Tagarchief: krijger

Narrator – van de hemel naar de hel


In mijn jeugd leefde ik in de hemel. Ik had toen vijf hindernissen in mijn leven: mijn kleren werden vies, mijn lichaam veranderde, mijn oksels zweetten, mijn lichaam riekte en het leven was soms oncomfortabel [1]. Mijn moeder zorgde dat mijn kleren, mijn oksels en mijn lichaam werden gewassen wanneer wij voldoende water hadden in het droge land. Dit was een feest. Het veranderen van mijn lichaam hoort bij een mensenleven; na de veranderingen zijn de groeipijnen vergeten en de situatie wordt weer normaal. En een sober, eenvoudig leven brengt niet altijd comfort met zich mee.

[2]

Tijdens mijn schooltijd heb ik mij soms als krijger getooid, meer als spel en uit ijdelheid dan om mij voor te bereiden op strijd. In vechten was ik als scholier niet geïnteresseerd.

[3]

Aan het einde van mijn schooltijd trok ik weg uit mijn moederland. Ik wilde de avonturen uit de verhalen van mijn voorouders zelf meemaken en ik voelde een drang naar comfort, geld, roem en macht. Of in de taal van mijn voorouders: ik wilde van Nara [4] veranderen in Rājan [5].

Terwijl iedereen sliep ben ik op een nacht bij mijn moeder weggegaan; ik liet een briefje achter met de boodschap dat alles goed zou komen en dat zij later trots op mij kon zijn.

Na enkele dagen zwerven kwam ik een militie tegen. Ik heb mij bij hen aangesloten. Ik kreeg een uniform met een wapen en ik werd getraind tot militair net zoals de helden uit de Kṣhatriya [6] of krijgers/heersers kaste in de Mahābhārata.

[7]

Ik was geen sterke soldaat, maar ik was slim en snel en ik zag meteen wat nodig was. De leiders van de militie zagen dit ook: ik werd chauffeur van de leider van de militie. Net als Kṛṣṇa in de Bhagavad Gita [8] werd ik wagenmenner en leidsman/adviseur.

Als wagenmenner op de strijdwagen was ik kok, ik gaf raad in de strijd, ik moedigde aan, ik bood bescherming in nood, ik redde uit benarde situaties en ik verhaalde achteraf van de heldendaden van de strijders.

Door de overgang naar de militie verliet ik de hemel en betrad ik de wereld van de hongerige geesten en de extreem pijnlijke wereld van de hel. Mijn leven ging van vrede naar oorlog, van liefde en zorgzaamheid naar geweld.

Aan het einde van een nacht hadden wij het bos rondom een dorp in brand gestoken. De vuurgod en de wind verspreiden de vlammen. Onze militie schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [9].

Bij daglicht volgde de ontnuchtering. Wij zagen dat wij alles en iedereen van pasgeborenen tot hoogbejaarden hadden gedood. Hierna heb ik de wereld van de hongerige geesten en de hel verlaten.


[1] Vrij uit: Cleary Thomas, The Undying Lamp of Zen – The testament of Zen Master Torei. Boston: Shambhala, 2010. Voetnoot 3 op p. 23

[4] In het Sanskriet beteken “nara” letterlijk “iemand die zich niet verheugt”. Dit woord wordt gebruikt voor een gewone man.

[5] “Rājan” betekent in het Sanskriet “verheugen in het ontstaan/geboorte/oorsprong”. Dit woord wordt gebruikt voor iemand van koninklijke of militaire kaste. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

[6] Voor het kastesysteem in India zie onder meer: http://en.wikipedia.org/wiki/Caste_system_in_India

[8] Zie voor een eerste inleiding in de Bhagavad Gita dat een klein onderdeel is van de Mahābhārata: http://en.wikipedia.org/wiki/Bhagavad_Gita. Een goede inleiding voor de vertaling Sanskriet – Engels is: Sargeant, Winthrop, The Bhagavad Gȋtâ. Albany: State New York University Press, 1994. Een inleiding in een religieuze – yoga – achtergrond geeft: Yogananda, Paramahansa, The Bhagavad Gȋtâ. Los Angelas: Self-Realization Fellowship, 2001

[9] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen:  http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84

Advertenties

Carla Drift – Gedrag 1


Het herstel van mijn tropische ziekte duurde lang. Ik merkte aan mijn lichaam dat een Europeaan niet voor de tropen was geschapen. Gelukkig kreeg ik goede medische zorg en de restverschijnselen waren na vele, vele maanden herstel ook verdwenen.

Deze maanden gebruikte ik om mijn verslag van mijn eerste studiereis te schrijven. In het tweede deel van dit verslag beschreef ik mijn bevindingen over de invloed van individuele gedrag van daders, leiders en opinievormers op volkerenmoord [1].

Drillen, schreeuwende sergeant [2]
Volkerenmoord werd tot op heden nooit door een individu begaan. Een eenling had hiervoor nu eenmaal niet de mogelijkheden. Dit zal dit in de toekomst kunnen veranderen, want de massavernietigingswapens [3] hebben een apocalyptische werking gekregen en de bediening van deze wapens kan door een individu of een kleine groep samenwerkende mensen geschieden. Een aantal speelfilms geven al een voorbode van deze mogelijkheid [4].

