Tagarchief: Mahābhārata

Vorm is leegte en leegte is vorm


Rond half een in de middag begint de mist langzaam weg te trekken. Carla maakt Narrator wakker en zegt dat Man en zij dadelijk de lunch gaan klaarmaken. Man stelt voor om een warme lunch te bereiden, zodat ’s-avonds in het donker bij het volgende aanlegpunt een eenvoudige maaltijd kan volstaan.

Wanneer Narrator zich heeft opgefrist, is het warme middagmaal klaar.

“Een eenvoudig maar voedzaam maal. Ik hoop dat het mag smaken”, zegt Man.

“Eet smakelijk”, zeggen Carla en Narrator.

“Ik denk dat wij bij het opkomen van het hoogtij voldoende zicht hebben om te kunnen wegvaren”, zegt Man.

“Dat zou mooi zijn, want dan kan ik tegen het einde van de middag nog een dutje doen bij het schommelen van de boot”, zegt Narrator.

“Nu wij het hebben over het schommelen van de boot; enkele minuten geleden zag ik enkele eenden voorbij drijven op de plas water naast de boot. Bij het zien van het golvenspel door het trappelen van hun poten in het kielzog van deze eenden, dacht ik aan ons gesprek vanmorgen over ons leven als een droom gesuperponeerd binnen het “heel-zijn”. Het golvenspel – een metafoor voor ons leven als een droom, want het golvenspel in het wateroppervlak is een superpositie binnen het wateroppervlak – binnen het water is een metafoor voor het heel-zijn”, zegt Carla.

Drijvende eenden[1]

“Een mooi voorbeeld van het samengaan van heel-zijn met de wervelende verschijningsvormen van alledag”, zegt Man.

“Nu wij het er toch over hebben, zou jij mij nog wat water willen bijschenken?”, vraagt Narrator aan Man.

“Alsjeblieft”, zegt Man.

“Volgens mij zijn wij nu aangekomen bij de kern van het tweede deel van onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Heel-zijn en “jij” in de verschijningsvorm van alledag vallen samen binnen het onuitsprekelijke alomvattende “heel-zijn”, waarbij wij – de ander en ik in onze alledaagse verschijningsvormen – als een droom zijn gesuperponeerd in het “heel-zijn”.
Hierbij moet ik denken aan een radio signaal – gesuperponeerd op een draaggolf – dat als één signaal wordt verzonden door de ruimte. Zonder draaggolf geen overdracht van een radiosignaal, zonder ruimte geen overdracht van het signaal: zij zijn wederkerig met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk in de ruimte.

Superpositie[2]

Ik kom weer terug op de vraag: “Eén – wat is dat?” aan de wijze vrouw in het Boeddhistische vraagstuk waarop zij niet in staat was te antwoorden. Zoals een golf als verschijningsvorm en de oceaan als “heel-zijn” onlosmakelijk op elkaar zijn gesuperponeerd, is het niet weten van deze wijze vrouw ook gesuperponeerd op “heel-zijn” of is volledig opgenomen in het “heel-zijn”?, vraagt Carla aan Narrator.

“Beiden:

Nacht kust de sterren
En laat de golven wiegen,
Binnen het heelal.
De droom der dromen geheel
Antwoord op: “Eén – wat is Dat”

En:

Antwoord in stilte
Op de vraag: “Eén – wat is Dat”;
Heel-zijn in alles

En beiden tezamen in een haiku:

In Eén ademtocht
Vorm – leegte, en leegte – vorm
Verenigd in Al

Hiermee zijn wij volgens een commentator [3] bij de kern van de Hart Sūtra gekomen en deze kern van de Sūtra luidt:

“Hier, vorm is leegte en leegte is vorm.
Leegte is niet anders dan vorm; vorm is niet anders dan leegte”.

Of in het Sanskriet:

iha rūpaṃ śūnyata śūnyataiva rūpam
rūpānna pṛthak śūnyatā śūnyatāyā na pṛthagrūpaṃ

waarin we een aantal keren voor “leegte” het woord “śūnyata”[4] tegenkomen. De andere kernwoorden zijn:

  • iha wordt meestal vertaald met “hier, in deze wereld, op deze plaats”. Dit bijwoord is samengesteld uit “i” dat “compassie” betekent en “ha” dat onder meer “meditatie, kennis, de maan, doden, wegnemen, verlaten en als laatste letter van het alfabet ook wel laatste ademtocht of doden” betekent. Het woord “iha” heeft hiermee tegelijkertijd de betekenissen van “met compassie wegnemen van illusies” en “meditatie en/of verlichting in deze wereld”.
  • rūpaṃ – de accusativus van het woord “rūpa” – dat meestal vertaald wordt met “vorm” en daarbij ook de betekenissen heeft van: “droomachtige verschijning, innerlijke natuur, imago, sierlijke vorm en symptoom”. Het woord “rūpa” is afkomstig van de werkwoordkern √rūp dat “vormen, uidrukken” en daarbij ook “verschijnen” en “zichzelf tonen” betekent. Mijn vader zei dat “zichzelf tonen” het verwezenlijken van het Alomvattende Eén of het “heel-zijn” is.
  • “na pṛthak” dat meestal wordt vertaald met “niet zonder” of “niet gescheiden van”. [5]

Volgens de kern van de Hart Sūtra is niet alleen de verschijningsvormen van alledag en van ons leven van alledag, maar ook “de verwezenlijking van het Alomvattende Eén en daarmee het “heel-zijn” leeg”, zegt Narrator.

“In de Hart Sūtra wordt een aantal keren uitleg gegeven aan Shāriputra, bijvoorbeeld: “Dus Shāriputra, alle Dharma’s zijn leeg zonder eigenschappen, niet ontstaan, niet verdwenen, noch smetteloos, noch vervuilt, noch volledig en ongevuld”. Wat is de betekenis van de naam Shāriputra?”, vraagt Carla aan Narrator.

“De naam Shāriputra is samengesteld uit “Shār” dat in het Sanskriet “wind, pijl en verwonden” betekent en “putra” dat “kind” betekent [6]. Hiermee wordt met de naam Shāriputra verwezen naar “kind van de wind” – vluchtig en altijd alom aanwezig – en daarbij “kind bestemd om de illusies weg te nemen (pijlsnel in een zucht)”. Door deze bestemming staat Shāriputra in een aantal Mahāyāna teksten met een been in het “heel-zijn” en met het andere been in “de alledaagse wereld van fenomenen”; door deze dubbelrol is Shāriputra een ideaal persoon om te handelen in het “Alomvattende Eén” en binnen “de waan van alledag” als onderdeel van “heel-zijn”. Shāriputra [7] is een van de belangrijkste leerlingen van Shakyamuni Boeddha. Volgens Boeddhisten is Shakyamuni Boeddha de historische persoon Siddhārta Gautama na zijn volkomen verlichting”, zegt Narrator.

