Tagarchief: leven

De Oude kerk in Amsterdam – een kerk in beweging


De volgende ochtend zitten Carla, Man en Narrator op de Nieuwmarkt bij de Waag koffie te drinken.

“Gisteravond dacht ik aan het antwoord van Yunmen [1]: “De hal van de monniken, de kerkruimte, de keuken, en de kloosterpoort” op zijn vraag: ”Wat is ieders stralend licht?” [2], terwijl ik de uitspraak las van Poolse kardinaal Hosius [3] – aanwezig bij het Concilie van Trente [4] dat met tussenposen plaatsvond tussen 1545 en 1663 na Chr. om een antwoord binnen de Katholieke kerk te vinden op de Reformatie – over de bijbel: “Als de Kerk er niet was geweest, dan was de bijbel net zo ongeloofwaardig als de fabels van Aesopus” [5]. Tijdens dit Concilie werd onder meer besloten dat de Openbaring uit de Heilige Schrift alleen bestaat in samenhang met de kerkelijke traditie, waarbij de Latijnse Vulgaat vertaling [6] van de bijbel – een aangepaste weergave in Volkslatijn uit 400 na Chr. – voor de Katholieken de standaardtekst werd van de Heilige Schrift. Welk antwoord zou Yunmen aan Kardinaal Hosius hebben gegeven?”, vraagt Carla.

“Ik denk een antwoord dat lijkt op een commentaar bij dit Boeddhistisch vraagstuk: “Zelf als de Kerk en de Bijbel de voorouders van Buddha zijn, dan kunnen deze niet voorkomen ieder en elk mens te zijn””, zegt Man.

““Het Universum – dus ook de kerk en de bijbel – belichaamt het stralende licht [7], Mensen van onmetelijke grootheid worden heen en weer geslingerd in de eb en vloed van woorden [8]”, en als hardhandige zenmeester zal Yunmen vervolgens de vragensteller – en daarmee zichzelf en het hele universum – hardhandig in de neus hebben geknepen met de woorden: “Kijk het stralende licht – werk hard aan de verlichting van alles en allen”. Zullen wij de Oude Kerk bezichtigen”, zeg Narrator.

Oude Kerk Amsterdam 1[9]

Carla, Man en Narrator lopen via de Monnikensteeg en de Oudekennissteeg naar de brug bij het Oudekerkplein op de Oudezijdsachterburgwal.

“Op de plaats van de Oude Kerk stond in de eerste helft van de dertiende eeuw een kleine houten kapel met een kerkhof. In de tweede helft van de dertiende eeuw werd deze houten kapel vervangen door een stenen zaalkerk. Deze kerk behoorde waarschijnlijk bij de kerkparochie van Ouderkerk aan de Amstel. Vanaf 1334 na Christus werd Amsterdam een eigen parochie met op deze plaats de parochiekerk gewijd aan St. Nicolaas, de beschermheilige van de zeelieden. In het begin van de 15e eeuw werd in het westelijk deel van Amsterdam een nieuwe parochie gesticht met de Nieuwe Kerk als parochiekerk. Vanaf die tijd werden beide delen van Amsterdam aangeduid met de Oudekerks- en Nieuwekerkszijde, of afgekort met de Oude- en Nieuwezijde. De Oude Kerk bleef voorlopig de hoofdkerk van Amsterdam. In de loop der tijd is de Oude Kerk vele keren vergroot en verbouwd: dit is vanaf hier duidelijk te zien. In 1655 werd de begraafplaats op het kerkhof rondom de Oude Kerk geruimd. Hiermee ontstond het huidige Oudekerksplein rondom de Oude Kerk [10]. Zullen wij naar binnen gaan?”, zeg Narrator.

768px-Amsterdam_oude_kerk2[11]

Carla, Man en Narrator gaan de kerk binnen.

“Bij het horen van jouw inleiding moest ik denken aan een aanhaling van een citaat van Herakleitos [12] in een boek met werk van de architect Aldo van Eyck [13]; vrij weergegeven: “Jij kan niet twee keer dezelfde kerk betreden”, zegt Man.

Het drietal gaat de Oude Kerk binnen.

“Tijdens de Beeldenstorm van 1566 n. Chr. in Amsterdam werden de altaren van de Oude Kerk beschadigd. Na de Alteratie van 1578 n. Chr. – waarbij het Katholieke bestuur in Amsterdam werd afgezet – werd de kerk heringericht voor de Protestantse eredienst. Van 1584 tot 1611 n. Chr. – het jaar waarin de Beurs van Hendrick de Keyser op het Rokin werd geopend – had de Oude Kerk als beurs voor handelaren gediend. Vanaf 1632 vonden de vergaderingen van de Kerkenraad afwisselend plaats in de Oude en Nieuwe Kerk. Door de bouw van het stadhuis aan de Dam won de Nieuwe Kerk aan belang en werd definitief de hoofdkerk. Vanaf 1951 is de kerk 24 jaar gerestaureerd, omdat er instortingsgevaar dreigde door problemen met de fundering. In 1994/1998 is de kerk opnieuw gerestaureerd. Dit is in een notendop de geschiedenis van de Oude kerk”, zegt Narrator.

