Tagarchief: Holden Caulfield

Carla Drift – leven in Amsterdam, de gestolde tijd


In de loop van mijn derde studie jaar in Delft was mijn gevoelsleven op drift geraakt. In dat jaar raakte ik volkomen vervreemd van mijn grote liefde. Mijn studie kon ik niet voortzetten op een manier die mij paste. Ik stond met lege handen.

Naast de leegte in mijn leven, nam de intensiteit waarmee ik alles beleefde toe. Alles wat ik deed, alles wat ik voelde en dacht, scheurde mij – onzichtbaar voor anderen – ragfijn in tweeën. Mijn gevoeligheid voor alles nam steeds verder toe. Iedere handeling, iedere ontmoeting met anderen werd met een intense gloed volkomen uniek en alomvattend gestold in de tijd. In die tijd schreef ik: “Alles rondom mij verstilt, alles rondom mij verkilt en heel ongewild gaat alles wat ik aanraak dood”.

[1]

Met de intensiteit kwam tegelijkertijd ook de kilte. Het leven dat ik leefde stolde als in glas. Al waarmee ik in aanraking kwam, vervloeide en stolde in glas waarna het voor mij onaanraakbaar werd. Na het vervloeien en stollen bleef de kilte van koel glas of koud ijs waarin ik de gestolde tijd van alles dat achter mij lag, waarnam [2]. De intensiteit van mijn leven was onlosmakelijk verbonden met de ijselijke verkilling en verstijving van de dood. Inwendig voelde ik tegelijkertijd de gloed van vuur en de intense koude van ijs. Ik schreef in die tijd: “Leven is een voortdurend sterven van het nu”.

[3]

Met de intensiteit en de verkilling stolde de tijd. De tijd vertraagde en leek bijna stil te staan. Alles duurde eindeloos in geluk en verdriet tegelijkertijd. Het koken, avondeten en napraten met bezoek en/of met de twee huisgenoten in Amsterdam waren alomvattend. Drie jaren van mijn leven waren als drie eeuwen. Alle gebeurtenissen en herinneringen waren een eindeloos samenhangend glasparelspel.

[4]

De dichter Piet Paaltjens had zijn worgengel [5]. Ik had mijn sprong-engel; op galerijen van flats, boven op torens en op station perrons probeerde zij mij als een sirene te verleiden om de sprong in de leegte, in het duister naar de andere kant te wagen. Met dagelijkse fietstochten naar het Gymnasium, door het roeien in Delft en door voortdurende studie was mijn discipline sterk genoeg om de verleiding van deze engel te weerstaan. Natuurlijk ontliep ik zoveel mogelijk de aanlokkelijke plaatsen; voor mijn omgeving zei ik dat ik hoogtevrees had. Ook hier speelde ik verstoppertje.

In Amsterdam ben ik opgehouden met wedstrijdroeien. In het laatste roeiseizoen in Delft merkte ik de grenzen van de mogelijkheden van mijn lichaam – andere roeisters maakten veel makkelijker vooruitgang. Te voet en op de fiets heb Amsterdam en omgeving verkend. Van roeien ben ik overgestapt op fietsen – de zomervakanties tijdens mijn studie in Amsterdam ben ik in mijn eentje op mijn racefiets met tent door Europa getrokken.

[6]

In deze drie jaren als drie eeuwen heb ik voor mijn idee meer gelezen dan ooit. Op het gebied van literatuur maakten “Oorlog en Vrede” van Lev Tolstoj grote indruk door het samenspel van de mens en de omstandigheden op de geschiedenis – de ene handeling van een soldaat die een veldslag kon beslissen, kwam goed overeen met de bifurcatiepunten in de Chaostheorie. De zwerftocht van Holden Caulfield in “The Catcher in de Rye” van J.D. Salinger was een vage afspiegeling van mijn leefwereld. Wel sprak de volgende passage tegen het einde van het boek mij aan: “Ik zie een heleboel kinderen die een spel aan het doen zijn in een groot graanveld. Kleine kinderen en er is niemand bij – behalve ik. En ik sta op de rand van een afgrond. En ik moet ze vangen als ze in de afgrond dreigen te vallen. Dat is wat ik de hele dag zou doen. Dan was ik de vanger in het graan” [7].

Uit de bibliotheek las ik bijna alle boeken van Saul Bellow, Ayn Rand, Bernard Malamud voor de beschrijvingen van de levens van opvallende mensen. In de vier boeken uit de reeks “Into Their Labours” van John Berger vond ik boeiend om de ontwikkeling van gewone mensen met al hun feilen van de boerensamenleving naar het moderne stadsleven te lezen.

Als ontspanning las ik alle boeken van John Le Carré waarbij ik meevoelde met de intensheid en eenzaamheid van George Smiley in serie “The Quest for Karla” (1982), die de eerdere boeken “Tinker, Tailor, Soldier, Spy”, “The Honourable Schoolboy” and “Smiley’s People” omvat. De vervreemding tussen George en zijn vrouw kon ik haarfijn aanvoelen. In de 12-delige reeks spionage boeken van Len Deighton herkende ik mij in de avonturen en de wanhoop van Bernard Samson – zijn vrouw had haar kinderen en hem zonder reden verlaten en was overgelopen. En uiteraard werd ieder nieuw boek van Sjöwall en Wahlöö in de Martin Beck reeks in een ruk uitgelezen.

Na de drie jaren als drie eeuwen kwam er een stralende lente. Een lente als geen ander.  De bloemen en de bloesem hebben daarna nooit meer zo mooi gebloeid. Het leven werd weer normaal. Nog steeds mis ik de intensiteit en de eindeloosheid.

In 1988 verscheen het boek “Ver heen” van P.C. Kuiper. Hij beschreef hierin zijn ervaringen met de diepe depressiviteit die hij had doorgemaakt na zijn pensionering. De beschrijving was heel herkenbaar – dus depressiviteit was de oorzaak van mijn bijzondere drie jaren. Ik heb er nooit aan gedacht om medische hulp te zoeken. Altijd was ik een buitenbeentje geweest. In liefdesverdriet en in verdriet over afscheid zou ik ook wel bijzonder zijn – hier kon ik beter maar niemand mee lastig vallen. Verstoppertje spelen was voor mij niet nieuw.


[1] Bron afbeelding: “Glass production doghouse”; via: http://de.wikipedia.org/wiki/Glas
[2] Zie ook de slot scene van de film “2001: A Space Odyssey” van Stanley Kubrick uit 1968.
[3] Bron afbeelding: bMA, City of Amsterdam, Keizersgracht 123, 1015 CJ Amsterdam, The Netherlands; via: http://nl.wikipedia.org/wiki/Amsterdam
[4] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Glas
[5] Zie ook: Paaltjens, Piet, “Snikken en grimlachjes: poëzie uit den studententijd” 1867
[6] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Bicycle
[7] Zie ook: Salinger, J.D., The Catcher in the Rye”. Harmondsworth: Penguin Books, 1979.