Tagarchief: levensbeschouwing

Man Leben – interview 4


Het vorige interview ging over liefde in jouw leven. In dit bericht volgen enkele vragen over de laatste verrassing in jouw leven.

“In het laatste deel van jouw leven heb jij je verdiept in Oosterse wijsheid. In deze beschrijving verwijs jij geregeld op een indirecte manier naar een vorm van verlichting. Ben jij verlicht?”, vraag ik.

“Alles is verlicht. Niets, zelfs niet het allerkleinste deeltje is uitgezonderd. Alles is in al haar verschijningsvormen volkomen natuurlijk verlicht”, zeg jij.

“Ook alle hebzucht, alle misdraden, alle moorden, alle waanbeelden, alle onzin en ijdelheid?”, vraag ik.

“Verlichting is zo natuurlijk als inademen en uitademen waarbij inademen en uitadem verschijningsvormen zijn van verlichting. Een glimp van de volkomen verlichting hebben wij ervaren toen wij aan het einde van de middag op onze Odyssee bij de aanlegplaats “Twee – nacht aan het begin van de lente” [1] na een lange dagtocht zijn aangekomen op het schiereiland. De volgende ochtend om zes uur hebben wij aan het begin van de lente de zon in het oosten zien opkomen. Wij hebben ons die middag gewassen in het water bij het schiereiland, ons afgedroogd en schone kleren aangetrokken en daarna hebben wij hout gesprokkeld voor het vuurtje in een oud conservenblik. Dit is vrij weergegeven de samenvatting van de Diamant Sutra die rechtstreeks verlichting weerspiegeld [2]. De eigenlijke samenvatting is “evam” [3] – het eerste woord van deze sutra in Sanskriet – of in het Nederlands “aldus”. Iedere handeling, ieder woord en iedere ademhaling is volkomen verlicht. Ik vind de foto van de zonnebloemen in de kop van de weblog “Wie ben jij” passend. Iedere zonnebloempit op deze foto omvat het hele universum volkomen en volledig”, zeg jij.

“Waar ontstaan alle misdraden, alle moorden, alle waanbeelden, alle hebzucht, alle onzin en ijdelheid?”, vraag ik.

“Wij zijn bij tijdens aanlegplaats “Een” bij Pantheïsme de metafoor “Indra’s net” [4] voor het gehele universum tegengekomen. Indra’s net [5] is in de Huayan school [6] van het Boeddhisme een metafoor voor alles, voor verlichting en ook voor illusies en waanbeelden. Als een glazen parel in het net een illusie of waanbeeld weergeeft, dan wordt deze illusie of waanbeeld door alle andere glazen parels in het net weerspiegelt. Als een parel verlicht is, dan wordt de verlichting in alle andere parels weerkaats. Of als wij deze metafoor naar ons dagelijks leven vertalen, als hebzucht, misdaad in ons leven is, dan heeft dat invloed op alles en iedereen; en als een persoon of ding verlicht is, dan straalt deze verlichting naar alles en iedereen in het universum. Of praktisch, als wij vasthouden aan bezit, of zondigen tegen de tien geboden, dan beïnvloedt dit het hele universum; en als wij bezit verzorgen en delen en passend handelen en niet-handelen, dan weerspiegelt dit in alles en iedereen. Vandaar de Boeddhistische aansporing – Werk hard en toon compassie met alles en iedereen; zonder niets en niemand uit”, zeg jij.

[7]

“De gedachtegang kan ik volgen. Ik laat de beelden bezinken. Op onze Odyssee komen wij nog genoeg uitdagingen tegen. Vele boeken over Boeddhisme beschrijven verlichtingservaringen. Heb jij verlichting persoonlijk ervaren?”, vraag ik.

“Jij doelt op de ervaring om opgenomen te zijn in alles en iedereen in al haar manifestaties. Ik weet niet hoe, maar als ik terugkijk dan is dit altijd mijn grondhouding geweest ook als ik verblind was door verliefdheid, boosheid of verdriet. Wel kan ik het duidelijker onder woorden brengen sinds ik in een boek heb gelezen dat er voor een verlichte geest geen verschil is tussen de vinger die naar de maan wijst en de maan, zoals er op gelijke wijze ook geen verschil is tussen de golven en de oceaan. [8] Daarvoor heb ik in bezinningsbijeenkomsten vaak het voorbeeld genoemd van de vinger wijzend naar de maan die niet verwart mag worden met de maan. Nadat ik deze passage heb gelezen, is het ineens duidelijk dat de uitingsvormen “de vinger”, “de maan” en “de gedachten hierover” onderling volkomen verbonden zijn. Alles en ieder zijn hier heel natuurlijk manifestaties van”, zeg jij.

“Jouw beschrijving van “het lot van mensen dat bepaalt dat wij mogen zitten tussen veranderende vuurtjes en as” en “de bloesem die van stof naar stof gaat”, vind ik schrijnend mooi en pijnlijk. Misschien zal de beschrijving van mijn leven deze schoonheid en pijnlijkheid verduidelijken. Probeer jij verder te leven als een Boeddha of Bodhisattva zoals beschreven in de Avatamsaka sutra [9]?”, vraag ik.

[10]

“Ik ben geen heilige. Ik verheug mij op de beschrijving van jouw leven en van Narrator en daarna het vervolg van onze Odyssee”, zeg jij.

“Mag ik de berichten over jouw leven voorzien van een inleiding en een slot bundelen tot een biografie?”, vraag ik.

“Als dit na mijn dood wordt uitgegeven”, zeg jij.

In het volgende bericht vertel ik over het begin van mijn leven.


[1] Zie bericht: “Twee – Nacht aan het begin van de lente” van 25 april 2011

[2] Zie: Red Pine (Bill Porter), The Diamond Sutra. New York: Counterpoint, 2001 p. 39.