“Jouw uitleg over de kern van de Hart Sūtra doet mij denken aan de naam JHWH voor God in de Tanach [8] – en in het Oude Testament van het Christendom – die “Eeuwig” of “Altijd” betekent en ook kan ook worden opgevat als de Hebreeuwse werkwoordvorm “הוא” of “is” van het werkwoord “zijn”. Meestal wordt “הוא” vertaald met “Hij die is”, maar oorspronkelijk is betekenis alleen “is” zonder verdere duiding. Veel religies vallen bij het duiden van hun kern terug op het “onnoembare zijn”: bijvoorbeeld in Hebreeën 7:3 met “Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende” voor de Messias. Maar meteen na het duiden van het “onnoembare zijn” gaan de religies over tot het duiden van dit “onnoembare zijn” binnen de waan van alledag om daarna de plaats van de volgelingen veilig te stellen binnen het “heel- zijn” en in relatie tot het “onnoembare zijn”, zegt Man.

“Zo ook de Hart Sūtra. Na de kern: “Vorm is leegte en leegte is vorm. Leegte is niet anders dan vorm; vorm is niet anders dan leegte” begint de Hart Sūtra langzaam weer te draaien als een cycloon, want hierna wordt nogmaals gesteld dat naast vorm ook de vier overige skanda’s leeg zijn: “Op de zelfde manier zijn gevoel, perceptie, gedachten en bewustzijn leeg”. Hierna meldt de Sūtra dat alle vormen van zelf/Zelf leeg zijn zonder inhoud:

“Dus [9] alle Dharma’s [10] zijn leeg zonder eigenschappen, niet ontstaan, niet verdwenen, noch smetteloos, noch vervuilt, noch volledig en ongevuld”.

Ik kan dit alleen lezen als: alle Dharma’s zijn – via “leegte is vorm” – volkomen opgenomen in het Alomvattende Eén of in het onnoembare en ondeelbare “heel-zijn” van Martin Heidegger”.
En de Sūtra gaat verder met een groot aantal negaties:

“Daarom is er in leegte geen vorm, geen gevoel, geen perceptie, geen geheugen, geen bewustzijn, noch oog, noch oor, noch neus, noch tong, noch lichaam, noch geest, noch gedaante, noch geluid, noch reuk, noch smaak, noch gevoel, noch sporen van perceptie van oog naar conceptueel bewustzijn, noch oorzakelijk verband van onwetendheid naar ouderdom en dood, en geen einde van oorzakelijk verband van onwetendheid naar ouderdom en dood, noch lijden, noch leniging, geen weg, geen kennis, geen verworvenheid en geen niet-verworvenheid.”

Met deze negaties begint de Sūtra na “Vorm – leegte en leegte – vorm” langzaam weer volkomen vorm (en leegte) te krijgen – als een foto in een ontwikkelbad – binnen het Alomvattende Eén.

Ontwikkelbad[11]

Ah, eindelijk de zon, nog even en de mist gaat verdwijnen. Met wat geluk kunnen wij dadelijk weer om ons heen kijken. Wanneer wilde jij wegvaren?”, vraagt Narrator aan Man.

“Ik stel voor om met hoog water zo rond drie uur het anker te lichten en weer de terugtocht naar Lauwersoog te beginnen. Door de mist hebben wij vanmorgen het laatste stuk van onze tocht naar Vlieland niet kunnen afleggen. Wanneer wij vanmiddag dit deel zouden varen, dan lopen wij – volgens de weersverwachting – kans om over twee dagen in slecht weer terecht te komen: het lijkt mij beter om dit te vermijden. Nu kunnen wij voor de weersverandering in de jachthaven aankomen. Ik kan de boot dan op tijd klaar hebben voor de overdracht aan mijn vriend”, zegt Man.

“Ik heb zoveel gesproken dat ik te weinig heb gegeten. Kun jij mij het brood en de kaas aangeven?”, vraagt Narrator aan Carla.

“Alsjeblieft. Zijn brood en kaas ook leegte volgens de Hart Sūtra? Ik denk dat ik het antwoord weet, maar wat vind jij?”, vraagt Carla.

“Zij zijn geen permanente – op zichzelf staande – verschijningsvormen: zij zijn ontstaan door het bakken van het brood en door het rijpen van de kaas en zij zullen tijdens de spijsvertering in een andere vorm overgaan. Ook wanneer zij niet worden gegeten, bederven zij binnen korte tijd. Ook het algemeen aanvaarde idee van “brood” en “kaas” zijn geen permanente op zichzelf staande verschijningsvormen: zij krijgen betekenis en waarde binnen een mensensamenleving, zij zijn een keer in de loop der geschiedenis ontstaan, zij veranderen en zullen ook een keer weer verdwijnen. Op deze manier zijn brood en kaas tegelijkertijd vorm èn leegte binnen ons mensenleven. Daarnaast geven zij vorm èn leegte aan ons leven binnen ons “heel-zijn”.
Herakleitos heeft volgens overleveringen gezegd:

“πάντα χωρεῖ καὶ οὐδὲν μένει” καὶ “δὶς ἐς τὸν αὐτὸν ποταμὸν οὐκ ἂν ἐμβαίης” [12]

of zeer vrij vertaald:

“Alles stroomt en niets is bestendig, en wij kunnen niet twee keer in hetzelfde tij verblijven”.

Net als onze boottocht hier op het wad: alles verandert voortdurend van vorm, en geen vorm is bestendig. De mist die ons zonet nog volledig omhulde, is verdwenen. Dit doet mij denken aan een kort gedicht aan het einde van een Boeddhistisch vraagstuk: ik heb hiervan een haiku gemaakt:

Zon schijnt aan de hemel
na verdwijnen van de mist
helder als altijd

Hoewel wij “verandering” pas op het volgende deel van onze zoektocht zullen beschouwen, stel ik nu toch de vraag: Is de voortdurende verandering binnen het “heel-zijn” ook leeg?

Deze vraag is belangrijk omdat de Mahābhārata aan de ene kant stelt dat alles – zelfs de goden – en misschien ook het “heel-zijn” is gebonden aan dharma [13], maar volgens de Hart Sūtra zijn ook de dharma’s leeg en tegelijkertijd opgenomen in het “heel-zijn”. Is het “heel-zijn” ook leeg?”, vraagt Man aan Carla en Narrator.

