Tagarchief: Indra

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 14


Carla, Man en Narrator zitten op het pleintje bij de ingang van de Basiliek van San Lorenzo voordat zij het paleis van de Medici gaan bezichtigen.

“Het denkraam van de strijder laat een aantal tegenstrijdigheden zien. De parabel van Mŗtyu – dood  in de vorm van een vrouw – geeft een inkijkje in de tegenstrijdigheden wanneer de oudste broer van Arjuna – als troonpretendent van de vijf Pāṇḍavaḥ broers – ontroostbaar is over het verlies van de vele gesneuvelden op het slagveld waaronder vele familieleden, leraren en leerlingen, geliefden en naasten. Als gevolg van de strijd – tussen enerzijds de wereldorde en plicht en anderzijds het menselijk handelen – om een rechtmatig koninkrijk voor de familieleden, leraren en leerlingen, geliefden en naasten, wordt er tegelijkertijd op een uitgebreide schaal dood en verderf gezaaid ook onder de dierbaren. Een ander voorbeeld is “vechten voor vrede”. Het denkraam van de strijder – voorzien van deze tegenstrijdigheden – vinden wij niet alleen terug op het slagveld, maar ook binnen de wetenschap, de godsdienst, de levensbeschouwing, de overheid en uiteraard binnen onszelf”, zegt Carla.

Feiten en logica 14a[1]

“De parabel over Śīla [2] – vrij vertaald met “Alomvattende eenheid” – uit de Mahābhārata toont het denkkader van de strijder binnen onszelf. Door een samenhangend gebruik van alle (menselijk) eigenschappen – of Śīla – had een wijze koning in het oude India uiteindelijk vrede en coherentie binnen zijn koninkrijk en zichzelf weten te bewerkstelligen. Hierdoor kreeg hij ook de beschikking over het immense vermogen van goedheid. Met goedheid verkreeg hij het rijkdom van de drie werelden waaronder de wereld van de Goden. Op een goede dag verscheen Indra – in een manifestatie als geneesmiddel – voor de koning en hij vroeg aan de koning om te leren wat goedheid werkelijk is. De koning zei dat het besturen van de drie werelden al zijn aandacht vergde: hij had geen tijd om dit aan Indra te tonen. Indra in de vorm van geneesmiddel bleef aan het hof en diende de koning zo voortreffelijk dat de koning zei: “Vraag wat jij wenst en ik zal het geven”. Als antwoord zei Indra: “U heeft mij al zoveel gegeven, maar u zou mij zielsgelukkig maken met uw Śīla”. De koning gaf Śīla aan Indra waarna het “geneesmiddel” meteen vertrok. Na de overhandiging van Śīla voelde de koning een innerlijke onrust zonder te weten waarom. Een kolom van licht in menselijk vorm kwam uit zijn lichaam tevoorschijn. De koning vroeg: “Wie ben jij?”. De kolom van licht antwoordde: “Ik ben Śīla en tot nu toe waren wij onafscheidelijk. Maar omdat jij mij hebt weggegeven, vertrek ik,”. Hierna kwam een tweede kolom licht uit zijn lichaam en weer vroeg de koning: “Wie ben jij?”. De tweede kolom licht zei: “Ik ben Dharma – de wereldorde – en ik verlaat jou, want ik leef waar Śīla leeft”. Meteen verschenen weer drie kolommen licht uit zijn lichaam, en achter elkaar vertrokken Waarheid, Goedheid en Soliditeit, omdat zij leven waar Śīla leeft. Als laatste verscheen er een kolom licht in de vorm van een vrouw en de vrouw zei op de vraag “Wie ben jij?”: “Ik ben Śri – voor de mensen ben ik onderlinge verbondenheid –, ik ben alles dat wenselijk is in een mensenleven; ik leef waar Śīla leeft”. Verlamd van schrik vroeg de koning aan Brahman wie dat geneesmiddel was en wat er was voorgevallen. Brahman vertelde: “Het geneesmiddel is Indra’s Net. Door Śīla ben jij geworden wie jij bent, en met Śīla heb jij jezelf weggegeven aan Indra[3], zei Narrator.

