Tagarchief: Italo Calvino

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 17


Carla, Man en Narrator ontmoeten elkaar om zeven uur ’s-avonds op het Piazza della Repubblica.

“In dit deel van Florence zien wij uitzonderlijk weelderige kleding in allermooiste etalages van de winkels. Wij hebben nog nauwelijks gesproken over hedendaagse weelde en luxe. Mag ik jullie vanavond uitnodigen voor een luxe diner? Narrator, weet jij een goed modern restaurant voor het laatste avondmaal op dit deel van onze Odyssee?”, vraagt Man aan Narrator.

“Vlakbij is – op een binnenplaats van een Palazzo – een zeer goed hedendaags restaurant van een wereldwijde keten met een menu van relatief eenvoudige Italiaanse gerechten bereid met uitstekende lokale ingrediënten. Enkele dagen geleden heb ik er – op zijn uitnodiging – met een Italiaanse vriend geluncht; de gerechten zijn voortreffelijk”, zegt Narrator.

“Mag ik jullie uitnodigen om daar naartoe te gaan”, zegt Man.

“Het is een genoegen om jouw uitnodiging te accepteren. Ik kom terug op wat wij niet hebben besproken en gezien tijdens ons verblijf in Florence. Wij hebben niet gezien hoe gewone mensen in deze stad leven, werken en denken; dit komt vooral omdat ik maar enkele woorden Italiaans spreek. Wij hebben de vele bezienswaardigheden in deze stad vluchtig – of nog niet – bezocht. Ik denk dat wij in deze stad met gemak een zevenjarige Odyssee kunnen volbrengen naar “feiten en logica” binnen onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Aan de andere kant hebben wij binnen onze beperkingen ontstellend veel gezien. Wat vinden jullie?”, zegt Carla.

“Door deze poort gaan wij de binnenplaats van het Palazzo in. Man, heb jij de “Six memos for the next Millennium” van Italo Calvino al gelezen? Misschien kunnen wij de titels van de zes memo’s gebruiken als begin voor de terugblik op ons bezoek aan Florence; een bezoek dat een groot deel van de geschiedenis van de mensheid omvat”, zegt Narrator.

Feiten en logica 17a[1]

“Wij zijn nog vroeg, waar zullen wij gaan zitten, binnen of buiten?”, zegt Man.

“Ik hou van knusheid aan een echte tafel”, zegt Carla.

“Dan vragen wij binnen een tafel”, zegt Man.

Nadat zij hun gerechten hebben besteld, gaan zij verder met hun gesprek.

“Om terug te komen op titels van de zes memo’s: ik denk dat er geen discussie mogelijk is of “Lightness” en “Quickness” van toepassing zijn op de manier waarop wij “Feiten en logica” in Florence hebben besproken. Wat denken jullie van de derde titel “Exactitude”? Hebben wij hieraan voldaan?”, vraagt Carla.

“De derde memo van Italo Calvino begint als volgt:

Voor de oude Egyptenaren werd nauwkeurigheid gesymboliseerd door een veer op de weegschaal voor het wegen van de Ziel. Deze lichte veer werd “Maat” [2] – Godin van de Weegschalen – genoemd.” [3]

Feiten en logica 17b.jpg[4]

Vervolgens poogt Italo Calvino de maat van “Exactitude” te definiëren:

“Naar mijn mening betekent “Exactitude” bovenal drie dingen:

  1. Een goed gedefinieerd en berekend plan voor de taak in kwestie;
  2. Een voorstelling van heldere, scherpzinnige, gedenkwaardige en visuele beelden (εικαστικοσ ín het Grieks) en
  3. Een taal zo nauwkeurig mogelijk zowel in woordkeus, als in uitdrukking van denken en verbeelding.

Binnen de beperkingen van “Lightness” en “Quickness” hebben wij – volgens mij – aan deze drie criteria voldaan bij het bespreken van “Feiten en logica”. Daar is ons voorgerecht. Eet smakelijk”, zegt Man. feiten en logica 17c“Eet smakelijk”, zegt Narrator.

“Eet smakelijk. Ik ben het met jou eens dat – naar onze mening – aan deze criteria is voldaan, maar anderen moeten binnen hun kaders en met hun achtergrond zelf bepalen of – naar hun mening – hieraan is voldaan”, zegt Carla.