“Vanuit “feiten en logica” is er geen antwoord mogelijk volgens de twee onvolledigheidsstellingen [14] van Kurt Gödel [15]. Kort samengevat – en gericht op de vraag “Is heel-zijn ook leeg” – luiden deze twee stellingen:

  • Als een systeem – “heel-zijn” of onkenbaar groot – consistent (of leeg) is, dan kan het systeem niet volledig zijn en
  • De consistentie van de axioma’s zoals “Is “heel-zijn” ook leeg” kan niet vanuit het eigen systeem – “heel-zijn” of oneindigheid – worden bewezen.

Ik kom tot deze conclusie doordat “heel-zijn” zo onkenbaar groot is, dat er altijd nog wel iets bij kan. Ik denk dat “heel-zijn” oneindig groot is, omdat wiskunde het begrip “oneindigheid” zeer eenvoudig toestaat, maar ik kan niet aantonen dat “heel-zijn” oneindig is, omdat het door ondeelbaarheid per definitie onkenbaar en onvergelijkbaar is in omvang.

Vanuit de metafysica denk ik dat “heel-zijn” per definitie geen onderscheid kent en dus ondeelbaar is; hierdoor is “heel-zijn” leeg van ieder onderscheid en begrip, want er is niets om te begrijpen of vast te pakken. Met deze definitie heb ik – zoals met alle uitgangspunten – moeite, want deze definitie is – zoals elke eerste aanname – discutabel.

Daarnaast zijn er natuurlijk de verschillende verschijningsvormen die gesuperponeerd binnen “heel-zijn” – als foto’s uit een ontwikkelbad – als tijdelijke verschijningsvormen ontstaan. Deze fenomenen zijn even reëel als wanneer ik jou in jouw arm knijp en even vluchtig, leeg en reëel – als vorm is leegte en leegte is vorm – binnen de metafoor van Indra’s Net”, zegt Carla

“De lunch heeft mij goed gesmaakt; zullen wij nog koffie drinken?”, zegt Narrator.

“Ik maak wel even koffie”, zegt Man.

“Jouw haiku is gebaseerd op het gedicht bij het Boeddhistisch vraagstuk “Was je bord af”. Kort samengevat en aangepast naar onze tijd luidt dit vraagstuk:

“Een student komt een klooster binnen en vraagt aan de leraar om instructie. De leraar vraagt: “Heb jij jouw lunch gehad?” De leerling antwoordt: “Ja, de lunch was goed”. “Dan”, zegt de leraar: “Was jouw bord en bestek af”.

En gedicht gaat als volgt:

Juist omdat het zo duidelijk is
Duurt het langer om te realiseren.
Als je meteen erkent dat kaarslicht vuur is,
Is de lunch al lang bereid. [16]

Of anders gezegd: “Een vis ontdekt als laatste water. Zo duurt het lang om “heel-zijn” te realiseren omdat het alomtegenwoordig is. Wanneer je erkent dat alle verschijningsvormen volkomen zijn opgenomen in het Alomvattende Eén, dan is deze lunch al lang bereid.”

Het gedicht geeft meteen – of direct en op dit moment – antwoord op de vraag waar wij het “heel-zijn” kunnen vinden: “Hier – “iha” in het Sanskriet – op de plaats waar wij zitten” en “Hier– “iha” in het Sanskriet – in de schoenen waarin wij staan”. Omdat het zo voor de hand ligt, gaan wij er steeds aan voorbij.

De non-dualistische Vedānte [17] – onder meer gebaseerd op de Upanishads en de Bagavad Gītā, verwijst regelmatig naar het Alomvattende Eén, waarna meteen een onderscheid volgt, bijvoorbeeld binnen het kastenstelsel in India, tussen leraar en leerling, tussen hogere wezens en mensen [18].

Dit zelfde onderscheid binnen het “heel-zijn” zien wij meteen ontstaan in de Tanach en het Oude Testament waar God – JHWH (of “is”) – en de mens na enkele woorden al van elkaar zijn gescheiden om daarmee onze verschijningsvormen binnen het alledaagse leven te betreden.
Recent las ik op een achterflap van “Deze wereld anders” van Ton Veerkamp:

“Het Christendom richtte zich op de hemel – de hemel van de volksreligies – en het hiernamaals. Het leven van alledag en het “hier en nu” werd bijzaak en daarmee heeft het Christendom zich vaak buitensporig aangepast aan een wereld van macht en onderdrukking.”

De wereld anders[19]

Volgens mij heeft iedere religie dit in meer of mindere mate gedaan: niets menselijks is religies vreemd.

De Hart Sūtra vervolgt na de kern van het “heel-zijn” – en na een groot aantal negaties van alledaagse werkelijkheden die leeg zijn van inhoud en vorm – met het betreden van de levensweg van de bodhisattva.

“Daartoe zonder verworvenheid, ondervinden de bodhisattva’s [20] – via de perfecte wijsheid (prajñāpāramitā) – geen hindernissen op hun levensweg. Zonder hindernissen en dus zonder vrees overkomen zij hun illusies (binnen het leven van alledag èn binnen het “heel-zijn”) en nirvana [21]. Dank zij de perfect wijsheid (prajñāpāramitā) bereiken alle Boeddha’s uit het verleden, het heden en de toekomst het “Alomvattende Eén”.”

Het Alomvattende Eén is “Hier (“iha” in het Sanskriet) op de plaats waar wij zitten” en “Hier in de schoenen waarin wij staan”.

Op deze wijze heeft de Hart Sūtra – weliswaar in woorden die onderscheiden en afstand scheppen – geprobeerd de levensweg (of Tao) binnen het non-dualistische Alomvattende Eén te verwoorden.

Tijd om mijn bord en bestek af te wassen”, zegt Narrator.

“Met het bord en bestek wordt binnen onze leefwereld ook het Alomvattende Eén” gereinigd. Dit is volkomen duidelijk binnen de metafoor van “Indra’s Net”.

In het alledaagse leven ervaar ik een begrenzing op de reikwijdte van deze afwas, omdat de informatieoverdracht – het licht binnen de metafoor van Indra’s Net – de nodige begrenzingen kent en omdat onze manier van waarneming invloed heeft op onze wijze van zien.
Benaderd vanuit de wereld van fenomenen en bezien vanuit de alledaagse afzonderlijk voorwerpen is het volkomen onmogelijk om alleen het bord en bestek af te wassen zonder enige invloed te hebben op de omgeving, want er is altijd een afwasser, zeepsop en water nodig om af te wassen en het water heeft een aanvangstemperatuur door de zon voordat het verhit wordt tot afwaswater enz. enz.