“Voor de beeldenstorm moet de Oude Kerk vol – misschien wel overvol – zijn geweest met afbeeldingen van Christus, Maria en Heiligen voor het aanroepen van steun, moed en troost in bange tijden. De muren en plafonds zijn vol geweest met schilderingen als preken in verf. Nu met deze witte muren moet ik denken aan een andere strofe van Aldo van Eyck uit een artikel over het werk van de Gerrit Rietveld: “Sinds zijn Stijl-periode heeft Gerrit Rietveld het gebruik van actieve kleur vermeden en hij heeft de ruimte afgegrensd met wit, misschien omdat hij een van de weinigen is die ruimte wilde scheppen niet zozeer door materiaalbegrenzing maar door het vormen van licht [14]”. Is hier in de Oude Kerk het stralende licht de kerkruimte?”, zegt Man.

Oude Kerk Amsterdam 3.jpg[15]

“Dat is een mooie vergelijking met de kunstbeweging de Stijl: deze beweging kan worden gezien als een recente beeldenstorm en opstand tegen een overdadige en vastgelopen beeldtaal van de Amsterdamse school zoals wij die kunnen zien in het Scheepsvaarthuis aan de Prins Hendrikkade.

Scheepvaarthuis Amsterdam[16]

Scheepvaarthuis Amsterdam 2[17]

“Zoals mogelijk Gerrit Rietveld tijdens zijn Stijl-periode geen begrenzing meer wenste door muren, door afbeeldingen en door geschilderde kleuren, zo wilden de Protestanten tijdens en na de Reformatie geen beeldtaal – als stripverhaal voor de ongeletterden – geen symbolen en oude gebruiken van de Katholieke kerk meer aanvaarden als brug met het eeuwige licht van God en zijn openbaringen in de Heilige Schrift. Zij wilden rechtstreeks in Gods genade zijn en zijn openbaringen zelf ervaren. Maar zoals vele kleine vernieuwende gemeenschappen stonden ook de kerkgemeenschappen voor het dilemma van de overdracht van de vernieuwing naar het nageslacht. Bij het bestendigen van de overdracht van de ware oorspronkelijke vernieuwing aan het nageslacht neigde men vaak naar een strakke interne discipline met een autoritaire onderdrukking. Ook tijdens de kerkzang – door de gehele kerkgemeente uit volle borst gezongen – wilden zij in eerste instantie niet worden gehinderd door muziekinstrumenten. Later hebben de kerkgemeenten ervaren dat een kerkorgel wel zinvol is om de kerkzang van de gemeente te binden. In de Oude Kerk is het kerkorgel geregeld vernieuwd en uitgebreid. Vanmiddag wilde ik graag op de beeldenstorm terugkomen. Zullen wij nu naar buiten gaan”, zegt Narrator.

Oude Kerk Amsterdam 4.jpg.png[18]

“Deze vernieuwing in religie en staatsvorm heeft een keerzijde van een ongebreidelde handelsgeest en een grenzeloze veroverings- en bekeringsdrang. Ik zou daar later op willen terugkomen”, zegt Carla.

Carla, Man en Narrator verlaten de Oude Kerk.

“De Oude Kerk is waarschijnlijk de enige kerk in de wereld waar het kerkplein bijna uitsluitend omringd is met bordelen. Dit gegeven wordt geëerd met een standbeeld “Belle” met de tekst “Respect sex workers all over the world” [19] . Waar ik “Belle” op mijn weg zie, moet denken aan Mattheus 21:31 waar Jezus zei: “Ik verzeker u: de tollenaars en de hoeren zijn u voor bij het binnengaan van het koninkrijk van God”. En wanneer ik afkeuring over hoeren zie of hoor, dan denk ik aan het Boeddhistisch vraagstuk Chao Chou’s [20] Weg van het Hemelrijk: “De Weg van het hemelrijk is niet moeilijk, deze weg houdt niet van keuzes maken”. [21]

Oudekerkplein Belle Amsterdam[22]

In 1993 is in het plaveisel van het plein door een anoniem kunstenaar een sculptuur geplaatst dat een hand uitbeeldt die een vrouwenborst vasthoudt”, zegt Narrator.

