Tagarchief: Kṛṣṇa

Narrator – masker van een idool


In de omgekeerde wereld van Amsterdam had ik de verschijningsvorm van een idool aangenomen. Ineens was ik overal meer dan welkom; ik werd gevraagd bij voorstellingen en voor feesten. Iedereen wilde met mij gezien worden of in mijn omgeving zijn. Voor anderen mensen leek ik een goddelijk aureool met mij mee te dragen. In mijn nabijheid ervoeren vreemden zich opgenomen in een hemelse gloed. Zij allen droomden dat ik de toegangspoort tot de hemel bezat [1].

[2]

Nieuwe minnaars waanden zich bij mij in een buitenaardse ruimtereis, verbonden met het universum of opgenomen in droomwereld mooier dan het leven. Ik was voor hen de verbinding tot een altijddurend paradijs.

[3]

In mijn weelde verscheen opnieuw een Godin – weer een witte [4] Citroën DS – waarmee ik zoevend over de wegen – net als de leidsman Kṛṣṇa [5] in de Bhagavad Gita [6] – de glorie verwezenlijkte [7]. Als idool en middelpunt moedigde ik aan, ik stuurde en ik gaf vorm aan de wereld om mij heen; ik vormde het oog van een cycloon – even leeg, tijdelijk en verstild van binnen.

Idolatrie

Vergankelijk in een zucht

Gezien in de zon

“Schoonheid is een verschrikkelijk en beangstigend ding. Verschrikkelijk omdat de schoonheid onbepaalbaar is, omdat God ons alleen raadselen heeft opgegeven. Hier komen  de oevers bij elkaar, hier wonen de tegenspraken samen​​.” [8]  Deze aanhaling uit De Gebroeders Karamazow van Dostojewski gaf mijn vluchtige positie als idool in de omgekeerde wereld in Amsterdam weer. Dit citaat vormde ook het motto van Confessions of a Mask van Yukio Mishima waaruit ik een zekere duiding van mijn rol als icoon in de wereld waar mannen van mannen houden ontleende; voor mijn minnaars was ik niet alleen hun geliefde, maar tegelijkertijd ook hun concurrent bij hun liefde voor andere mannen in de polygame homoseksuele omgeving van Amsterdam in die tijd.

[9]

Naast duiding van mijn ijdele positie in de omgekeerde wereld in Holland zocht ik ook naar inzicht over de ontwikkeling van mijn leven. Na het lezen van de tetralogie Sea of Fertility [10] van Yukio Mishima bood de viervoudige reïncarnatie van de tweede hoofdpersoon houvast.

[11]

In lijn met deze zienswijze besloeg de eerste reïncarnatie in mijn leven – onder de roepnaam Kṛṣṇa – de periode van mijn vroege jeugd tot aan mijn vertrek uit Kenia. Nu was ik als tijdelijk idool op het hoogtepunt van mijn tweede incarnatie in mijn levensloop aanbeland. Ik voorzag dat mijn leven als icoon op imploderen stond; ik besloot de omgekeerde wereld van Holland voor een ruime tijd te verlaten. Na mijn aandeel in een ernstige oorlogsmisdrijf tijdens mijn eerste reïncarnatie in Kenia, wilde ik de loop van het vervolg van mijn leven in goede banen blijven leiden. Het werd ook tijd voor boetedoening voor dit misdrijf.


[1] Zie het boek Genesis 28:10-19 in het Oude Testament voor de droom van Jacob waarin Jacob een ladder van afdalende en opstijgende engelen aanziet voor de toegangspoort tot de Hemel. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Jacob’s_Ladder

[2] Schilderij: Jacob’s dream of a ladder of angels, c. 1690, by Michael Willmann. Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Dream

[3] De Droom van Henri Rousseau, 1910. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Droom

[4] Arjuna betekent onder meer “wit, helder”; in de naam is ook “arh” te herkennen dat “waardig, in staat tot” betekent. Arjuna is een van de hoofdpersonen in de Mahābhārata. Hij is een van de vijf broers die allen met een vrouw Draupadi – de mooiste en invloedrijkste vrouw van haar tijd – in polyandrie samenleven. De vijf broers strijden voor hun rechtmatig deel van het koninkrijk, voor het herstel van de eer van Draupadi en voor behoud van de wereldorde.