In mijn leven ervaar ik beide manieren om naar de wereld te kijken als volkomen reëel en praktisch, maar ik kan beiden niet volledig met elkaar laten samenvallen in een alomvattend systeem: de metafoor van superpositie van de wereld van de fenomenen binnen het “heel-zijn” helpt wel, maar is voor mij niet volledig bevredigend”, zegt Carla.

“De Hart Sūtra is een geschrift voortgekomen uit het Mahāyāna Boeddhisme. Deze vorm van Boeddhisme wordt ook wel de “middenweg” genoemd, omdat binnen deze religie geprobeerd wordt om de leefwereld van het “heel-zijn” en het leven van alledag met elkaar te verenigen. Deze “middenweg” krijgt vorm door het bodhisattva ideaal. Een bodhisattva – die met beide benen in de werelden van “heel-zijn” tezamen met het “leven van alledag” staat – zal het Alomvattende Eén pas betreden samen en tegelijkertijd met alles en iedereen. Binnen dit ideaal betreedt een bodhisattva hier en nu voortdurend het “heel-zijn” en de “waan van alledag” om alles en iedereen te verlossen van het levenslijden”, zegt Narrator terwijl hij zijn bord en bestek afwast.

[1] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Superpositie_%28natuurkunde%29
[2] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Amplitude_modulation
[3] Zie: Lopez, Donald S. – The Heart Sutra explained Delhi: Sri Satguru Publications, 1990 p. 57
[4] Zie voor een belichting van “śūnyata” het bericht: “Leegte: naar het einde van de nacht”
[5] Bron: electronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[6] Bron: electronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[7] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Sariputta
[8] Bron: Tanach Heerenveen: Uitgeverij NBG, 2007, p. 113
[9] De Hart Sūtra gebruikt hier het woord “evaṃ”. Zie voor een uitleg de voetnoot 14 bij het hoofdstuk “Mist”
[10] Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”.
[11] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Darkroom
[12] Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Heraclitus
[13] Zie voor een uitleg van Dharma: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 34 e.v.
[14] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Kurt_G%C3%B6del
[15] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 62 – 64
[16] Zie ook: Shibayama, Zenkei, The Gateless Barrier, Zen Comments on the Mumonkan. Boston: Shambhala, 2000, p. 67 – 71 en Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990, 40 – 43
[17] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Vedanta
[18] Zie: Venkataramanan, S. Select Works of Sri Sankaracharya. New Delhi: Cosmo Publications, 2003
[19] Zie: Veerkamp, Ton. Deze wereld anders – Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal. Vught: Uitgeverij Skandalon, 2014
[20] Het woord bodhisattva bestaat uit de twee woorden “bodhi” en “sattva” die in het Sanskriet resp. “perfecte kennis, wijsheid” en “zijn, bewustzijn, levend wezen” betekenen. De school van het Mahāyāna Boeddhisme kent het bodhisattva ideaal. Volgens dit ideaal zal een mens die op het punt van verlichting staat – bodhisattva genoemd –, hiervan afzien tot het moment dat het gehele universum en ieder stofje – of het Alomvattende Eén – ook in staat is de verlichting te betreden. In de tussentijd doet de bodhisattva er alles aan om alles en iedereen voor te bereiden op de verlichting.
[21] Letterlijk: “afwezigheid van bos (of belemmeringen)” of “op de open vlakte”

Advertenties

Leegte: naar het einde van de nacht


Nacht. Een heldere hemel bij nieuwe maan. Narrator rijdt de geleende Skoda Superb [1] Combi van Amsterdam door de Noordoostpolder [2] naar de jachthaven aan het Lauwersmeer bij het vertrekpunt van de veerboot naar Schiermonnikoog. De beide koplampen schijnen over de lege snelweg door het donkere lege land dat ruim 50 jaar geleden nog bodem van de Zuiderzee was. Carla doezelt op de achterbank. Man zit als bijrijder naast Narrator; in het spaarzame licht van het dashboard kijken zij naar de afslag bij Emmeloord die heel in de verte weg oplicht door lantaarnverlichting.

Skoda Superb Combi[3]

“Binnen de leegte tovert het licht van de koplampen – met straatverlichting heel in de verte – een donker toverlandschap tevoorschijn waarin alles dat wij nu zien ontstaat en meteen weer verdwijnt als schimmen die in een flakkering tot leven worden geroepen om daarna weer te verglijden in de donkere leegte. Ik heb als jongen in Zuid Limburg al gehouden van donkere nachten met het oneindig heelal waarin ik – opgenomen – één was met alle sterren en melkwegstelsels aan het firmament. Nu voel ik mij zweven binnen een vage witte nevelgloed op oneindige reis door het heelal en daarbij volmaakt thuis in dit vaartuig. Vanavond – voordat wij ons klaarmaakten om te vertrekken – heb ik in een boek een definitie van Boeddhistische verlichting [4] opgezocht: “Verlichting is realisering van de eenheid van leven” [5].

Ik ben deze definitie gaan opzoeken omdat wij gistermiddag het onderzoek van de intensiteiten en associaties hebben afgesloten met de vraag: “Een – wat is dat?” die een boeddhistische wijze aan een wijze vrouw stelde. Zij was niet in staat deze vraag te beantwoorden. Ik vraag mij af of het onvermogen – of de leegte – van de wijze vrouw om te antwoorden niet beter past bij de vraag: “Een – wat is dat?” dan deze definitie van Boeddhistische verlichting.

Wij beginnen nu aan het onderzoek van leegte op onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Het woord in Sanskriet voor leegte in de Hart Sūtra is “śūnyatā”. Weet jij welke betekenissen dit woord in het Sanskriet heeft?”, zegt Man.

De auto nadert de wegsplitsing bij Emmeloord. Narrator remt wat af en neemt de afslag naar Lemmer; hierbij is Carla wakker geworden en zij vraagt: “Waar zijn wij?”. “Bij Emmeloord in de Noordoostpolder, wij gaan nu richting Friesland. Ik heb Narrator naar de betekenis van het woord “śūnyatā” gevraagd”, zegt Man.

“Het woord “śūnyatā” wordt meestal met “leegte” of “leeg van zelf” vertaald [6], maar deze vertaling geeft alleen de kern van het woord weer net zoals er in de kern van een wervelstorm meestal een windstilte heerst bij een heldere hemel; de kern van de cycloon is zonnig en “vrij” van wind.