“Dat klopt. Ik ben tevreden, maar mijn vader zou een ander verhaal over “Feiten en logica” als manifestatie van het “Alomvattende Een” hebben verteld, dat uitstekend aan deze drie criteria had voldaan. Binnen onze kaders en onze achtergrond hebben wij uitstekend voldaan aan de titels van het vijfde memo “Multiplicity” en het zesde – nooit geschreven – memo “Consistency”; anderen moeten vanuit hun eigen referentiekaders beoordelen of ons verslag voldoet aan veelzijdigheid en samenhang. Ik ben niet zeker of wij recht hebben gedaan aan de titel van het vierde memo “Visibility”. Uiteraard hebben wij een zeer rijke indruk aan bezienswaardigheden opgedaan en wij hebben deze indrukken zichtbaar geplaatst binnen het kader van “Feiten en logica”, maar in het kader van “Intensiteiten en associaties” is een aanvulling van “Visibility” nodig”, zegt Narrator.

“Italo Calvino begint zijn memo “Visibility” met de strofe:

Dan regent neder

in de hoge fantasie

van opstandigen[5].

Deze strofe komt uit het deel van de toornigen en opstandigen in het Vagevuur – of Louteringsberg – van Dante Alighieri’s “De Goddelijk komedie”; de laatste regel heb ik zelf toegevoegd. Bij de toornigen uit dit deel van de Louteringsberg denk ik aan twee strofen uit het Efeziërs 4:25-32 – een brief van Paulus over eenheid en verscheidenheid – uit het Nieuwe Testament: “De zon ga niet onder over uw toornigheid” en “Weest voor elkander vriendelijk, barmhartig, en vol mededogen”.

Volgens Italo Cavino: ”Regent de “Visibility” – of de verbeeldingskracht – neer vanuit de hemel; of beter gezegd: God zendt deze tot hen”. Als verduidelijking van verbeeldingskracht haalt Italo Calvino de volgende strofen uit de Louteringsberg van Dante aan:

Verbeeldingskracht, jij die ons vele malen

Belette op de wereld acht te slaan

Al schalde er een duizendtal cimbalen.

 

Wat drijft jou, buiten onze zinnen, aan?

Een lichtflits, in de hemel vormgegeven,

Vanzelf of door de wil van God ontstaan.[6]

Verbeeldingskracht omvat onder meer wetenschap, het denkraam van de strijder, barmhartigheid en mededogen. Bij de lichtflits en de hemel denk ik aan het paarlenspel binnen Indra’s Net.

Wij hebben in Florence de wereld van de Scholastiek zien overgaan in de verbeeldingskracht van de rede en van het individu, met nieuwe mogelijkheden en beperkingen. Het denkraam van de strijder heeft zich aangepast aan de nieuwe omstandigheden: de individuele strijder streed niet meer voor algehele glorie van zijn samenleving, maar streed voor glorie van zichzelf en zijn nageslacht.

In Amsterdam – tijdens “Intensiteiten en associaties” op onze Odyssee naar “Wie ben jij” – verwacht ik de verbeeldingskracht tijdens en na de reformatie – en de beeldenstorm als reactie op de scholastiek en de uitwassen van de Renaissance – van de opstandigen in Holland te ontwaren. “Dan regent neder in de hoge fantasie van de opstandigen”:

  • een directe relatie met God binnen een verzuilde samenleving;
  • een ongekende beeldingskracht in de schilderkunst gekoppeld aan een beeldenstorm binnen de religie;
  • een rijkdom, benepenheid en onbehagen verkregen door handel en uitbuiting;
  • een gewijzigd denkraam van de strijder gericht op rentmeester Gods, en op zuinigheid en profijt als vooruitzicht op het hiernamaals.

Een eerste glimp van deze verbeeldingskracht van de opstandigen hebben wij gezien in de blauwe zalen van het Uffizi met schilderijen van Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw. Dit is ons laatste avondmaal in de beschouwing van de renaissance in Florence tijdens onze Odyssee naar “Wie ben jij”. Zullen wij nu van ons hoofdgerecht gaan genieten?”, zegt Man.