Oudekerkplein Amsterdam[23]

“Wanneer ik de Weg van het Hemelrijk hoor noemen, dan denk ik aan mijn lagere schooltijd in Zuid Limburg. In die tijd tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het zoals het kwam, het was zoals het was en het ging zoals het ging. In de Katholieke kerk zong de pastoor met een krakende stem “Credo in unum Deum [24]”, waarna het koor verder ging met het prachtig gezongen “Patrem omnipotentem, factorem caeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium [25]”. De mannen – als zij al naar de kerk gingen – speelden achter in de kerk hun kaartspel of zij hoorden mis in het voorportaal; meestal bleef hun kerkbezoek beperkt tot vier keer per jaar. Alleen met Kerstmis, Pasen – de mannen hadden dan een paar dagen daarvoor gebiecht zodat zij ter communie konden gaan –, voor de grote processie en met Allerheiligen en Allerzielen zat de kerk helemaal vol. Alleen tijdens de consecratie [26] die werd aangegeven met het drie keer klingelen van de belletjes, was iedereen stil; na de consecratie begon de kerk met geroezemoes weer tot leven te komen.

Tijdens mijn middelbare schooltijd – na mijn verhuizing met mijn tante naar Rotterdam – ging ik naar een Gereformeerde kerk. De hele kerk zong vol overgave: ”U zij de glorie”; de preken werden aandachtig gevolgd en thuis na de kerkdienst werd de preek nabesproken. De intensheid waarmee men in Holland het geloof beleed kwam overeen met de volledige inzet waarmee men tegen het water streed: pompen of verzuipen. Met dezelfde intensheid en vreze Gods werd het juiste geloof – naar de letter en naar de geest – gezocht en beleden.

In Zuid Limburg nam de pastoor of kapelaan de biecht af achter een gesloten deurtje; na het biechten gevolgd door enkele Onze Vaders en Weesgegroetjes in de kerkbank – een keer kreeg een klasgenoot een draai om de oren van de pastoor –, waren bijna menselijke zonden vergeven en via de communie werd de zondaar weer in het grote vaartuig van de Katholieke kerk en daarmee in Gods genade en opgenomen.

Tijdens mijn eerste middelbare schooljaar – na mijn verhuizing naar Rotterdam – zag ik met verbijstering hoe in de Gereformeerde Kerk een zondaar in de openbaarheid voor de kerkgemeenschap zijn zonde beleed; ik begreep dat – hoewel binnen deze kerkgemeenschap Gods genade ondoorgrondelijk was – de zondaar weer in de kerkgemeenschap werd opgenomen. Een andere geloofsovertuiging – al betrof het maar één andere uitleg van een geloofskwestie – kon een reden zijn voor een scheuring binnen de kerkgemeenschap en daarmee ook een scheuring binnen familie, vrienden en bekenden: zo belangrijk was het ware geloof. In 1944 tijdens de Duitse bezetting heeft er binnen de Gereformeerde Kerk een kerkscheuring (of vrijmaking) plaatsgevonden over de vraag of de doop alleen geldig is als de gedoopte de rest van haar/zijn leven het ware geloof blijft belijden en op grond daarvan zicht mag hebben op een veronderstelde wedergeboorte (de synodalen), of is de doop een teken van Gods belofte dat je Zijn kind mag zijn waarbij de dopeling geroepen wordt om als kind van God te leven (de vrijgemaakten). Deze scheuring tijdens het dieptepunt van de Duitse bezetting was verschrikkelijk en onvermijdelijk voor de betreffende kerkgemeenten en voor de families [27]. Als afzonderlijk zuilen gingen beide Gereformeerde Kerken verder om daarna nog enkele afscheidingen door te maken.

Verzuiling in Nederland[28]

Enkele jaren later las ik op de middelbare school uit het Evangelie van Johannes:

In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen [29].

Op Yunmen’s vraag: “Wat is ieders stralend licht?” antwoord ik naar de strofe uit het Johannes Evangelie: “Het leven”. Met Mŗtyū [30] – in de Mahābhārata de dood geschapen door Brahman in de gedaante van een vrouw – vraag ik mij af: “Waarom leren mensen niet te leven?””, zegt Man.

“Waarom gunnen mensen elkaar niet het licht in de ogen”, zegt Carla.

“Waarin verschillen mensen van Krishna (de wagenmenner) die Arjuna in de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – aanzet tot het betreden van het strijdperk waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht en anderzijds het menselijk handelen [31]? Hij die de wereld kent spreek! Zullen wij vanmiddag verder gaan met de beeldenstorm?”, zegt Narrator.

“Dat is goed”, zegt Carla.

“Mag ik jullie uitnodigen voor een eenvoudige lunch”, zegt Man.


[2] Zie: Tanahashi, Kazuaki ed., Treasury of the true dharma eye – Zen Master Dogen’s Shobo Genzo. Boston: Shambhala, 2012, p. 419 – 420

[5] Bron: Fernández – Armesto, Felipe & Wilson, Derek, Reformatie – Christendom en de wereld 1500 – 2000, Amsterdam: Uitgeverij Anthos, 1997, p. 61

[7] Zie ook casus 14 in:  App, Urs, Master Yunmen. New York: Kodansha International: 1994, p. 91. Vrij weergegeven: Iemand vraagt Yunmen: “Wat is de bron van het ware geloof?”. Yunmen antwoordt: “Overal”.