[5] Kṛṣṇa betekent in het Sanskriet onder meer “zwart”, “blauw zwart”, “de donkere periode van de maancyclus” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[7] Zie ook: Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990

[8] Bron: Dostojewski, F.M. Verzamelde Werken 9 – De Gebroeders Karamazow. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1958, p. 136

[9] Bron afbeelding: Voorzijde van boekband Mishima, Yukio. Confessions of a Mask. New York: A New Directions Book, 1958 (Eleventh printing)

[11] Bron afbeelding: Hatsuhana doing penance under the Tonosawa waterfall van Utagawa Kuniyoshi (1797–1861). Deze afbeelding is gebruikt als voorzijde van de Franse uitgave van de Sea of Fertility van Yukio Mishima.

Narrator – te voet onder het oog van de cycloop


Luxemburg toonde zich de eerste twee dagen van haar liefelijk zijde. Ik wandelde door een sprookjesachtig dal waar ik elfjes en feeën had kunnen ontmoeten. De mensen waren aardige en ik waande mij in een paradijs.

Na deze lieflijke ontmoeting, maakte ik kennis met Luxemburg als trollenland waar hongerige geesten woonden. De derde nacht in Luxemburg onweerde het verschrikkelijk. In het donker leken de flitsen uit het oog van de cycloop [1] te komen. De bliksem verlichtte mijn pad; de donderslagen rolden door de dalen. Ik moest vluchten, maar er was geen uitweg. Ik kon alleen doodsbang verder lopen. Na enkele uren hield het onweer gelukkig op en in een schuilplaats vond ik eindelijk rust. De rest van de nacht hoorde ik het tikken van de regen. Tegen de ochtendschemering hield de regen op.

[2]

De hele omgeving was in een dikke mist gehuld en het was erg koud in het vroege najaar. Deze wereld was nieuw voor mij; ik voelde mij opgesloten in een grijze donkere wereld. Ik zocht een uitweg. Ik zag niemand; ik hoorde niemand. Ik was helemaal alleen in een stille koude wereld. Op mijn baard, mijn wenkbrauwen en oogwimpers kwamen kleine druppels. Mijn kleding was klam van de koude nevel. Deze nacht had de Masaï God Engaï [3] mij niet opnieuw tot leven gebracht. Was dit de straf voor het nachtelijk vuur in het bos [4] dat was aangestoken door onze militie in Kenia waarbij wij vreugde hadden beleefd aan het doden van de dorpelingen die aan het vuur wilden ontsnappen?

[5]

Na een half uur lopen werd het iets lichter; de zon kwam op: eerst heel vaag in de verte, later als een oog door de nevel. Deze wereld was mij vreemd. Ik had het nog steeds erg koud. Later in de omgeving van Amsterdam zou ik zo aan dit weertype gewend raken, dat ik er blindelings mijn weg in kon vinden.

[6]

Aan de linkerkant ging een weg omhoog. Ik moest weg uit deze onderaardse wereld. Zoals Odysseus vastgeklemd onder een ram uit de grot van de cycloop was ontkomen, zo liep ik ingeklemd in de wattendeken de weg omhoog. Langzaam werd het lichter en de grijsheid werd minder. Boven aan de heuvel leken de wolken in de dalen op de vacht van een kudde schapen.

[7]

Over de weg omhoog ontsnapte ik uit die lugubere onderwereld. De zon scheen eindelijk; na een uur lopen was ik weer droog en warm. Luxemburg liet zich weer van haar feeërieke kant zien. Via de hoogvlakte bereikte ik België.


[1] Volgens de Griekse mythologie heeft Zeus zijn bliksem, en Poseidon zijn drietand aan de Cyclopen te danken. Zie voor een korte omschrijving van de avonturen van Odysseus met de cycloop: http://nl.wikipedia.org/wiki/Cycloop

[3] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen dood gaan en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

[4] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen:  http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990,  p. 71 – 84

[5] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Fog

[6] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Nebel

[7] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Nebel

Narrator – weg van huis


Net als mijn vader vertrok ik uit mijn geboorteland naar een ander continent om een beter bestaan te gaan leiden. Ik wilde niet rond te trekken in Europa maar ik had besloten om in Amsterdam – een stad waar mannen van mannen mogen houden – te gaan wonen. Dit voornemen is uiteindelijk precies omgekeerd uitgekomen.