Feiten en logica 17d[7]

“Bij het overzien van de geschiedenis van de mensheid binnen de ontstellende rijkdom aan verbeeldingskracht van Indra’s net, en binnen de reikwijdte van onze zoektocht, hebben wij bij “Feiten en logica” naar mijn mening “Maat” weten te houden bij het wegen van de Ziel. Wij hadden eindeloos kunnen blijven dwalen in de krochten van de hel, zwerven op de flanken van de Louteringsberg, opgaan in de hemel – zoals vanavond bij dit diner. Maar wij hebben met hoop en troost dit onderdeel van de Odyssee volbracht. Laten wij het tweede deel van “Visibility” – “De regen aan verbeeldingskracht van de opstandigen” – voortzetten in Amsterdam tijdens “Intensiteiten en associaties ”, zegt Narrator.

feiten en logica 17e.[8]

“Bij “Eenheid en verscheidenheid” in de brief van Paulus aan de Efeziërs en bij “Verbeeldingskracht die ons vele malen belette op de wereld acht te slaan” denk ik tegelijkertijd dat wij allen in onze drang tot overleven – in een of andere vorm, bijvoorbeeld als manifestatie van het “Alomvattende Een” – zijn verbonden met het “denkraam van de strijder” met zijn verbeeldingskracht die in een lichtflits een manifestatie creëert en transformeert. Wij ontkomen niet aan dit denkraam wanneer wij ons de vragen stellen hoe wij verder zullen leven [9]; hoe wij een plaatsje onder de zon, sterrenhemel en hiernamaals zullen verwerven of behouden. Wij – levende mensen en Goden(?) – zijn opstandigen wanneer wij opstaan voor een nieuwe dag met nieuwe verbeeldingen. Misschien kunnen wij dit denkraam ontlopen door richtingloos te vervloeien met het oneindige “Alomvattende Een”, maar deze volkomen overgave – die volkomen voorbij gaat aan de bewuste actie van zelfmoord – is niet velen van ons gegeven. Ik denk dat wij als levende wezens het denkraam van de strijder niet kunnen ontlopen; wij kunnen binnen dit denkraam alleen maar “Maat” houden – met mededogen en zorg – bij het wegen van de Ziel”, zegt Carla.

“Jij hebt gelijk voor dit tweede deel van onze zoektocht. Misschien hebben “Leegte” en het derde deel van onze Odyssee nog verrassingen tijdens de zeven andere werkelijkheden”, zegt Man.

“Ik ben benieuwd. Daar is ons nagerecht. Morgenochtend vertrekken Man en ik heel vroeg naar het vliegveld. Hoe ga jij naar Amsterdam”, zegt Carla.

“Ik reis over land en ik beslis op het laatste moment welke trein of bus ik zal nemen. Hoewel ik vele jaren geleden de spiegelwereld van geheime diensten achter mij heb gelaten, moet ik er rekening mee houden dat deze diensten nog steeds interesse in mij hebben; ik probeer inzage in mijn identiteit zoveel mogelijk te vermijden. Over een ruime week verwacht ik bij jullie in Amsterdam te zijn voor het vervolg van onze Odyssee”, zegt Narrator.


[2] Maat is als Godin in het Egypte van de vroege farao’s de verpersoonlijking van waarheid, stabiliteit, rechtvaardiging en kosmische orde. Later wordt Maat de maatstaf voor de hoofdrol van de farao. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Ma%C3%A4t

[3] Vertaald uit: Calvino, Italo, Six Memos for the next Millennium. New York: Vintage Books, 1993, p. 55

[5] Bron eerste en tweede regel: Dante “Purgatorio” XVII.25. De derde regel is toegevoegd door Jan van Origo.

[6] Dante “Purgatorio” XVII.13-18; vertaling uit: Dante Alighieri, De goddelijk komedie. Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep, 2008, p. 282

[9] Zie ook: Camus, Albert, De Mythe van Sisyfus. Amsterdam: De Bezige Bij, 1975, p. 7.

Advertenties

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 3


“Na mijn middagrust heb ik weer genoeg energie voor de avond. De vele tropische ziekten hebben hun sporen in mijn lichaam achtergelaten; een hele dag actief blijven is soms teveel van het goede. Welke boeken heb jij gekocht?”, zegt Carla.