[3] Zie: Lopez, Donald S. – The Heart Sutra explained 1990 p 34; “The commentary Vajrapâņi has high praise for the word evam (thus), the word with which sūtras begin. Those four letters are the source of the 84.000 doctrines taught by the Buddha and are the basis of all marvels.”

Zie ook: Red Pine (Bill Porter) – The Diamond Sutra 2001 p 41-42; “Commentaries have written volumes on the profundity of evam (thus). Does it mean “like so”, or does it mean “just so”? And what is the difference? Is this sutra the finger that points to the moon, or is it the moon itself?”

Zie ook: Holstein, Alexander. Pointing at the Moon. 1993 p 49; voor de verlichte geest van een Zen meester is er mogelijk geen verschil tussen de vinger die naar de maan wijst en de maan, zoals er op gelijke wijze ook geen verschil is tussen de golven en de oceaan.

[4] Zie bericht: “Een – Pantheïsme – Indra’s net” van 8 april 2011

[8] Bron: Holstein, Alexander. Pointing at the Moon. Rutland: Charles E. Tuttle Company, 1993, p. 49

Advertenties

Man Leben – interview 3


Het vorige interview ging over jouw verhuizing van Zuid Limburg naar Rotterdam. In dit interview volgen enkele vragen over liefde.

“In de beschrijving van jouw leven geef jij aan dat er altijd vrouwen in jouw leven zijn geweest. Jouw moeder, peettante en tante als verzorgers en opvoeders hebben een duidelijke rol. Mijn plaats als metgezel tijdens onze Odyssee roept voor mij geen vragen op. Ik vind het opvallend dat er in jouw leven vanaf je 10e jaar bijna altijd verliefdheden en liefdes zijn geweest. Ik ben pas rond mijn 18e jaar begonnen met een vage verliefdheid. Van mijn 19e tot mijn 20e heb ik mijn grote liefde – de man in mijn leven – gekend. Daarna heb ik wel gevoelens van kameraadschap voor mannen gevoeld en mannen hebben voor mij liefde gevoeld, maar verliefdheid en liefde zijn nooit meer in mijn leven ontstaan: ik heb er nooit meer voor opengestaan. In de beschrijving van mijn leven daarover meer. Hoe ben jij omgegaan met deze wisselende liefdes?”, vraag ik.

“Als ik zou mogen kiezen, dan was ik het allerliefst mijn hele leven blijven houden van mijn eerste liefde: de liefde die ik op mijn 10e jaar als een intense gloed heb gevoeld.

[1]

Met haar was ik graag op mijn 18e getrouwd en oud geworden. Dit is niet mogelijk om verschillende redenen: ik ben naar Holland verhuisd en ik hoor niet echt in Limburg thuis. En later – toen ik in staat was om met haar contact te zoeken – had haar leven al een andere weg genomen door een verloving met een lieve en zorgzame man. Zij zijn gelukkig getrouwd, hebben kinderen en kleinkinderen gekregen en zijn gelukkig oud geworden. Ik heb haar nog vaak ontmoet: zij heeft nooit geweten van deze verblindende liefde in mijn jonge jaren. Nu ik terugkijk, zie ik dat mijn liefde altijd op één vrouw is gericht: één vrouw in verschillende verschijningsvormen. Natuurlijk zijn alle liefdes verschillend geweest, maar er was altijd één constante, de constante van intensheid en intimiteit in verscheidenheid. De gevoelens van intensheid en de intimiteit voor al mijn afzonderlijke geliefden zijn in de loop van de tijd wel veranderd, maar nooit verdwenen. Misschien hebben jij en ik op dit punt een overeenkomst; jouw grote liefde – de man in jouw leven – is één man aller mannen. Mijn geliefden zijn één vrouw in verschillende verschijningsvormen”, zeg jij.

“Ik laat deze gelijkenis even bezinken. Hoe heb jij de eindigheid van de afzonderlijke liefdes ervaren”, vraag ik.

“De vrouwen in mijn leven hebben mij altijd uitstekend behandeld. Ik heb dit ook altijd met hen proberen te doen. Met mijn vrouw is dit niet gelukt; over dit onvermogen heb ik nog altijd spijt en schaamte: ik zou beter moeten kunnen. Ook de afzonderlijke relaties met twee Duitse geliefden is door hen zeer doortastend en abrupt beëindigd; zij vinden waarschijnlijk: voorbij is voorbij – geen gezeur meer. Als de wegen zich moeten scheiden, dan heb ik altijd mijn geliefden de scheiding laten voltrekken. Ik denk dat ik onbewust heb gevoeld dat de beëindiging van een relatie voor de geliefde die de scheiding uitspreekt en voltrekt, bijna altijd makkelijker is. Door mijn leven ben ik waarschijnlijk beter toegerust op pijnlijke scheidingen. Waar mogelijk heb ik altijd contact blijven houden met al mijn geliefden. Soms alleen via brieven en kerstkaarten, bij anderen heb ik geregeld gelogeerd of wij hebben reizen gemaakt”, zeg jij.

“De scheiding met jouw vrouw lijkt volgens mij meer een scheiding van een manier van leven dan een scheiding tussen twee geliefden”, zeg ik.

“Ik denk dat jij gelijk hebt. Op het gebied van intimiteit en liefde zijn wij door allerlei omstandigheden uit elkaar gegroeid. Daarna is de tijd van ons vrije [2] huwelijk aangebroken. Deze andere manier van ons huwelijk heeft het verschil tussen ons vergroot: mijn vrouw is opgebloeid en zij heeft haar eigen leven willen inrichten met haar nieuwe geliefde. Deze laatste ontwikkeling heb ik te laat gezien. Ik heb te lang geprobeerd een familiehuis in stand te houden. De verkoop van ons huis en de verdeling van het bezit inclusief de reservering van het kleine kapitaal voor de kinderen is voor mij het einde van een tijdperk geweest: een afscheid nemen van een werkelijkheid die al een geruime tijd in een onhoudbare illusie was veranderd. Met de afwikkeling van ons huwelijk en bezittingen ben ik te eenzijdig en doortastend te werk gegaan. Ik heb hiermee niemand gelukkig gemaakt; mijn vrouw en kinderen zijn volkomen van mij vervreemd”, zeg jij.

