin en onzin nagelopen.

[13] Zie ook: Brown, Eleanor, The weird Sisters. HarperCollins p. 121

Carla Drift – jaren van bloei 2


Onverwachts aan het begin van de eerste lente in Delft kwam mijn grote liefde in mijn leven. Ik draaide mij om en daar stond hij. Een vriendelijke glimlach in een vollemaansgezicht met veel blonde krullen. Van verbazing opende ik mijn mond en zijn glimlach werd veel groter; ik moest lachen. Hij studeerde bouwkunde, was enkele maanden jonger en hij woonde aan de andere kant van de stad. Het leek of wij elkaar al heel lang kenden. Hij nodigde mij uit om samen koffie te drinken – ik nodigde hem uit om bij mij te komen eten na de roeitraining. ’s-Avonds zijn wij naar een orgelconcert in de Nieuwe Kerk in Delft gegaan met muziek van Johann Sebastian Bach.

[1]

Na wat drinken in de Waag [2] hebben wij afscheid genomen; hij zou twee dagen later bij mij komen eten.

Aan het begin van die nacht heb ik wakker gelegen; ik voelde tintelingen over mijn lichaam. Later viel ik moe in slaap. De volgende twee dagen voelde ik mij zweven; overal waar ik ging voelde ik een warme gloed om mij heen. Aan het begin van de avond heb ik mijn beste recept voor hem gekookt; hij had een fles wijn meegenomen – ik zondigde tegen mijn roeitraining. Lang tafelen met veel praten en lachen en bij het afruimen voor het toetje legde hij zijn hand op mijn schouder, ik draaide naar hem toe en glimlachte gelukkig. Na het eten zijn wij muziek gaan luisteren en kussen. Alles was vertrouwd, onze handen en tongen vonden vanzelf hun weg: ervaring van een mensenleven van vele miljoenen jaren.

[3]

Hij bleef slapen, wij lagen lepeltjes gewijs – onderkleding nog aan. De volgende middag ging hij een week op studiereis: ik heb hem uitgezwaaid.

Deze week heb ik gebruikt om mijn lichaam te verkennen en de anticonceptiepil te halen. Het leek mij goed om op dit punt geen verstoppertje te spelen. Als oudste wilde ik een klein voordeel hebben: enige controle over de intimiteit tussen ons beiden. Uit de bibliotheek heb ik enkele boeken geleend over lichamelijke intimiteit. Een paar avonden heb ik uitgezocht wat ik in ieder geval lekker vond – na wat proberen ontdekte ik dat orgasme [4] bij mij leek op het maken van bochten bij het fietsen – de rest zou later komen.

Een week later na de roeitraining wachtte ik hem aan het begin van de avond op. Hij straalde toen hij mij zag. Wij gingen naar zijn kamer. Hij sliep terwijl ik mijn avondeten opat. Ik heb wat uit zijn boeken over architectuur gelezen: Ernst Neufert – Architects’ Data en enkele boeken over de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright. Tegen het einde van de avond heb ik hem wakker gemaakt; hij zag er lief en kwetsbaar uit. Ik heb muziek opgezet en ben bij hem gaan liggen. Langzaam gingen wij samen in elkaar op; samen één zweefden wij met de muziek. Een aantal keren was ik volkomen één met alles. Ik voelde een oneindige liefde; een overstijgen van het ik. Later hebben wij nog wat geslapen. De volgende ochtend maakte ik zingend het ontbijt voor ons. Wij zijn afwisselend op elkaars kamers gaan wonen. Die lente, zomer en herfst lichtten op in een gouden gloed. Daarnaast waren er de nodige praktische zaken: studie, roeien, vakantie, kennismaken met elkaars familie. En uiteraard praten en leven met andere studenten.

Rondom het roeien gingen wij de weekenden weg – kamperen in België, logeren bij vrienden in andere steden, bezoeken van musea en gebouwen.

