Tagarchief: geesten

Narrator – te voet door Frankrijk 2


Op mijn voettocht door Frankrijk ontmoette ik veel mensen. Door mijn donkere huidskleur viel ik op; er waren geen andere Masaï/Indiase wandelaars op pad. In de Jura waren de mensen bij de eerste aanblik afwijzend: ik was vreemd, onbekend en duister. Maar mijn glimlach en een vriendelijk begroeting in de Franse taal ontdooide bijna alle medewandelaars. De boeren bewoners bleven langer achterdochtig. Dit is te begrijpen want zij hadden huis en haard te verdedigen tegen een donkere onbekende vreemdeling.

[1]

Uiteindelijk ontmoette ik onderweg veel gastvrijheid. Met twee medereizigers ben ik een stuk naar het noorden gelopen. Onderweg zagen wij op verschillende plaatsen steenmannetjes staan als wachters van het pad. Bij een steenmannetje besloten wij te pauzeren. Een van mijn metgezellen vroeg zich af hoeveel mensen hier stenen hadden gelegd. De ander vroeg waar de mensen nu waren. Ik antwoordde: “In ieder geval zijn wij hier”. Wij moesten toen lachen. Terwijl ik water dronk, vroeg ik mij af waar alle wijzen uit het verleden gebleven waren. Ineens voelde ik duidelijk dat wij direct verbonden waren met de mensen die hier de stenen hadden gestapeld en met alle wijzen uit het verleden [2]. Wij liepen onze levensweg direct in de voetsporen van de anderen.

[3]

De volgende nacht droomde ik de droom die ik – na het nachtelijk vuur in het bos waarbij mijn mede-militieleden en ik een dorp hadden uitgemoord – geregeld droomde. In deze droom kwamen de vlammen uit het bos met de geesten van de dorpsinwoners op mij af om mij te verzwelgen. Door de vlammen was mijn huid al zwart geblakerd en ik ging mezelf verliezen in de geesten van de dorpelingen.

[4]

Op het moment dat zij mij dreigden te verslinden, werd ik steeds wakker; ik was dan helemaal bezweet en ik ademde hevig. Wanneer ik mijn ogen opende, zag ik de maan en de sterrennacht als geruststelling. De nachtelijk hemel wekte mij langzaam weer tot leven zoals de god Engaï in de Masaï mythe de maan iedere nacht weer tot leven wekte [5].

[6]

De nacht na het steenmannetje verliep de droom op dezelfde manier, maar het moment waarop ik doodsbang wakker werd, was de lucht helemaal bewolkt. De maan en de sterren konden mij geen troost bieden. Alles was pikdonker en ik hoorde alleen een snelle luide pijnlijke ademhaling; mijn borstkas ging heftig te keer. Doodsbang vroeg ik mij af: “Welke adem is daar? [7]”. Ik dacht eerst dat in mij de adem van de geesten van de dorpelingen weer tot leven was gekomen. Daarna durfde ik niet te stoppen met hijgen want ik was bang dat de geesten mijn adem met zich mee zouden voeren wanneer zij in het donker verdwenen.

Langzaam ging ik kalmer ademen en ik kwam tot rust. In de duisternis heb ik aan de dode dorpelingen beloofd dat mijn adem ook hun adem was. Ik beloofde dat mijn adem – zolang ik leefde – voor hen een voorlopig thuis zou zijn. Eens hoopte ik met hen thuis te komen. Daarna is deze droom minder vaak teruggekomen.

Ik was op weg naar Amsterdam – mijn nieuw voorlopig thuis.


[2] Zie ook de koan “Attendant Huo passes tea” in: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 60 – 62

[7] Dit is de laatst vraag in de koan “Yunmen’s twee ziekten”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 46 – 50. Zie ook: Maezumi, Hakuyu Taizan, The hazy moon of enlightenment. Somersville: Wisdom Publications, 2007 p. 21 – 27