“Het einde van de liefde met de man van mijn leven is voor mij onmogelijk en heel pijnlijk verlopen. Bij de beschrijving van mijn leven hierover meer. Ik vind jouw gedicht over de kleine dood in het bericht “Liefde” heel mooi. In mijn grote liefde heb ik ook de alomvattendheid van de kleine dood ervaren.

 [3]

Hoe is jouw leven verder gegaan na de grote dood van jouw geliefde lotgenoot?”, vraag ik.

“Haar familie en vrienden hebben mij deels als een indringer gezien. Ik kan me dat voorstellen, want behalve een klein appartement in Amsterdam, veel boeken en een AOW-pensioen – voor mij een groot bezit – heb ik geen bezittingen. Zij had beduidend meer bezittingen. De familie en vrienden hebben er op gestaan om de begrafenis en de verdere afwikkelingen te verzorgen. Ik heb mij op de achtergrond gehouden. Uit de erfenis heb ik enkele boeken ontvangen. In een recent boek heeft zij bij een passage over liefde de zinsnede aangestreept: “Het grootste mysterie ben jezelf”. Na haar dood heb ik een tijd rondgelopen met het gevoel alsof ik in tweeën was gescheurd – onzichtbaar ragfijn doormidden – dwars door mijn hart. Alles was koud, eindeloos en pijnlijk gewoon. Door de derde verrassing van de eenvoud heb ik mijn nieuwe balans gevonden”, zeg jij.

In het volgende bericht volgen enkele vragen over jouw eenvoud.


[2] De werkwoord wortel “vraj” betekent in het Sanskriet “gaan, lopen”. Bron: Egenes, Thomas, Introduction to Sanskrit – Part Two. Delhi: Motilal Banarsidass Publishers, 2005 p. 395. Volgens de elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta, heeft “vraj” daarnaast ook de betekenis “gaan naar (een vrouw)” en “geslachtsverkeer hebben met” net als het Nederlandse werkwoord “vrijen”.

Man Leben – liefde


Liebe muß man leben, sie wächst und sie kann auch wieder vergehen

Jij vervolgt het verhaal van jouw leven:

“Na mijn reis naar Auschwitz in het begin van de herfst in 1993 zijn er drie verrassingen in mijn leven geweest. De eerste verrassing is werken in een ontwerp bureau aan een introductie van een modulaire industriële manier van bouwen. Dit werk is onverwachts succesvol geworden.

De tweede verrassing is volkomen onverwachts geweest. Ik heb eerder verteld dat ik op 10 jarige leeftijd ineens verliefd ben geweest op een meisje in het dorp in Zuid Limburg. Het leek of de bliksem insloeg, zo heftig en onverwachts; ik zag alleen een witte gloed. Op de middelbare school ben ik op afstand ook enkele keren verliefd geweest. Niemand heeft hier ooit van deze verliefdheden geweten. Na mijn studie heb ik via mijn werk op het architecten bureau mijn vrouw leren kennen. Ik zag haar de eerste keer in een witte lieflijke gloed staan. Wij hebben een gelukkige tijd gehad tot onze wegen zich langzaam maar zeker gingen scheiden. De scheiding is niet makkelijk gegaan; ik had meer wijsheid en medeleven mogen tonen. Aan het einde van ons huwelijk totdat ik mijn reis naar Auschwitz begon, zijn er altijd vrouwen in mijn leven geweest, maar altijd op een zekere afstand.

Na Auschwitz heeft liefde in mijn leven de vorm van compassie en medeleven aangenomen. Deze gevoelens worden verwoord in het gedicht “Bani Adam” of “Openen van alle poorten” , dat ongeveer 700 jaar geleden door Abū-Muḥammad Muṣliḥ al-Dīn bin Abdallāh Shīrāzī – beter bekend bij zijn schrijversnaam Saʿdī (of Saadi) – is geschreven:

“De kinderen van Adam zijn ledematen van een lichaam

En voortgekomen uit een bron

Wanneer het noodlot van de tijd een ledemaat treft

Dan kunnen de andere ledematen niet onaangedaan blijven

Als jij geen medeleven hebt voor de zorgen van anderen

Dan ben jij niet waardig om de naam “Man (of Woman)” te dragen [1]”.

Dit gedicht is aan mij persoonlijk gericht; ik draag de naam Man.

[2]

Nog niet zo lang geleden heb ik gelezen dat een oude zen meester eens heeft gezegd: “Als er geen lijden zou zijn en geen voelende mensen, dan zou er geen vinger zijn, geen oog, geen oor, geen hand. Overal en een zou alles leeg zijn en diep, diep. Er zou geen verlies zijn en geen toename” [3]. Ook deze zinnen verwoorden mijn vorm van liefde in die tijd. Het Boeddhisme kent het woord “Karuṇa” dat in het Sanskriet compassie betekent. Het woord is verbonden aan wijsheid. [4]

In de zomer van 2003 draaide ik mijn hoofd opzij en zag ik haar gezicht vol voren van leven, ogen peilloos diep, handen gerimpeld. Als elkaars lotgenoot hebben wij iedere rimpel en litteken van ons leven bewonderd. Later heb ik hierover een kort gedicht geschreven:

 Jouw ogen peilloos

Samengaan in eeuwigheid

Zachte kleine dood

Twee jaar later ontmoetten wij Haar grote dood. In het volgende bericht meer over de derde verrassing – de eenvoud – in mijn leven”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over de derde verrassing in jouw leven.


