Tagarchief: Groepsdwang

Carla Drift – Studie menswetenschappen


Na mijn derde studiejaar verhuisde ik aan het begin van de zomervakantie met hulp van studievrienden uit Delft naar Amsterdam. Mijn nieuwe kamer had ik gevonden door bemiddeling van de charmante man met wie ik in Delft de colleges filosofie had gevolgd die werden gegeven door Prof. Dr. W. Luijpen. Pas halverwege de collegereeks begreep ik dat zijn naam Man Leben was. Hij stelde mij voor aan vrienden van hem die in de binnenstad van Amsterdam woonden; zij hadden een kamer over op de bovenverdieping. Mijn hele studietijd in Amsterdam ben ik op deze kamer blijven wonen; al snel werd ik van kamerbewoner een huisgenoot die een aandeel in het algehele huiselijk leven – samen koken, om beurten schoonmaken, aan het einde van een drukke dag nog wat napraten en heel soms een feest – op mij nam. De vrienden van Man waren blij met wat extra leven in huis en ik had deze huiselijkheid nodig nadat ik leeg uit Delft was vertrokken. Later hierover meer.

[1]

In Delft had ik de verplichte vakken voor menswetenschappen en wetenschapsfilosofie gevolgd. Daarnaast koos ik er voor om veel keuze vakken op dit gebied te volgen. Mijn technische natuurwetenschappelijke studie kon ik in Delft niet voortzetten in de richting die ik voor ogen had. Na gesprekken met veel mensen over mijn drijfveren, heb ik ervoor gekozen om mijn studie voort te zetten op het gebied van de menswetenschappen – de tweede hoofdstroom van mijn studie in Delft.

Met mijn kandidaatsdiploma in een technische studie kreeg ik maar enkele vrijstellingen voor bepaalde vakken in de menswetenschappen. Ik las snel en gelukkig kon ik voor de verplichte vakken in een hoog tempo examen doen. Binnen een jaar had ik mijn achterstand ingehaald.

Mijn studie omvatte psychologie die vooral was gericht op de ontwikkelen van mensen en op gedragingen van mensen in hun dagelijks leven. De behoeftepiramide van Abraham Maslow had ik in Delft al bestudeerd. Aanvullend daarop bestudeerde ik hoe mensen leerden kijken en zien; welke processen bij inprenting en beeldvorming een rol spelen. Inprenting en beeldvorming kan geschieden door het zien van voorbeelden van ouders en opinievormers, maar kan ook fysiek gebeuren door het eten van bedorven eten waarna het voedsel dat hiermee wordt geassocieerd nooit meer aangenaam wordt gevonden. Ik bestudeerde hebzucht in relatie tot overlevingsdrang van mensen; daarbij las ik veel studies over de rol van individuen op conflicten en oorlogsvoering, de gevolgen van deze conflicten op individuen en de interacties tussen beiden. Door verheerlijking en verering van heldendaden tijdens de oorlog worden individuen en samenlevingen rijp gemaakt voor acceptatie van de verschikkingen van oorlogsvoering. In de beeldvorming zouden deze verschrikkingen noodzakelijk zijn om een hoger doel te bereiken op het gebied van religie, overleving, grotere welvaart of overwinning van basisangsten. Later volgde ik als speciaal onderwerp de interactie tussen literatuur en kunst enerzijds en oorlogsgeweld anderzijds. Na het volgen van dit vak ben ik voor altijd anders naar bepaalde kunstuitingen gaan kijken. Een aantal dadaïstische en surrealistische kunstenaars hebben zich in de loopgraven van de eerste wereldoorlog hun beeldtaal eigen gemaakt; zij hebben letterlijk de verschrikkingen – lijken en paarden – in de bomen zien hangen.

[2]

[3]

Op het terrein van sociologie bestudeerde ik groepsgedrag waarbij inprenting en beeldvorming door initiatieriten en groepsdwang mijn bijzondere aandacht hadden. Ook veranderingen binnen groepen met de bijbehorende groepsdynamica en de gevolgen van deze veranderingen op het persoonlijke leven van groepsleden werden door mij bestudeerd. Tijdens het begin van de Eerste Wereld Oorlog was de deelname voor jonge mannen nog vrijwillig, maar als aan deze “vrijwillige” aanmelding geen gehoor werd gegeven, dan werden de jonge mannen en hun families fysiek en mentaal volledig uit de lokale gemeenschap buitengesloten – meer voorbeelden volgen later tijdens onze Odyssee.

[4]

Mijn interesse bij het vak geschiedenis ging uit naar de wijze waarop de geschiedenis in de loop der tijd vorm kreeg onder invloed van heersende beelden van de werkelijkheid in de samenleving. Vaak werd de geschiedenis geschreven door de overwinnaar of door de heersende klasse. De heersende klasse bepaalde van oudsher wanneer het jagen van dieren een edele en nobele activiteit – een privilege van de adel – was of moest worden gezien als ordinair stropen – door mensen zonder privileges. Dezelfde wijze van beeldvorming was ook werkzaam bij het bepalen wanneer een verovering moest worden gezien als een triomfantelijke weldaad voor de samenleving of een laaghartige roof van eigendommen en rechten. De werkelijkheid en de bijbehorende beeldvorming werden vaak aangepast aan noden en wensen van heersende klasse of aan de opkomende nieuwe klasse van heersers. De anarchist Mikhail Bakunin heeft ruim honderd jaar geleden heel terecht opgemerkt dat de revolutionairen in Rusland in hun beeldvorming en in hun daden binnen een jaar erger zouden zijn dan de Tsaar [5]. Tegen het einde van mijn studie heb ik met veel interesse de studie over de Geschiedenis van het persoonlijke leven van onder andere Philippe Ariès [6] en George Duby [7] gelezen. Hierin werd mooi weergegeven dat hoewel alles verandert, heel vele oude elementen in een gewijzigde vorm aanwezig blijven. Volgens oud romeins recht heeft een vader het recht een kind na de geboorte te aanvaarden of af te wijzen: mogelijk is de doop van een pasgeborene nog een overblijfsel van dit oude patriarchale recht. Het Romeinse rijk is in België en de Zuidelijke Nederlanden tot op heden blijven voortbestaan in de kerkprovincies van de Katholieke kerk. De kazuifels van de priesters in de Katholieke kerk vertonen nog steeds sterke overeenkomsten met de heersende mode in Rome in de vijfde eeuw na christus.