“Deze parabel geeft een aantal van de tegenstrijdigheden binnen het denkkader van de strijder prachtig weer. De imperator verkrijgt door zijn acties een koninkrijk en vervolgens kan de imperator het rijk niet bestendigen: verschillende natuurwetten voorkomen dit. Daarnaast zijn er tegenstrijdigheid binnen het denkkader van de strijder te herkennen tijdens een succesvolle verovering of verdediging van een gewenst object: de strijder voelt op het moment van succes de vluchtige euforie van een “Alomvattende eenheid”. Deze euforie bepaalt zijn tijdelijk zelfbeeld dat vervolgens met het vervliegen van Śīla meteen begint te eroderen. Wij hebben deze vluchtige euforie na een overwinning gezien bij het zelfbeeld van roeiers in de twee studenten roeiploegen uit Oxford en Cambridge die strijden om de overwinning van een jaarlijkse roeiwedstrijd op de Thames [4]”, zegt Carla.

Feiten en logica 14b[5]

“Dezelfde euforie van tijdelijke uniciteit toonden Arjuna en Kṛṣṇa toen zij met vreugde pijlen schoten op alles dat probeerde te ontsnappen uit het vuur in het Khandava bos [6]. Met schaamte moet ik nu bekennen dat ik deze vorm van euforie heb gekend toen ik als jonge strijder met een militie in Midden Afrika schoot op alles en iedereen die uit een brandend dorp kwam [7]. Śīla had mij al verlaten bij mijn wens om zelf de avonturen van mijn voorvaderen te beleven onder mijn drang naar comfort, geld, roem en macht. In die nacht – tijdens het schieten op dorpsbewoners die het brandend dorp wilden ontsnappen – verloor ik de laatste resten van mijn onschuld. Ik draag deze tegenstrijdigheid tussen euforie van een tijdelijke uniciteit tijdens gewelddadige verovering, en direct intredend verval nog steeds met mij mee in de vorm van de adem van de dorpsbewoners. Hoewel de dorpsbewoners in de mensenwereld de identiteit “dood” hebben, houd ik hen levend met mijn adem”, zegt Narrator.

feiten en logica 14c. [8]

“Zullen wij de innerlijke onrust in het paleis van de Medici gaan bekijken?”, zegt Man.


[1] Afbeelding van Pallas Athene – de godin van wijsheid, moed, rechtvaardigheid en correcte oorlogsvoering. Daarnaast is zij een listige compagnon van heldhaftige strijders. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Warrior

[2] Śīla betekent in het Sanskriet onder meer “natuurlijk manier van leven of van gedrag”. In het Boeddhisme betekent Śīla onder meer “moreel gedrag of voorschrift”. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C4%ABla

[3] De parabel over Śīla is een zeer vrije weergave van de parabel van Prahlāda uit: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 101 – 102

[4] Zie het bericht “Amateurs” in: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 190 – 194

[6] Zie ook: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: WhereKrishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84

[7] Zie:  Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 22

[8] Afbeelding van Arjuna en Kṛṣṇa die met vreugde pijlen schieten op alles dat uit het vuur in het Khandava bos probeerde te ontsnappen. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Khandava_Forest

Advertenties

Filosofie achter “Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan” – Deel 1


“Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1” begint met een achttal inleidende berichten waarin de achtergrond, het kader en de reikwijdte van de zoektocht worden geschetst. De zoektocht is beschreven in de vorm van een queeste, een hedendaagse mythe en een Odyssee die in een thuiskomst gaat eindigen.

In deel 1 van de beschrijving van de zoektocht komen de eerste drie hoofdstukken (van de 17 hoofdstukken) aan de orde. Daarna volgt tot besluit een intermezzo voordat de hoofdpersonen in deel 2 de zoektocht in wereld van alledag gaan vervolgen. In deel 3 van de verkenning overstijgen de hoofdpersonen de alledaagse wereld. Aan het einde van de Odyssee – in nul – volgt de thuiskeer.

In hoofdstuk 1 van deze Odyssee beleven de hoofdpersonen volkomen de filosofische stroming van het Monisme [1]. Binnen de metafysica beargumenteert het Monisme dat de verscheidenheid van bestaande dingen of entiteiten terug te brengen zijn tot één substantie of realiteit waardoor het fundamentele karakter van het universum één samenhangende eenheid vormt.

In de Oosterse wijsbegeerte komt het Monisme in verschillende gedaanten terug in de Upanishads, het Hinduïsme, het Taoïsme en het Boeddhisme. Het Christendom kent op vele plaatsen directe en indirecte verwijzingen naar het Monisme. In de westerse samenleving na de industriële revolutie heeft Schopenhauer [2] zich met zijn studie van de Upanishads [3]  – waaronder de īśāvāsya [4] (of Isha) Upaniṣhad [5] – en van het Boeddhisme verdiept in het Monisme.