Met Hemelvaart waren wij in ons dorp bij mijn ouders. Wij hadden afgesproken met mijn lagere schoolvriend. Hij noemde kort dat hij verliefd was op een schoolvriendin. De volgende dag kwamen wij haar tegen. Zij was heel verrast om ons samen te zien. Zij dacht dat ik wat had met mijn lagere school vriend – zij zag wel wat in hem. Met Pinksteren hebben wij hen beiden in Delft uitgenodigd. Daar is het begin van hun latere huwelijk ontstaan.

[5]

De zomervakantie hebben wij met zijn vieren per trein door Europa getrokken. Een zorgeloze zomer.

Rond de herfstvakantie nam zijn aandacht voor mij af; eerst bleek dat uit heel kleine dingen. Er werd een kleinigheid vergeten – bijvoorbeeld: een afspraak voor een weekend weg viel samen met een andere afspraak – kan gebeuren. Daarna voelde ik steeds meer in allerlei gebaren dat onze volledig samenzijn niet meer wederzijds was. Niet veel later vroeg hij om meer vrijheid en hij werd al snel verliefd op een andere medestudente. Deze overgang kostte hem moeite en veroorzaakte bij mij een aardverschuiving. De aardverschuiving werd niet veroorzaakt door zijn belangstelling voor andere vrouwen, maar doordat wij van elkaar zijn gaan afdwalen en door de steeds verdergaande disharmonie in onze relatie. Het was net of de linker en rechter hand, oog, oor, voet langs elkaar begonnen te leven. Eerst voelden wij ons één, met elkaar en met de wereld om ons heen. Rond de herfstvakantie werden wij langzaam steeds meer twee. Wij hebben eerst een driehoeksverhouding geprobeerd. In die tijd waren de verhoudingen tussen man en vrouw al een tijdje op drift geraakt. De tweede vrouwen emancipatie golf was in onze omgeving in volle gang – ik denk dat ik in die tijd niet makkelijk was. Van een driehoeksverhouding gingen wij over in een intieme vriendschap van ruim een jaar met veel praten over het leven en over onszelf en heel af en toe intimiteit. Halverwege mijn derde studiejaar zei een studentenpsycholoog tegen mij de eerlijke en zeer schrijnende woorden “verkeerde partnerkeuze”. Na dit bezoek had ik over de gracht willen schreeuwen: “De enig juiste partnerkeuze”. Nu ik terugkijk – hoe juist. Na mijn grote liefde zijn er af en toe een paar vage verhoudingen geweest die kunnen worden weergegeven met de tekst uit een lied van Joan Armatrading [6]: “I’m not in love, but I’m open for persuasion”.

Onze vriendschap verwaterde, maar mijn innerlijk verlies bleef. De volle maan van liefde die eerst van zijn gezicht straalde, was nu overgegaan in een nieuwe maan. Het was pijnlijk om hem in Delft tegen het lijf te lopen – ik was niet aardig meer. Daarbij kreeg ik geen toestemming van de faculteit om mijn studie te vervolgen in een richting die ik wenste. In het volgende bericht hierover meer.

In het laatste semester van mijn kandidaatsstudie zat ik tijdens colleges filosofie vaak naast een charmante man van middelbare leeftijd. Hij werkte een korte tijd als wetenschappelijk medewerker bij Bouwkunde, maar hij zou binnenkort mee gaan helpen op de boerderij van zijn peettante zo’n tien kilometer van ons dorp vandaan. Met hem heb ik een aantal keren geluncht. Ik heb hem mijn plannen voor het vervolg van mijn studie in Amsterdam verteld. Daarop heeft hij mij mijn eerste kamer in Amsterdam bij vrienden van hem bezorgd. Als ik af en toe in Zuid Limburg bij mijn ouders was, heb ik hem regelmatig op de boerderij bezocht. Ik hielp wat mee op de boerderij en wij aten samen.