In het volgende bericht meer over mijn studie van de geschiedenis van het recht en de taal.

Advertenties

Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 2


Tijdens onze eerste aanlegplaats [1] hebben wij oeroude stenen in het landschap ontmoet. De stenen zijn voor onze voorouders van groot belang geweest als herkenningspunten voor duiding van het kenbare en het onkenbare. De katholieke kerk heeft de rol van deze stenen proberen op te nemen in het Christelijk geloof door daar veldkruisen te plaatsen zijn.

In het vorige bericht hebben jij en ik verslag gedaan van het “object in het midden” als metafoor voor onderling vertrouwen en als symbool dat de metafoor van het object overstijgt en overgaat in de tastbare werkelijkheid die het “object in het midden” oorspronkelijk heeft uitgebeeld. In dit bericht vervolgen wij deze verkenning.

Mensen die elkaar bezoeken of op reis ontmoeten, wisselen geschenken uit om het onderlinge vertrouwen tot uitdrukking te brengen. Bij speciale omstandigheden worden bijzondere cadeaus als herinnering en bestendiging van de onderlinge relatie gegeven. Voorbeelden van deze speciale omstandigheden zijn belangrijke veranderingen in het leven zoals geboorte, doop, verjaardag, volwassen worden, huwelijk, overlijden van ouders. Deze geschenken zijn geregeld sieraden die bij het dragen van het sieraad de onderlinge band of de bijzondere status van de drager symboliseren. Deze sieraden worden soms na overlijden met de eigenaar in het graf gelegd, opdat de eigenaar ook in het hiernamaals met de sieraden het vertrouwen en de status in het vorige leven kan tonen.

[2]

In de graven van Neanderthalers zijn nooit sieraden gevonden [3]. Mogelijk hebben zij geen “objecten in het midden” gebruikt om onderling vertrouwen te tonen en bestendigen. Misschien hebben zij in hun leven geen duiding nodig gehad, omdat zij vol vertrouwen zijn?  Hebben zij geen duidingen gekend of hebben zijn geen voorstellingen van deze duidingen gemaakt? Wij weten het niet.

In de loop der tijd hebben mensen van “objecten in het midden” beeltenissen gemaakt die door middel van het afgebeelde object het oorspronkelijke vertrouwen symboliseren. Ook voor groepen mensen zijn deze symbolen belangrijk geworden om uiting te geven aan noembare en onnoembare gevoelens binnen de groep. De symbolen krijgen een eigen dynamiek in de vorm van afbeeldingen en vlaggen met bijbehorende muziek en ritmiek in de tijd. De Katholiek kerk laat veel afbeeldingen van God en van de Heiligen zien. Groepsidentiteit en nationale gevoelens worden versterkt door vlaggen en emblemen.

[4]

Daarnaast zijn deze symbolen voor buitenstaander wantrouwen gaan oproepen. Dit wantrouwen neemt geregeld de vorm aan van regelrechte haat: de buitenstaanders doen er alles aan om vreemde symbolen – en alles waar de beeltenissen voor staan – volkomen te vernietigen zodat alle sporen daarvan zijn uitgewist. Veel oorlogen zijn zo begonnen en krijgen een eigen dynamiek: de vlaggen, muziek, geluid van laarzen en bloemen door vrouwen in de lopen van de geweren geplaatst, doen de rest. De groepsdwang om de buitenstaanders te vernietigen is zo sterk dat buitenbeentjes die niet mee willen doen aan het geweld, worden bedreigd met uitstoting of zelfs executie.

In enkele culturen is het onnoembare en hogere zo overweldigend dat het niet afgebeeld mag worden. In de Islamitische cultuur zijn afbeeldingen van Allah niet toestaan; ook afbeeldingen van wezens met een ziel zijn niet gewenst. In het Joodse geloof mag Jahweh niet worden afgebeeld. In de Protestantse kerken zijn geen beeltenissen van God en mensen aanwezig. Hebben deze vormen van religie de waarde van de symbolen en de afbeeldingen overstegen? En zijn zij de weerzin tegen vreemde symbolen en afbeelding te boven gekomen omdat zij de waarde van symbolen zijn overstegen? Waarschijnlijk niet, gouden kalveren [5] worden nog steeds aanbeden èn bestreden.


[1] Zie het bericht “Een-Pantheïsme” op deze weblog.

[3] Arsuaga, Juan Luis, Het halssieraad van de Neanderthaler – Op zoek naar de eerste denkers. Amsterdam: Wereldbibiotheek: 1999

[5] Zie vorige bericht: “Inleiding: Drie – Object in het midden – deel 1”