[6]

Francis Herbert Bradley [7] heeft studie gemaakt van het Monisme in onder meer zijn essay ‘On Truth and Coherence’ uit 1909.

[8]

Aan het einde van hoofdstuk 1 wordt Indra’s net [9] uit de Avatamsaka Sutra [10] als overgang naar het Atomisme – en tevens als synthese tussen het Monisme en het Atomisme – beschreven. Volgens de Avatamsaka Sutra hebben de stofdeeltjes uit het net van Indra gevoelens en behoeften. Zij kennen woede, vreugde en kennis en onkunde. Zij kunnen ook alles binnen hun reikwijdte gelukkig maken. Het net van Indra kan gezond zijn en ziek zijn [11]. Het net van Indra wordt door de hoofdpersonen in verschillende dimensies bezien aan de hand van een 10 minuten durende film “Powers of Ten” van Ray en Charles Eames uit 1968 (en opnieuw uitgebracht in 1977) [12].

In hoofdstuk 2 van de zoektocht naar “Wie ben jij” doorleven de hoofdpersonen het Atomisme [13]. Zij zijn tezamen met hun omgeving na de oorspronkelijke eerste scheiding van Hemel en Aarde in onnoemelijk veel deeltjes uit elkaar gevallen totdat de allerkleinste deeltjes zijn bereikt. De atoomfysica is de vorige eeuw uitgebreid bestudeerd door vele natuurkundigen: deze studie heeft geresulteerd in veel kennis en nog veel meer vragen [14]. In de filosofie zijn Bertrand Russell [15] en Ludwig Wittgenstein [16] in zijn jong volwassen leven [17] aanhangers van het logisch atomisme geweest.

[18]

[19]

In hoofdstuk 3 van de queeste naar “Wie ben jij” wordt bezien op welke wijze het onderling vertrouwen wordt gevestigd en bestendigd. Hiervoor worden de “persoon in het midden” en verschillende “objecten in het midden”  waaronder de kerk, bezinningsruimten, het offer, het Lam Gods, de Duif, het Woord  en de “Geest in het midden” bezien.

Als voorbereiding op het leven van alledag hebben de hoofdpersonen een beknopte studie gemaakt van de vijf skanda’s die volgens het Boeddhisme alles geven wat zij nodig hebben voor hun geestelijke ontwikkeling. In een terugblik bij hun thuiskeer zullen de hoofdpersonen bezien of deze bewering – en alle andere ervaringen – zinvol en betekenisvol zijn.

In dit intermezzo bezien zij het eigenbeeld van roeiers dat afhangt van de resultaten van het roeien,  en vervolgens de gevolgen van de waanzin van oorlog aan de hand van de Peloponnesische Oorlog in Griekenland 2500 jaar geleden.

Tot slot wordt door een van de hoofdpersonen aan de hand van de openingszin uit het Johannes Evangelie in het Nieuwe Testament vertaald in het Sanskriet door de eeuwige wind de binding met het Monisme – waarin ook God en de Goden zijn opgenomen – hervonden.

Een zucht van de wind

In het ruisen van de bomen

Licht Jouw stem weer op” [20]


[3] Upanishad betekent letterlijk: “neerzitten naast”. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Upanishads

[5] Een woordelijke vertaling van de Isha Upanishad is verkrijgbaar via de volgende hyperlink: http://www.arsfloreat.nl/documents/Isa.pdf

[11] Zie ook: Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993, p. 363.

[12] De film “Powers of Ten” is te zien via de hyperlink: http://www.powersof10.com/film

[14] Brian Greene heeft toegankelijke boeken geschreven over de atoomfysica, relativiteitstheorie en kwantummechanica. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Brian_Greene

[17] Zie ook: Sluga, Hans, Wittgenstein. Oxford: Wiley – Blackwell, 2011

[19] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Ludwig_Wittgenstein (fair use of small image)

[20] Mozes zag en hoorde – de stem van – God in de brandende braamstruik. Zie Oude Testament, Exodus 3:2

Man Leben – Oosterse wijsheid 2


Alles gelebt was man leben kann?

Jij gaat verder met het verhaal van jouw leven:

“In het vorige bericht heb ik verteld hoe ik mij rond 1990 heb verdiept in de Oosterse wijsheid. Mijn voorliefde voor buitenbeentjes heb ik genoemd. De betekenis van de buitenbeentjes “ya, ra, la, va en ha” in Devanāgarī geven mijn belevingen in die tijd goed weer. Bij nakijken van de betekenis van “la” – dat in het Sanskriet “van Indra” betekent – en het raadplegen van bronnen, ben ik de betekenissen van Indra tegen gekomen. Indra betekent onder meer “God van de hemel” of “Svargaloka” [1]. Indra wordt vaak gezeten op een (meerhoofdige) olifant afgebeeld.