Carla Drift – jaren van bloei


De Lentezon scheen

Gul en overvloedig neer;

Haar glimlach voor ons

Van een omgeving waar “ja” alles kon betekenen afhankelijk van de omstandigheden – van een regelrecht “nee” tot een “ja” van Molly Bloom in Ulysses van James Joyce – verhuisde ik naar een land waar “ja en nee” de wereld volkomen in tweeën deelde. Het was een land dat onvoorstelbaar plat was en waar iedere groepering zijn eigen geloof baseerde op een bepaalde passage uit de Bijbel. Alleen het water was alomtegenwoordig. Water was voor alles en iedereen gelijk en iedereen streed daar dan ook tegen. Het was altijd pompen of natte voeten – veel vloeren van woningen langs het kanaal liggen ruim beneden het waterpeil in het kanaal.

[1]

Later heb ik begrepen dat het pompen erg nauw luistert. Bij teveel pompen klinkt de bodem van de polder in en zakt de bodem van de polder onherroepelijk verder naar beneden. Er moet steeds voldoende water in de slootjes en in de bodem van de polder blijven.

In dit land ging ik wonen, studeren, en ik ontmoette er mijn grote liefde – in deze volgorde.

Zo vlak als de polders waren, zo vlak waren toen in mijn ogen ook de manieren van de inwoners van dat land. Uit gastvrijheid werd ik bij een verjaardagsfeest uitgenodigd op de koffie – een klein stukje appeltaart voor iedere bezoeker en bij het aanbieden van een tweede biertje later op de avond zei iedereen: “Het is tijd om weer eens op te stappen”. Daar zat ik met mijn tweede biertje dat ik maar snel opdronk. Bij feesten in Zuid Limburg werden 24 vlaaien afgebakken voor het bezoek – men keek niet op enkele stukken vruchtenvlaai meer of minder voor iedere gast.

Mijn kamer was vlak bij een burgerroeivereniging in Delft. Ik ging bij de vereniging op bezoek: de vereniging zag wat in mij en ik vond de vereniging aantrekkelijk. Mijn drie jaren in Delft ben ik er blijven wedstrijdroeien.

[2]

In deze directe omgeving ging ik studeren: het sloot mooi aan bij de rechtlijnigheid van wiskunde en natuurkunde. Later bleken deze vakken en de inwoners van Holland wat minder rechtlijnig te zijn.

Mijn studie was nog altijd even makkelijk als op het gymnasium. Veel schijnzekerheden vielen tijdens mijn studie weg. Ik mocht bij een practicum een versterker bouwen; er waren teveel onbekende variabelen in de beschikbare formules om een eenduidige oplossing te verkrijgen. De oplossing hiervoor bestond uit het aannemen van enkele instelstroompjes – gebaseerd op ervaring of gerommel van alledag – en als het niet voldeed werd het instelstroompje wat aangepast.

Het bepalen van de uitkomsten van proeven bestond uit het vele keren meten waarna statistisch de uitkomst met een betrouwbaarheidsinterval werd berekend – ook gerommel van alledag, maar gestructureerd en reproduceerbaar gerommel binnen een statistisch betrouwbaarheidsinterval.

[3]

Bij wetenschapsfilosofie vernamen wij van Popper en Kuhn met falsificatie [4] als criterium voor wetenschap: een idee of model was pas wetenschap als het idee of model bevattelijk was – en openstond – voor andere ideeën/modellen die een kans hadden het eerste idee te weerleggen. Ideeën en modellen die niet bevattelijk waren voor weerlegging, vielen in de categorie dogma’s of religie.

Tijdens de colleges maatschappijleer maakt ik kennis met een hiërarchie van behoeften beschreven door Abraham Maslow [5]. Volgens dit model had ik een begin gemaakte met zelfverwezenlijking met een levensgroot gat bij liefde – daar had ik tot dan verstoppertje gespeeld met mijn gevoelens.