“Een Italiaans cursusboek voor Sanskriet om mijn studie nieuw leven in te blazen en “Six memos for  the next Millennium” van Italo Calvino. De titels van deze memos zijn intrigerend:

  • 1 – Lightness,
  • 2 – Quickness,
  • 3 – Exactitude,
  • 4 – Visibility,
  • 5 – Multiplicity

en het nooit op papier gezette memo “6 – Consistency”. De titels voor deze memo’s zouden ook de richtsnoeren voor onze Odyssee moeten zijn, waarbij wij – net als Italo Calvino – het zesde memo nooit op papier kunnen zetten omdat wij dan het volledige universum in zijn volkomen oneindigheid moeten beschrijven”, zegt Man.

feiten en logica 31[1]

“Daar zie ik Narrator aankomen. Mooi om hier in de avondzon te zitten met uitzicht op de “Basilica di Santa Maria Novella”. Voldoet de façade van de Basilica ook aan de titels van de memo’s?”, zegt Carla.

feiten en logica 32[2]

“Goede vraag met vele antwoorden. Goede ontmoeting gehad met jouw vriend?”, zegt Man.

“Mooi om elkaar na zoveel jaren weer te zien. Wij zijn veel veranderd en ook hetzelfde gebleven; vertrouwd en anders. Met de jaren is de lichamelijke aantrekkingskracht verdwenen, maar de genoeglijkheid van het samenzijn is gelukkig gebleven. Zullen wij eerst wat drinken en de menukaart vragen?”, zegt Narrator.

“Dat is goed. Dan zal ik na onze keuze uit het menu – zoals vanmiddag beloofd – mijn kijk op “feiten en logica” van “Wie ben jij?” met jullie willen delen”, zegt Man.

Carla, Man en Narrator bestellen hun drankjes, maken hun keuze uit het menu en bestellen hun avondmaal.

“Gisteren ben ik begonnen in “De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid”, de Nederlandse heruitgave van “Man is not alone – A Philosophy of Religion”, van Abraham Heschel [3] uit 1951. De titel van het boek spreekt mij aan, omdat mijn voornaam erin wordt genoemd en omdat ik meer wil weten over het geloof in God dat mij in mijn volwassen leven vreemd is gebleven. Ik heb lang in kloosters gewoond en ik heb groepen begeleid bij Oosterse wijsheid, maar een ervaring van Gods aanwezigheid heb ik nooit gehad. De eerste acht hoofdstukken van het boek over “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat” komen rechtstreeks uit mijn binnenste en gaan daaraan voorbij zoals bloesem aan een boom – opgenomen in het heelal – uit de aarde voorkomt, erdoor wordt gevoed en er weer in onder zal gaan [4]. In hoofdstuk 9 van het boek staat een passage – ik lees voor – “Wij loven tezamen met de kiezels op het wegdek, die als versteende verbazing gelden, tezamen met alle bloemen en bomen die eruit zien alsof zij in stilte gehypnotiseerd zijn. Wanneer geest en ziel met elkaar in overeenstemming zijn, wordt geloof geboren” [5]. Tot hier is het boek voor mij volkomen logisch en herkenbaar, zoals ook het feit dat het “Ene” – dat alom aanwezige is – bestaat, waarin wij volkomen zijn opgenomen en waarvan wij, ieder en alles om ons heen tijdelijke manifestaties zijn. Maar God – als de andere – blijft een vreemde voor mij. Wie is hij? Waardoor staat God los van “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat”. Deze scheiding is voor mij onwerkelijk; ik kan dit niet bevatten: het in niet logisch”, zegt Man.

feiten en logica 33[6]

“In het land van mijn voorouders wordt het “Individuele Ene” of Ātman [7] – dat qua klank gelijkenis vertoont met ons woord adem – en het “Ene Alomvattende” of Brahman [8] verwoord en onderwezen door de Upanishads [9]. Via een volledig bewustzijn dat Ātman en Brahman twee manifestaties van het “Ene” zijn en daardoor in elkaar samenvallen zoals en druppel in de zee, overstijgen wij ons mens-zijn op aarde.

feiten en logica 34[10]

