Tagarchief: Lord of the flies

Carla Drift – jaren van ontluiken 2


Mijn eerste dag op het gymnasium begon met ongeveer 10 kilometer fietsen met onderweg een pittige heuvel. De school was veel groter dan onze dorpsschool. Nieuwe klasgenoten en veel nieuwe leraren. Het leren bleef makkelijk en ik zorgde ervoor om dat niet te tonen. Ik bleef een buitenbeentje als leerling uit een ver gehucht met een ander dialect die iedere dag 20 kilometer alleen op de fiets zat.

Na verloop van tijd ontstond een vriendinnenclubje en ik voelde me op school wat beter thuis. In de lessen verveelde ik mij en huiswerk maken was niet nodig: het moest nog een beetje spannend blijven. In ons dorp speelde ik muziek in de harmonie; ik had ook nog enkele vriendinnen van de lagere school. Met een lagere schoolvriend trok ik veel op – wij trokken door de bossen en beleefden daar allerlei avonturen. Door het vele fietsen had ik een uitstekende conditie – veel jongens konden mij niet bijhouden tot zij halverwege de middelbare school voldoende mannelijke hormonen hadden gekregen om mij met lichaamskracht voorbij te streven.

Als oudste van de drie zussen had ik een voordeel: ik had controle over alles wat er tussen ons gebeurde. Ik moederde over hen; dit leverde ook wel eens conflicten op met mijn zussen en mijn moeder. De oudste zijn had ook een nadeel: ik dacht dat ik controle kon hebben over alles wat er tussen ons gebeurde [1]. Ik merkte in de derde of vierde klas dat ik de enige bijzondere dochter was. Mijn zussen waren gewone normale leerlingen; mijn bijlessen voor hun middelbare school leverden niet veel extra resultaat op. Ik was en bleef het enige buitenbeentje in ons huis.

Aan mijn tweede zus is in haar klas op school gevraagd hoeveel boeken er per jaar thuis werden gelezen. De meesten kwamen tot ongeveer 10 boeken. Een andere klasgenoot kwam tot 50 boeken. Mijn zus zei dat wij ongeveer 500 boeken lazen. Dat klopte: ik las zo’n 300 boeken – vaak ook makkelijke boeken, mijn vader 100 boeken en mijn zussen ieder 50.

In de tweede helft van het gymnasium moesten wij voor onze boekenlijsten lezen. Voor Engels gaf ik het boek Ulysses van James Joyce op. Deze keuze moest ik wijzigen, want de leraar Engels vond het boek te ingewikkeld [2]. Ik koos voor de lijst “Lord of the flies” van William Golding – een roman over de ontsporing van een groep jongens op een eiland. Uiteraard las ik Ulysses ook van kaft tot kaft – het boek heb ik pas later bij herlezing beter leren begrijpen. Op zeer abstract niveau heeft het boek Ulysses qua structuur model gestaan voor onze Odyssee naar “Wie ben jij”. Yes, van de monoloog van Molly Bloom heb ik veel opgestoken over de aardse kijk van vrouwen op mannen, reken maar van yes. Weer speelde ik verstoppertje – nu met mijn gevoelens van liefde, totdat ik mijn grote liefde enkele jaren later in Delft tegenkwam.

 [3]

Voor Nederlands las ik onder andere het hele oeuvre van Hugo Raes en Jef Geeraerts. Door hen ben ik gevoelig geworden voor geïnstitutionaliseerde misdaden tegen de mensheid.

De Franse existentialisten en fenomenologen – Jean Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Albert Camus – las ik ook. Simone de Beauvoir was in die tijd voor mij een voorbeeld van een zelfbewuste intelligente vrouw – zij schreef prachtige boeken zoals “Niemand is onsterfelijk” en “De Schone Schijn”. Albert Camus met “De Mythe van Sisyfus” en “De Mens in Opstand” toonde mij vergaande keuzes van mensen – deze boeken komen wij later op onze Odyssee tegen.

In een overzicht van wereldfilosofie zag ik een verwijzing naar de Tao Te King van Lao Tse. Dit boek fascineerde mij omdat ik de denkrichting indertijd niet meteen kon duiden. Op onze Odyssee komen wij dit boek in hoofdstuk 7 tegen.

Vrouwenemancipatie en popmuziek kregen in die tijd een beperkte plaats in mijn leven. Mijn verliefdheden waren vaag en onbereikbaar; de jongens in mijn omgeving waren naïef of dom – behalve mijn lagere school vriend. Wij maakten allerlei zwerftochten – aan het einde van de Middelbare school ook meerdaagse tochten. Mijn moeder had hiertegen bezwaar; mijn vader vond het goed en begon over de pil – maar dat speelde niet. Wij gingen kamperen in België, een paar dagen liftend naar Parijs en naar Taizé voor het gemeenschapsgevoel – niet voor de religie. De laatste zomervakantie van de middelbare school hebben wij nog met de trein een maand door Europa gereisd. Ik heb nog steeds af en toe contact met hem.

[4]

Mijn exacte vakken gingen echt vanzelf. Natuurkunde en wiskunde kosten geen moeite. Een wiskunde olympiade leverde een mooie plaats op. Ik las de Scientific American in de school bibliotheek – de puzzles van Martin Gardner [5] vond ik leuk om op te lossen.

In de zomervakantie na mijn eindexamen las ik bijna alle boeken van Erich Fromm. Zijn humanisme tegen de stroom in vond ik zorgwekkend [6] en bemoedigend. Later op onze Odyssee komen wij zijn boeken nog tegen.

In mijn laatste jaar van het gymnasium heb ik besloten om een technische studie in Delft te gaan volgen. Mijn vader was erg trots op mij. Samen hebben wij gelukkig snel een kamer in Delft gevonden. Een nieuwe fase in een andere cultuur brak aan.

[7]


[1] Zie ook: Brown, Eleanor, The weird Sisters. HarperCollins p. 121

[5] Zie ook: Gardner, Martin, The colossal Book of Mathematics. New York: W.W. Norton & Company, 2001  

[6] Zie ook: Fromm, Erich, Escape from Freedom. New York: Rinehart & Co, 1941

[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Delft_stadhuis.jpg

Advertenties