De colleges maatschappijleer over de “Milgram” [6] en “Stanford Gevangenis” [7] experimenten vergrootten mijn zorg en onbehagen dat was ontstaan bij het lezen van het oeuvre van Jef Geeraerts en van Erich Fromm. Een zeer aanmerkelijk deel van de mensheid liet zich – vaak door omstandigheden – wel erg makkelijk meesleuren in laaghartig, volgzaam en zelfs verwerpelijk gedrag. In mijn laatste jaar in Delft maakte ik kennis met de kwader trouw en de theorie van de blik van Sartre [8]. Door deze zienswijze werden mensen in hun vrije handelen ernstig belemmerd werden. Volgens de kwader trouw verwordt de mens tot een instrumenteel ding door op de betreffende mens een stempel te plakken: een vrij mens met alle mogelijkheden wordt uitsluitend door zijn rol als bijvoorbeeld kelner gereduceerd tot een beperkt instrumenteel dienend ding. Een soortgelijk mechanisme speelt bij de theorie van de blik waardoor in een oogopslag een vrij mens met alle mogelijkheden kan worden gereduceerd tot een laaghartig wezen. Een mens kijkt door een sleutelgat van een kamer, een tweede mens ziet dit: door de blik van deze tweede persoon wordt de eerste mens teruggebracht tot een laaghartige gluurder.

Deze colleges wetenschapsfilosofie en maatschappijleer hebben mijn hele verdere leven beïnvloed. Later zal ik hierdoor in Amsterdam mijn studie in een hele andere richting voortzetten.

Eerst volg ik drie jaren mijn technische natuurwetenschappelijke studie met onder meer de onderwerpen: elektromagnetische velden, thermodynamica, vloeistofleer, relativiteitstheorie, kwantummechanica en wiskunde over matrices en vectorvelden.

Uiteraard bleef ik bibliotheken bezoeken. De algemene bibliotheek voor literatuur, algemene ontwikkeling en ontspanning en de technische bibliotheek voor verdieping op natuurwetenschappelijk terrein.

Maar in het tweede semester van mijn eerste jaar kwam ook en vooral de liefde in mijn leven.

Carla Drift – jaren van ontluiken 2


Mijn eerste dag op het gymnasium begon met ongeveer 10 kilometer fietsen met onderweg een pittige heuvel. De school was veel groter dan onze dorpsschool. Nieuwe klasgenoten en veel nieuwe leraren. Het leren bleef makkelijk en ik zorgde ervoor om dat niet te tonen. Ik bleef een buitenbeentje als leerling uit een ver gehucht met een ander dialect die iedere dag 20 kilometer alleen op de fiets zat.

Na verloop van tijd ontstond een vriendinnenclubje en ik voelde me op school wat beter thuis. In de lessen verveelde ik mij en huiswerk maken was niet nodig: het moest nog een beetje spannend blijven. In ons dorp speelde ik muziek in de harmonie; ik had ook nog enkele vriendinnen van de lagere school. Met een lagere schoolvriend trok ik veel op – wij trokken door de bossen en beleefden daar allerlei avonturen. Door het vele fietsen had ik een uitstekende conditie – veel jongens konden mij niet bijhouden tot zij halverwege de middelbare school voldoende mannelijke hormonen hadden gekregen om mij met lichaamskracht voorbij te streven.

Als oudste van de drie zussen had ik een voordeel: ik had controle over alles wat er tussen ons gebeurde. Ik moederde over hen; dit leverde ook wel eens conflicten op met mijn zussen en mijn moeder. De oudste zijn had ook een nadeel: ik dacht dat ik controle kon hebben over alles wat er tussen ons gebeurde [1]. Ik merkte in de derde of vierde klas dat ik de enige bijzondere dochter was. Mijn zussen waren gewone normale leerlingen; mijn bijlessen voor hun middelbare school leverden niet veel extra resultaat op. Ik was en bleef het enige buitenbeentje in ons huis.

Aan mijn tweede zus is in haar klas op school gevraagd hoeveel boeken er per jaar thuis werden gelezen. De meesten kwamen tot ongeveer 10 boeken. Een andere klasgenoot kwam tot 50 boeken. Mijn zus zei dat wij ongeveer 500 boeken lazen. Dat klopte: ik las zo’n 300 boeken – vaak ook makkelijke boeken, mijn vader 100 boeken en mijn zussen ieder 50.

