Tagarchief: Erich Fromm

Leegte: naar het einde van de nacht


Nacht. Een heldere hemel bij nieuwe maan. Narrator rijdt de geleende Skoda Superb [1] Combi van Amsterdam door de Noordoostpolder [2] naar de jachthaven aan het Lauwersmeer bij het vertrekpunt van de veerboot naar Schiermonnikoog. De beide koplampen schijnen over de lege snelweg door het donkere lege land dat ruim 50 jaar geleden nog bodem van de Zuiderzee was. Carla doezelt op de achterbank. Man zit als bijrijder naast Narrator; in het spaarzame licht van het dashboard kijken zij naar de afslag bij Emmeloord die heel in de verte weg oplicht door lantaarnverlichting.

Skoda Superb Combi[3]

“Binnen de leegte tovert het licht van de koplampen – met straatverlichting heel in de verte – een donker toverlandschap tevoorschijn waarin alles dat wij nu zien ontstaat en meteen weer verdwijnt als schimmen die in een flakkering tot leven worden geroepen om daarna weer te verglijden in de donkere leegte. Ik heb als jongen in Zuid Limburg al gehouden van donkere nachten met het oneindig heelal waarin ik – opgenomen – één was met alle sterren en melkwegstelsels aan het firmament. Nu voel ik mij zweven binnen een vage witte nevelgloed op oneindige reis door het heelal en daarbij volmaakt thuis in dit vaartuig. Vanavond – voordat wij ons klaarmaakten om te vertrekken – heb ik in een boek een definitie van Boeddhistische verlichting [4] opgezocht: “Verlichting is realisering van de eenheid van leven” [5].

Ik ben deze definitie gaan opzoeken omdat wij gistermiddag het onderzoek van de intensiteiten en associaties hebben afgesloten met de vraag: “Een – wat is dat?” die een boeddhistische wijze aan een wijze vrouw stelde. Zij was niet in staat deze vraag te beantwoorden. Ik vraag mij af of het onvermogen – of de leegte – van de wijze vrouw om te antwoorden niet beter past bij de vraag: “Een – wat is dat?” dan deze definitie van Boeddhistische verlichting.

Wij beginnen nu aan het onderzoek van leegte op onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Het woord in Sanskriet voor leegte in de Hart Sūtra is “śūnyatā”. Weet jij welke betekenissen dit woord in het Sanskriet heeft?”, zegt Man.

De auto nadert de wegsplitsing bij Emmeloord. Narrator remt wat af en neemt de afslag naar Lemmer; hierbij is Carla wakker geworden en zij vraagt: “Waar zijn wij?”. “Bij Emmeloord in de Noordoostpolder, wij gaan nu richting Friesland. Ik heb Narrator naar de betekenis van het woord “śūnyatā” gevraagd”, zegt Man.

“Het woord “śūnyatā” wordt meestal met “leegte” of “leeg van zelf” vertaald [6], maar deze vertaling geeft alleen de kern van het woord weer net zoals er in de kern van een wervelstorm meestal een windstilte heerst bij een heldere hemel; de kern van de cycloon is zonnig en “vrij” van wind.

Kern van een cycloon[7]

Het woord “śūnyatā” is samengesteld uit de werkwoordkernen:
• “śvi” – met de zwakke vorm “śū” – met de betekenissen “opzwellen” en “uitdijen”;
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” betekent. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel” (misschien ook wel “Godsgave” in wederkerigheid) en,
• “tā” met de betekenissen “onbegaanbaar”, “ontoegankelijk”, en ook “onschendbaar” en “heilig” [8].

Een hedendaagse Japanse Zenmeester in Amerika schrijft in zijn uitleg van “śūnyatā” dat dit woord geen ontkenning van het concept van bestaan is, maar het woord geeft aan dat ons gehele bestaan in al haar vormen volledig afhankelijk is van het beginsel van oorzaak en gevolg; wij lazen eerder dat zelfs de Goden zijn gebonden aan het beginsel van oorzaak en gevolg [9].

Omdat de factoren van oorzaak en gevolg voortdurend veranderen, is er geen statisch – vaststaand – bestaan mogelijk. Het woord “śūnyatā” ontkent categorisch de mogelijkheid van het bestaan van statische – vaststaande – verschijningsvormen. Alle verschijningsvormen zijn volgens deze hedendaagse Japanse Zen meester relatief en onderling afhankelijk.

Daarbij schrijft hij dat “śūnyatā” ook “nul” betekent, een begrip dat in Europa pas laat bekend is geworden, maar in India al veel langer in gebruik was. Nul heeft geen getalswaarde in zichzelf, maar vertegenwoordigd de afwezigheid van getalswaarden en symboliseert daarmee tegelijkertijd de mogelijkheid van alle getalswaarden. Vergelijkbaar hiermee vertegenwoordigt “śūnyatā” door middel van het begrip “nul” of “geen” de mogelijkheid van het bestaan van alle verschijningsvormen en is daarmee tevens opgenomen in alle verschijningsvormen, die alleen bestaan in relatie tot hun niet-bestaan en in hun onderlinge verbondenheid [10]”, zegt Narrator.

vorm en leegte[11]

“De definitie van nul is wat te beperkt: daar ga ik nu niet op in. Als ik het goed begrijp, dan duidt “śūnyatā” op “leeg van” en “leeg tot”, net zoals Erich Fromm bij het begrip “vrijheid” volgens mij doelt op “vrij van” en “vrij tot” in onderlinge samenhang [12]. Hierbij moet ik denken aan de Franse fenomenoloog Maurice Merleau Ponty die stelt dat verschijningsvormen ontstaan door een creatief proces van gelijktijdige zingeving en zinneming [13]. De Zenmeester voegt hier de leegte – of ruimte – voor het ontstaan van verschijningsvormen aan toe”, zegt Carla.

“Interessant dat jij een creatief proces noemt voor het ontstaan van verschijningsvormen. De Japanse Zenmeester geeft aan dat een intuïtief en onmiddellijk begrip van “śūnyatā” de basis vormt voor alle begrip. Maar voordat hij dit stelt, benoemt hij eerst de “śūnyatā” van het ego en vervolgens de “śūnyatā” van dharma [14] – de wereldorde en plicht [15] – en van het subjectieve en het objectieve. Hierna concludeert hij dat alles – iedere verschijningsvorm en ieder wezen – alleen bestaat door middel van het beginsel van onderlinge afhankelijkheid gebonden door de wet van vergankelijkheid. Het intuïtief en onmiddellijk begrip leidt tot kennis en begrip van de vier grote waarheden te weten vergankelijkheid, onderlinge verbondenheid, verschijningsvormen en essentie; misschien is het goed om later op deze vier waarden terug te komen. De Zenmeester gaat verder in zijn oordeel over het belang van vergankelijkheid – leegte of ijdelheid – en onderlinge verbondenheid dan Maurice Merleau Ponty bij het ontstaan of creatie van alle verschijningsvormen en ieder wezen.

De uitleg van “śūnyatā” komt uit de inleiding van deze Zenmeester in zijn boek over de Boeddhistische Hart Sūtra.

Deze beschrijving van de Zenmeester is mij bijgebleven omdat zij zo goed pas bij mijn beleving van de geesten in de nacht. Als kindsoldaat in Afrika stak ik met onze militie aan het einde van een nacht het bos rondom een dorp in brand. Wij schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [16]. De geesten van deze dorpelingen draag ik nog altijd met mij mee; hun adem – in leegte en ijdelheid – is was mijn adem geworden. ’s-Nachts zijn zij voor mij even reëel als mensen die ik overdag tegenkom; deze geesten zijn met mij verbonden in onderlinge afhankelijkheid binnen de wet van vergankelijkheid: overdag zijn zij weer verdwenen”, zegt Narrator.

“Zijn deze geesten ook nu hier in deze auto voor jou reëel aanwezig?”, vraagt Man.
“Nee, nu bestuur ik de auto en heb ik mijn aandacht bij de weg, maar als ik mijn aandacht nergens meer op richt, dan komen de geesten vanuit de leegte van de duisternis tot leven net zo levensecht als een droom tijdens de slaap. Of om een citaat aan te halen dat vaak ten onrechte aan Mark Twain wordt toegeschreven: “I am an old man and have suffered a great many misfortunes, most of which never happened” [17]”, zegt Narrator.

“Gelukkig, want anders zou ik jou willen vragen om een parkeerplaats op te zoeken en morgenochtend bij daglicht verder te rijden. Ik heb enkele versies van de Hart Sūtra in mijn bagage om te bestuderen. Zou jij mij willen helpen bij de interpretatie van het Sanskriet?”, vraagt Man.

“Dat is een goed idee. Ik heb een exemplaar van de uitleg van de Japanse Zenmeester bij mij. Heb jij een waterdichte ruimte voor boeken op de boot?”, vraag Narrator.

“Jouw boek past nog makkelijk in de waterdichte ton. Wanneer wij droog liggen bij laag tij, dan is er tijd om te lezen”, zegt Man.