[2] De tombe van Saʿdī in Shiraz, Iran. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Saadi_(poet)

[3] Bron: Wick, Gerry Shishin, The Book of Equanimity – Illuminating Classic Zen Koans. Somerville MA: Wisdom Publications, 2005 p. 170

Man Leben – Oosterse wijsheid 2


Alles gelebt was man leben kann?

Jij gaat verder met het verhaal van jouw leven:

“In het vorige bericht heb ik verteld hoe ik mij rond 1990 heb verdiept in de Oosterse wijsheid. Mijn voorliefde voor buitenbeentjes heb ik genoemd. De betekenis van de buitenbeentjes “ya, ra, la, va en ha” in Devanāgarī geven mijn belevingen in die tijd goed weer. Bij nakijken van de betekenis van “la” – dat in het Sanskriet “van Indra” betekent – en het raadplegen van bronnen, ben ik de betekenissen van Indra tegen gekomen. Indra betekent onder meer “God van de hemel” of “Svargaloka” [1]. Indra wordt vaak gezeten op een (meerhoofdige) olifant afgebeeld.

[2]

Nu vertel ik de onderliggende betekenissen van svargaloka, omdat dit licht geeft op de ontwikkelingen in mijn leven rond het overlijden van mijn tante en mijn peettante.

Svargaloka is in het Sanskriet samengesteld uit de woorden “svarga” dat onder meer betekent: hemel, verblijfplaats van licht en van de goden, hemelse gelukzaligheid, Indra’s hemel (waar de zielen van deugdzame stervelingen verblijven voordat zij weer terugkeren in aardse lichamen) en “loka” dat onder meer betekent: vrije of open ruimte, het universum, van nummer 7 – deze 7 komen wij later op onze Odyssee tegen. De wereld heeft drie loka’s: de hemel, de aarde en de onderwereld.

Svarga is samengesteld uit de delen:

  • Sva dat betekent: eigen, van ons Zelf, Uw/jouw eigen, de menselijke ziel;
  • Ra dat betekent: geven, liefde, wens, bewegen, schitterende pracht;
  • Ga dat betekent: verblijven, zijn. [16]

Op basis van deze delen is “svarga” de verblijfplaats van ons/uw eigen wezen in al haar pracht. De svargaloka is de hemel, aarde en onderwereld – alles, overal en één – in al haar verschijningsvormen. Hier en nu toont zij haar pracht.

Rond 1993 bestudeerde ik Jalâl al-Din die beter bekend is als Rumi. De naam Rumi heeft Jalâl al-Din in de Arabische wereld gekregen omdat hij tijdens het schrijven van zijn grote werken in Konia ten zuiden van Ankara in het huidige Turkije woonde. Dit deel van de Arabisch wereld werd daar vereenzelvigd met Rome uit het Romeinse rijk. Vandaar dat Jalâl al-Din is vernoemd naar de naam waaronder zijn verblijfplaats in de Arabische/Perzische wereld bekend was [3]. In hoofdstuk 7 ontmoeten wij Rumi op onze Odyssee.

 [4]

In een boek over het leven van Rumi las ik: “Liefde voor de doden is niet blijvend. Richt de liefde op de Levende Ene waarin het spirituele leven verblijft [5]”. Deze manier van kijken vormde in die tijd voor mij de ene helft van de spiegel. In die tijd leefde ik in de verblijfplaats van ons/Uw eigen wezen in al haar pracht. Ik was in de svarga één met de wind, het licht, mijn ouders en voorouders; het hele universum was alom aanwezig.

De andere helft van de spiegel werd gevormd door een passage uit de Diamant Sutra die stelt: “Het verleden is ongrijpbaar, het heden is ongrijpbaar en de toekomst is ongrijpbaar [6]”. Het verleden is vastgelegd als in gestold glas; uiteraard verandert onze kijk op het verleden in de loop van de tijd, maar zorgeloos leven met mijn vader en moeder in Amsterdam als vijf jarige jongen is niet meer mogelijk. Af en toe in dromen of bij een bepaalde smaak – denk aan de Madeleine koekjes in À la recherche du temps perdu van Marcel Proust – of bij een bepaalde geur, komt als een wonder de beelden en belevingen van die wereld weer in mij boven. “Alleen in het heden kan ik leven, nergens anders vond ik onderdak” [7]; zeilend op de wind over de golven ervaren wij het heden: probeer het “nu” te grijpen en het is vervlogen. De toekomst is ongrijpbaar als de bloem in de knop: de bloem manifesteert zich eens en voor altijd in al haar glorie wanneer de omstandigheden dat toelaten – niet eerder en niet later. De bloem ontstaat uit het niets, bloeit in het niets en vergaat in het niets. Bij deze ongrijpbaarheid moet ik denken aan de tekst die wij eerder op onze Odyssee zijn tegengekomen [8]: “Mysterium est magnum, quod nos procul dubio transcendit” [9]  of in het Nederlands: “Het mysterie is groot, dat ons zonder twijfel overstijgt.”

Het leven ervoer ik in die tijd volledig, overweldigend en doorschijnend . Of door een metafoor weergegeven: de reflecties in beide spiegels – die onder een hoek van 90 graden stonden – waren een afspiegeling van mijn belevingen. De spiegels waren leeg [10].

In het verleden dacht ik dat als mensen of dingen een naam hadden, zij daarmee ook een plaats kregen of een bestemming hadden. Op onze Odyssee komen wij deze manier van kijken nog een aantal keren tegen.