In de tweede helft van het gymnasium moesten wij voor onze boekenlijsten lezen. Voor Engels gaf ik het boek Ulysses van James Joyce op. Deze keuze moest ik wijzigen, want de leraar Engels vond het boek te ingewikkeld [2]. Ik koos voor de lijst “Lord of the flies” van William Golding – een roman over de ontsporing van een groep jongens op een eiland. Uiteraard las ik Ulysses ook van kaft tot kaft – het boek heb ik pas later bij herlezing beter leren begrijpen. Op zeer abstract niveau heeft het boek Ulysses qua structuur model gestaan voor onze Odyssee naar “Wie ben jij”. Yes, van de monoloog van Molly Bloom heb ik veel opgestoken over de aardse kijk van vrouwen op mannen, reken maar van yes. Weer speelde ik verstoppertje – nu met mijn gevoelens van liefde, totdat ik mijn grote liefde enkele jaren later in Delft tegenkwam.

 [3]

Voor Nederlands las ik onder andere het hele oeuvre van Hugo Raes en Jef Geeraerts. Door hen ben ik gevoelig geworden voor geïnstitutionaliseerde misdaden tegen de mensheid.

De Franse existentialisten en fenomenologen – Jean Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Albert Camus – las ik ook. Simone de Beauvoir was in die tijd voor mij een voorbeeld van een zelfbewuste intelligente vrouw – zij schreef prachtige boeken zoals “Niemand is onsterfelijk” en “De Schone Schijn”. Albert Camus met “De Mythe van Sisyfus” en “De Mens in Opstand” toonde mij vergaande keuzes van mensen – deze boeken komen wij later op onze Odyssee tegen.

In een overzicht van wereldfilosofie zag ik een verwijzing naar de Tao Te King van Lao Tse. Dit boek fascineerde mij omdat ik de denkrichting indertijd niet meteen kon duiden. Op onze Odyssee komen wij dit boek in hoofdstuk 7 tegen.

Vrouwenemancipatie en popmuziek kregen in die tijd een beperkte plaats in mijn leven. Mijn verliefdheden waren vaag en onbereikbaar; de jongens in mijn omgeving waren naïef of dom – behalve mijn lagere school vriend. Wij maakten allerlei zwerftochten – aan het einde van de Middelbare school ook meerdaagse tochten. Mijn moeder had hiertegen bezwaar; mijn vader vond het goed en begon over de pil – maar dat speelde niet. Wij gingen kamperen in België, een paar dagen liftend naar Parijs en naar Taizé voor het gemeenschapsgevoel – niet voor de religie. De laatste zomervakantie van de middelbare school hebben wij nog met de trein een maand door Europa gereisd. Ik heb nog steeds af en toe contact met hem.

[4]

Mijn exacte vakken gingen echt vanzelf. Natuurkunde en wiskunde kosten geen moeite. Een wiskunde olympiade leverde een mooie plaats op. Ik las de Scientific American in de school bibliotheek – de puzzles van Martin Gardner [5] vond ik leuk om op te lossen.

In de zomervakantie na mijn eindexamen las ik bijna alle boeken van Erich Fromm. Zijn humanisme tegen de stroom in vond ik zorgwekkend [6] en bemoedigend. Later op onze Odyssee komen wij zijn boeken nog tegen.

In mijn laatste jaar van het gymnasium heb ik besloten om een technische studie in Delft te gaan volgen. Mijn vader was erg trots op mij. Samen hebben wij gelukkig snel een kamer in Delft gevonden. Een nieuwe fase in een andere cultuur brak aan.

[7]


[1] Zie ook: Brown, Eleanor, The weird Sisters. HarperCollins p. 121

[5] Zie ook: Gardner, Martin, The colossal Book of Mathematics. New York: W.W. Norton & Company, 2001  

[6] Zie ook: Fromm, Erich, Escape from Freedom. New York: Rinehart & Co, 1941

[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Delft_stadhuis.jpg