“De definitie voor verlichting die jij net hebt genoemd, geeft een aspect van verlichting – in lijn met de onderlinge verbondenheid binnen de metafoor van Indra’s Net – duidelijk weer. Het is slechts een zijde van de medaille, de andere zijde is “śūnyatā”. In het Boeddhisme wordt voor verlichting vaak de term “nirvana” – letterlijk: afwezigheid van bos (of belemmeringen), op de open vlakte [18] – gebruikt. In het Hindoeïsme duidt men verlichting vaak met “moksha” [19] dat afkomstig is van de werkwoordkern “muc” die onder meer “losmaken, bevrijden” betekent. Met beide duidingen ben ik niet gelukkig, want ik denk dat “śūnyatā” tezamen met de metafoor van Indra’s Net een betere duiding geeft aan het begrip verlichting. Het lijkt mij goed om op dit deel van onze zoektocht niet alleen leegte in de zin van “leeg van” of ruimte, maar ook in relatie met onder meer de vier grote waarheden van het Boeddhisme en met Indra’s Net te bezien”, zegt Narrator.

“Goed idee. Wanneer ik op mijn reizen onder de donkere sterrenhemel wakker lag, dan voelde ik mij in de ruimte – of de oneindige leegte – opgenomen. De grenzen tussen de ruimte en mijzelf vervloeiden en ik werd één met alles om mij heen. In een boek over Zen Boeddhisme heb ik twee gedichten gelezen die een lege spiegel als metafoor voor het leven benoemden; in het tweede gedicht werd ook de illusie van de lege spiegel weggenomen zoals tijdens deze autorit door de donkere polder het zicht op het landschap. Kennen jullie de tekst van deze gedichten?”, vraagt Carla.

“Het zijn twee gedichten geschreven tijdens de benoeming van – of beter de Dharma overdracht aan – Huineng [20] de zesde Zen patriarch. In mijn eigen woorden: de vijfde patriarch voorvoelde dat de gedoodverfde kandidaat was tegen deze taak was opgewassen. Hij vroeg aan iedere monnik die kandidaat zou willen zijn, een kort gedicht met de kern van Zen te schrijven en te openbaren op de kloostermuur. Alleen de gedoodverfde kandidaat publiceerde anoniem het volgende gedicht:

Het lichaam is een Bodhi boom;
De geest als een lege spiegelstandaard.
Nu en altijd veeg hem schoon
En laat geen stof oplichten [21]

Bodhi – dat qua klank (en betekenis via “et incarnatus est” [22]) verwant is aan het Engelse woord body – betekent in het Sanskriet “een boom van wijsheid, of een boom waaronder een mens een Boeddha wordt” [23].

Een volgende ochtend hing er naast dit gedicht een tweede gedicht met de tekst:

Bodhi is fundamenteel zonder boom;
De lege spiegel heeft geen standaard.
Van oorsprong is er geen enkel ding.
Waar kan stof oplichten?

In het Sanskriet heeft Bodhi als tweede betekenis: “volkomen verlichting” [24]. De vijfde patriarch wist dat een nederige houtsprokkelaar – zonder enige formele opleiding tot monnik – dit tweede gedicht had geschreven en hij voorzag een opstand van het klooster tegen de benoeming van deze leek als Dharma opvolger. In de volgende nacht heeft de Dharma overdracht plaatsgevonden en bij het eerste ochtendlicht is de zesde Zen patriarch uit het klooster moeten wegvluchten. De monniken hebben hem nog lang achtervolgd. Uiteindelijk is hij na een lange vlucht volledig geaccepteerd als Dharma erfgenaam; iedere Zenmeester is in directe lijn met deze zesde patriarch verbonden. En met het voordragen van het gedicht weerspiegel ik hem in de leegte van de nacht”, zegt Man.

“Schitterende uitleg. Zullen wij morgen hierover verder gaan? Ik zou graag nog wat verder doezelen”, zegt Carla.

“Dan ga ik ook wat dutten. Morgen is het al vroeg licht”, zegt Man.

Narrator rijdt de auto met de slapende Carla en Man door Friesland en Groningen naar de parkeerplaats van Lauwersoog bij de veerboot naar Schiermonnikoog. Hij parkeert de auto naar het Oosten om over enkele uren de dageraad te kunnen aanschouwen. Bij het zien van de eerste schemering maakt hij Carla en Man wakker.

“Op deze heldere ochtend moeten wij naar de zonsopgang kijken voordat wij zo meteen bij de jachthaven de zeilboot gaan optuigen”, zegt Narrator.

“Bij het zien van het opkomen van de eerste zonnestralen door deze autoruit moet ik denken aan het gedicht “De Ramen” van Guido Gezelle, waarin hij als katholiek priester aan het einde van de negentiende eeuw de beeldenstorm nog een dunnetjes overdoet.

D E  R A M E N

De ramen staan vol heiligen, gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond, gehertoogd en gegraafd;
die ’t branden van het ovenvier geglaasd heeft in den scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf [25].

Doch schaars is herontsteken in den oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op de heiligen, zoo smelt
’t samijtwerk uit den mantelworp, de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen en graven dan, zoo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer, ’t is alles henen, tot
één’ helderheid gesmolten, in één zonnelicht – in God. [26]

– Guido Gezelle [27]

Kerkramen Noordzijde Keulen[28]

Volgens mij bepleit Guido Gezelle met dit gedicht – ondanks de pracht van gebrandschilderde kerkramen als vensters op de wereld – een lege spiegel zonder standaard in Gods aangezicht”, zegt Man.

 

 

[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[2] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Noordoostpolder
[3] Bron afbeelding: http://da.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[4] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(boeddhisme)
[5] Bron: Bridges, Jeff & Glassman, Bernie, The Dude and the Zen Master. New York: Plume, 2014, p. 95
[6] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sunyata, zie ook de Engelse Wikipedia-pagina over dit onderwerp
[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tropische_cycloon
[8] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 85 en 122
[10] Bron: Deshimaru, Taisen, Mushotoku Mind – The Heart of the Heart Sutra. Chino Valley: Hohm Press, p. 28, 29
[11] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C5%ABnyat%C4%81
[12] Bron: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 97
[13] Zie ook voor de “creatieve daad van zinneming en zinneming”: Merleau-Ponty, Maurice, Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Boom, 2009
[14] Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”.
[15] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.
[16] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84
[17] Zie: http://quoteinvestigator.com/2013/10/04/never-happened/
[18] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[19] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Moksha
[20] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Huineng
[21] Bron: The Sixth Patriarch’s Dharma Jewel Platform Sutra. Burlingame: Buddhist text translation society, 2002, p. 67
[22] Letterlijke vertaling uit het latijn: hij/zij/het is vlees geworden
[23] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[24] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[25] “Gemiterd en gestaafd”: van mijters en staf – als tekenen van autoriteit – voorzien. “’t branden van het ovenvier geglaasd”: tot glas geworden door het branden van het overvuur. “Al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf”: toont al de schilderingen op de plafonds van de kerken.
[26] Bron: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/gezelle/rijmsnoer/ramen.htm Het gedicht is door Guido Gezelle gedateerd op 14 april 1895.
[27] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Guido_Gezelle
[28] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Stained_glass

Advertenties

Vrijheid en gebonden: hebben of zijn


De volgende morgen ontmoeten Carla, Man elkaar op het Beursplein.

“Gisteravond was ik te uitgesproken in mijn mening over Calvijns predestinatie. Misschien had ik de uitwassen teveel voor ogen – ik denk hierbij aan de slavenhandel, het neerslaan van opstanden in de Hollandse kolonies, en het streven naar kapitaal – en ik had te weinig oog voor de verdiensten, zoals het leefbaar houden van een groot stuk land onder zeeniveau, een grote tolerantie vaak gebaseerd op een goede handelsgeest. Ik ben vaak te uitgesproken, wat meer mildheid zou mij sieren”, zegt Carla.

“Ik bewonder Holland om zijn schilderkunst, zijn pragmatisme, zijn verhoudingsgewijs goede huisvesting voor iedereen. Ook dit is voortgekomen uit de handelsgeest en het rentmeesterschap Gods dat in onze eeuw geregeld gestalte heeft gekregen in een socialistische vorm. Jij hebt een aantal aanzetten tot latere ontsporingen treffend verwoord die mede zijn veroorzaakt door Calvijns leer van predestinatie. Iedere stroming of sekte die zich superieur acht, heeft een sterke tendens om na verloop van tijd te gaan ontsporen. Daar komt Narrator”, zegt Man.

“Staan jullie al lang voor deze kathedraal van het kapitalisme? In veel vroegere Christelijke kerken vinden geen reguliere kerkdiensten meer plaats, omdat de gelovigen zijn verdwenen of naar elders vertrokken. Deze kapitalistische kathedraal is ook niet meer in gebruik, de volgelingen van deze religie zijn vertrokken naar profijtelijkere plaatsen zoals de Zuid-as in Amsterdam of naar de beurzen in London of New York”, zegt Narrator.
Berus van Berlage[1]

“Dat klopt, de kapitalisten streven naar winstmaximalisatie [2] en daarmee bijten zij zich in hun eigen staart vergelijkbaar met spelers van een piramidespel. De bronnen van kapitaal zijn groot, maar eindig: eens drogen zij op.

Het kapitalisme had al een lange weg achter de rug voordat het Calvinisme er deels uit is voortgekomen en er verder vorm aan heeft gegeven. Laat ik eerst deze lange weg in vogelvlucht vertellen.