[2]

Nu vertel ik de onderliggende betekenissen van svargaloka, omdat dit licht geeft op de ontwikkelingen in mijn leven rond het overlijden van mijn tante en mijn peettante.

Svargaloka is in het Sanskriet samengesteld uit de woorden “svarga” dat onder meer betekent: hemel, verblijfplaats van licht en van de goden, hemelse gelukzaligheid, Indra’s hemel (waar de zielen van deugdzame stervelingen verblijven voordat zij weer terugkeren in aardse lichamen) en “loka” dat onder meer betekent: vrije of open ruimte, het universum, van nummer 7 – deze 7 komen wij later op onze Odyssee tegen. De wereld heeft drie loka’s: de hemel, de aarde en de onderwereld.

Svarga is samengesteld uit de delen:

  • Sva dat betekent: eigen, van ons Zelf, Uw/jouw eigen, de menselijke ziel;
  • Ra dat betekent: geven, liefde, wens, bewegen, schitterende pracht;
  • Ga dat betekent: verblijven, zijn. [16]

Op basis van deze delen is “svarga” de verblijfplaats van ons/uw eigen wezen in al haar pracht. De svargaloka is de hemel, aarde en onderwereld – alles, overal en één – in al haar verschijningsvormen. Hier en nu toont zij haar pracht.

Rond 1993 bestudeerde ik Jalâl al-Din die beter bekend is als Rumi. De naam Rumi heeft Jalâl al-Din in de Arabische wereld gekregen omdat hij tijdens het schrijven van zijn grote werken in Konia ten zuiden van Ankara in het huidige Turkije woonde. Dit deel van de Arabisch wereld werd daar vereenzelvigd met Rome uit het Romeinse rijk. Vandaar dat Jalâl al-Din is vernoemd naar de naam waaronder zijn verblijfplaats in de Arabische/Perzische wereld bekend was [3]. In hoofdstuk 7 ontmoeten wij Rumi op onze Odyssee.

 [4]

In een boek over het leven van Rumi las ik: “Liefde voor de doden is niet blijvend. Richt de liefde op de Levende Ene waarin het spirituele leven verblijft [5]”. Deze manier van kijken vormde in die tijd voor mij de ene helft van de spiegel. In die tijd leefde ik in de verblijfplaats van ons/Uw eigen wezen in al haar pracht. Ik was in de svarga één met de wind, het licht, mijn ouders en voorouders; het hele universum was alom aanwezig.

De andere helft van de spiegel werd gevormd door een passage uit de Diamant Sutra die stelt: “Het verleden is ongrijpbaar, het heden is ongrijpbaar en de toekomst is ongrijpbaar [6]”. Het verleden is vastgelegd als in gestold glas; uiteraard verandert onze kijk op het verleden in de loop van de tijd, maar zorgeloos leven met mijn vader en moeder in Amsterdam als vijf jarige jongen is niet meer mogelijk. Af en toe in dromen of bij een bepaalde smaak – denk aan de Madeleine koekjes in À la recherche du temps perdu van Marcel Proust – of bij een bepaalde geur, komt als een wonder de beelden en belevingen van die wereld weer in mij boven. “Alleen in het heden kan ik leven, nergens anders vond ik onderdak” [7]; zeilend op de wind over de golven ervaren wij het heden: probeer het “nu” te grijpen en het is vervlogen. De toekomst is ongrijpbaar als de bloem in de knop: de bloem manifesteert zich eens en voor altijd in al haar glorie wanneer de omstandigheden dat toelaten – niet eerder en niet later. De bloem ontstaat uit het niets, bloeit in het niets en vergaat in het niets. Bij deze ongrijpbaarheid moet ik denken aan de tekst die wij eerder op onze Odyssee zijn tegengekomen [8]: “Mysterium est magnum, quod nos procul dubio transcendit” [9]  of in het Nederlands: “Het mysterie is groot, dat ons zonder twijfel overstijgt.”

Het leven ervoer ik in die tijd volledig, overweldigend en doorschijnend . Of door een metafoor weergegeven: de reflecties in beide spiegels – die onder een hoek van 90 graden stonden – waren een afspiegeling van mijn belevingen. De spiegels waren leeg [10].