In die tijd verdiepte ik mij ook in de Hua-yan school van het Boeddhisme [11] en las teksten over Indra’s net [12] dat een metafoor is voor de leegte van alle dingen en levende wezens. Deze leegte heeft twee zijden: het is “leegte van” en “leegte tot” [13]. Deze beide zijden zijn vergelijkbaar met “vrijheid van” en “vrijheid tot” in “De angst voor vrijheid [14]” van Erich Fromm.

 [15]

Door deze inzichten en ervaringen werd ik bevrijd van de sluimerende schuldgevoelens over mijn bestaan, vooral omdat mijn naaste familie – met uitzondering van mijn tante – , het andere bewind uit Duitsland niet had overleefd. Tot dan toe was altijd de vraag aanwezig: “Waaraan heb ik het verdiend om nog in leven te zijn”. Tegelijkertijd ontliep ik de vraag naar de zin en de rede van deze duistere geschiedenis. Het geloof van mijn voorouders bood mij geen duiding: ik kon niet met volle overtuiging de strofen van Kaddish zeggen met de strekking “U zij de Glorie” en “De wereld die Hij heeft geschapen naar zijn wil”. Voor het uitspreken van deze teksten moest ik de “U/Zijn” vereenzelvigen met “de wind” en “het water”.

Dit inzicht heeft mij geholpen bij het organiseren van de begrafenis van mijn tante. Op haar begrafenis kwamen veel oude bekenden – voor zover nog in leven. Ook enkele verre familieleden waren gekomen. Van de naaste familie was alleen ik nog over. Voor haar heb ik met overtuiging een heel jaar lang dagelijks de gebeden volgens de Joodse dodenherdenking gezegd. Haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar.

De begrafenis van en de rouwdiensten voor mijn peettante heb ik ook bijgewoond. Haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar. Het was een mooie Katholieke begrafenis in de traditie van Zuid Limburg.

Na deze begrafenissen ben ik op weg gegaan naar Auschwitz”, zeg jij.

“Ik kan jouw weergave van Oosterse wijsheid volgen, maar ik laat voorlopig in het midden of ik er mee kan instemmen”, zeg ik.

“Het Boeddhisme is de weg van het midden; instemmen met mijn weergave van Oosterse wijsheid wordt niet gevraagd. Ik kijk uit naar wat het vervolg van onze Odyssee brengt. Het is een thuiskomst”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat verder over jouw bezoek aan Auschwitz.


[3] Bron: Lewis, Franklin D., Rumi, Past and Present, East and West. Oxford: Oneworld, 2003 p. 9

[5] Vrije weergave uit: Iqbal, Afzal, The Life and Works of Jalaluddin – Rumi. London: The Octagon Press, 1983 p. 239.

[6] Vrije weergave uit: Red Pine (Bill Porter), The Diamond Sutra. New York: Counterpoint, 2001 pag.308

[7] Vrije weergave van de eerste twee regels uit het gedicht “Woninglooze” uit 1941 van Jan Jacob Slauerhoff. Zie voor de tekst van dit gedicht: http://4umi.com/slauerhoff/woninglooze

[8] Zie de berichten: “Drie – Object in het midden – Het Woord” van 11 juni 2011; en “Een dag zonder gisteren – een dag zonder morgen?” van 3 juli 2011.

[9] Bron: http://www.vatican.va/holy_father/special_features/ encyclicals/documents/hf_jp-ii_enc_20030417_ecclesia_ eucharistia_lt .html:  Ionnis Pauli PP. II Summi Pontificis, Litterae Encyclicae Ecclesia de  Eucharistia, Rome, 2003

[10] Wetering, Janwillem van de, De Lege Spiegel. Amsterdam: De Driehoek p. 118 – 120

[11] Bronnen: Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993; Cleary, Thomas, Entry Into the Inconceivable: An Introduction to Hua-yen Buddhism. Boston:  Shambhala, 2002 en : Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra. University Park: The Pennsylvania State University Press, 1977

[12] Zie ook de berichten “Een – Pantheïsme – Indra’s net” van 8 april 2011 en “Een – “Powers of Ten”” van 10 april 2011

[13] Zie voor leegte tot: Thich Nhat Hahn, The Heart of Understanding. Berkeley: Parallax Press, 1988 p. 8, 9

[14] Zie pag. 91 in de vertaling van “Fromm, Erich, Escape from Freedom. New York: Rinehart & Co, 1941” uitgegeven dooe Bijleveld te Utrecht, 1973.

[15] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Indra’s_net

[16] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

Like this on Facebook

Man Leben – Oosterse wijsheid


Kann man leben in den Stand der Vollkommenheit?

Jij vervolgt het verhaal van jouw leven:

“In 1989 verliet ik het klooster. Op geregelde tijden kwam ik terug voor begeleiding van groepen en voor overleg en advies over de stand van zaken van het klooster en de kloosterorde. Ik was toen 55 jaar oud.

Gedreven door een innerlijke noodzaak ging ik mij verder verdiepen in Oosterse wijsheid. Eerst woonde ik overal en nergens; af en toe was ik in het klooster voor verplichtingen. Daarna heb ik tijdelijk bij verschillende vrienden en bekenden gewoond. Voor meer vastigheid leek Amsterdam mij een goede plaats om te gaan wonen. Daar heb ik een bescheiden woonruimte kunnen vinden bij vrienden.

Tussen de bedrijven door las ik vele boeken over Boeddhisme, Taoïsme [1] en Hindoeïsme.

[2]

Uiteindelijk ben ik mij verder gaan verdiepen in Mahāyāna Boeddhisme [3] en de Upanishads [4]. De samenhang van contemplatie, meditatie en het leven van alledag hielden mij bezig. Hoe gaan zij samen en hoe beïnvloeden zij elkaar? In die tijd leek mijn leven vol concentratie en aandacht. Later heb ik een metafoor gelezen voor mijn manier van leven [5]. Ik leefde in een menigte met een bekertje water op mijn hoofd. Alle aandacht was nodig om probleemloos en vanzelf door de menigte te laveren en daarbij geen druppel water te verliezen.