Waarschijnlijk is het begrip kapitalisme afgeleid van het Romeinse woord “caput” [3], dat hoofd (van een mens) betekent. Hiermee wordt het belang van privébezit binnen het kapitalisme benadrukt.

De aanzet voor het kapitalisme is gegeven met het gebruik van hulpmiddelen door afzonderlijke mensen om bepaalde activiteiten eenvoudiger en/of sneller te kunnen verrichten. Bij de jager-verzamelaars bestonden deze hulpmiddelen uit stenen om noten te kraken, uit wapens om op dieren te jagen en later uit hulpmiddelen in combinatie met vernuft om dieren te domesticeren voor voedsel of als hulpmiddelen bij de jacht. Daarbij hadden jager-verzamelaars een grote leefomgeving nodig als hulpmiddel voor hun bestaan. Wanneer deze leefomgeving of leefomstandigheden – denk daarbij aan vrouwen en kinderen – werd bedreigt door andere jager-verzamelaars of groepen jager-verzamelaars, dan werden deze kapitale hulpmiddelen verdedigd.

Het kapitalisme kreeg een nieuwe gestalte bij nomadische samenlevingen van veehoeders; het kapitaal van deze nomadische veehoeders was hun kudde en hun weidegronden. De bijbehorende kapitale hulpmiddelen – zoals dieren voor transport en voor het hoeden van vee – stonden in dienst van het hoeden en verdedigen van de kudde vee, of deze hulpmiddelen – zoals vrouwen en kinderen – waren voor mannen nodig voor het voortbestaan. Een religieuze uiting binnen deze samenleving van veehoeders was de veecyclus [4]. In deze Proto-Indo-Europese wereld vertegenwoordigen vrouwen het enige bezit dat echt van waarde is [5]; mannen hadden het bezit van vee nodig als ruilmiddel om vrouwen te verkrijgen. In de Rooms-katholiek en Lutheraans versie van de tien geboden zien wij hiervan nog een overblijfsel in de vorm van het negende gebod: “Gij zult de vrouw van uw medemens niet begeren” dat vooraf gaat aan het tiende gebod: “Gij zult het huis van uw medemens niet begeren” [6].

Binnen het agrarisch kapitalisme van de akkerbouw werd de beschikking over – en later het bezit van – grond en water een noodzakelijk kapitaal dat nodig was voor het voortbestaan [7]. In de loop der tijd heeft het agrarisch kapitalisme van de akkerbouw door in bezit name van vaste akkerbouwgronden de nomadische samenlevingen van veehouders verdreven naar uithoeken van de Westerse menselijke samenleving. Door de invoering van het drieslagstelsel binnen de akkerbouw in de vroege Middeleeuwen – in combinatie met beperkte veeteelt – kunnen uiteindelijk meer mensen een bestaan hebben op vaste stukken grond.

Binnen de samenlevingen van veehoeders en akkerbouwers was ruilhandel nodig omdat mensen binnen deze samenlevingen niet meer volledig zelfstandig in hun bestaan konden voorzien en omdat de behoefte aan gespecialiseerde hulpmiddelen of diensten steeds verder toenam. Er was ruilhandel nodig op lokale markten of tijdens kermissen. De ruilhandel verliep in eerste instantie in natura; later werden zeldzame objecten – eerst zeldzame stenen of metalen en later muntgeld met een afbeelding van een leider als vertrouwenwekkend “persoon in het midden – gebruikt als “objecten in het midden”.

In de Westerse samenleving van de tweede helft van de Middeleeuwen nam tijdens en na de Kruistochten de handel in speciale voorwerpen en diensten steeds verdergaande vorm aan. Hierdoor en ook door het verval van het feodalisme ontstond er tijdens de Renaissance een nieuwe economische organisatie in West-Europa waarbij handel gesteund door de (stad-)staat in de vorm van het mercantilisme [8] steeds verder in belang toenam. Met het mercantilisme nam het belang van muntgeld als vertrouwenwekkende “object in het midden” steeds meer toe. Het bezit van muntgeld werd steeds meer een zelfstandig nastrevenswaardig levensdoel op zich, want met geld zouden alle levensdoelen verkregen kunnen worden, zelfs kwijtschelding van zonden voor een goed hiernamaals door middel van aflaten [9] binnen de Katholieke kerk aan het einde van de Middeleeuwen.
Mercantilisme[9]

Door het mercantilisme verschoof de aandacht in het leven van mensen steeds meer van “zijn” naar “hebben”. In de vroegere wereld van de scholastiek was men een mens binnen een vast liggende levensorde waarbinnen een mens deugdzaam behoorde te leven. In de nieuwe wereldorde was het hebben van bezit in de vorm van geld een groot goed waarmee een goede plaats in het leven en in het hiernamaals kon worden verkregen; het bezit en behoud van muntgeld steeg in achting en het verkrijgen van winst veranderde in de loop der tijd van verachtelijk handeling in een lovenswaardige activiteit.

Deze vorm van mercantilisme nam in de Republiek der Nederlanden een grote vlucht, door de unieke positie van Holland in de een belangrijk rivierdelta, door gebrek aan akkerbouwgrond in Holland waardoor granen door ruilhandel verkregen moesten worden net als in de stadstaat Athene in de vijfde eeuw voor Christus, en door een unieke vorm van collectief beheer van de polders. Daarbij gaven de handelaren en welgestelde burgers – de Nouveau Riche uit die tijd – in Holland de aanzet tot vergaande aanpassingen en vernieuwingen van het mercantilisme.
Een van de aanpassingen betrof het vervangen van muntgeld als “ruilobject in het midden” door waardepapieren [10]. Zonder directe koper van de goederen kon na keuring een scheepslading op de Dam van Amsterdam worden geruild tegen waardepapieren. De handelaren in Holland deden er alles aan om het vertrouwen in deze waardepapieren te bestendigen.

Een belangrijke verandering betrof het uitgeven van aandelen binnen corporaties van handelaren om omvangrijke risicovolle handelsondernemingen mogelijk te maken naar verre overzeese koloniën. Hierdoor verplaatste het initiatief van uitgave van aandelen zich van de adel of (stad-)staat naar initiatieven door privépersonen.
Waardepapier van de VOC uit 1662[11]

Door deze aanpassingen verschoof het belang van muntgeld – geslagen uit edelmetaal en met een opdruk van de afbeelding van een vertrouwenwekkende heerser – naar gedrukte waardepapieren uitgegeven door handelaren en welgestelden. Door deze verandering verschoof het economisch initiatiefrecht van de adel en de (stad-)staat naar handelaren en welgestelde privépersonen en corporaties hiervan.

Voor de “Kleine Luyden” van boeren, lokale middenstand en ambachtslieden in Holland betekenden deze nieuwe vorm van mercantilisme een aardverschuiving; hun gehele economisch bestaansrecht kon door een oorzaak van buiten binnen korte tijd volledig verdwijnen doordat anderen – vaak in gewijzigde vorm – hun middelen van bestaan overnamen. Hierop kon door hen geen enkele invloed worden uitgeoefend.
Binnen deze wijziging van de leefwereld van de “Kleine Luyden” van een wereld gemodelleerd volgens de Middeleeuwse Scholastiek naar een wereld van mercantilisme is het Calvinisme tijdens de Reformatie in het redelijk welvarend Geneve ontstaan [12], en het heeft in het Holland van de 17 eeuw een zeer vruchtbare voedingsbodem gevonden.

Door het Calvinisme in combinatie met het mercantilisme is de aandacht in het leven van mensen verschoven van “zijn” naar “hebben”. Hoewel binnen het Calvinisme – met de predestinatie leer – het “zijn” in Gods genade van het allerhoogste levensbelang is, heeft enerzijds de dankbaarheid en de plicht voor de uitverkorenen om rentmeester Gods te zijn en anderzijds de voortdurende hang om door succes een voorbode van Gods uitverkiezing te verkrijgen, tot gevolg gehad dat het “hebben” in het aardse leven van immanent en onmetelijk belang is om later in dit leven en vooral in het hiernamaals te kunnen “zijn”.

In het verlengde van zijn werk “De angst voor vrijheid” stelt Erich Fromm in zijn latere werk “Hebben of zijn” [13]: “Wij leven in een maatschappij die berust op de drie pijlers van privébezit, winst en macht. Verwerven, bezitten en winst maken zijn het geheiligde en onvervreemdbare recht – en de plicht als rentmeester Gods volgens Calvijns predestinatie – van de mens in de nieuwe wereldorde die is voortgekomen uit het mercantilisme. Daarbij speelt het geen rol waar het eigendom vandaan komt, noch de vraag of er aan iemands bezit verplichtingen zijn verbonden” [14].