In het verleden dacht ik dat als mensen of dingen een naam hadden, zij daarmee ook een plaats kregen of een bestemming hadden. Op onze Odyssee komen wij deze manier van kijken nog een aantal keren tegen.

In die tijd verdiepte ik mij ook in de Hua-yan school van het Boeddhisme [11] en las teksten over Indra’s net [12] dat een metafoor is voor de leegte van alle dingen en levende wezens. Deze leegte heeft twee zijden: het is “leegte van” en “leegte tot” [13]. Deze beide zijden zijn vergelijkbaar met “vrijheid van” en “vrijheid tot” in “De angst voor vrijheid [14]” van Erich Fromm.

 [15]

Door deze inzichten en ervaringen werd ik bevrijd van de sluimerende schuldgevoelens over mijn bestaan, vooral omdat mijn naaste familie – met uitzondering van mijn tante – , het andere bewind uit Duitsland niet had overleefd. Tot dan toe was altijd de vraag aanwezig: “Waaraan heb ik het verdiend om nog in leven te zijn”. Tegelijkertijd ontliep ik de vraag naar de zin en de rede van deze duistere geschiedenis. Het geloof van mijn voorouders bood mij geen duiding: ik kon niet met volle overtuiging de strofen van Kaddish zeggen met de strekking “U zij de Glorie” en “De wereld die Hij heeft geschapen naar zijn wil”. Voor het uitspreken van deze teksten moest ik de “U/Zijn” vereenzelvigen met “de wind” en “het water”.

Dit inzicht heeft mij geholpen bij het organiseren van de begrafenis van mijn tante. Op haar begrafenis kwamen veel oude bekenden – voor zover nog in leven. Ook enkele verre familieleden waren gekomen. Van de naaste familie was alleen ik nog over. Voor haar heb ik met overtuiging een heel jaar lang dagelijks de gebeden volgens de Joodse dodenherdenking gezegd. Haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar.

De begrafenis van en de rouwdiensten voor mijn peettante heb ik ook bijgewoond. Haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar. Het was een mooie Katholieke begrafenis in de traditie van Zuid Limburg.

Na deze begrafenissen ben ik op weg gegaan naar Auschwitz”, zeg jij.

“Ik kan jouw weergave van Oosterse wijsheid volgen, maar ik laat voorlopig in het midden of ik er mee kan instemmen”, zeg ik.

“Het Boeddhisme is de weg van het midden; instemmen met mijn weergave van Oosterse wijsheid wordt niet gevraagd. Ik kijk uit naar wat het vervolg van onze Odyssee brengt. Het is een thuiskomst”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat verder over jouw bezoek aan Auschwitz.


[3] Bron: Lewis, Franklin D., Rumi, Past and Present, East and West. Oxford: Oneworld, 2003 p. 9

[5] Vrije weergave uit: Iqbal, Afzal, The Life and Works of Jalaluddin – Rumi. London: The Octagon Press, 1983 p. 239.

[6] Vrije weergave uit: Red Pine (Bill Porter), The Diamond Sutra. New York: Counterpoint, 2001 pag.308

[7] Vrije weergave van de eerste twee regels uit het gedicht “Woninglooze” uit 1941 van Jan Jacob Slauerhoff. Zie voor de tekst van dit gedicht: http://4umi.com/slauerhoff/woninglooze

[8] Zie de berichten: “Drie – Object in het midden – Het Woord” van 11 juni 2011; en “Een dag zonder gisteren – een dag zonder morgen?” van 3 juli 2011.

[9] Bron: http://www.vatican.va/holy_father/special_features/ encyclicals/documents/hf_jp-ii_enc_20030417_ecclesia_ eucharistia_lt .html:  Ionnis Pauli PP. II Summi Pontificis, Litterae Encyclicae Ecclesia de  Eucharistia, Rome, 2003

[10] Wetering, Janwillem van de, De Lege Spiegel. Amsterdam: De Driehoek p. 118 – 120

[11] Bronnen: Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993; Cleary, Thomas, Entry Into the Inconceivable: An Introduction to Hua-yen Buddhism. Boston:  Shambhala, 2002 en : Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra. University Park: The Pennsylvania State University Press, 1977

[12] Zie ook de berichten “Een – Pantheïsme – Indra’s net” van 8 april 2011 en “Een – “Powers of Ten”” van 10 april 2011

[13] Zie voor leegte tot: Thich Nhat Hahn, The Heart of Understanding. Berkeley: Parallax Press, 1988 p. 8, 9

[14] Zie pag. 91 in de vertaling van “Fromm, Erich, Escape from Freedom. New York: Rinehart & Co, 1941” uitgegeven dooe Bijleveld te Utrecht, 1973.