[6]

Iedere handeling, iedere gedachte, iedere indruk was als een druppel water die in het water valt. De rimpelingen van de impact van de druppel golven rimpelend naar het verleden, naar de toekomst en naar alles om ons heen. Niets blijft onaangetast.

[7]

Bij deze studie ben ik de bronteksten gaan lezen. Om de teksten beter te kunnen doorgronden, heb een begin gemaakt met een studie Sanskriet. In het begin heb ik moeite gehad om de tekens voor het Devanāgarī – betekent letterlijk Godenstad – alfabet [8] te onthouden. De klanken van het alfabet zijn heel logisch opgebouwd. In het overzicht hieronder is het alfabet weergegeven. De eerste drie regels bevatten de basisklinkers. De volgende vijf regels tonen de medeklinkers – hard, hard geaspireerd, zacht, zacht geaspireerd, neusklank. De voorlaatste regel geeft de half (mede) klinkers weer. En de laatste regel laat de sisklanken en de huigklank “ha” zien. De kolommen tonen de klanken bij de spreker van binnen naar buiten [9].

[10]

Mijn hele leven heb ik van een goede ordening gehouden, maar de buitenbeentjes zijn mij lief. In het Devanāgarī alfabet zijn de half (mede) klinkers – ya, ra, la, va – en de huigklank – ha – de buitenbeentjes. Zij nemen in het alfabet en als betekenis binnen woorden een bijzondere plaats in.

De letter “ya” betekent in het Sanskriet “beweger, wind, bereiken, meditatie”. De letter “ra” betekent “gaan, rollen”. De letter “la” betekent “van Indra”. Indra is de God van de hemel en ook de God van oorlog, storm en regenval. In het Boeddhisme wordt Indra aangeduid met Śakra [11] dat letterlijk “in staat tot scheppen” betekent. De letter “va” zijn wij eerder tegengekomen; deze letter betekent “wind, oceaan, water, stroom, gaan”. De huigklank “ha” betekent onder meer “water, bloed, meditatie, hemel, paradijs, sterven, wijsheid, oorlog”.

Deze buitenbeentjes kwamen overeen met mijn leven rond 1990. Ik had niet veel nodig, want mijn inwoning in het klooster en bij vrienden was verzorgd. Het weinige dat ik nodig had kwam uit het begeleiden van groepen en uit het organiseren en begeleiden van verbouwingen – eerst van kloosters en later ook van huizen van vrienden en bekenden.

In 1993 overleden mijn tante en peettante in korte tijd. In dat jaar heb ik ook Auschwitz bezocht”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat verder over jouw zoektocht in Oosterse wijsheid.


[2] White Cloud Monastry bij Beijing. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Baiyun.jpg

[5] Bron: Wick, Gerry Shishin, The Book of Equanimity – Illuminating Classic Zen Koans. Somerville MA: Wisdom Publications, 2005 p. 136.

[6] Amitābha Buddha statue from Borobodur, Indonesia. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Seated_Buddha_Amitabha_statue.jpg

[7] Impact of a drop of water, a common analogy for Brahman and the Ātman. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Wassertropfen.jpg

Man Leben – kloosterjaren


Im Kloster entdeckt man Leben in vielfältiger Form

Jij gaat verder het verhaal van jouw leven:

“Na mijn bezoek aan de kampen bij Dachau en het graf van moeder op Allerzielen in 1983, ben ik verder getrokken. Mijn verdere aanwezigheid in Dachau werd niet meer op prijs gesteld: landlopers zijn daar niet welkom. Een kleine week heb ik in het wild kunnen bivakkeren, maar ik begon steeds meer op te vallen. Begin november trok ik weer naar het noorden. Ik had een vaag plan om naar het graf van mijn vader in Auschwitz te gaan. Maar ik zag snel de onmogelijkheid van deze gedachte in. De winter is een erg slecht jaargetijde voor landlopen en Duitsland was nog steeds in tweeën gedeeld. Ik kon niet door Oost-Duitsland naar Polen lopen.

Ik werd ziek. Eerst een beetje door een stevige verkoudheid, daarna kwam de koorts. Een verhoudingsgewijs klein klooster gaf mij gastvrijheid en binnen vier weken was ik weer volledig genezen.

De kloosters waren in korte tijd erg veranderd. Begin 1960 waren er nog vele jonge mannen die in het klooster traden voor studie, bezinning, gerichtheid op God en Zijn werken, en voor het uitdragen van het geloof en Zijn werken in andere delen van de wereld. De kloosters stonden nog in volle bloei. Tien jaren later traden geen jongelingen meer toe en vele jongere broeders/monniken/paters hadden het kloosters verlaten voor het leven van alle dag al dan niet met een partner. Weer tien jaren later waren nog alleen de oudere bewoners en de abt over. Ook de gebouwen waren in 1983 erg naar binnen gekeerd geraakt.

[1]

Het klooster waar ik herstelde was niet zo groot. In 1983 was de inval van leegte in het gebouw nog niet beklemmend. De laatste 15 jaar was er maar een nieuwe broeder ingetreden; de bewoners waren wel 15 jaar ouder geworden. Als het klooster wilde voortbestaan, dan was een verandering op zijn plaats.

Aan een verandering was ik ook toe. Het was nog volop winter en verder trekken zonder doel lag niet op mijn weg. Ik was tijdens mijn herstel gaan wennen aan het kloosterritme. Na mijn genezen mocht ik van de abt blijven tot de lente aanbrak. Tegen kost en inwoning hielp ik bij het onderhoud en ik verrichtte de noodzakelijke klussen.