Calvijn predestinatie – ingebed in het mercantilisme – beschouwt het hebben van bezit als een voorbestemming Gods en daarom een onveranderlijk recht en plicht voor de rentmeesters Gods. Dorothee Sölle stelt in haar werk “Mystiek en verzet – Gij stil geschreeuw” dat Erich Fromm terecht een zinvol onderscheid maakt tussen enerzijds het functioneel eigendom van gebruiksvoorwerpen om in het bestaan te voorzien en anderzijds eigendom om de sociale status van het ego te verhogen, zekerheid voor de toekomst te garanderen of alleen maar ten gerieve van de zelfstandige begeerte. Over het hebben van deze laatste vormen van eigendom zegt Dorothee Sölle – denk ik terecht – dat het “hebben” de relatie tot de naaste, tot de natuur en tot het ik vernietigt [14]. En zij stelt vrij weergegeven: het uitzicht op een hiernamaals in Gods genade door het streven naar aardse bezittingen verwordt al gauw in een gevangenis op aarde en een voorbode van de hel. Franciscus van Assisi duldde geld slechts op de mestvaalt. [14]
In onze moderne tijd is het papiergeld ingeruild voor virtuele bits in computersystemen die ons – via beeldschermen – al dan geen toegang bieden tot aardse hulpmiddelen. Deze virtuele bits zijn een eigen leefwereld gaan leiden waarin de mensheid steeds meer een dienaar is gaan worden van de vele vormen van bitcoins binnen deze computersystemen. Toegang hebben tot deze leefwereld van bits en beeldschermen is het “zijn” in ons dagelijks bestaan steeds meer gaan overschaduwen. Via deze grote omweg heeft de leegte van de virtuele bits en beeldschermen de rijkdom van ons bestaan in beslag genomen. Dit is in vogelvlucht mijn inleiding tot het kapitalisme”, zegt Carla.

“Zoveel in zo weinig woorden bij deze kathedraal van het kapitalisme. Bij dit gebouw en bij jouw inleiding moet ik denken aan de haiku van Rӯokan nadat dieven alles uit zijn hut hadden meegenomen:

Uit mijn kleine hut
Namen dieven alles mee
De maan bleef achter [15]

De maan staat voor het rotsvaste geloof van Rӯokan”, zegt Narrator.

“Hebben of zijn. Na dit terecht somber beeld van het menselijk bestaan zou ik jullie een andere vorm van leegte willen laten zien: de leegte van de Waddenzee. De komende dagen is het mooi weer. Mag ik jullie uitnodigen voor de laatste zeiltocht met mijn zeilbootje, want binnenkort geef ik het bootje aan een goede vriend die veel jonger is. Op de zeilboot kunnen wij “leegte” – het volgende deel van onze zoektocht – voorbereiden”, zegt Man.

“Zullen wij vanmiddag bezien wat wij op dit deel van onze zoektocht nog willen onderzoeken?”, vraagt Carla.
[1] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Beurs_van_Berlage
[2] Zie voor een andere uitleg van kapitalisme: http://en.wikipedia.org/wiki/Capitalism
[3] Bron: Ayto, John, Word Origins – The hidden Histories of English Words from A to Z. London: A & C Black Publishers, 2008
[4] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 33
[5] Zie: McGrath, Kevin, STRῙ Women in Epic Mahābhārata. Cambridge: Ilex Foundation, 2009, p. 9 – 15
[6] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tien_geboden
[7] Zie ook: Beyens, Louis, De Graangodin – Het ontstaan van de landbouwcultuur. Amsterdam: Atlas, 2004
[8] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Mercantilism en http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_Europa
[9] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aflaat
[10] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Mercantilism
[11] Een obligatie van de Vereenigde Oostindische Compagnie uit 1622. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Waardepapier
[12] Zie ook: Fromm, Erich, De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme. Utrecht: Bijleveld, 1973 p. 67
[13] Fromm, Erich, Haben oder Sein. München: Deutscher Taschenbuch Verlag, 2011, p. 89
[14] Sölle, Dorothee, Mystiek en verzet – Gij stil geschreeuw. Baarn: Ten Have, 1998, p. 327 – 328
[15] Bron: Stevens, John, Three Zen Masters, Ikkyū, Hakuin, Rӯokan. Tokyo: Kodansha International, 1993, p. 131.

Vrijheid en gebonden: de angst voor vrijheid


Aan het begin van de avond ontmoeten Carla, Man en Narrator elkaar in de Vijzelstraat met zicht op de Gouden Bocht [1] aan de Herengracht.
Gouden Bocht Herengracht[2]
“Dit is een mooie plaats om verder te gaan met onze zoektocht naar “Een persoonlijk relatie met God”. In het Amsterdam van de 16e en 17e eeuw werd door de Amsterdamse welgestelden de rechtmatigheid en de genade van hun persoonlijke relatie met God onder meer op deze plaats in steen vastgelegd.
Gouden Bocht Herengracht 2[2]
Tijdens de Nederlandse Reformatie heeft het Calvinisme met de leerstelling van de predestinatie van Gods genade het wereldbeeld van deze Amsterdamse handelaren en welgestelden radicaal gewijzigd.
Binnen het Scholastische wereldbeeld voor de Nederlandse Reformatie werd Gods genade in de loop van een mensenleven in synergisme [3] tussen Goddelijk en menselijk handelen bepaald. Door goede daden kon de mens Gods genade verkrijgen en door zonden en doodzonden verloor de mens Gods genade gedeeltelijk of zelfs geheel. Wanneer een groot aantal zonden tijdens het leven waren begaan, diende de mens na de dood een tijd van loutering in het vagevuur door te brengen alvorens weer in Gods genade te kunnen worden aangenomen.
Tijdens de Reformatie heeft Luther zijn leerstelling van het Goddelijk monergisme vastgelegd: alleen God bepaalt in Zijn onmetelijke almacht de rechtmatigheid van Zijn genade voor de mens. Volgens Luther kan een mens Gods genade verliezen doordat een mens het geloof in God verliest; de mens heeft een vrije wil tot het behoud van het geloof in God.
Binnen het Goddelijk monergisme [4] van Calvijn wordt de genade Gods enkel en alleen door God bepaald. De mens heeft geen vrije wil tot het verkrijgen van de rechtmatigheid en de genade van God; de mens verkrijgt en behoudt deze genade door de uitverkiezing van God. Door predestinatie behoudt God zijn genade voor aan zijn uitverkorenen.

Genade Gods[5]

De handelaren en welgestelden in Amsterdam beschouwden zich door hun Gereformeerd geloof op basis van Calvijn als uitverkorenen van God. Hierdoor dienden zij – als rentmeester van God – tijdens hun aardse leven voortdurend bezig te zijn met het verwezenlijken van Gods werken op aarde. Deze grachtenpanden zijn de vruchten in steen van hun rentmeesterschap Gods”, zegt Narrator.

“Aan de ene kant is de handelaren en welgestelden deze puissante rijkdom komen aanwaaien met de wind in de zeilen van hun handelsschepen. Aan de andere kant hebben zij met de duivel op hun hielen voortdurend ontstellend hard gewerkt om dit aardse rentmeesterschap Gods waar te maken om zo de onzekerheid over de voorbestemming van Gods genade – men was nooit helemaal zeker van deze genade, en een vooruitzicht hierop was in het hier en nu meer dan welkom – te verkleinen. Daarnaast vonden de handelaren en welgestelden dat zij door Gods voorzienigheid en door hun welvaren recht op hadden op het rentmeesterschap van God. Dit rentmeesterschap gaf hen het recht om hun rechtmatige deel van het aardse bezit toe te eigenen en in naam van God te beheren”, zegt Man.

“Erich Fromm [6] heeft in zijn werk “De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme” [7] de invloed en de gevolgen van de predestinatie leer van Calvijn op de mens tijdens de reformatie en op de mensheid in de 20e eeuw onderzocht en beschreven. Volgens Calvijn houdt de volkomen almacht van God de volledige onmacht van de mens in. Het menselijk geloof is gegrond in de menselijke machteloosheid. Alleen op basis van deze machteloosheid kunnen wij vertrouwen op Gods almacht die – wanneer het Hem behaagt – ons zal leiden naar de komst van een nieuwe, betere wereld. Volgens Calvijn is de mens op geen enkele manier meester over zichzelf; het streven naar deugdzaamheid als doel in zichzelf is voor Calvijn ontoelaatbaar en zou alleen tot ijdelheid leiden. De verlossing van een mens uit dit aardse bestaan door middel van Gods genade of een eeuwige verdoeming is al volledig door God bepaald voordat een mensenleven begint; geen goede of slechte daden kunnen hier nog verandering in brengen. Deze uitverkiezing van een mens bepaalt alleen God in zijn absolute almacht waarin de mens niet kan en niet mag binnendringen. Hoewel Calvijn alle rechtvaardigheid en liefde op God projecteert, bezit de God van Calvijn volgens Erich Fromm de kenmerken van een absolute tiran zonder enige compassie; deze God van Calvijn strookt volgens Erich Fromm niet met de Christelijke God uit het Nieuwe Testament.
De predestinatie leer heeft volgens Erich Fromm twee psychologische aangezichten. De mens wordt iedere vrijheid tot eigen handelen ontnomen om hierdoor het leven hier en in het hiernamaals te veranderen: de mens is een machteloos werktuig in Gods handen. Tegelijkertijd wordt de mens de twijfel ontnomen door voortdurend in Gods almacht te verkeren.
De God van Calvijn is voortgekomen uit de Reformatie die een enorme sociale omwenteling teweeg heeft gebracht in Holland, Duitsland en Engeland. In het Duitsland van Luther veroorzaakte de sociale omwenteling een algemene onrust; vooral de middenstand, maar ook de boeren en het stadsproletariaat voelden zich in hun bestaan bedreigd door het wegvallen van de oude zekerheden en onderlinge verbanden van een samenleving gegrondvest op de kerkelijke Scholastiek, door de snelle verspreiding en rechtstreekse toegankelijkheid van deze verandering en de toename van kennis door de boekdrukkunst, en door de opkomst van het kapitalisme. De “kleine luyden” [8] in Holland, Engeland en Frankrijk voelden zich door de Reformatie en de toenemende individualisering nietig, alleen, beangstigd en machteloos binnen een leven waarin ieder menselijk streven zinloos leek. De predestinatie leer van Calvijn gaf voor de “kleine luyden” woorden aan deze gevoelens van onmacht èn gaf doel en zin aan de machteloosheid.