Kern van een cycloon[7]

Het woord “śūnyatā” is samengesteld uit de werkwoordkernen:
• “śvi” – met de zwakke vorm “śū” – met de betekenissen “opzwellen” en “uitdijen”;
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” betekent. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel” (misschien ook wel “Godsgave” in wederkerigheid) en,
• “tā” met de betekenissen “onbegaanbaar”, “ontoegankelijk”, en ook “onschendbaar” en “heilig” [8].

Een hedendaagse Japanse Zenmeester in Amerika schrijft in zijn uitleg van “śūnyatā” dat dit woord geen ontkenning van het concept van bestaan is, maar het woord geeft aan dat ons gehele bestaan in al haar vormen volledig afhankelijk is van het beginsel van oorzaak en gevolg; wij lazen eerder dat zelfs de Goden zijn gebonden aan het beginsel van oorzaak en gevolg [9].

Omdat de factoren van oorzaak en gevolg voortdurend veranderen, is er geen statisch – vaststaand – bestaan mogelijk. Het woord “śūnyatā” ontkent categorisch de mogelijkheid van het bestaan van statische – vaststaande – verschijningsvormen. Alle verschijningsvormen zijn volgens deze hedendaagse Japanse Zen meester relatief en onderling afhankelijk.

Daarbij schrijft hij dat “śūnyatā” ook “nul” betekent, een begrip dat in Europa pas laat bekend is geworden, maar in India al veel langer in gebruik was. Nul heeft geen getalswaarde in zichzelf, maar vertegenwoordigd de afwezigheid van getalswaarden en symboliseert daarmee tegelijkertijd de mogelijkheid van alle getalswaarden. Vergelijkbaar hiermee vertegenwoordigt “śūnyatā” door middel van het begrip “nul” of “geen” de mogelijkheid van het bestaan van alle verschijningsvormen en is daarmee tevens opgenomen in alle verschijningsvormen, die alleen bestaan in relatie tot hun niet-bestaan en in hun onderlinge verbondenheid [10]”, zegt Narrator.

vorm en leegte[11]

“De definitie van nul is wat te beperkt: daar ga ik nu niet op in. Als ik het goed begrijp, dan duidt “śūnyatā” op “leeg van” en “leeg tot”, net zoals Erich Fromm bij het begrip “vrijheid” volgens mij doelt op “vrij van” en “vrij tot” in onderlinge samenhang [12]. Hierbij moet ik denken aan de Franse fenomenoloog Maurice Merleau Ponty die stelt dat verschijningsvormen ontstaan door een creatief proces van gelijktijdige zingeving en zinneming [13]. De Zenmeester voegt hier de leegte – of ruimte – voor het ontstaan van verschijningsvormen aan toe”, zegt Carla.

“Interessant dat jij een creatief proces noemt voor het ontstaan van verschijningsvormen. De Japanse Zenmeester geeft aan dat een intuïtief en onmiddellijk begrip van “śūnyatā” de basis vormt voor alle begrip. Maar voordat hij dit stelt, benoemt hij eerst de “śūnyatā” van het ego en vervolgens de “śūnyatā” van dharma [14] – de wereldorde en plicht [15] – en van het subjectieve en het objectieve. Hierna concludeert hij dat alles – iedere verschijningsvorm en ieder wezen – alleen bestaat door middel van het beginsel van onderlinge afhankelijkheid gebonden door de wet van vergankelijkheid. Het intuïtief en onmiddellijk begrip leidt tot kennis en begrip van de vier grote waarheden te weten vergankelijkheid, onderlinge verbondenheid, verschijningsvormen en essentie; misschien is het goed om later op deze vier waarden terug te komen. De Zenmeester gaat verder in zijn oordeel over het belang van vergankelijkheid – leegte of ijdelheid – en onderlinge verbondenheid dan Maurice Merleau Ponty bij het ontstaan of creatie van alle verschijningsvormen en ieder wezen.

De uitleg van “śūnyatā” komt uit de inleiding van deze Zenmeester in zijn boek over de Boeddhistische Hart Sūtra.

Deze beschrijving van de Zenmeester is mij bijgebleven omdat zij zo goed pas bij mijn beleving van de geesten in de nacht. Als kindsoldaat in Afrika stak ik met onze militie aan het einde van een nacht het bos rondom een dorp in brand. Wij schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [16]. De geesten van deze dorpelingen draag ik nog altijd met mij mee; hun adem – in leegte en ijdelheid – is was mijn adem geworden. ’s-Nachts zijn zij voor mij even reëel als mensen die ik overdag tegenkom; deze geesten zijn met mij verbonden in onderlinge afhankelijkheid binnen de wet van vergankelijkheid: overdag zijn zij weer verdwenen”, zegt Narrator.

“Zijn deze geesten ook nu hier in deze auto voor jou reëel aanwezig?”, vraagt Man.
“Nee, nu bestuur ik de auto en heb ik mijn aandacht bij de weg, maar als ik mijn aandacht nergens meer op richt, dan komen de geesten vanuit de leegte van de duisternis tot leven net zo levensecht als een droom tijdens de slaap. Of om een citaat aan te halen dat vaak ten onrechte aan Mark Twain wordt toegeschreven: “I am an old man and have suffered a great many misfortunes, most of which never happened” [17]”, zegt Narrator.

“Gelukkig, want anders zou ik jou willen vragen om een parkeerplaats op te zoeken en morgenochtend bij daglicht verder te rijden. Ik heb enkele versies van de Hart Sūtra in mijn bagage om te bestuderen. Zou jij mij willen helpen bij de interpretatie van het Sanskriet?”, vraagt Man.

“Dat is een goed idee. Ik heb een exemplaar van de uitleg van de Japanse Zenmeester bij mij. Heb jij een waterdichte ruimte voor boeken op de boot?”, vraag Narrator.

“Jouw boek past nog makkelijk in de waterdichte ton. Wanneer wij droog liggen bij laag tij, dan is er tijd om te lezen”, zegt Man.

“De definitie voor verlichting die jij net hebt genoemd, geeft een aspect van verlichting – in lijn met de onderlinge verbondenheid binnen de metafoor van Indra’s Net – duidelijk weer. Het is slechts een zijde van de medaille, de andere zijde is “śūnyatā”. In het Boeddhisme wordt voor verlichting vaak de term “nirvana” – letterlijk: afwezigheid van bos (of belemmeringen), op de open vlakte [18] – gebruikt. In het Hindoeïsme duidt men verlichting vaak met “moksha” [19] dat afkomstig is van de werkwoordkern “muc” die onder meer “losmaken, bevrijden” betekent. Met beide duidingen ben ik niet gelukkig, want ik denk dat “śūnyatā” tezamen met de metafoor van Indra’s Net een betere duiding geeft aan het begrip verlichting. Het lijkt mij goed om op dit deel van onze zoektocht niet alleen leegte in de zin van “leeg van” of ruimte, maar ook in relatie met onder meer de vier grote waarheden van het Boeddhisme en met Indra’s Net te bezien”, zegt Narrator.