Aan het begin van de lente had ik met de abt mijn afscheidsgesprek. Dit gesprek vormde een nieuw begin. De abt vertelde zijn zorgen over de toekomst van het klooster; de kloosterorde was toe aan een verandering in lijn met de traditie en gericht op de toekomst.

Ieder moment, iedere handeling, ieder gebed en zang, iedere dag, ieder jaar, ieders leven, het leven binnen het klooster en het geloof waren in het klooster een oriëntatie op God. De wereld buiten het klooster veranderde in de loop van de eeuwen voortdurend. De veranderingen hadden in het verleden gevolgen gehad op het kloosterleven. In de middeleeuwen waren kloosters centra geweest van bijna alle wetenschappelijke kennis en kunde in de Westerse wereld. Vele kloosters hadden rijkdommen verworven die niet in lijn lagen met de traditie van de kloosters. Tegen het einde van de middeleeuwen – rond 1550 [2] – zijn veel kloosters van deze rijkdommen ontdaan: een aantal kloosters zijn in verval geraakt.

De laatste 15 jaar gingen de veranderingen in de wereld buiten het klooster erg snel. Deze snelle verandering had vergaande gevolgen voor het klooster, want de gemiddelde leeftijd van de bewoners nam heel snel toe. Verstilling, contemplatie en gerichtheid op God hoorde bij het klooster; aan de andere kant pasten verstarring en krampachtig vasthouden aan het verleden niet in de traditie.

De abt vroeg of ik een bijdrage aan de oriëntatie voor het klooster wilde leveren. Mijn bouwkundige achtergrond en mijn kennismaking met verschillende geloven konden goede invalshoeken opleveren. Naast de gebruikelijke taken voor een lekenbroeder zou ik mij wijden aan advisering voor en bijdragen aan deze oriëntatie.

Het kloostergebouw was in goede staat. Het was uitstekend geschikt voor klooster. Bij een teruglopend aantal vaste bewoners, konden delen van het gebouw ook gebruikt worden voor activiteiten in lijn met de doelstellingen van het klooster.

[3]

De oriëntatie op de buitenwereld liet zien dat ook buiten het klooster en de Christelijke kerk er een behoefte aan bezinning en contemplatie aanwezig was. Deze behoefte had vaak andere uitingsvormen.

[4]

Deze oriëntatie heeft tot gevolg gehad dat het klooster open is gesteld voor bezinning en educatie van buitenstaanders: individueel en in groepsverband. Een aantal broeders van de kloosterorde zijn religies uit Azië gaan bestuderen ter verrijking van het kloosterleven met als motto “onderzoekt het nieuwe en behoudt het goede”. Daarbij is ook kennis verworven voor begeleiding van groepen bij religieuze activiteiten en meditatie. In het klooster zijn nieuwe leken broeders gekomen voor de begeleiding van bezinning en educatie. Zij verbleven tijdelijk of soms permanent in het klooster.

Ongeveer 5 jaar heb ik in het klooster gewoond, gewerkt en groepen begeleid. Aan het einde van deze periode gingen de kloostergeloften knellen. De geloften van eenvoud/armoede was geen probleem; ik had een luxe leven met een goede gezondheid, voldoende eenvoudig maaltijden en een nuttige bijdrage aan het klooster en de wereld. De gelofte van kuisheid was iets lastiger. Sinds mijn studententijd zijn er tot aan mijn verblijf in het klooster altijd wel vrouwen in mijn leven geweest. Tijdens het kloosterleven zijn er geen vrouwen in mijn leven geweest; de verleiding was niet groot. De gelofte van gehoorzaamheid vormde het grote struikelblok: ik ben altijd onafhankelijk geweest en mijn motto was “niemands baas, niemands knecht”.

Mijn wens om mij verder te verdiepen in Oosterse religies viel niet samen met het verzoek om andere kloosters binnen de orde te begeleiden bij veranderingen. In samenspraak zijn plannen voor de verandering van andere kloosters gemaakt; de uitvoering is door anderen verricht. Af en toe heb ik advies gegeven tijdens de voortgang. Van bewoner van het klooster ben ik overgegaan in een periodieke bezoeker.

Rond mijn 55ste levensjaar ging ik een nieuwe fase van mijn leven in. Ik ging Oosterse religies bestuderen”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw studie van Oosterse religies.


[1] Voorbeeld van een klooster. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Benedictijnen

[2] In Engeland door King Hendrik VIII – zie ook http://en.wikipedia.org/wiki/Dissolution_of_the_Monasteries; In Europa tijdens de reformatie waarbij in Nederland de beeldenstorm en de Tachtig Jarige Oorlog niet voorspoedig waren voor de kloosterorden.

[3] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Trappist_praying_2007-08-20_dti.jpg

[4] http://en.wikipedia.org/wiki/File:Meditating_in_Madison_Square_Park.jpg

Man Leben – op weg 3


Geschichte, mit denen man leben muβ

Jij vervolgt het korte verslag van jouw leven met de aankomst in Dachau na een pelgrimstocht van twee maanden:

“Begin september 1983 ben ik vertrokken van de boerderij van mijn peettante in Zuid Limburg. Zij had mij deze pelgrimstocht aangeraden om invulling te geven aan de wens van mijn tante die mij na mijn 21st verjaardag had gevraagd om de traditionele Joodse dodenherdenking voor mijn ouders te verrichten, wanneer ik daartoe in staat zou zijn. Mijn moeder was in 1944 in Dachau overleden en begraven. Tijdens Allerzielen op 2 november hoopte ik het graf van mijn moeder te bezoeken zoals gebruikelijk is volgens de Katholiek gewoonte in Zuid Limburg.