Synode Dordrecht[9]
Door de predestinatie leer van Calvijn wordt het besef van volkomen minderwaardigheid bovendien gesublimeerd tot een absolute superioriteit voor de uitverkorenen Gods; zij zijn van het begin der tijden tot in eeuwigheid in de genade van Gods almacht: niets en niemand kan ooit meer tornen aan deze uitverkiezing. Zoals wij al eerder hebben besproken: het aanhangen van het juiste geloof en verwerven van succes vormt een teken van de uitverkiezing. Een Godvrezend mens zal elk uur van haar/zijn bestaan in het zweet des aanschijns Zijn werken naar Zijn voorbestemming tot stand brengen – uit overtuiging, uit plicht en uit dwang –, want Calvijn en zijn aanhang hadden de absolute overtuiging tot Zijn uitverkorenen te behoren. Door deze directe relatie met God als Zijn uitverkorenen beschouwden de Calvinisten zich als volkomen superieur aan de andersdenkenden en hierdoor waren zij voorbestemd om op te treden als rentmeester Gods binnen Zijn wereldorde.
De predestinatie leer van Calvijn biedt voor de handelaren en welgestelden in Holland – de Nouveau Riche van de 16e en 17e Eeuw die zijn voortgekomen uit de “Kleine Luyden” – een rechtvaardiging voor de soms zeer discutabele verwerving van hun kapitaal: door Zijn uitverkiezing zijn de Godsdienstige handelaren en welgestelden op Calvinistische grondslag de absolute Rentmeesters Gods.
De predestinatie leer van Calvijn biedt aan een Calvinistische kapitein van een Hollands handelsschip uit die tijd de rechtvaardiging om schipper naast God te zijn. Door Gods uitverkiezing was de kapitein absoluut heerser over de boot, zijn bemanning en vracht; een opstand tegen hem was een opstand tegen de absolute almacht van God. Deze predestinatie leer bood ook de rechtvaardiging aan de Hollanders om te heersen over de koloniën en om ruim een eeuw later slavenhandel te drijven als Gods rentmeester over de niet uitverkorenen minderwaardige wezens.
Rembrandt van Rijn, twee moren[10]

De predestinatie leer van Calvijn veroorzaakte volgens Erich Fromm een vlucht voor vrijheid in de vorm van:
• volgzaamheid aan de Calvinistische leerstellingen en aan de wereldlijke autoriteit op aarde die door God was gezonden,
• destructivisme van onder meer andersdenkenden en andere culturen die Gods orde niet aanvaarden,
• conformisme aan de Gereformeerde (Calvinistische) gemeente.
De predestinatie leer van Calvijn heeft bij zijn volgelingen de angst, onzekerheid, nietigheid en machteloosheid laten sublimeren in absolute superioriteit voor de uitverkorenen. Hierdoor is het voor Calvinisten zo uitermate belangrijk om als uitverkorenen een directe relatie met God te hebben waarbij het helpt om de zuivere leer te volgen en om bij de enig ware gemeente te behoren; de drijfveer tot de zuivere leer binnen de enige ware gemeente heeft in de loop der tijd vele scheuringen in gezinnen, in families en in de Gereformeerde gemeenten veroorzaakt. [7]
Zal ik morgen verder gaan met de opkomst van het kapitalisme tijdens de Reformatie waar de leer van Calvijn mede uit is voortgekomen en waar het Calvinisme in belangrijke mate vorm aan heeft gegeven?”, zegt Carla.

“Het Katholicisme – dat ik in mijn jeugd in Zuid Limburg heb leren kennen – heeft vele tekortkomingen en de leerstelling van het uitverkoren volk binnen de Joodse religie heeft veel leed veroorzaakt en soms ook draaglijk gemaakt. Door deze tekortkomingen heb ik mij nooit volledig thuis gevoeld binnen deze beide religies.
De middelbare school heb ik doorlopen op een Christelijke Gereformeerd gymnasium. Na mijn jeugdjaren in Zuid Limburg vond ik in het begin de nederigheid, de zuiverheid op de letter en overijverigheid binnen dit geloof vreemd; na verloop van tijd ben ik er aan gaan wennen. Maar met de steilheid, de zelfvoldaanheid en superioriteit van de voorste banken in de Gereformeerde kerk heb ik altijd moeite gehouden, zoals ik ook de neerbuigendheid van de notabelen binnen de Katholieke kerk nog steeds slecht kan verdragen.
De angst voor vrijheid van Erich Fromm heb ik net als jij gelezen aan het begin van de 70er jaren. Met jouw uitleg van de sublimering van de machteloosheid naar superioriteit van de uitverkorenen geef jij een interessante aanvulling op dit boek. Dezelfde sublimering van de nietigheid en machteloosheid naar absolute superioriteit heeft in de jaren ‘30 in Duitsland plaatsgevonden met als gevolg autoritariteit, destructivisme en conformisme [11] door het andere regime in Duitsland tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog”, zeg Man.

“De droeve gevolgen van deze sublimatie zijn te lezen in de geschiedenisboeken en velen dragen deze verschrikkingen nog dagelijks mee.
Heeft Indra’s net – waarbinnen iedere schitterende parel tegelijkertijd het volledige net vormt en weerspiegelt – ook te maken met nietigheid, machteloosheid binnen iedere parel om door sublimatie een echte of vermeende innerlijke superioriteit te verwerven?”, vraagt Narrator.

“Interessante vraag. Ik denk dat de oorsprong van het Boeddhisme, het Zen Boeddhisme en deze tak daarvan ook zijn voortgekomen uit de diepe doorleving van nietigheid, zinloosheid en machteloosheid binnen het menselijke leven. Hierdoor zijn deze Oosterse religies in ieder geval verbonden met de oorsprong en de oorzaak van de leer van Calvijn. Maar ik weet zeker dat Indra’s net aan de ene kant de predestinatie leer van Calvijn eenvoudig kan bevatten en weerspiegelen, maar door de vele andere lichten zal Indra’s net waarschijnlijk niet zo snel radicaal en absoluut tot de uiterste consequenties van de predestinatie leer van Calvijn overgaan”, zeg Man.

“Ik ben daar minder zeker van. Ik denk dat Indra’s net wel degelijk een extreme levensovertuiging zoals het andere regime in Duitsland kan voortbrengen; zoals wij al eerder zagen: Indra’s net kan ook ziek zijn. Maar ik betwijfel of iedere parel door sublimatie van nederheid, nietigheid en machteloosheid spontaan tot superioriteit zal besluiten; hiervoor is er teveel tegenwicht binnen Indra’s net zoals er tijdens het andere regime in Duitsland ook tegenwicht aanwezig was, dat helaas volledig werd overstraald door de hoofdstroom van conformisme aan de autoriteit van de leider en destructivisme van andersdenkenen. De drie stromen van autoritariteit, destructivisme en conformisme zijn van alle tijden net zoals de voortdurende cyclus van eer/macht – hoogmoed – toorn – wraak bij strijders in de klassieke oudheid. Op dit punt heb ik helaas realistisch pessimisme”, zeg Carla.

“Het realistisch pessimisme deel ik met jou en daar zou ik het ideaal van de Boddhisattva met een grenzeloze compassie aan toe willen voegen waarbij ik onder compassie ook reken het aanvaarden van standpunten waar ik het volledig mee oneens ben”, zegt Man.
“Een mooi ideaal dat mij hoop geeft”, zegt Narrator.

“Zonder hoop op een betere toekomst is het voor veel mensen moeilijk om te leven”, zegt Carla.

“Volgens mij ontbreekt binnen de metafoor van Indra’s net niets”, zegt Narrator.

“Morgen verder? Laten we nu verder genieten van deze mooie avond”, zegt Carla.
“Dat is goed”, zeg Narrator.

“Laten wij nog wat drinken, wat willen jullie”, zegt Man.

“Voor mij wat fris”, zegt Carla.

“Voor mij een pils: dat is nodig na de steile predestinatie leer van Calvijn”, zegt Narrator.
[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gouden_Bocht
[2] Bron afbeeldingen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gouden_Bocht
[3] http://en.wikipedia.org/wiki/Synergism_%28theology%29
[4] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Monergism
[5] Bron overzicht en zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Justification_(theology)
[6] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Erich_Fromm
[7] Dit betoog van Carla Drift volgt op een vrije wijze – met enkele aanvullingen – de passages over dit onderwerp uit: Fromm, Erich, De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme. Utrecht: Bijleveld, 1973 p. 67 – 138
[8] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Kleyne_luyden
[9] Gravure van de Synode in Dortrecht in de 17e eeuw. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Calvijn
[10] Schilderij “Twee moren” van Rembrandt van Rijn. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Rembrandt_van_Rijn
[11] Zie ook: Fromm, Erich, De angst voor vrijheid – de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme. Utrecht: Bijleveld, 1973 p. 104 – 138

Carla Drift – Studie menswetenschappen 2


In het verlengde van psychologie en geschiedenis bestudeerde ik ook de geschiedenis van het recht en de gebrekkige rol van taal op het gebied van emoties, cultuur en karakter.