“Goed idee. Wanneer ik op mijn reizen onder de donkere sterrenhemel wakker lag, dan voelde ik mij in de ruimte – of de oneindige leegte – opgenomen. De grenzen tussen de ruimte en mijzelf vervloeiden en ik werd één met alles om mij heen. In een boek over Zen Boeddhisme heb ik twee gedichten gelezen die een lege spiegel als metafoor voor het leven benoemden; in het tweede gedicht werd ook de illusie van de lege spiegel weggenomen zoals tijdens deze autorit door de donkere polder het zicht op het landschap. Kennen jullie de tekst van deze gedichten?”, vraagt Carla.

“Het zijn twee gedichten geschreven tijdens de benoeming van – of beter de Dharma overdracht aan – Huineng [20] de zesde Zen patriarch. In mijn eigen woorden: de vijfde patriarch voorvoelde dat de gedoodverfde kandidaat was tegen deze taak was opgewassen. Hij vroeg aan iedere monnik die kandidaat zou willen zijn, een kort gedicht met de kern van Zen te schrijven en te openbaren op de kloostermuur. Alleen de gedoodverfde kandidaat publiceerde anoniem het volgende gedicht:

Het lichaam is een Bodhi boom;
De geest als een lege spiegelstandaard.
Nu en altijd veeg hem schoon
En laat geen stof oplichten [21]

Bodhi – dat qua klank (en betekenis via “et incarnatus est” [22]) verwant is aan het Engelse woord body – betekent in het Sanskriet “een boom van wijsheid, of een boom waaronder een mens een Boeddha wordt” [23].

Een volgende ochtend hing er naast dit gedicht een tweede gedicht met de tekst:

Bodhi is fundamenteel zonder boom;
De lege spiegel heeft geen standaard.
Van oorsprong is er geen enkel ding.
Waar kan stof oplichten?

In het Sanskriet heeft Bodhi als tweede betekenis: “volkomen verlichting” [24]. De vijfde patriarch wist dat een nederige houtsprokkelaar – zonder enige formele opleiding tot monnik – dit tweede gedicht had geschreven en hij voorzag een opstand van het klooster tegen de benoeming van deze leek als Dharma opvolger. In de volgende nacht heeft de Dharma overdracht plaatsgevonden en bij het eerste ochtendlicht is de zesde Zen patriarch uit het klooster moeten wegvluchten. De monniken hebben hem nog lang achtervolgd. Uiteindelijk is hij na een lange vlucht volledig geaccepteerd als Dharma erfgenaam; iedere Zenmeester is in directe lijn met deze zesde patriarch verbonden. En met het voordragen van het gedicht weerspiegel ik hem in de leegte van de nacht”, zegt Man.

“Schitterende uitleg. Zullen wij morgen hierover verder gaan? Ik zou graag nog wat verder doezelen”, zegt Carla.

“Dan ga ik ook wat dutten. Morgen is het al vroeg licht”, zegt Man.

Narrator rijdt de auto met de slapende Carla en Man door Friesland en Groningen naar de parkeerplaats van Lauwersoog bij de veerboot naar Schiermonnikoog. Hij parkeert de auto naar het Oosten om over enkele uren de dageraad te kunnen aanschouwen. Bij het zien van de eerste schemering maakt hij Carla en Man wakker.

“Op deze heldere ochtend moeten wij naar de zonsopgang kijken voordat wij zo meteen bij de jachthaven de zeilboot gaan optuigen”, zegt Narrator.

“Bij het zien van het opkomen van de eerste zonnestralen door deze autoruit moet ik denken aan het gedicht “De Ramen” van Guido Gezelle, waarin hij als katholiek priester aan het einde van de negentiende eeuw de beeldenstorm nog een dunnetjes overdoet.

D E  R A M E N

De ramen staan vol heiligen, gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond, gehertoogd en gegraafd;
die ’t branden van het ovenvier geglaasd heeft in den scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf [25].

Doch schaars is herontsteken in den oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op de heiligen, zoo smelt
’t samijtwerk uit den mantelworp, de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen en graven dan, zoo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer, ’t is alles henen, tot
één’ helderheid gesmolten, in één zonnelicht – in God. [26]

– Guido Gezelle [27]

Kerkramen Noordzijde Keulen[28]

Volgens mij bepleit Guido Gezelle met dit gedicht – ondanks de pracht van gebrandschilderde kerkramen als vensters op de wereld – een lege spiegel zonder standaard in Gods aangezicht”, zegt Man.

 

 

[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[2] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Noordoostpolder
[3] Bron afbeelding: http://da.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[4] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(boeddhisme)
[5] Bron: Bridges, Jeff & Glassman, Bernie, The Dude and the Zen Master. New York: Plume, 2014, p. 95
[6] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sunyata, zie ook de Engelse Wikipedia-pagina over dit onderwerp
[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tropische_cycloon
[8] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 85 en 122
[10] Bron: Deshimaru, Taisen, Mushotoku Mind – The Heart of the Heart Sutra. Chino Valley: Hohm Press, p. 28, 29
[11] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C5%ABnyat%C4%81
[12] Bron: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 97
[13] Zie ook voor de “creatieve daad van zinneming en zinneming”: Merleau-Ponty, Maurice, Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Boom, 2009
[14] Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”.
[15] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.
[16] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84
[17] Zie: http://quoteinvestigator.com/2013/10/04/never-happened/
[18] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[19] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Moksha
[20] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Huineng
[21] Bron: The Sixth Patriarch’s Dharma Jewel Platform Sutra. Burlingame: Buddhist text translation society, 2002, p. 67
[22] Letterlijke vertaling uit het latijn: hij/zij/het is vlees geworden
[23] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[24] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[25] “Gemiterd en gestaafd”: van mijters en staf – als tekenen van autoriteit – voorzien. “’t branden van het ovenvier geglaasd”: tot glas geworden door het branden van het overvuur. “Al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf”: toont al de schilderingen op de plafonds van de kerken.
[26] Bron: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/gezelle/rijmsnoer/ramen.htm Het gedicht is door Guido Gezelle gedateerd op 14 april 1895.
[27] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Guido_Gezelle
[28] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Stained_glass

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 15


“Ik denk dat wij ons gesprek over de paradox binnen het denkraam van de strijder in onszelf te abrupt hebben beëindigd. Hoewel op een eerdere leeftijd en op een ander manier, heb ik al heel jong kennisgemaakt met de euforie van de veroveraar. Als kleuter had ik een sprinkhaan in een luciferdoosje gevangen. Ik voelde een ongekende vreugde; nooit zou ik meer alleen zijn, want altijd zou ik een metgezel in mijn leven hebben. Als ik met het doosje rammelde, dan hoorde ik mijn sprinkhaan. De volgende ochtend was de sprinkhaan dood. Dit was mijn eerste echte verlies; hiermee verloor ik mijn onschuld: hiermee zette mijn verval in. Als ik kijk naar het paleis van de Medici, dan moet ik weer denken aan het luciferdoosje”, zegt Carla.