[15] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Indra’s_net

[16] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

Like this on Facebook

Inleiding: Drie – Object in het midden – Bezinningsruimten


In de vorige berichten hebben jij en ik verschillende huizen van God bezocht. De gelovigen proberen met de kerken als “object in het midden” uitdrukking te geven aan een wederzijds vertrouwen, dat tussen mensen en God is gevestigd. Dit vertrouwen wordt voortdurend en periodiek door rituelen bestendigd. Daarnaast scheppen de kerken een band tussen mensen onderling waarbij vaak een binding ontstaat en soms een afwijzing de overhand krijgt. Kerken proberen een tijdloos ijkpunt te zijn, van waaruit de leefwereld – lucht/hemel en aarde afzonderlijk en in onderlinge samenhang – wordt ervaren. Ook geven de kerken hoop op een overstijging van het mensenleven door een herrijzenis in een hiernamaals. Wij bezoeken alle kerken die wij op onze Odyssee tegenkomen.

Wij komen ook “objecten in het midden” tegen die ruimte bieden voor bezinning. Door deze bijzondere ruimten wordt de mogelijkheid geschapen voor het overstijgen van de menselijke maat en/of voor het – opnieuw? – ervaren van een volkomen eenheid. Bepaalde plaatsen in het natuurlijke landschap zijn voor dit doel al eeuwen lang gebruikt. Tijdens onze Odyssee hebben wij eerder markeringen van steencirkels, stenen in het landschap en grotten gezien.

Waarschijnlijk zijn de mensen met het betrekken van woonsteden ook bezinningsruimten gaan inrichten die lijken op woonsteden. In het begin zijn de bezinningsruimten meestal in of nabij de woonsteden gevestigd. In de loop der tijd zijn deze eerste bezinningsruimten uitgegroeid tot omvangrijke sacrale gebedsruimten en/of huizen van God. Een aantal van deze plaatsen zijn over gegaan in wereldse bezinningsruimte die wij onder meer in de vorm van musea en kunstwerken tegen komen. Tijdens onze Odyssee bezoeken wij ook bijna alle musea, maar hiervan kunnen wij geen verslag van geven.

Twee bijzondere bezinningsruimten laten wij wel zien. Deze eerste ruimte – de Mark Rothko[1] kapel in Houston uit 1967 – is een raakvlak tussen een gebouw voor religie en een ruimte voor kunst. De buitenkant is een monolithische achthoek voorzien van een kleine ingang. Op het eerste gezicht lijkt het een mausoleum.

 [2]

Wij gaan de kapel binnen. De ruimte straalt een verstilling uit – even monolithisch als de buitenkant. Het licht komt van boven. Inwendig zing ik het eerste Chorus van Cantate 131 van Johann Sebastian Bach:

Aus der Tiefe rufe ich, Herr[3], zu dir.
Herr, höre meine Stimme, lass deine Ohren merken auf die Stimme meines Flehens!“[4]

De vensters naar buiten bestaan uit schilderingen van Mark Rothko uit 1964 – 1967, kort voor zijn dood.

[5]

“De schilderijen geven alle indrukken van de wereld weer. Het lijkt wel of hij – in doorzichtige blauw/zwarte inkt – ieder ooit geschreven en gesproken woord op de panelen heeft willen drukken.”: zeg jij.

“Klopt. Alle glasparels van “Indra’s net” [6] zitten tegelijkertijd in de verf van de schilderijen; zo dicht zijn de kleuren.”: zeg ik.

De breekt de zon door. Op het drieluik licht het bloed van de aarde op in een rode purperen gloed.

[7]

Wij gaan naast een mediterende – Zen? – boeddhist zitten. Als de Boeddhist opstaat, gaan wij naar buiten.

Buiten gekomen zeg jij: “Ik heb eens gelezen: “Een man vraagt aan een hedendaagse vrouwelijke Boeddhistische kluizenaar in China om de kern van het boeddhistische leven op papier te kalligraferen. Zij legt het papier aan de kant. Enkele maanden later ontvangt hij vier woorden per post: welwillendheid, mededogen, vreugde en onthechting. Haar kalligrafie is krachtig en helder als haar geest.”[8] Zijn deze vier woorden ook van toepassing op deze kapel?”

“Ja.”: zeg ik.

“Ik heb eerst getwijfeld over vreugde, totdat de zon doorbrak.”: zeg jij.