Of wij – al dan niet – geloven in een “Een alomvattend Zelf” als eeuwigdurende entiteit, is van weinig belang voor ons menselijk leven met alledaagse vreugde, lijden en waanzin. Het Boeddhisme bewandelt een strikte middenweg tussen het “Een alomvattend Zelf” en het “menselijk dagelijks leven” om zo een bodemloze put van metafysische vraagstukken te vermijden [11]. Een tak van deze middenweg is de metafoor van Indra’s Net [12] dat een beperkte weergave biedt voor een onderling verband tussen al de afzonderlijke manifestaties en het “Een alomvattend Zelf”. De Mahābhārata brengt in dit denken een radicale verandering aan door de aandacht in het alledaagse leven te verleggen van Ātman naar “Dharma” – of wereldorde en plicht[13]; Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”. In de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – cumuleert de “aandacht voor het alledaagse leven” wanneer Arjuna het strijdperk betreedt waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht  (Dharmakshetra [14]) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra [15]). Wanneer Arjuna zijn familie, leraren en dierbaren tegenover zich ziet staan, weigert hij het startsein te geven in de strijd tussen de twee partijen. Kṛṣṇa – zijn leidsman en wagenmenner tijdens dit gevecht – zet Arjuna aan om zijn plicht binnen de wereldorde te vervullen en Kṛṣṇa slaagt hier pas in nadat hij tijdens de dialoog zijn Goddelijke gedaante heeft aangenomen; daarna geeft Arjuna het startsein voor de strijd met desastreuze gevolgen voor alle hoofdrolspelers, maar waarin zij hun plicht en taak vervullen binnen de ontstane wereldorde. Binnen en samenvallend met het “Een alomvattend Zelf” is de Goddelijke gedaante van Kṛṣṇa in dit deel van de Mahābhārata een hoeder en leidsman van de wereldorde”, zegt Narrator.

“Binnen het denkkader van jouw voorouders met hun kijk op “feiten en logica” vervullen mensen en Goden hun rol in de wereldorde. Binnen mijn denkkader past geen Goddelijke rol die losstaat van “het Ene onuitsprekelijke”: ik voel mij thuis binnen het denkraam van de Upanishads en binnen de middenweg van het Boeddhisme, maar ik bestudeer graag zienswijzen waar ik het niet mee eens ben, om hetgeen te achterhalen wat anderen zien en ik niet zie”, zegt Man.

“In de laatste zin hoor ik een uitspraak van Professor Dr. W. Luijpen tijdens zijn colleges filosofie aan de TU Delft. Ook ik heb in mijn leven veel gestudeerd waar ik het niet mee eens ben. In mijn studies naar misdaden tegen de mensheid ben ik veel sluitende, onjuiste en leugenachtige denkkaders tegengekomen waar ik het volstrekt mee oneens was. Na studie van het Oude Testament en de Mahābhārata – met de nadruk op ahiṃsā of geweldloosheid als fundament van leven [16] – ben ik tot de conclusie gekomen dat het boeken zijn die vrede tot doel hebben, hoewel beide boeken vol staan van bedrog, geweld en gruweldaden. Ik zie dat onze maaltijd eraan komt. Later hoop ik wat meer over het denkraam van de strijder te kunnen vertellen”, zegt Carla. feiten en logica 35[17]

“Smakelijk eten; later gaan wij verder met onze zoektocht”, zegt Man.

“Voldeed onze discussie aan de titels van de zes memo’s van Italo Calvino?”, vraagt Narrator.

“Volgens mij wel”, zegt Carla.

“Volkomen”, zegt Man.


[1] Zie ook: Calvino, Italo, Six Memos for the next Millennium. New York: Vintage Books, 1993

[3] Zie: Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011. De oorspronkelijke uitgave is: Heschel, Abraham Joshua, Man is not alone – A Philosophy of Religion. New York: Farrar, Straus and Giroux, 1951. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Joshua_Heschel

[4] Zie ook: Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 50 – 51

[5] Zie: Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011, p. 85.

[6] Bron afbeelding: Voorkant van Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011

[8] Het woord Brahman is waarschijnlijk verwant met de werkwoordswortel √bhṝ dat “vermeerderen of vergroten” betekent. Zie voor een verdere inleiding: http://en.wikipedia.org/wiki/Brahman

[9] Upanishad betekent letterlijk in het Sanskriet: “neerzitten gericht naar”. Dit neerzitten vindt plaats bij een leermeester voor onderricht in het eeuwigdurende alomvattende mysterie dat ons leven vormt. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.  Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Upanishads

[11] Zie ook: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 67 – 68

[12] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 66 – 68;  Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra. University Park and London: The Pennsylvania State University Press, 1977; Cleary, Thomas, Entry Into the Inconceivable: An Introduction to Hua-yen Buddhism. Boston:  Shambhala, 2002; en Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993

[13] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.

[14] Dharmakshetra is samengesteld uit Dharma “plaatsen van de voortdurende zelf/Zelf”, en “kshetra” – letterlijk: veld.

[15] Kurukshetra is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat “maken, doen of handelen” betekent en “kshetra” – letterlijk: veld.

[16] Zie ook: hoofdstuk 5 van Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006