De geschiedenis van het recht bestudeerde ik om meer inzicht te krijgen in de ordening van de samenleving en de verhoudingen tussen individuen onderling. Heel lang geleden was alles privé en groepsrecht. Bij vogels heeft de bewoner van een territorium net even meer te zeggen dan een indringer – meestal druipt de indringer af tenzij de bewoner niet oplet of niet in staat is zijn territorium te verdedigen. De bewoner heeft het territorium nodig om over voldoende voedsel te kunnen beschikken voor de jongen.

[1]

Bij mensen speelt een soortgelijk mechanisme een rol bij de wijze waarop mensen of groepen recht laten gelden op een gebied. Daarnaast hebben mensen gewoonterecht ontwikkeld en gastvrijheid voor bezoekers. Deze gastvrijheid is soms vastgelegd in gastrecht [2] – vaak vinden hierbij ruilprocessen plaats met “objecten in het midden” om vertrouwen te bewerkstelligen en bestendigen tussen bewoners en bezoekers.

[3]

Heersers hebben al vroeg door middel van recht willen aantonen wie het voor het zeggen had – de baas [4]  was – in een bepaald gebied. Een van de oudste wetboeken is de codex van Hamurabi [5]. Met de verspreiding van deze Codex in spijkerschrift op zuilen binnen zijn rijk, toonde Hamurabi aan wie zeggenschap had over de gebruiken en de orde binnen zijn heerschap. Deze codex van Hamurabi kende een lange lijst met straffen op overtredingen – de meeste straffen hadden kenmerken van “oog om oog, tand om tand”. Bijna alle straffen waren af te kopen met een “object in het midden” om het vertrouwen weer te herstellen – de straf op het per ongeluk ernstig verwonden van de buurman bij werkzaamheden kon worden afgekocht met overdracht van vee om het onderlinge vertrouwen te herstellen.

 
[6]

Naast het recht tussen mensen onderling, was er ook recht dat was gericht op het algemeen belang. Een deel van dit publieke recht was vastgelegd in verdragen tussen vorsten en heersers onderling. Het verschil tussen deze vorsten en heersers en de hedendaagse warlords is in vele gevallen slechts gradueel. In de mate van wreedheid en machtswellust wordt het verschil getoond; heel soms zijn de heersers en vorsten wijs en gematigd. Deze verdragen begonnen meestal met een overweging dat er vroeger ook al een verbintenis was tussen de ouders of voorouders van de heersers met een bepaalde ordening; na de overweging volgde de verbintenis die verder bouwde op vroegere ordening en tot slot werden strafbepalingen opgenomen voor het niet nakomen van het verdrag. Deze straffen varieerden van oorlogsverklaringen tot volledig uitroeien van bevolkingen.

Een andere vorm van publiekrecht was oorlogsrecht waarin de gebruiken van oorlog en belegeringen waren bepaald. Enkele voorbeelden hiervan. Een stad kon belegering en plundering meestal voorkomen door het overhandigen van een buit tot het moment was aangebroken waarop de stad volledig was omslingeld; daarna was alleen een volledige overgave mogelijk. De plundering van de stad na de overgave of inname duurde een vastgestelde tijd van meestal een paar dagen. Na die tijd werd de buit verdeeld onder de veroveraars; de inwoners van de stad waren na verovering meestal een periode rechteloos – soms vervielen zij tot slavernij.

Naast deze vormen van publiekrecht waren er ook vormen van gemeenschapsrecht – bijvoorbeeld het gebruik van algemene weidegronden. Tegen het einde van mijn studie las ik een studie over oud Iers recht [7]; het is verrassend hoe herkenbaar deze rechtsvorm – met vele vormen van onderlinge zorgplicht – nog steeds is. Veel aandacht werd gegeven aan het in stand houden van het algemeen belang. Recent zijn in de wereld aan het gemeenschapsrecht nog het recht op educatie, ontwikkeling en ontplooiing toegevoegd ter verbetering van de samenleving. In het belang van de gemeenschap zijn straffen zoals “oog om oog” vaak gewijzigd in onder meer educatie en resocialisatie.

Op het gebied van taal bestudeerde ik hoe taal de onderlinge verhoudingen tussen mensen weerspiegelde en hoe de kijk op de wereld in taal wordt weerspiegeld. Later op onze Odyssee komen wij hier voorbeelden van tegen.

Erich Fromm [8] heeft in een van zijn werken gesteld dat wij de taal voor intensiteiten en associaties hebben verloren. Tijdens mijn studie is het mij opgevallen dat onze taal voor emoties, cultuur en karakter ook erg gebrekkig is. In onze hedendaagse samenleving kunnen wij over emoties, liefde , cultuur ons maar gebrekkig uitdrukken. Onderling praten wij hierover niet veel – met mijn grote liefde heb in taal geen goede communicatiemogelijkheid kunnen vinden voor de diepere emoties. Wij hebben altijd veel beter kunnen communiceren door handelingen, bewegingen en lichaamstaal. De belangrijke beslissingen hebben mijn grote liefde en ik altijd intuïtief gemaakt – hierbij was onze onderbuik belangrijker dan onze gedachten. Ik heb eens gelezen dat wanneer Fransen vragen “Comment ça va? ”, dit “ça” betrekking heeft op de onderbuik – een mooie gedachte. Waarschijnlijk communiceren wij op het gebied van emoties, cultuur en karakter wel meer door middel van gedragingen zoals lichaamstaal, handelingen zoals gastvrijheid, openheid en acceptatie enerzijds en negeren, afsluiten en agressie anderzijds. In Holland is zijn de inwoners door middel van de verzuiling tot ongeveer 30 jaar geleden erg goed geweest in het volledig naast elkaar leven van volstrekt verschillende religies. Tegenwoordig wordt negeren bij kinderen gezien als een vorm van pesten – misschien was deze manier van samenleven voor de inwoners van Holland wel een modus vivendi om erger te voorkomen.

In mijn bijbaan hield ik mij bezig met statistiek en correlaties tussen verschillende meetresultaten; vele medewerkers en studenten in de menswetenschappen konden hierbij wel enige hulp gebruiken. Als kleine intellectuele uitdaging volgde ik de ontwikkelingen van populatie mathematica; later heb ik deze kennis bij verschillende studies naar misdrijven tegen de mensheid kunnen gebruiken. Deze intellectuele uitdaging hield ik voor mijzelf – het leek mij verstandig om op dit punt verstoppertje te spelen, want deze vorm van wiskunde viel buiten de menswetenschappen.

Het volgende bericht gaat verder over mijn dagelijks leven in Amsterdam – ook een vorm van verstoppertje spelen.


[4] Man Leben zou hier hebben opmerkt dat “bhâsh” in het Sanskriet “spreken, noemen” betekent.

[7] Zie ook: Kelly, Fergus, A Guide to Early Irish Law. Dublin: Duldalgan Press, 2005 (eerste editie van 1988)

[8] Zie ook: Fromm, Erich, The Forgotten Language. New York: Rinehart & Co, 1951

Carla Drift – jaren van ontluiken 2


Mijn eerste dag op het gymnasium begon met ongeveer 10 kilometer fietsen met onderweg een pittige heuvel. De school was veel groter dan onze dorpsschool. Nieuwe klasgenoten en veel nieuwe leraren. Het leren bleef makkelijk en ik zorgde ervoor om dat niet te tonen. Ik bleef een buitenbeentje als leerling uit een ver gehucht met een ander dialect die iedere dag 20 kilometer alleen op de fiets zat.

Na verloop van tijd ontstond een vriendinnenclubje en ik voelde me op school wat beter thuis. In de lessen verveelde ik mij en huiswerk maken was niet nodig: het moest nog een beetje spannend blijven. In ons dorp speelde ik muziek in de harmonie; ik had ook nog enkele vriendinnen van de lagere school. Met een lagere schoolvriend trok ik veel op – wij trokken door de bossen en beleefden daar allerlei avonturen. Door het vele fietsen had ik een uitstekende conditie – veel jongens konden mij niet bijhouden tot zij halverwege de middelbare school voldoende mannelijke hormonen hadden gekregen om mij met lichaamskracht voorbij te streven.

Als oudste van de drie zussen had ik een voordeel: ik had controle over alles wat er tussen ons gebeurde. Ik moederde over hen; dit leverde ook wel eens conflicten op met mijn zussen en mijn moeder. De oudste zijn had ook een nadeel: ik dacht dat ik controle kon hebben over alles wat er tussen ons gebeurde [1]. Ik merkte in de derde of vierde klas dat ik de enige bijzondere dochter was. Mijn zussen waren gewone normale leerlingen; mijn bijlessen voor hun middelbare school leverden niet veel extra resultaat op. Ik was en bleef het enige buitenbeentje in ons huis.

Aan mijn tweede zus is in haar klas op school gevraagd hoeveel boeken er per jaar thuis werden gelezen. De meesten kwamen tot ongeveer 10 boeken. Een andere klasgenoot kwam tot 50 boeken. Mijn zus zei dat wij ongeveer 500 boeken lazen. Dat klopte: ik las zo’n 300 boeken – vaak ook makkelijke boeken, mijn vader 100 boeken en mijn zussen ieder 50.