Feiten en logica 15a.jpg[1]

“Ik heb ergens gelezen dat de familie de Medici – na een korte verbanning uit Florence – in de 15e eeuw de macht achter de schermen wilde uitoefenen en er bewust een bescheiden beeld naar buiten op na wenste te houden. De buitenkant van dit paleis – gebouwd in opdracht van Cosimo de Medice – geeft dit streven weer [2]”, zegt Man

Carla, Man en Narrator betreden het paleis.

“De welgestelden in Florence waren in de 15e eeuw op de hoogte van de periodieke overstromingen van de rivier de Arno, daarom hadden zij hun woonvertrekken op de eerste verdieping. Dit paleis lijkt op de Ark van Noah [3] uit het boek Genesis in het Oude Testament. Van alle rijkdom en van alles van waarde binnen de familie de Medici werd in dit paleis een imago meegenomen. Alles in dit paleis is een miniatuur afspiegeling van en een herinnering aan de veroveringen van de familie in de buitenwereld. Wanneer het tij meezit, dan kan de afspiegeling en de herinnering weer in realiteit worden omgezet. Dit paleis toont de innerlijke wereld van de familie in al haar wensen en met al haar verwachtingen”, zegt Narrator.

feiten en logica 15b.[4]

“In deze zaal Luca Giordano [5] neemt de – binnen het paleis getoonde – aspiratie van de familie goddelijke trekken aan. De schilderingen op het plafond van de zaal komen overeen met de plafondschilderingen in de kerken van deze stad.

feiten en logica 15c.[6]

Door de schilder Luca Giordano wordt de tweede dynastie van de familie de Medici afgebeeld als een spiegelbeeld van de hemel waarin Cosimo de Medici – als de centrale Vader-god – troont boven zijn twee zonen en zijn broer. Hier toont het innerlijk van de heersende “strijder” de ambitie om op zijn minst de Christelijke Goddelijk drie-eenheid te evenaren, zo niet de plaats van God in te nemen”, zegt Man.

feiten en logica 15d.[7]

“Dat is herkenbaar; op het toppunt van zijn kunnen voelt een strijder zich onoverwinnelijk en oppermachtig. De strijder onttrekt zich aan de wereld van de stervelingen; de strijder kan de hele wereld aan. Tegelijkertijd wordt de leefwereld van de strijder ontmenselijkt; de zorg voor de omgeving en de empathie voor levende wezens en mensen verdwijnt. Een staat van euforie – een beleving van uniciteit en almacht, egocentrische gericht op de strijder, zijn makkers en de wereld waarvoor zij staan – ontstaat. Deze staat van euforie is te herkennen bij Arjuna en Kṛṣṇa toen zij met vreugde pijlen schoten op alles dat probeerde te ontsnappen uit het vuur in het Khandava bos, bij jou Narrator toen jij als jonge strijder met een militie in Midden Afrika schoot op alles en iedereen die uit een brandend dorp kwam, en bij Karl Marlantes [8] toen hij tijdens de Vietnamoorlog als luitenant bij de Amerikaanse mariniers door de luchtmacht napalm liet vallen op de jungle met daarin Vietcong-strijders [9]. ” zegt Carla.

feiten en logica 15e.[10]

“”De hel dat zijn de anderen” [11], schrijft Jean-Paul Sartre in een van zijn toneelstukken, misschien ook  omdat de anderen de almacht van de strijder – en daardoor zijn vrijheid – beperken”, zegt Man.

“Jullie geven mijn gevoelens van vreugde en uitgelatenheid tijdens het schieten op alles en iedereen die uit een brandend dorp probeerde te ontsnappen, goed weer. Maar na deze euforie voelde ik een schaamte en een peilloze leegte. In het eerste deel van onze Odyssee naar “Wie ben Jij” [12] – bij de beschrijving van de Peloponnesische oorlog – zagen wij bij de strijdende partijen een voortdurende cyclus van eer/macht – hoogmoed – toorn – wraak [13]. In mijn beleving moeten wij aan deze cyclus na de wraak nog “schaamte en leegte” toevoegen die gelijktijdig tegenpolen vormen met eer en macht. In de tijd van mijn voorvaderen namen de strijders in het oude India de buit van de verovering – meestal gestolen vee binnen de vee-cyclus [14] – mee naar hun thuisdorp. Daar werd de buit tijdens een groot feest met iedereen gedeeld. Het tonen van de verovering aan de wereld was voor de krijgers belangrijker dan de overwinning zelf [15]. Na het feest begon een leegte te ontstaan met een opkomende schaamte over doelloosheid. Met eer/macht als tegenpool voor deze leegte/schaamte ontstond een drang naar nieuwe veroveringen om het innerlijk en uiterlijk ego van de strijders weer te bevestigen en bestendigen. De verovering – of rijkdom in onze tijd – creëert tegelijkertijd een leegte en een gemis aan iets. Rijkdom creëert een gebrek aan rijkdom dat nog niet veroverd is. Deze zaal herinnert de levende strijders binnen de familie de Medici aan de wereldse rijkdom die zij moeten verdedigen en uitbreiden, en aan de rijkdom van het Goddelijke hemelrijk dat zij nog niet bezitten”, zegt Narrator.

“In deze redenering schuilt een waarheid. Na een verovering begint het verval, want er valt iets te verdedigen; de imperator moet altijd meer veroveren om hetgeen hij bezit, veilig te stellen. Daarbij ontstaat uit het bezit van rijkdom de behoefte aan meer en blijvende rijkdom; ook de imperator is onderhevig aan de natuurwet van “rupsje nooit genoeg”. Is er op dit punt een verschil tussen mannen en vrouwen?”, zegt Man.