Via de ouders van Arjen – door mij Arjuna genaamd – heb ik reispapieren en een visum voor Nederland gekregen. Mijn roepnaam Kṛṣṇa heb ik in Kenia achtergelaten. Hiermee hoopte ik afstand te nemen van zwarte bladzijden in mijn leven waarin ik in de hel bij de hongerige geesten had geleefd. Dit is niet gelukt: in mijn dromen en in mijn verhalen zijn deze bladzijden nog lang teruggekeerd.

[1]

Voor mijn paspoort heb ik als voornaam Narrator [2] vermeld; ik wilde net als mijn vader voor het publiek de rol van verhalenverteller in het levensverhaal vertolken. Als eerbetoon aan mijn vader heb ik de achternaam Nārāyana [3] opgegeven.

Aan het einde van het schooljaar nam ik afscheid van de school. Ik zei vaarwel tegen Arjen en zijn ouders en ik heb hen bedankt voor alle hulp. Een van de docenten op school kende een chauffeur die regelmatig via Nakuru en Lodwar naar Jūbā in Zuid Soedan reed. Daar heeft de chauffeur mij in contact gebracht met een collega die naar Khartoum – de hoofdstad van Soedan [4] – reed. In Khartoum kon ik verder mee naar Wadi Halfa, net voor de grens met Egypte.

Mijn ervaring en instinct als soldaat waren nog bruikbaar bij een wegversperring. Met nog een bocht te gaan zag de chauffeur in de verte een controle op de weg net voor een stadje. Mijn aanwezigheid kon de chauffeur niet verantwoorden. In de bocht kon ik uit de vrachtwagen glippen. Via een omweg door het struikgewas kwam ik in het stadje aan. Daar het ik de chauffeur weer ontmoet om verder te reizen.

Bij Wadi Halfa kon ik voor kost en inwoning helpen op een toeristenboot die over het Victoriameer naar het noorden voer. Bij Abu Simbil bezocht ik de tempel van Ramses II. Hier zag ik afbeeldingen van heersers uit verloren tijden die zich in hun overmoed als afgoden lieten vereren. Op mijn reis langs de Nijl ben ik nog meer vormen van hoogmoed – als stofrestjes in het universum – tegengekomen. Op school had ik van de zuster het eerste gebod volgens de Katholieke indeling geleerd: “Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen”. Deze “Mij” is voor mij altijd de sterrennacht en de maan gebleven. Deze beeltenissen van afgoden konden niet tippen aan de aanblik van de nachtelijke hemel bij nieuwe maan.

[5]

In Egypte reisde ik met verschillende boten de Nijl af. Onderweg zag ik op afstand verschillende piramides – voor mij wijzers naar de sterrennacht en de maan.

[6]

Bij de Nijldelta kon ik meevaren met een boot naar Alexandrië. In de bibliotheek van Alexandrië las ik alle verhalen van Scheherazade – de vertelster van de verhalen uit “Duizend en één nacht”. Zij werd iedere nacht – zoals de maan door de God Engaï [7] in de Masaï mythe – weer tot leven gewekt.

Vanuit Alexandrië heb ik Afrika verlaten. Zoals mijn vader nooit meer is teruggekeerd naar India, zo ben ik nooit meer in Afrika terug geweest. Mijn moeder was niet in staat om naar Amsterdam te komen, want zij kon haar kudde niet achterlaten. Mijn vader durfde ik niet te vragen, want ik was bang dat hij nooit meer naar mijn moeder zou teruggaan: dat kon ik haar niet aandoen.


[3] Nārāyana betekent in het Sanskriet: “zoon van de oorspronkelijke man” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[4] In het Sanskriet betekent “Su” onder meer “suprematie, goed, excellent, mooi, makkelijk” en “Dān” betekent “zijn, recht maken”.

[7] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen dood gaan en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

Narrator – terug op aarde


Het vuur in het bos [1] heeft de hele nacht gebrand. De volgende ochtend smeulde het nog steeds; pas in de middag doofde het vuur. De nachtelijke moordpartij aan de rand van het bos leverde niets op. De geur van het verbrandde bos mengde zich met de geur van dode lichamen en de aasvliegen waren overal.

Aan het begin van de volgende maanloze nacht verliet ik de militie. Ik liep de hele nacht; ik volgde de bestemming [2] van mijn roepnaam Kṛṣṇa [3] – in deze maanloze nacht ontsnapte ik levend uit de hel en ik ontliep de dood van Engaï [4]. Later hoorde ik dat enkele maanden later de militie was uitgemoord door het leger van het land. Net voor het eerste zonlicht heb ik mijn uniform en wapen weggedaan.

