Tagarchief: doopsel

Carla Drift – jaren van ontluiken


Mijn eerste communie was een groot feest. Door de inwijding van mijn doop was ik een paar dagen oud al in de kerk opgenomen. Sommige jongens in ons dorp worden bij de geboorte aangemeld bij de schutterij: zij kunnen hun leven lang lid zijn. Van mijn doop kan ik mij niets herinneren. Wel draag ik nog altijd mijn doopnaam samen met de doopnamen van mijn peettante en peetoom als herinnering met mij mee.

Later heb ik begrepen dat het doopsel het enige sacrament is dat door de gehele Christenheid wordt erkend [1]. Het kinderdoopsel wordt zo vroeg mogelijk gegeven om kinderen zo spoedig mogelijk in Gods genade te laten verkeren. In tijden van een grote zuigelingsterfte is dit van belang. Misschien is het ook een overblijfsel uit het patriarchale Romeins recht, waar het leven van een pasgeborene afhankelijk is de erkenning door de vader. In de gereformeerde kerk heeft tegen het einde van de tweede wereldoorlog in 1944 nog een scheuring of “vrijmaking” in de kerk plaats gevonden over de vraag of een kind door de doop in Gods genade zal zijn of dat de doop een roeping is om als Gods kind te leven [2]. Ons dorp hield zich met dit soort vragen niet bezig; ons dorp leefde binnen het rijke Roomse leven met al haar andere hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

[3]

Aan het begin van de lagere school werden wij op onze eerste Communie voorbereid. Wij leerden de eerste basisbeginselen van het Katholieke geloof. Midden in de lente deed ik mijn eerste Communie. Ik ging in een prachtig wit jurkje in een processie naar de kerk. De eerste hostie bleef aan mijn verhemelte plakken; dit was mijn enige bijzondere herinnering aan de kerkmis. Daarna hadden wij een groot familiefeest. De hele familie van mijn moeder en mijn vader waren aanwezig. Ik werd overstelpt met cadeaus. Mijn ouders waren trots dat hun eerste dochter in de gemeenschap en in de kerk werd opgenomen. Ik voelde me in het middelpunt van de belangstelling staan.

[4]

Met mijn geloof speelde ik half verstoppertje. De beschermengel was altijd onzichtbaar aanwezig, ik voorvoelde als er iets mis dreigde te gaan. Ik zorgde er dan voor dat het goed afliep. Maar bij mijn rechterschouder voelde ik de engel niet zitten. Het leek mij niet verstandig om mijn twijfel te tonen. Dat deed niemand. Niemand in ons dorp twijfelde aan de volgende adem teug, behalve als men heel oud was of als er iemand in de familie op sterven lag en daarna overleed. Dan ging men veel naar de kerk om te bidden voor de zielsrust van de overledenen of voor henzelf. Ik heb enkele jaren gedacht dat in mijn moeders dorp in België de grootste familie de familie Zaliger was, zij spraken er altijd over. Rond mijn zesde jaar kwam ik er achter dat de familie Zaliger voor de helft in de hemel woonde en voor de andere helft op het kerkhof rustte: later zou ik ook bij deze familie gaan horen als netjes zou leven. In ons dorp moest je wel heel slecht zijn om lang in het vagevuur te blijven. De oudere vrouwen bidden veel en alle families gingen trouw naar de jaardiensten en naar het kerkhof met Allerzielen. Voor de hel en het vagevuur was ik niet bang.

Toen ik acht jaar was, deed ik het heilig vormsel [5]. De Heilige Geest zou mij helpen om mijn geloof te versterken. De bisschop zei bij mijn vormsel: “Signaculum doni Spiritus Sancti“ (Zegel van de gave van de heilige Geest). Uit verveling had ik uit het missaal van zijn vader al wat Latijn geleerd tijdens de vele lange missen. De gave van de Heilige Geest hielp mij niet bij mijn geloof. Ik zag steeds duidelijker dat de Vader God was geschapen naar de gelijkenis van zijn gelovigen en niet omgekeerd zoals de Katholieke kerk ons voorhield. Rond die tijd begon het “Rijke Roomse Leven” in Zuid Limburg af te kalven; wij gingen nog alleen met hoogtijdagen naar de kerk.

Onze meester in de vijfde en zesde klas had stage had gelopen bij De Werkplaats Kindergemeenschap [6] van Betty en Kees Boeke in Bilthoven. Hij was pas een jaar op onze school en door hem heb ik twee jaar lang veel geleerd. Hij moedigde mij aan om samen met mijn vader de boeken uit de bibliotheek de lezen en er werkstukken over te maken. Het Kees Boeke’s “Wij in het heelal, een heelal in ons” [7] hebben mijn vader en ik van kaft tot kaft gelezen. Mijn vader en ik kochten een microscoop en een sterrenkijker. Samen lazen wij boeken over astronomie en microscopie. Voor school maakten wij zeker vier werkstukken over deze onderwerpen.

[8]

Hetzelfde deden wij voor wereld geschiedenis en over andere godsdiensten. Wij lazen boeken over de Islam, het Hindoeïsme en het Boeddhisme.

Bij de landelijke toets voor middelbare school heb ik geen verstoppertje gespeeld. De meester vertelde vol trots dat onze klas een uitmuntende uitkomst had. De hele klas was ruim boven het landelijk gemiddelde. Ik had maar één fout bij een vraag die wij niet konden weten, omdat wij niet in Holland woonden. De meester zorgde dat iedereen een goede passende vervolgopleiding ging doen. Ik ging naar het gymnasium in de stad.


[7] Zie: Boeke, Kees, Wij in het heelal, een heelal in ons – Twee tochten: door macrokosmos en microkosmos. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1959

[8] Bron afbeelding: http://www.vendian.org/mncharity/cosmicview/ . De Engelse versie van het boek kan via deze hyperlink worden ingezien. De Nederlandse versie is in te zien via de volgende hyperlink: http://www.dearend.nl/pdf/Kees_Boeke.pdf