Hiroshima Nakajima gebied voor atoombom[5]

Hiroshima Nakajima omgeving in puin na atoombom[6]

In Midden Afrika zijn weinig zware wapens aanwezig. Een goed inzetbare luchtmacht ontbreekt. De enkele tanks en kanonnen zijn matig onderhouden en er is weinig personeel voorhanden om dit wapentuig te bedienen. Meestal hebben deze wapens alleen een symbolische waarde om de status van de bezitter/machthebber te vergroten.

Wel zijn er in dit gebied veel lichte en middelzware automatische geweren en mitrailleurs aanwezig. Deze wapens kunnen grote slachtingen aanrichten onder de lokale bevolking bij gebruik door een beperkte groep militairen van de machthebbers, door opstandelingen, door gewapende bendes en door raiders. Een grotere groep kan ook met handwapens zoals machetes slachtingen aanrichten.

Op basis van mijn bevindingen heb ik in mijn verslag geconcludeerd dat in Midden Afrika ruim voldoende middelen – handwapens, lichte en middelzware automatische geweren en mitrailleurs – aanwezig waren voor een volkerenmoord. Deze wapens waren door verschillende rijke naties geleverd om hun positie te bestendigen of te versterken door het steunen van lokale groepen. Deze wapens verhogen – net als het bezit van speren in het verleden – het aanzien van een krijger of van een soldaat. In werkelijkheid worden deze wapens meestal gebruikt voor afschrikking of als dreiging tegen tegenstanders.

De eerste verschaffers van de lichte en middelzware automatische geweren en mitrailleurs zijn vaak landen buiten Afrika die hiermee invloed in de politiek willen krijgen of bestendigen. De eerste ontvangers zijn vaak lokale leiders of groepen die de wapens verspreiden om invloed te vestigen of te verdedigen. De individuele ontvangers zijn vaak jonge mannen die als krijger hun positie binnen de groep willen vestigen: de behoefte tot het verkrijgen van aanzien in de piramide van Maslow [7]. Dit aanzien geeft naast een positie in de groep ook mogelijkheden voor partnerkeuze bij vrouwen en uiteindelijk eigenwaarde. Soms zijn het ook oudere mannen die hun belangen willen verdedigen: de behoefte tot veiligheid in de Maslow piramide.

Individuele mensen zijn of worden onderdeel van groep. Door middel van initiatieriten [8] zijn of worden zij in een groep geaccepteerd. Krijgers mogen vaak na hun initiatie riten een wapen dragen – zij zijn dan onderdeel van hun krijgersgroep of leger. De groep geeft de eenling een identiteit en de eenlingen met hun onderlinge verhoudingen geven een groep/leger een identiteit en een cultuur. Groepen krijgers moeten ook in vredestijd bezig worden gehouden. Traditionele bezigheden voor groepen krijgers in vredestijd zijn het onderhoud van uitrusting en vaardigheden, de jacht en veroveringen ver van huis.

Congolese soldaten [9]

De mensen in Midden Afrika leven bijna altijd als goede buren naast elkaar. Zij kennen een uitgebreide vorm van gastvrijheid die verder gaat dan de manieren in Nederland. Ook nemen de mensen uitgebreid de tijd voor onderling contact. De materiële welvaart is bij de meeste mensen redelijk laag. Aan kleding, uiterlijk en eten wordt veel aandacht gegeven, maar andere vormen van welvaart zijn schaars. Net zoals in veel samenlevingen en grote bedrijven, eigent een beperkte bovenlaag zich veruit de meeste materiële welvaart toe. Deze bovenlaag heeft zeggenschap over de distributie van voedsel en welvaart over de gehele groep. Als de groepen intern en onderling in evenwicht zijn, dan is er weliswaar een grote ongelijkheid binnen en tussen de groepen, maar evt. spanningen worden op vele manieren gedempt. Kortom, alles en iedereen leeft op een min of meer prettige met elkaar samen.

Ashanti Yam Ceremonie uit 1817 [10]

Uit de literatuur en uit de bevindingen tijdens mijn onderzoek blijkt dat bij interne stammenstrijd en bij onderlinge stammentwisten, buren elkaar op een radicaal andere manier gaan bekijken. Mensen blijken in een fractie van een seconde een eigen groepslid te kunnen herkennen. Bij spanningen worden de eigen goede eigenschappen opgehemeld en de slechte eigenschappen verdoezeld. Van vreemden worden de slechte eigenschappen als kenmerkend gezien terwijl de goede eigenschappen worden verdonkeremaand. De groepsdwang is vaak zo groot dat de opinies dwingend aan de groepsleden worden opgelegd – anders volgen vormen van uitsluiting [11].

Jean Paul Sartre heeft in een van zijn werken [12] beschreven hoe een individu door twee mechanismen wordt beroofd van zijn onbevangenheid en zijn vrijheid van handelen. Groepsleden gaan door het mechanisme van de “kwader trouw” vreemdelingen van een vrij mens reduceren tot een ding met een zeer beperkt aantal eigenschappen – van alle andere kenmerken wordt de vreemdeling beroofd. In het verlengde van de “kwader trouw” beschrijft Jean Paul Sartre de theorie van de “blik” – Prof. Dr. W. Luijpen noemde dit de “blik van de haat” [13]. De handelingen van een vreemdeling worden bij waarneming stigmatiserend in een blik vastgelegd. Hierdoor wordt de vreemdeling van zijn vermogen tot verandering en zijn menselijkheid beroofd; hij wordt gereduceerd tot een ding.

Lees verder