In de tweede helft van het gymnasium moesten wij voor onze boekenlijsten lezen. Voor Engels gaf ik het boek Ulysses van James Joyce op. Deze keuze moest ik wijzigen, want de leraar Engels vond het boek te ingewikkeld [2]. Ik koos voor de lijst “Lord of the flies” van William Golding – een roman over de ontsporing van een groep jongens op een eiland. Uiteraard las ik Ulysses ook van kaft tot kaft – het boek heb ik pas later bij herlezing beter leren begrijpen. Op zeer abstract niveau heeft het boek Ulysses qua structuur model gestaan voor onze Odyssee naar “Wie ben jij”. Yes, van de monoloog van Molly Bloom heb ik veel opgestoken over de aardse kijk van vrouwen op mannen, reken maar van yes. Weer speelde ik verstoppertje – nu met mijn gevoelens van liefde, totdat ik mijn grote liefde enkele jaren later in Delft tegenkwam.

 [3]

Voor Nederlands las ik onder andere het hele oeuvre van Hugo Raes en Jef Geeraerts. Door hen ben ik gevoelig geworden voor geïnstitutionaliseerde misdaden tegen de mensheid.

De Franse existentialisten en fenomenologen – Jean Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Albert Camus – las ik ook. Simone de Beauvoir was in die tijd voor mij een voorbeeld van een zelfbewuste intelligente vrouw – zij schreef prachtige boeken zoals “Niemand is onsterfelijk” en “De Schone Schijn”. Albert Camus met “De Mythe van Sisyfus” en “De Mens in Opstand” toonde mij vergaande keuzes van mensen – deze boeken komen wij later op onze Odyssee tegen.

In een overzicht van wereldfilosofie zag ik een verwijzing naar de Tao Te King van Lao Tse. Dit boek fascineerde mij omdat ik de denkrichting indertijd niet meteen kon duiden. Op onze Odyssee komen wij dit boek in hoofdstuk 7 tegen.

Vrouwenemancipatie en popmuziek kregen in die tijd een beperkte plaats in mijn leven. Mijn verliefdheden waren vaag en onbereikbaar; de jongens in mijn omgeving waren naïef of dom – behalve mijn lagere school vriend. Wij maakten allerlei zwerftochten – aan het einde van de Middelbare school ook meerdaagse tochten. Mijn moeder had hiertegen bezwaar; mijn vader vond het goed en begon over de pil – maar dat speelde niet. Wij gingen kamperen in België, een paar dagen liftend naar Parijs en naar Taizé voor het gemeenschapsgevoel – niet voor de religie. De laatste zomervakantie van de middelbare school hebben wij nog met de trein een maand door Europa gereisd. Ik heb nog steeds af en toe contact met hem.

[4]

Mijn exacte vakken gingen echt vanzelf. Natuurkunde en wiskunde kosten geen moeite. Een wiskunde olympiade leverde een mooie plaats op. Ik las de Scientific American in de school bibliotheek – de puzzles van Martin Gardner [5] vond ik leuk om op te lossen.

In de zomervakantie na mijn eindexamen las ik bijna alle boeken van Erich Fromm. Zijn humanisme tegen de stroom in vond ik zorgwekkend [6] en bemoedigend. Later op onze Odyssee komen wij zijn boeken nog tegen.

In mijn laatste jaar van het gymnasium heb ik besloten om een technische studie in Delft te gaan volgen. Mijn vader was erg trots op mij. Samen hebben wij gelukkig snel een kamer in Delft gevonden. Een nieuwe fase in een andere cultuur brak aan.

[7]


[1] Zie ook: Brown, Eleanor, The weird Sisters. HarperCollins p. 121

[5] Zie ook: Gardner, Martin, The colossal Book of Mathematics. New York: W.W. Norton & Company, 2001  

[6] Zie ook: Fromm, Erich, Escape from Freedom. New York: Rinehart & Co, 1941

[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Delft_stadhuis.jpg

Man Leben – Oosterse wijsheid 2


Alles gelebt was man leben kann?

Jij gaat verder met het verhaal van jouw leven:

“In het vorige bericht heb ik verteld hoe ik mij rond 1990 heb verdiept in de Oosterse wijsheid. Mijn voorliefde voor buitenbeentjes heb ik genoemd. De betekenis van de buitenbeentjes “ya, ra, la, va en ha” in Devanāgarī geven mijn belevingen in die tijd goed weer. Bij nakijken van de betekenis van “la” – dat in het Sanskriet “van Indra” betekent – en het raadplegen van bronnen, ben ik de betekenissen van Indra tegen gekomen. Indra betekent onder meer “God van de hemel” of “Svargaloka” [1]. Indra wordt vaak gezeten op een (meerhoofdige) olifant afgebeeld.

[2]

Nu vertel ik de onderliggende betekenissen van svargaloka, omdat dit licht geeft op de ontwikkelingen in mijn leven rond het overlijden van mijn tante en mijn peettante.

Svargaloka is in het Sanskriet samengesteld uit de woorden “svarga” dat onder meer betekent: hemel, verblijfplaats van licht en van de goden, hemelse gelukzaligheid, Indra’s hemel (waar de zielen van deugdzame stervelingen verblijven voordat zij weer terugkeren in aardse lichamen) en “loka” dat onder meer betekent: vrije of open ruimte, het universum, van nummer 7 – deze 7 komen wij later op onze Odyssee tegen. De wereld heeft drie loka’s: de hemel, de aarde en de onderwereld.

Svarga is samengesteld uit de delen:

  • Sva dat betekent: eigen, van ons Zelf, Uw/jouw eigen, de menselijke ziel;
  • Ra dat betekent: geven, liefde, wens, bewegen, schitterende pracht;
  • Ga dat betekent: verblijven, zijn. [16]

Op basis van deze delen is “svarga” de verblijfplaats van ons/uw eigen wezen in al haar pracht. De svargaloka is de hemel, aarde en onderwereld – alles, overal en één – in al haar verschijningsvormen. Hier en nu toont zij haar pracht.

Rond 1993 bestudeerde ik Jalâl al-Din die beter bekend is als Rumi. De naam Rumi heeft Jalâl al-Din in de Arabische wereld gekregen omdat hij tijdens het schrijven van zijn grote werken in Konia ten zuiden van Ankara in het huidige Turkije woonde. Dit deel van de Arabisch wereld werd daar vereenzelvigd met Rome uit het Romeinse rijk. Vandaar dat Jalâl al-Din is vernoemd naar de naam waaronder zijn verblijfplaats in de Arabische/Perzische wereld bekend was [3]. In hoofdstuk 7 ontmoeten wij Rumi op onze Odyssee.

 [4]

In een boek over het leven van Rumi las ik: “Liefde voor de doden is niet blijvend. Richt de liefde op de Levende Ene waarin het spirituele leven verblijft [5]”. Deze manier van kijken vormde in die tijd voor mij de ene helft van de spiegel. In die tijd leefde ik in de verblijfplaats van ons/Uw eigen wezen in al haar pracht. Ik was in de svarga één met de wind, het licht, mijn ouders en voorouders; het hele universum was alom aanwezig.

De andere helft van de spiegel werd gevormd door een passage uit de Diamant Sutra die stelt: “Het verleden is ongrijpbaar, het heden is ongrijpbaar en de toekomst is ongrijpbaar [6]”. Het verleden is vastgelegd als in gestold glas; uiteraard verandert onze kijk op het verleden in de loop van de tijd, maar zorgeloos leven met mijn vader en moeder in Amsterdam als vijf jarige jongen is niet meer mogelijk. Af en toe in dromen of bij een bepaalde smaak – denk aan de Madeleine koekjes in À la recherche du temps perdu van Marcel Proust – of bij een bepaalde geur, komt als een wonder de beelden en belevingen van die wereld weer in mij boven. “Alleen in het heden kan ik leven, nergens anders vond ik onderdak” [7]; zeilend op de wind over de golven ervaren wij het heden: probeer het “nu” te grijpen en het is vervlogen. De toekomst is ongrijpbaar als de bloem in de knop: de bloem manifesteert zich eens en voor altijd in al haar glorie wanneer de omstandigheden dat toelaten – niet eerder en niet later. De bloem ontstaat uit het niets, bloeit in het niets en vergaat in het niets. Bij deze ongrijpbaarheid moet ik denken aan de tekst die wij eerder op onze Odyssee zijn tegengekomen [8]: “Mysterium est magnum, quod nos procul dubio transcendit” [9]  of in het Nederlands: “Het mysterie is groot, dat ons zonder twijfel overstijgt.”

Het leven ervoer ik in die tijd volledig, overweldigend en doorschijnend . Of door een metafoor weergegeven: de reflecties in beide spiegels – die onder een hoek van 90 graden stonden – waren een afspiegeling van mijn belevingen. De spiegels waren leeg [10].

In het verleden dacht ik dat als mensen of dingen een naam hadden, zij daarmee ook een plaats kregen of een bestemming hadden. Op onze Odyssee komen wij deze manier van kijken nog een aantal keren tegen.