[13] Bron: Eyck, Aldo van, Writings – The Child, the City and the Artist. Nijmegen: Sun, 2006, p. 73

[14]Bron: Eyck, Aldo van, Writings – Collected articles and other writings 1947 – 1998. Nijmegen: Sun, 2006, p.145

[21] Zie ook: Hekiganroku – Casus 2. Zie ook: Yamada Kôun Roshi, Hekiganroku, Die Niederschrift vom blauen Fels. München: Kösel-Verlag, 2002

[24] Vertaling: “Ik geloof in een God”

[25] Vertaling: “Almachtige Vader, schepper van hemel en aarde, van het zichtbare en onzichtbare”

[28] Een overzicht van een aantal afsplitsingen van kerken in Nederland. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gereformeerde_Kerken_vrijgemaakt

[29] Uit: Johannes 1:4

[30] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan, Deel 2: Vijf gangbare werkelijkheden – Feiten en logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 124 en: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 170 – 173

[31] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan, Deel 2: Vijf gangbare werkelijkheden – Feiten en logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 117

Advertenties

Wie ben jij – Deel 2.1 / E-boek en paperback


Wie ben jij 21

Dan regent neder
in de hoge fantasie
van opstandigen

De Odyssee naar “Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan” is een queeste met vele aanlegplaatsen. De zoektocht naar “Wie ben jij” is over jou en mij en alles dat met ons verbonden is. Niets is op voorhand uitgesloten. Zijn jij en ik verbonden of zijn wij gescheiden? Wat maakt jou tot de persoon die jij bent? Wie ben jij voor jouw geboorte en wie zal jij zijn na jouw dood? De antwoorden op deze vragen zijn voorlopig onbekend, maar toch stellen wij deze vragen. 

Verbeeldingskracht, jij die ons vele malen
Belette op de wereld acht te slaan
Al schalde er een duizendtal cimbalen.

Wat drijft jou, buiten onze zinnen, aan?
Een lichtflits, in de hemel vormgegeven,
Vanzelf of door de wil van God ontstaan.

Het eerste deel van deze hedendaagse Odyssee omvat onze eenheid en verscheidenheid en ook onze verbondenheid in onderling vertrouwen.

He Het tweede deel van deze zoektocht gaat over vijf gangbare werkelijkheden; deel 2.1 is een verkenning van “Feiten en logica” tijdens een vakantie week in Florence, waar de drie hoofdpersonen de overgang van de Middeleeuwse Scholastic naar de Renaissance in ogenschouw nemen. Tegelijkertijd onderzoeken zij binnen de grenzen van “Feiten en logica” de grenzen van de wetenschap, leven en dood, het hiernamaals, God en de mogelijkheid van God in de gedaante van een mens, het denkkader van de strijder en de voorboden van de Reformatie.

Afdrukken voor eigen gebruik of voor educatieve doelen is toegestaan.  Lezers en gebruikers van uitgaven door Omnia – Amsterdam Uitgeverij kunnen hun erkentelijkheid tonen door donaties aan goede doelen naar eigen keuze.

Auteur Jan van Origo
Titel
Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan / Deel 2.1
Vijf gangbare werkelijkheden – Feiten en logica
ISBN nummer 9789491633102 en 9789491633119
 
Druk 1.0
Uitgave E-boek in Pdf-format – 14 MB
Formaat A5 – formaat
Pagina’s 194
Uitgeverij Omnia Amsterdam Uitgeverij
Publicatie status Verschenen in 2013
Verkrijgbaar
onder: boeken / verschenen
Prijs Suggestie: een donatie van € 15,00 aan een goed doel naar eigen keuze 

  

Wie ben jij, deel 2 – feiten en logica


Manuscript beschikbaar

Het tweede deel van de zoektocht naar “Wie ben jij” gaat over het dagelijks leven zoals wij dat ervaren. Vijf bekende werkelijkheden – feiten en logica, intensiteiten en associaties, leegte, verandering en onderlinge verbondenheid – zullen worden bezocht. Het manuscript van “feiten en logica” is gereed; binnenkort zal het in boekvorm verschijnen. Dit deel van de Odyssee naar “Wie ben jij” speelt zich af tijdens een vakantiebezoek aan Florence, waar de drie hoofdpersonen de overgang van de Scholastiek via de Renaissance naar de Reformatie bezien tijdens het bezoeken van bezienswaardigheden. Tussendoor bediscussiëren zij de mogelijkheden en beperkingen van feiten en logica in de wetenschap, in leven en dood en in de manier waarop mensen hun plaats onder de zon proberen te creëren en behouden.