In het volgende bericht gaan wij kijken naar het laatste deel van de film “Offret” – of “Het Offer” van Andrei Tarkovsky uit 1986.


[1] Zie voor nadere informatie over Mark Rothko: Hughes, Robert, De Schok van het Nieuwe – Kunst in het Tijdperk van Verandering. Utrecht: Veen, 1991, pagina 318 – 320; en Arnason, H.H., A History of Modern Art. London: Thames and Hudson, 1979, pagina 533 – 534

[3] Mogelijk is het Duitse woord “Herr” verwant met de werkwoord kern “hṛ” die in het Sanskrit “offeren, aanbieden” en “nemen, wegnemen” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta. Deze beide betekenissen van de werkwoord kern “hr” geven tezamen uitdrukking aan de beide rollen van de krijgers-kaste in de vee-cyclus: zij roven vee en geven een deel van het vee aan de priesters voor offergave aan de goden. Daarnaast heeft een heer ook de twee rollen van het bieden van bescherming enerzijds en het nemen van een deel van de oogst. Waarschijnlijk zijn hier de rol van landheer gaan samenvallen met God. In de belevingswereld van onderdanen zijn koning en God nauw met elkaar verbonden.

[4] Vertaling: “Uit de diepten roep ik, Heer [3], tot jou. Heer, hoor mijn stem, laat jouw oren de stem van mijn twijfel horen!” In het Duits betekent het woord “Flehens” smeekbeden”, maar hier is het woord vertaald met twijfel, omdat bijna iedere smeekbede aan God haar oorsprong in twijfel heeft. Zie hiervoor het boek Job uit het Oude Testament.

[5] http://online.wsj.com/article/SB10001424052748703445904576118063020357484.html

[6] Zie voor “Indra’s net” het bericht “Inleiding: Een – Pantheïsme – Indra’s net” van 8 april 2011.

[8] Bron: Porter, Bill, Road to Heaven – Encounters with Chinese Hermits. Berkeley: Counterpoint, 1993. pagina 109

Inleiding: Een – “Powers of Ten”


Nadat jij en ik door de prachtige wereld van “Indra’s net[1]” zijn gegaan, kijken wij nu uit naar de voorstelling van de 10 minuten durende film “Powers of Ten” van Ray en Charles Eames uit 1968 (en opnieuw uitgebracht in 1977).

Voordat wij de film gaan bekijken, nog een introductie.

Ray and Charles Eames[2] is een architecten/ontwerpers echtpaar dat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van moderne architectuur en meubelontwerpen.

Eerst een indruk van het “Eames house”[3]:

[4]

En een afbeelding van een fauteuil in the “Soft Pad serie” ontworpen rond 1968:

[5]

De documentaire “Powers of Ten” is een avontuur in afmetingen en vergezichten op verschillende schalen. De film toont het ons bekende universum in “machten van tien”[6]. De inhoud en structuur van de film is gebaseerd op het boek “Cosmic ViewThe Universe in 40 Jumps[7] uit 1957 (in het Nederlands: Wij in het heelal, een heelal in ons, 1959) van de Nederlandse pedagoog Kees Boeke[8], die onder meer oprichter is van de “Werkplaats Kindergemeenschap”[9] te Bilthoven.

De film begint bij een picknick plaats aan het meer bij Chicago. Iedere 10 seconden worden wij tien keer verder  in het heelal meegenomen, totdat ons zonnestelsel alleen maar een stofje aan het firmament is. Vandaar gaan wij snel terug naar de picknick plaats. Daar zoomen wij in op de hand van de slapende pick-nicker. Iedere tien seconden vergroten wij ons blikveld 10 keer totdat wij inzoomen op een koolstof atoom in een DNA molecuul in een witte bloed lichaampje.

Eigenlijk moeten jij en ik de film twee keer achter elkaar zien. De eerste keer om van de beelden te genieten en de tweede keer om te genieten van het zicht op “Indra’s net” bij verschillende afmetingen.

Geeft de combinatie van “Powers van Ten”, “Indra’s net” en de boeken van Brian Greene[10], een eerste visuele voorstelling van de string theorie? Zijn dit verschillende manifestaties van “Een”? Wordt “Een” getoond volgens de wegen van de wereld en niet volgens haar niet uit te drukken universaliteit[11]? Wij weten het niet. Kijk zelf.

Het volgende bericht is een inleiding op “Twee”, een nieuwe aanlegplaats op onze Odyssee.