In die tijd verdiepte ik mij ook in de Hua-yan school van het Boeddhisme [11] en las teksten over Indra’s net [12] dat een metafoor is voor de leegte van alle dingen en levende wezens. Deze leegte heeft twee zijden: het is “leegte van” en “leegte tot” [13]. Deze beide zijden zijn vergelijkbaar met “vrijheid van” en “vrijheid tot” in “De angst voor vrijheid [14]” van Erich Fromm.

 [15]

Door deze inzichten en ervaringen werd ik bevrijd van de sluimerende schuldgevoelens over mijn bestaan, vooral omdat mijn naaste familie – met uitzondering van mijn tante – , het andere bewind uit Duitsland niet had overleefd. Tot dan toe was altijd de vraag aanwezig: “Waaraan heb ik het verdiend om nog in leven te zijn”. Tegelijkertijd ontliep ik de vraag naar de zin en de rede van deze duistere geschiedenis. Het geloof van mijn voorouders bood mij geen duiding: ik kon niet met volle overtuiging de strofen van Kaddish zeggen met de strekking “U zij de Glorie” en “De wereld die Hij heeft geschapen naar zijn wil”. Voor het uitspreken van deze teksten moest ik de “U/Zijn” vereenzelvigen met “de wind” en “het water”.

Dit inzicht heeft mij geholpen bij het organiseren van de begrafenis van mijn tante. Op haar begrafenis kwamen veel oude bekenden – voor zover nog in leven. Ook enkele verre familieleden waren gekomen. Van de naaste familie was alleen ik nog over. Voor haar heb ik met overtuiging een heel jaar lang dagelijks de gebeden volgens de Joodse dodenherdenking gezegd. Haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar.

De begrafenis van en de rouwdiensten voor mijn peettante heb ik ook bijgewoond. Haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar. Het was een mooie Katholieke begrafenis in de traditie van Zuid Limburg.

Na deze begrafenissen ben ik op weg gegaan naar Auschwitz”, zeg jij.

“Ik kan jouw weergave van Oosterse wijsheid volgen, maar ik laat voorlopig in het midden of ik er mee kan instemmen”, zeg ik.

“Het Boeddhisme is de weg van het midden; instemmen met mijn weergave van Oosterse wijsheid wordt niet gevraagd. Ik kijk uit naar wat het vervolg van onze Odyssee brengt. Het is een thuiskomst”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat verder over jouw bezoek aan Auschwitz.


[3] Bron: Lewis, Franklin D., Rumi, Past and Present, East and West. Oxford: Oneworld, 2003 p. 9

[5] Vrije weergave uit: Iqbal, Afzal, The Life and Works of Jalaluddin – Rumi. London: The Octagon Press, 1983 p. 239.

[6] Vrije weergave uit: Red Pine (Bill Porter), The Diamond Sutra. New York: Counterpoint, 2001 pag.308

[7] Vrije weergave van de eerste twee regels uit het gedicht “Woninglooze” uit 1941 van Jan Jacob Slauerhoff. Zie voor de tekst van dit gedicht: http://4umi.com/slauerhoff/woninglooze

[8] Zie de berichten: “Drie – Object in het midden – Het Woord” van 11 juni 2011; en “Een dag zonder gisteren – een dag zonder morgen?” van 3 juli 2011.

[9] Bron: http://www.vatican.va/holy_father/special_features/ encyclicals/documents/hf_jp-ii_enc_20030417_ecclesia_ eucharistia_lt .html:  Ionnis Pauli PP. II Summi Pontificis, Litterae Encyclicae Ecclesia de  Eucharistia, Rome, 2003

[10] Wetering, Janwillem van de, De Lege Spiegel. Amsterdam: De Driehoek p. 118 – 120

[11] Bronnen: Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993; Cleary, Thomas, Entry Into the Inconceivable: An Introduction to Hua-yen Buddhism. Boston:  Shambhala, 2002 en : Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra. University Park: The Pennsylvania State University Press, 1977

[12] Zie ook de berichten “Een – Pantheïsme – Indra’s net” van 8 april 2011 en “Een – “Powers of Ten”” van 10 april 2011

[13] Zie voor leegte tot: Thich Nhat Hahn, The Heart of Understanding. Berkeley: Parallax Press, 1988 p. 8, 9

[14] Zie pag. 91 in de vertaling van “Fromm, Erich, Escape from Freedom. New York: Rinehart & Co, 1941” uitgegeven dooe Bijleveld te Utrecht, 1973.

[15] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Indra’s_net

[16] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

Like this on Facebook

Jij: Man Leben – jouw voorouders


Gerimpeld gezicht

Bladeren op de herfstgrond

Voren van leven

Het eerste deel van de beschrijving van jouw leven tot op heden gaat over jouw voorouders en ouders voordat jij in hun leven kwam. Jij vertelt over jouw voorouders:

“Ongeveer 4500 jaar geleden zijn mijn voorouders onze geschiedenis binnen getrokken. Hiervoor hebben zij een niet te bevatten lange tijd op aarde geleefd. Een samenhangende  geschiedenis van deze eerste periode ontbreekt. Bij opgravingen, op wandschilderingen, in het landschap, in gebruiken, in handelingen en in woorden zien wij nog flarden van hun leven.  Het laatste deel van de geschiedenis van mijn voorouders is beschreven in het boek Omzwervingen – De Geschiedenis van het Joodse Volk [1] van Chaim Potok. Voor zover ik kan nagaan zijn mijn voorouders rond 2500 v. Chr. van Mesopotamië naar hun “Beloofde Land” getrokken. Na een kort uitstapje naar Egypte zijn zij weer in Jeruzalem terug gekeerd. Rond 600 v. Chr. gaf de Babylonische koning opdracht om Jeruzalem te vernietigen. Mijn voorouders zijn als krijgsgevangenen verbannen naar Babylon – de wereldstad met de hangende tuinen, waar zij verrassend goed zijn behandeld. Een deel van mijn familie is daar gebleven, maar mijn voorouders zijn rond 500 v. Chr. teruggekeerd naar Jeruzalem – na de vernietiging een plaats waar de schapen graasden. Tot voor kort zijn deze oude familiebanden met Babylon blijven bestaan: wij hebben elkaar door de eeuwen heen met raad en daad geholpen.

[2]

[3]

Na de val en vernietiging van Jeruzalem door de Romeinen rond 70 n. Chr. – waarbij alleen de Klaagmuur van de Tempel is overgebleven – zijn mijn voorouders weggetrokken naar Europa.

[4]

Waarschijnlijk hebben zij tot het begin van de Kruistochten vooral internationale handel gevoerd. Aan het begin van de kruistochten hebben zij zich gevestigd in of rond het Islamitische Cordoba. Rond het jaar 1000 was Cordoba een stad met meer dan een half miljoen inwoners. Het was in die tijd het belangrijkste financiële, commerciële en culturele centrum van de wereld en het beschikte over een bibliotheek met 400.000 boeken [5]. Zij zijn toen waarschijnlijk schrijvers en boekhouders geweest.

In 1236 n. Chr. nam de Spaanse koning bezit van Cordoba: dit was een verslechtering voor mijn voorouders. Mijn voorouders probeerden te ontsnappen aan vervolging door zich te bekeren tot het Katholieke geloof. Dit hielp niet, want er werd steeds heftiger opgetreden tegen gelovigen – Joden en Islamieten – die nog heimelijk hun traditionele geloof beoefenden.

Uiteindelijk zijn mijn voorouders rond 1500 n. Chr. naar het Baltische gebied in Noord Duitsland, Polen en Litouwen getrokken. Zij zijn daar handel gaan drijven.

Enkele jaren na de terugtocht van Napoleon uit Rusland zijn mijn voorouders naar het midden van Duitsland verhuisd. De familie van mijn moeder heeft zich in Frankfurt am Main gevestigd. De familie van mijn vader heeft in verschillende Duitse steden gewoond. Mijn moeder heeft mijn vader leren kennen nadat hij in 1927 aan de universiteit van Frankfurt am Main is gaan studeren. Door de universiteit behoorde Erich Fromm [6] tot hun kennissenkring. Wij zullen zijn boeken [7] nog tijdens onze Odyssee tegenkomen. In het begin van 1933 zijn mijn ouders getrouwd. In datzelfde jaar is in Duitsland een ander bewind aan de macht gekomen: Erich Fromm is eerste naar Genève en later naar de Verenigde Staten vertrokken; mijn ouders zijn naar Amsterdam verhuisd”, zeg ik.

“Van mijn familie is maar weinig bekend”, zeg ik.

“Dat kan een zegen zijn, want vele verhalen eindigen met – en ze leefden nog lang en gelukkig”, zeg jij.

In het volgende bericht beginnen wij met de beschrijving van de aanvang van jouw leven.

– “Wie ben jij – Deel 1” – is klaar om te downloaden –

– Zie pagina: “Wie ben jij – Deel 1”


[1] Potok, Chaim, Omzwervingen – De Geschiedenis van het Joodse Volk. ‘s-Gravenhage: BZZTôH 1999

[7] Fromm, Erich, Escape from Freedom. New York: Rinehart & Co, 1941

Fromm, Erich, The Forgotten Language. New York: Rinehart & Co, 1951

Fromm, Erich, The Sane Society (1955)

Fromm, Erich, The Art of Loving (1956)