Het manuscript voor het e-boek is beschikbaar via de volgende hyperlink:

http: www.omnia-amsterdam.nl/site-page/manuscripten

2012-04-17-Voorkant-def

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 13


Na hun bezoek aan de Basilica di Santa Maria Novella zitten Carla, Man en Narrator op het Piazza di Santa Maria Novella voor hun eenvoudige lunch.

“Tijdens jouw toelichting op Kṛṣṇa – als God in de gedaante van een mens – viel het mij op hoeveel klankovereenkomst de naam Kṛṣṇa heeft met Christus, de zoon van God binnen de Katholieke Drie-eenheid. Daarbij zijn beide verschijningen van God in de gedaante van een mens door hun moeders onbevlekt ontvangen. Zijn er nog meer overeenkomsten?”, vraagt Carla.

Feiten en logica 13a[1]

“De bron van een mogelijke onbevlekte ontvangenis van de moeder van Kṛṣṇa is in nevelen gehuld. Deze informatie kan heel goed later zijn bijgevoegd, nadat deze stroming van het Hindoeïsme in aanraking is gekomen met het Christendom. De bron voor mijn inleiding over Kṛṣṇa als God in de gedaante van een mens is de Bhagavad Gītā, die ruim voor onze jaartelling is samengesteld. In namen Christus en Kṛṣṇa is de werkwoord kern “kr” te herkennen die “maken, doen, handelen” betekent, en “Īś” of “Ish” dat “God of Hoogste Geest” betekent. De combinatie van beide kernen geven de positie van de incarnatie van Kṛṣṇa als God in de gedaante van een mens en Christus als Messias goed weer”, zegt Narrator.

“Ik sluit niet uit dat er tussen India en Klein Azië rond en na de tijd van Alexander de Grote een uitwisseling van religieuze ideeën heeft plaatsgevonden. Het Nieuwe Testament is zo’n honderd jaar na de geboorte van Christus geschreven en de vier Evangeliën vertonen onderling aanmerkelijke verschillen. Misschien hebben de Evangelisten in Klein Azië kennis genomen van religieuze elementen uit de Bhagavad Gītā met Kṛṣṇa als God in de gedaante van een mens. Ik heb hierover geen informatie; dit vergt een afzonderlijke zoektocht”, zegt Man.

“Christus en Kṛṣṇa zijn beiden overleden en tegelijkertijd worden zij door gelovigen gezien als “de ongeboren en onveranderlijke bron”. Blijkbaar is God – in de gedaante van een mens – enerzijds gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg, en anderzijds onsterfelijk. Ik denk dat beide feiten op alle manifestaties binnen Indra’s Net van toepassing zijn. Laat ik het uitleggen aan de hand van een parabel [2] uit de Mahābhārata met de titel “Wat is dood?”.

Feiten en logica 13b.jpg[3]

Het strijdveld – beschreven in de Bhagavad Gītā – tussen de wereldorde en plicht  (Dharmakshetra [4]) en het menselijk handelen (Kurukshetra) toont vele verschrikkingen. Een van deze verschrikkingen is de dood op het slagveld van de prachtige zoon van Arjuna. De oudste broer van Arjuna – en troonpretendent van de vijf Pāṇḍavaḥ broers – is ontroostbaar. Na dit verlies overziet hij het slagveld met de vele gesneuvelden en hij zegt: ”Dit is geen overwinning in de oorlog, geen koninkrijk, geen hemel en geen onsterfelijkheid waard”. Hij vraagt aan Vyāsa – de verteller van de Mahābhārata – : “Waarom liggen de gesneuvelden op de aarde met dood als hun identiteit? Waarom worden zij nu gekend als “dood”? Wie sterft er? Wat veroorzaakt de dood? En waarom eist dood de levenden op?

Hierna vertelt Vyāsa het verhaal over het ontstaan van Dood – Mŗtyu [5] in de vorm van een vrouw – door Brahman. Mŗtyu vraagt hem: “Waarom ben ik geschapen?”. Brahman vertelt haar dat zij geschapen is om de aarde te verlichten van de ondraagbare last veroorzaakt door de steeds maar groeiende populatie van levende wezens. Hierna begint Mŗtyu onbedaarlijk te huilen. Brahman vangt haar tranen in zijn handen op, maar sommigen vallen op de aarde. Uit deze tranen zijn de ziekten ontstaan waardoor de lichamen van de levende wezens zullen sterven. Mŗtyu verlangt een uitleg van Brahman: “Waarom heb jij mij geschapen in deze vorm van een vrouw? Waarom wordt ik welbewust betrokken bij de ellende en de wreedheid van het verteren en wegnemen van levende wezens. Door het wegnemen van het leven van kinderen, ouders, geliefden en vrienden zullen de nabestaanden rouwen om het verlies en ik zal het mikpunt van hun haat en angst worden. Maar het meest vrees ik de tranen van zorg. Nee, ik ben hier niet toe in staat; bespaar mij dit noodlottig bestaan”. Brahman legt haar uit: “Er is dood en er is tegelijkertijd geen dood. Alle levende wezens veroorzaken hun eigen dood door vast te houden aan hun eigen waanbeelden in zonden [6] en in geluk. In Waarachtigheid bestaat geen dood. De tranen van Dood zijn de tranen van onze zorgen die rondom ons overal dood en verderf zaaien. Net zo makkelijk kunnen wij voor onszelf en voor anderen een Waarachtig leven scheppen, verrijken en behouden.” Na deze uitleg vraagt Mŗtyu – de dood – verbijsterd:

Waarom leer jij niet te leven?” [7]

Waarom houden wij zo angstvallig vast aan onze manifestaties binnen Indra’s Net? Deze levende manifestaties – in zonden en in geluk – vervliegen vroeg of laat;  Mŗtyu zal hen wegvoeren zoals zij ook alle hoofdpersonen uit de Mahābhārata in al hun verschillende manifestaties heeft meegevoerd.

Waarom leren wij niet om te leven als een “Waarachtig Man zonder status altijd in en uit gaande door de openingen van Jouw aangezicht”; ik denk dat Mŗtyu dit in haar verbijstering aan Brahman vraagt”, zegt Narrator.

Feiten en logica 13c.jpg[8]

“Tijdens de vraag van Mŗtyu “Waarom leer jij niet te leven” bedacht is de volgende haiku:

Eén levend wezen,

Niets wordt geboren en sterft,

Golf in oceaan

Feiten en logica 13d[9]

Deze haiku toont op een indirect manier waarom de manifestatie van God in de gedaante van de mens gebonden is aan de wet van oorzaak en gevolg. In de gedaante van een mens is God – net als ieder levend wezen – uit stof geboren en zal tot stof wederkeren, zoals ook een golf uit de oceaan ontstaat en weer in de oceaan opgaat. Welke gedaante neemt God aan binnen Indra’s Net?”, zegt Man.

“Ik zal de vraag scherper stellen: Is een levend wezen – bijvoorbeeld een mensenleven of God in de gedaante van een mens – een manifestatie van de Waarlijke Man of is het de Waarlijke Man zelf?”, vraagt Narrator.

“Tijdens de voorbereiding van de Heilige Communie heb ik geleerd dat een mens bestaat uit een stoffelijk lichaam en een immateriële ziel. Het lichaam is sterfelijk en gaat na de dood terug naar de aarde; de ziel leeft na de dood verder in het vage vuur of gaat meteen naar de hemel. Ik heb indertijd nooit begrepen waar mijn ziel – en waar het leven – vandaan komt en ik begrijp het nog steeds niet. De metaforen “Indra’s Net” en “golf in de oceaan” geven mij een opaak beeld hoe mensen als manifestaties van het Alomvattende Een uit stof worden geboren en tot stof wederkeren. Ik kan dit opaak beeld intellectueel bevatten en ik begrijp het concept van incarnatie, maar het beeld wordt niet transparant”, zegt Carla.

“Misschien komen wij hierbij aan de grenzen van ons menselijk bevattingsvermogen en moeten wij constateren dat het “Mysterium est magnum, quod nos procul dubio transcendit” [10] of “Het Mysterie is groot, dat ons zonder twijfel overstijgt”, net zoals het mysterie van de golf zonder twijfel uit de oceaan voortkomt en zonder twijfel weer in de oceaan opgaat”, zegt Man.

“Ik zie een ontwikkeling in jouw denken. Tijdens “Het Woord als object in het midden[11] in het eerste deel van onze zoektocht, ervoer jij het levensmysterie als zo groot, dat het ons volkomen overstijgt: dit mysterie overstijgt onze twijfel, met en zonder geloof, en met en zonder offer. Nu ervaar jij het mysterie van het mensenleven dat zonder twijfel ontstaat en opgaat in het Alomvattende Een. Zie ik deze ontwikkeling goed?”, zegt Carla.

“Het is niet zozeer een ontwikkeling of een verandering in denken; het is een “mysterium continuum” of een “voortdurend mysterie” in mijn denken”, zegt Man.

“Zullen wij onze lunch opruimen? Later tijdens onze Odyssee bij “En Dood heeft hier geen verblijf” kunnen wij verder ingaan op de vraag “Wat is dood?”. Zullen wij vanmiddag na het rustuur van Carla – als overgang naar het denkraam van de strijder – het paleis van de Medici bezoeken?”, zegt Narrator.

Feiten en logica 13e[12]


[1]De levensloop van Jezus in een notendop” door Matthias Grünewald bij het Isenheimer altaar. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jezus_(traditioneel-christelijk)

[2] Vrij en verkort overgenomen uit: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 170 – 173

[4] Zie voetnoten 15 en 16 bij het vorige bericht voor een toelichting op beide woorden.