[5]

De volgende dag ruilde ik enkele bezittingen uit de militie tegen kleren. In ruim een week trok ik naar mijn moeders weidegrond [6]. Via informatie van bekenden vond ik haar tijdelijke verblijfplaats.

[7]

Zij zag mij al van afstand en mijn jongere broers en zussen kwamen op mij afgerend. Mijn moeder keek zielsgelukkig totdat zij mijn ogen zag – donker en koud als de nacht. Zij zag in mijn gezicht het vuur in het bos, mijn bewegingen weerspiegelden de hongerige geesten en aan mijn lichaam rook zij de hel. Ik kreeg te eten en ik kon blijven slapen, maar de volgende morgen stuurde zij mij weg met de woorden: “Van de wereld heb jij genomen, aan de wereld moet jij teruggeven. Daarna ben jij welkom als gast.”

Te voet ben ik naar de hoofdstad gegaan. Aan de rand van de stad kon ik tegen kost en inwoning hulpdocent zijn op een school. Tijdens de lesuren hielp ik de leerlingen bij de opdrachten en buiten schooltijd ging ik naar de bibliotheek om te studeren. Mijn Engels en Sanskriet verbeterden enorm en ik leerde en oefende de belangrijke epische verhalen zodat ik – net als mijn vader – verhalenverteller kon zijn.

[8]

In de stad ontmoette ik de mooiste mannen op wie ik heimelijk verliefd werd. Na een jaar leerde ik mijn eerste liefde kennen – zo gewoon, zo vanzelf, zo geborgen. Zijn naam was Arjen; ik noemde hem Arjuna [9]. Zijn ouders waren voor hun werk uit Nederland naar Nairobi verhuisd . Naar buiten waren wij vrienden, heimelijk waren wij geliefden. Zijn huid was veel lichter; hij studeerde aan de universiteit. Ik hielp hem met Sanskriet; hij hielp mij met Engels, Frans en Duits.

Twee jaren laten zijn wij naar mijn moeder gegaan. Zij begroette mij als haar verloren zoon. Al mijn broers en zussen waren blij om ons te zien. Enkele dagen later kwam mijn vader langs en wij waren gelukkig.

Mijn moeder zag meteen dat Arjen en ik meer dan alleen vriendschap hadden. Om mij te beschermen tegen de overweldigende krachten die een liefde tussen jongemannen in haar land opriepen, stuurde zijn mij weg naar een stad in een ver land waar mannen van mannen mogen houden. Zo overbrugde [10] zij het dilemma tussen haar wereldorde en plicht en het menselijk handelen [11]. Zij noemde de naam van de stad: Amsterdam. Enkele dagen later ben ik vertrokken. Ik heb mijn ouders nooit meer bezocht, maar zij vergezellen mij overal waar ik ga.


[1] Zie voor het vuur in het Khandava bos: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990,  p. 71 – 84

[2] In het Sanskriet betekent nāmadheya naast “naam” of “titel” ook “bestemming”. Bron: Maurer, Walter Harding, The Sanskrit Language, An Introductory Grammar and Reader. London: Routledge Curson, 2004 Deel II p. 771

[3] Kṛṣṇa betekent in het Sanskriet onder meer “zwart”, “blauw zwart”, “de donkere periode van de maancyclus” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[4] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen sterven en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

[5] Bron afbeelding: http://ki.wikipedia.org/wiki/File:Sunrise_over_Mount_Kenya.jpg

[6] In het Sanskriet betekent “nama” “weidegrond” (voor een nomadenvolk is dit een vorm van bestemming). Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[8] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Kenya

[9] Arjuna is een van de hoofdpersonen in de Mahābhārata. Hij is een van de vijf broers die allen met een vrouw Draupadi – de mooiste en invloedrijkste vrouw van haar tijd – in polyandrie samenleven. De vijf broers strijden voor hun rechtmatig deel van het koninkrijk, voor het herstel van de eer van Draupadi en voor behoud van de wereldorde. De naam Arjuna betekent onder meer “wit, helder”; in de naam is ook “arh” te herkennen dat “waardig, in staat tot” betekent.

[10] In het Sanskriet is een woord voor overbruggen: “yuj” dat ook “verbinden, voorbereiden, bevelen” betekent.