Na deze introductie kan de film beginnen: bezoek hiervoor de volgende website:

http://www.powersof10.com/film

(klik op de hyperlink voor bezoek aan de website om de documentaire te zien)


[1] Zie ook: Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra

[5] Bron afbeelding: EA222 Soft Pad op website van Vitra

[7] Boeke, Kees, Cosmic View, The Universe in 40 Jumps. 1957

[9] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Werkplaats_Kindergemeenschap en http://www.wpkeesboeke.nl/

[10] Zie: Greene, Brian, The Elegant Universe. 2003; The Fabric of the Cosmos. 2004; The Hidden Reality. 2011

[11] Zeer vrije weergave van een zinnen uit de Mahaprajnaparamita Sutra; zie ook: Porter, Bill, Zen Baggage, Berkeley: Counterpoint, 2009 – pagina 15 en 16.

Inleiding: Een – Pantheïsme – Indra’s net


Op weg naar “Powers of Ten” van Ray and Charles Eames komen jij en ik door een prachtige wereld. Het lijkt een schitterend glaspaleis waar alles als heel kleine glasparels in elkaar en met elkaar weerkaatst. Hieronder laten wij een uitvergroting zien van een heel klein deeltje uit deze wereld.

[1]

Ineens herkennen wij dit glaspaleis uit de beschrijvingen in boeken: dit is “Indra’s Net”[2]. Wij zijn helemaal opgenomen in deze wereld; jij en ik en deze hele wereld worden een en volkomen in elkaar gereflecteerd[3]. Maar wij zijn ook aan de rand van “Eén” gekomen. Hoewel alles met alles reflecterend, beginnen de deeltjes ook los van elkaar te staan. Jij en ik zullen een indruk geven van Indra’s net.

Indra’s net is een oneindig groot net, dat zeer fijn is geweven. Het is doorzichtig – leeg – en vol van oneindig veel doorzichtige en reflecterende glasparels die in elkaar schitteren. Ieder glaspareltje of juweel is oneindig klein en schittert hemels en goddelijk[4] mooi. Deze prachtige wereld lijkt door de schitterende juwelen het summum van pantheïsme. Maar door de complete samenhang van de juwelen overstijgt deze wereld het pantheïsme volkomen.

Eerst een statische beschrijving van het net. De juwelen staan in voortdurende verbinding met elkaar doordat ieder juweel in alle andere juwelen wordt weerspiegeld. Alle andere juwelen worden ook in één juweel gereflecteerd. Het ene juweel vormt het gehele net doordat het hele net in dit ene juweel weerkaatst wordt èn doordat dit ene juweel door alle ander juwelen wordt gezien. Het ene juweel vormt het net èn alle andere juwelen geven vorm aan dit ene juweel.

Nu volgt de betovering: het net gaat bewegen. Als een juweel gaat bewegen gaat het gehele net bewegen en veranderen. Als het gehele net vibreert, dan vibreert het betreffende juweel mee. Doordat iedere juweel afzonderlijk flonkert met de andere juwelen, is verandering een voortdurende volkomenheid. Het gehele net vibreert in en met elkaar. Ieder juweel speelt zijn spel en vormt het net. Alle juwelen spelen hun spel en vormen iedere juweel afzonderlijk. Ieder juweel vormt allen en allen vormen ieder juweel. “Eén” is het gehele net en “Eén” is ook iedere glasparel in het net. Tussen de ene glasparel en het gehele net is nu nog geen onderscheid te maken.

Wij gaan verder door deze prachtige wereld en naderen de aanlegplaats “Twee” op onze Odyssee. Een voorbode van een eerste clustering van de glasparels wordt langzaam duidelijker. Jij en ik en alles om ons heen begint zich te clusteren. De onderstaande afbeelding geeft een schematische en statische weergave. In hoofdstuk twee vertellen wij van de eerste oer scheuring  en de verdere splitsingen die alles als craquelé uiteen laten vallen.

[5]

In het volgende bericht gaan wij – zoals beloofd – kijken naar de 10 minuten durende film van Ray and Charles Eames “Powers of Ten” uit 1968.


[2] Zie ook: Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra

[3] Zie ook: Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993 p 363. Volgens de Avatamsaka Sutra hebben de stofdeeltjes uit het net van Indra gevoelens en behoeften. Zij kennen woede, vreugde en kennis en onkunde. Zij kunnen ook alles binnen hun reikwijdte gelukkig maken. Het net van Indra kan gezond en ziek zijn.

[4] Het woord “Deus” voor God is afkomstig van de werkwoord wortel “div”, dat in het Sanskriet “schitteren, vermeerderen, verheugen” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.