[5] De naam Mŗtyu betekent “dood, stervende” in het Sanskriet. De naam is samengesteld uit Mŗt – waarin qua klank het Nederlandse woord “moord” en het Franse woord “mort” te herkennen zijn – en “yu” dat in het Sanskriet “verbinden, samenvoegen” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[6] Zie ook de Zeven Hoofdzonden in de Katholieke kerk in: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdzonde Zie ook de Zeven hoofdzonden in de Divina Commedia van Dante Alighieri.

[7] Vrije en verkorte weergave van: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 170 – 173

[8] Een van de oneindig vele manifestaties van de “Waarachtige Man”. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Mann

[9] Schilderij “De Golfslag” van Gustave Courbet. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Ozean

[10] Uit encycliek de Ecclesia de Eucharista van paus Johannes Paulus II. In het woord “Eucharista” zijn te herkennen “Eu” dat in het Grieks “goed” betekent, “car” uitgesproken als “char” dat in het Sanskriet “bewegen betekent en “Īś” uitgesproken als “ish” dat in het Sanskriet “in staat tot” en “het opperste wezen/ziel” betekent. Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 166

[11] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 166

[12] Bron afbeelding: http://it.wikipedia.org/wiki/Palazzo_Medici_Riccardi

Narrator – Een koude winter


Aan het begin van de winter was ik terug op mijn zolderkamer in Kopenhagen. Ik rouwde om het verlies en de dood van de twee minnaars uit Amsterdam die aan AIDS waren overleden. Enkele dagen na mijn terugkeer werd ik zwaar verkouden. Ik had koorts, ’s nachts zweette ik in bed, ik had hoofdpijn, mijn ademhaling ging lastig en ik voelde mij uitgeput. In de bibliotheek had ik de beginsymptomen van AIDS gelezen – ik was bang dat ik ook door het virus was geïnfecteerd. Na enkele weken ging de verkoudheid over, maar mijn bezorgdheid voor infectie met de ziekte bleef aanwezig.

Mijn zolderkamer was niet goed verwarmd. Die winter was ik alleen ’s nachts in mijn kamer; ik sliep onder een dik dekbed bij het open raam wanneer het weer het toeliet. Bij slecht weer voelde ik mij in mijn kamer opgesloten; mijn nachtelijk angstvisioenen konden dan geen uitweg vinden. Overdag was ik zelden thuis, meestal was ik bij vrienden, ik las in de bibliotheek of ik speelde in een jazz band.

Zolderkamer[1]

Op deze zolderkamer nam ik langzaam afstand van de drie vervreemdingen [2] of “embarrassments”, die ik las in het boek met Boeddhistische vraagstukken dat ik van mijn vorige geliefde als afscheidsgeschenk had gekregen.

De eerste vervreemding waar ik aan het einde van mijn jeugd afstand van had genomen, was een eigen huis. Als kind had ik rondgetrokken met mijn moeder en haar kudde; ons huis was de plaats waar wij tijdelijk verbleven. In mijn periode van kindsoldaat was de militie mijn kortstondig thuis. Na mijn vlucht uit de militie, ben ik blijven zwerven met tijdelijke rustplaatsen. Tijdens mijn verblijf in Kopenhagen ging mijn huis steeds meer doorschijnend samenvallen met overdag de mensenwereld en ’s nachts bij het open zolderraam het heelal. Eens hoop ik thuis te komen, misschien aan het einde van de Odyssee naar “Wie ben jij”.

800px-Glass_House_2006[3]

Een eigen lichaam was de tweede vervreemding die ik geleidelijk opgaf mede doordat ouderdom mijn verschijning als exotisch idool erodeerde en doordat de dreiging van een besmetting met HIV de eigenheid van mijn lijf in een ander licht plaatste. In Kopenhagen raakte mijn lichaam meer en meer verbonden met de stad, de wereld en uiteraard het universum.

Anterior_view_of_human_female_and_male,_with_labels[4]

Een eigen leven was de derde vervreemding die stilaan verdween. Hoe meer ik las en studeerde in de bibliotheken in de buurt van mijn zolderkamer, hoe meer ik mij verbonden voelde met alle kennis in de wereld. Ook las ik in een boek de vragen: “Waar blijft een buffel wanneer het wordt gegeten door een leeuw” en “Hoe verandert deze leeuw met het eten van de buffel?”.

Male_Lion_and_Cub_Chitwa_South_Africa_Luca_Galuzzi_2004[5]

Samen met mijn lichaam raakte mijn leven gaandeweg verbonden met de wereld en het heelal. In die tijd las ik in een roman van Hermann Hesse: “Deine Seele ist die ganze Welt“ [6]. In het donker bij het open raam op mijn zolderkamer werd mijn leven de gehele ruimte.