Op mijn tocht had ik de wind [1] en de maan [2] leren kennen en ik was hen gaan vereenzelvigen met de “Hij” en “zijn” in het Joodse gebed Kaddish [3]. Hierdoor had ik pas vanaf eind september 1983 iedere dag een jaar lang dit gebed gezegd voor mijn vader, moeder, tante en peetoom.

Als landloper, maar als luxe landloper kwam ik eind oktober 1983 in Dachau aan; mijn gezondheid was nog steeds uitstekend en mijn uitrusting comfortabel. Ook met het snelle invallen van de duisternis aan het einde van de middag leerde ik leven door een klein vuurtje te maken in een oud conservenblik.

Een dag later – op een wat stormachtige dag – heb ik het kamp bezocht. De beelden van de kampen zijn bekend. Bronnen melden dat in de kampen bij Dachau volgens de administratie ruim 206.000 gevangenen hebben gezeten waarvan 31,951 gevangen zijn overleden aan ondervoeding, uitputting en ziekte [4]. Ter vergelijking: op de oorlogsbegraafplaatsen bij Omaha Beach in Normandië en bij Henri Chapelle aan de Noordrand van de Ardennen liggen 7000 en 8000 gesneuvelde soldaten begraven: peilloos leed.

Tijdens mijn bezoek zag ik waarover mijn tante hier tegen mij nooit over heeft kunnen en willen praten. Ik begreep ook waarom ze aan haar wens zo uitdrukkelijk toevoegde: “Wanneer jij daar toe in staat bent”. Later, veel later, heb ik mijn gevoel tijdens het bezoek onder woorden kunnen brengen.

Versteend en verstild

Van binnen en van buiten

De Wind speelt Haar zang.

Bij het invallen van de schemering verliet ik het kamp. Buiten zong ik neuriënd de aria uit Cantate 82 “Ich habe genug” van Johann Sebastian Bach:

Schlummert ein, ihr matten Augen,
Fallet sanft und selig zu!
Welt, ich bleibe nicht mehr hier,
Hab ich doch kein Teil an dir,
Das der Seele könnte taugen.
Hier muss ich das Elend bauen,
Aber dort, dort werd ich schauen
Süßen Friede, stille Ruh.

Deze Cantate had Johann Sebastian Bach geschreven voor 2 februari, Maria Lichtmis of “Purificatio Mariae” [5] – de reiniging van Maria – 40 dagen na Kerstmis. Toepasselijk: ik zong de reiniging van en voor mijn moeder, haar gedachtenis zij een zegen voor hier – in onze wereld – en voor daar – in het hiernamaals [6]. Voor mij zijn deze twee werelden van Haar altijd een en dezelfde geweest.

De volgende dag kwam ik terug om te kijken of het graf van mijn moeder er goed verzorgd bij lag. Ik had een plat rond steentje meegenomen: dit steentje heb ik op haar graf gelegd.

[7]

Daarna ben ik langs de Katholieke kapel, de Christelijke verzoeningskerk en de Joodse gedenkruimte gelopen. Geen van de ruimten was voor mij uitnodigend om te betreden.

[7]

[9]

[10]

[11]

In Ulm had ik het studie model voor het continuüm gezien dat het gehele universum omvat in al Haar eenvoud en beperking. Binnenkant en buitenkant wisselen continu. Deze verzoeningsruimte geeft beschutting en neemt tegelijkertijd alles uit het universum ademend in zich op in geborgenheid en ontvankelijkheid. Mijn moeder, haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar.

[12]

Op 2 November – de dag van Allerzielen – ben ik in de loop van de middag naar het graf van mijn moeder gegaan. Het steentje was verdwenen. Dat kon ik begrijpen, anders zou er een berg van steentjes ontstaan. Bij haar graf heb ik het gebed van Kaddish gezegd.

Tegen het vallen van de duisternis ben ik verder gegaan. De gevoelens bij mijn vertrek heb ik later gelezen in de Zen koan: “Ieder van U heeft Uw eigen licht. Als jij het wil zien, dan is het niet mogelijk. De duisternis is donker, donker. Nu, wat is Uw/Jouw licht? …… Het antwoord is: De ruimte van het Universum, de weg.” [13]

Landlopers zijn niet welkom in Dachau. Ik ben weer verder getrokken. De winter viel in. Het graf van mijn vader heb ik 10 jaar later in 1993 bezocht: toen was ik daar toe in staat. Eerst heb ik een aantal jaren in kloosters gewoond”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw kloosterjaren.


[1] Zie bericht “Man Leben – op weg” van 14 oktober 2011.

[2] Zie bericht “Man Leben – op weg 2” van 17 oktober 2011.

[4] De bronnen melden variërende aantallen. De aantallen in dit bericht komen uit: http://www.dachau.nl/het_kamp/historisch/index.html en http://en.wikipedia.org/wiki/Dachau_concentration_camp

[6] Zie ook: Wieseltier, Leon, Kaddisj. Amsterdam: De Bezige Bij, 1999, p. 11

[12] Model for the continuous study of the workshop of Tomas Maldonado. Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Ulm_School_of_Design

[13] Vrije weergave van Yunmen’s light – casus 86 uit de Hekiganroku. Zie ook: Aitken, Robert, The Mind of Clover – Essays in Zen Buddhist Ethics. New York: North Point Press, 2000⁸. pag. 62. Opmerking: Volgens de bronnen is het antwoord in deze koan: “De opslagruimte, de poort/weg”. De Engelse versie voor “opslagruimte” is “storeroom” of “kitchen storage”; hier is dit begrip weergegeven als “de ruimte van het Universum” met verwijzing naar “Deine Seele ist die ganze Welt” – zie ook: Hesse Herman, Siddhartha. Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag: 1989 p. 10. De Engelse versie voor “poort/weg” is “gate en gateway”; in het Sankriet betekent “gate” onder andere “gaande, en de locativus voor gaan”.