[11] Krishna [4] – de wagenmenner – zet in de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – Arjuna aan tot het betreden van het strijdperk waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht (Dharmakshetra) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra). Dharmakshetra is samengesteld uit Dharma “plaatsen van voortdurende zelf/Zelf”, en “kshetra” – letterlijk: veld. Kurukshetra is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat “maken, doen of handelen” betekent en “kshetra” – letterlijk: veld.

Narrator – van de hemel naar de hel


In mijn jeugd leefde ik in de hemel. Ik had toen vijf hindernissen in mijn leven: mijn kleren werden vies, mijn lichaam veranderde, mijn oksels zweetten, mijn lichaam riekte en het leven was soms oncomfortabel [1]. Mijn moeder zorgde dat mijn kleren, mijn oksels en mijn lichaam werden gewassen wanneer wij voldoende water hadden in het droge land. Dit was een feest. Het veranderen van mijn lichaam hoort bij een mensenleven; na de veranderingen zijn de groeipijnen vergeten en de situatie wordt weer normaal. En een sober, eenvoudig leven brengt niet altijd comfort met zich mee.

[2]

Tijdens mijn schooltijd heb ik mij soms als krijger getooid, meer als spel en uit ijdelheid dan om mij voor te bereiden op strijd. In vechten was ik als scholier niet geïnteresseerd.

[3]

Aan het einde van mijn schooltijd trok ik weg uit mijn moederland. Ik wilde de avonturen uit de verhalen van mijn voorouders zelf meemaken en ik voelde een drang naar comfort, geld, roem en macht. Of in de taal van mijn voorouders: ik wilde van Nara [4] veranderen in Rājan [5].

Terwijl iedereen sliep ben ik op een nacht bij mijn moeder weggegaan; ik liet een briefje achter met de boodschap dat alles goed zou komen en dat zij later trots op mij kon zijn.

Na enkele dagen zwerven kwam ik een militie tegen. Ik heb mij bij hen aangesloten. Ik kreeg een uniform met een wapen en ik werd getraind tot militair net zoals de helden uit de Kṣhatriya [6] of krijgers/heersers kaste in de Mahābhārata.

[7]

Ik was geen sterke soldaat, maar ik was slim en snel en ik zag meteen wat nodig was. De leiders van de militie zagen dit ook: ik werd chauffeur van de leider van de militie. Net als Kṛṣṇa in de Bhagavad Gita [8] werd ik wagenmenner en leidsman/adviseur.

Als wagenmenner op de strijdwagen was ik kok, ik gaf raad in de strijd, ik moedigde aan, ik bood bescherming in nood, ik redde uit benarde situaties en ik verhaalde achteraf van de heldendaden van de strijders.

Door de overgang naar de militie verliet ik de hemel en betrad ik de wereld van de hongerige geesten en de extreem pijnlijke wereld van de hel. Mijn leven ging van vrede naar oorlog, van liefde en zorgzaamheid naar geweld.

Aan het einde van een nacht hadden wij het bos rondom een dorp in brand gestoken. De vuurgod en de wind verspreiden de vlammen. Onze militie schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [9].

Bij daglicht volgde de ontnuchtering. Wij zagen dat wij alles en iedereen van pasgeborenen tot hoogbejaarden hadden gedood. Hierna heb ik de wereld van de hongerige geesten en de hel verlaten.


[1] Vrij uit: Cleary Thomas, The Undying Lamp of Zen – The testament of Zen Master Torei. Boston: Shambhala, 2010. Voetnoot 3 op p. 23

[4] In het Sanskriet beteken “nara” letterlijk “iemand die zich niet verheugt”. Dit woord wordt gebruikt voor een gewone man.

[5] “Rājan” betekent in het Sanskriet “verheugen in het ontstaan/geboorte/oorsprong”. Dit woord wordt gebruikt voor iemand van koninklijke of militaire kaste. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

[6] Voor het kastesysteem in India zie onder meer: http://en.wikipedia.org/wiki/Caste_system_in_India

[8] Zie voor een eerste inleiding in de Bhagavad Gita dat een klein onderdeel is van de Mahābhārata: http://en.wikipedia.org/wiki/Bhagavad_Gita. Een goede inleiding voor de vertaling Sanskriet – Engels is: Sargeant, Winthrop, The Bhagavad Gȋtâ. Albany: State New York University Press, 1994. Een inleiding in een religieuze – yoga – achtergrond geeft: Yogananda, Paramahansa, The Bhagavad Gȋtâ. Los Angelas: Self-Realization Fellowship, 2001

[9] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen:  http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84