Het legaat dat mijn geliefde voor mij had achtergelaten, begon op te raken. Ik had geen geld meer om de witte Citroën DS te onderhouden; het werd tijd om deze Godin een andere bestemming te geven. Met een deel van de verkoopprijs heb ik een fiets gekocht. Na enige oefening kon ik mij samen met de inwoners zwevend over de weg door de stad bewegen.

800px-Cyclists_at_red_Kopenhagen[7]

Het volgend voorjaar maakte ik enkele lange fietstochten door Europa.


[2] Bron: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 120 – 124. In dit bericht worden de drie “embarrasments” vrij weergegeven.

[3] Het “Glass House” of “Johnson house” werd in 1949 in New Canaan in de staat Connecticut in de Verenigde Staten van Amerika gebouwd. Het huis was ontworpen door de architect Philip Johnson als zijn eigen woning. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Glass_House

[5] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Life

[6] Zie: Hesse Hermann, Siddhartha. Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag: 1989 p. 10.

[7] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Cycling_in_Copenhagen. Deze foto later – rond 2010 – gemaakt.

Narrator – te voet door Frankrijk 2


Op mijn voettocht door Frankrijk ontmoette ik veel mensen. Door mijn donkere huidskleur viel ik op; er waren geen andere Masaï/Indiase wandelaars op pad. In de Jura waren de mensen bij de eerste aanblik afwijzend: ik was vreemd, onbekend en duister. Maar mijn glimlach en een vriendelijk begroeting in de Franse taal ontdooide bijna alle medewandelaars. De boeren bewoners bleven langer achterdochtig. Dit is te begrijpen want zij hadden huis en haard te verdedigen tegen een donkere onbekende vreemdeling.

[1]

Uiteindelijk ontmoette ik onderweg veel gastvrijheid. Met twee medereizigers ben ik een stuk naar het noorden gelopen. Onderweg zagen wij op verschillende plaatsen steenmannetjes staan als wachters van het pad. Bij een steenmannetje besloten wij te pauzeren. Een van mijn metgezellen vroeg zich af hoeveel mensen hier stenen hadden gelegd. De ander vroeg waar de mensen nu waren. Ik antwoordde: “In ieder geval zijn wij hier”. Wij moesten toen lachen. Terwijl ik water dronk, vroeg ik mij af waar alle wijzen uit het verleden gebleven waren. Ineens voelde ik duidelijk dat wij direct verbonden waren met de mensen die hier de stenen hadden gestapeld en met alle wijzen uit het verleden [2]. Wij liepen onze levensweg direct in de voetsporen van de anderen.

[3]

De volgende nacht droomde ik de droom die ik – na het nachtelijk vuur in het bos waarbij mijn mede-militieleden en ik een dorp hadden uitgemoord – geregeld droomde. In deze droom kwamen de vlammen uit het bos met de geesten van de dorpsinwoners op mij af om mij te verzwelgen. Door de vlammen was mijn huid al zwart geblakerd en ik ging mezelf verliezen in de geesten van de dorpelingen.

[4]

Op het moment dat zij mij dreigden te verslinden, werd ik steeds wakker; ik was dan helemaal bezweet en ik ademde hevig. Wanneer ik mijn ogen opende, zag ik de maan en de sterrennacht als geruststelling. De nachtelijk hemel wekte mij langzaam weer tot leven zoals de god Engaï in de Masaï mythe de maan iedere nacht weer tot leven wekte [5].

[6]

De nacht na het steenmannetje verliep de droom op dezelfde manier, maar het moment waarop ik doodsbang wakker werd, was de lucht helemaal bewolkt. De maan en de sterren konden mij geen troost bieden. Alles was pikdonker en ik hoorde alleen een snelle luide pijnlijke ademhaling; mijn borstkas ging heftig te keer. Doodsbang vroeg ik mij af: “Welke adem is daar? [7]”. Ik dacht eerst dat in mij de adem van de geesten van de dorpelingen weer tot leven was gekomen. Daarna durfde ik niet te stoppen met hijgen want ik was bang dat de geesten mijn adem met zich mee zouden voeren wanneer zij in het donker verdwenen.

Langzaam ging ik kalmer ademen en ik kwam tot rust. In de duisternis heb ik aan de dode dorpelingen beloofd dat mijn adem ook hun adem was. Ik beloofde dat mijn adem – zolang ik leefde – voor hen een voorlopig thuis zou zijn. Eens hoopte ik met hen thuis te komen. Daarna is deze droom minder vaak teruggekomen.

Ik was op weg naar Amsterdam – mijn nieuw voorlopig thuis.


[2] Zie ook de koan “Attendant Huo passes tea” in: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 60 – 62

[7] Dit is de laatst vraag in de koan “Yunmen’s twee ziekten”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 46 – 50. Zie ook: Maezumi, Hakuyu Taizan, The hazy moon of enlightenment. Somersville: Wisdom Publications, 2007 p. 21 – 27