“Er is een studie naar de rol van vrouwen in Mahābhārata. In de Mahābhārata verwerft een strijder pas onsterfelijke roem op het moment dat vrouwen hem als gevallenen op het slagveld in schrille jammerkreten bewenen en daarbij met rouw zijn leven en mooie verschijningsvorm roemen [16]. De vrouwen van de strijderskaste zetten hun mannen aan tot actie; de strijders zijn geregeld monomane uitvoerders van de wensen van hun vrouwen. Wanneer binnen de Kshatriya kaste alle krijgers zijn overleden, dan gaan de vrouwen naar de Brahmanen om nieuwe krijgers voort te brengen. Vrouwen hebben een eigen rol in het denkraam van de strijder”, zegt Narrator.

“Hebben wij niet allen een rol in het denkraam van de strijder? Wat denken jullie van de Goden en de Bodhisattva?”, vraagt Carla.

“Ook zij, ook wij”, zegt Man.

“Dat is waar. Zullen wij morgen op onze laatste dag in Florence een bezoek brengen aan Palazzo Pitti waarin de familie de Medici haar pracht en praal aan de buitenwereld toont”, zegt Narrator.


[7] The Apotheosis of the Medici: Cosimo III sat central between his two sons and his brother below him, Palazzo Medici-Riccardi Bron afbeelding: http://it.wikipedia.org/wiki/Galleria_di_Luca_Giordano

[8] Bron: Marlantes, Karl, What it is like to go to war. London: Corvus, 2012 p. 40 – 41

[11] In het toneelstuk “Huis clos”. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean-Paul_Sartre

[12] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 200 – 209

[13] Zie: Lendon, J.E., Song of Wrath the Peloponnesian war begins. New York: Basic Books, 2010 p. 9

[14] Zie vee-cyclus in: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012

[15] Zie ook een hedendaagse observatie van Hannah Ahrendt in: Keen, David, Useful Enemies – When waging wars is more important than winning them. New Haven and London: Yale University Press, p. 9

[16] Bron: McGrath, Kevin, STR Women in Epic Mahābhārata. Cambridge: Ilex Foundation, 2009, p 25

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 14


Carla, Man en Narrator zitten op het pleintje bij de ingang van de Basiliek van San Lorenzo voordat zij het paleis van de Medici gaan bezichtigen.

“Het denkraam van de strijder laat een aantal tegenstrijdigheden zien. De parabel van Mŗtyu – dood  in de vorm van een vrouw – geeft een inkijkje in de tegenstrijdigheden wanneer de oudste broer van Arjuna – als troonpretendent van de vijf Pāṇḍavaḥ broers – ontroostbaar is over het verlies van de vele gesneuvelden op het slagveld waaronder vele familieleden, leraren en leerlingen, geliefden en naasten. Als gevolg van de strijd – tussen enerzijds de wereldorde en plicht en anderzijds het menselijk handelen – om een rechtmatig koninkrijk voor de familieleden, leraren en leerlingen, geliefden en naasten, wordt er tegelijkertijd op een uitgebreide schaal dood en verderf gezaaid ook onder de dierbaren. Een ander voorbeeld is “vechten voor vrede”. Het denkraam van de strijder – voorzien van deze tegenstrijdigheden – vinden wij niet alleen terug op het slagveld, maar ook binnen de wetenschap, de godsdienst, de levensbeschouwing, de overheid en uiteraard binnen onszelf”, zegt Carla.

Feiten en logica 14a[1]

“De parabel over Śīla [2] – vrij vertaald met “Alomvattende eenheid” – uit de Mahābhārata toont het denkkader van de strijder binnen onszelf. Door een samenhangend gebruik van alle (menselijk) eigenschappen – of Śīla – had een wijze koning in het oude India uiteindelijk vrede en coherentie binnen zijn koninkrijk en zichzelf weten te bewerkstelligen. Hierdoor kreeg hij ook de beschikking over het immense vermogen van goedheid. Met goedheid verkreeg hij het rijkdom van de drie werelden waaronder de wereld van de Goden. Op een goede dag verscheen Indra – in een manifestatie als geneesmiddel – voor de koning en hij vroeg aan de koning om te leren wat goedheid werkelijk is. De koning zei dat het besturen van de drie werelden al zijn aandacht vergde: hij had geen tijd om dit aan Indra te tonen. Indra in de vorm van geneesmiddel bleef aan het hof en diende de koning zo voortreffelijk dat de koning zei: “Vraag wat jij wenst en ik zal het geven”. Als antwoord zei Indra: “U heeft mij al zoveel gegeven, maar u zou mij zielsgelukkig maken met uw Śīla”. De koning gaf Śīla aan Indra waarna het “geneesmiddel” meteen vertrok. Na de overhandiging van Śīla voelde de koning een innerlijke onrust zonder te weten waarom. Een kolom van licht in menselijk vorm kwam uit zijn lichaam tevoorschijn. De koning vroeg: “Wie ben jij?”. De kolom van licht antwoordde: “Ik ben Śīla en tot nu toe waren wij onafscheidelijk. Maar omdat jij mij hebt weggegeven, vertrek ik,”. Hierna kwam een tweede kolom licht uit zijn lichaam en weer vroeg de koning: “Wie ben jij?”. De tweede kolom licht zei: “Ik ben Dharma – de wereldorde – en ik verlaat jou, want ik leef waar Śīla leeft”. Meteen verschenen weer drie kolommen licht uit zijn lichaam, en achter elkaar vertrokken Waarheid, Goedheid en Soliditeit, omdat zij leven waar Śīla leeft. Als laatste verscheen er een kolom licht in de vorm van een vrouw en de vrouw zei op de vraag “Wie ben jij?”: “Ik ben Śri – voor de mensen ben ik onderlinge verbondenheid –, ik ben alles dat wenselijk is in een mensenleven; ik leef waar Śīla leeft”. Verlamd van schrik vroeg de koning aan Brahman wie dat geneesmiddel was en wat er was voorgevallen. Brahman vertelde: “Het geneesmiddel is Indra’s Net. Door Śīla ben jij geworden wie jij bent, en met Śīla heb jij jezelf weggegeven aan Indra[3], zei Narrator.

“Deze parabel geeft een aantal van de tegenstrijdigheden binnen het denkkader van de strijder prachtig weer. De imperator verkrijgt door zijn acties een koninkrijk en vervolgens kan de imperator het rijk niet bestendigen: verschillende natuurwetten voorkomen dit. Daarnaast zijn er tegenstrijdigheid binnen het denkkader van de strijder te herkennen tijdens een succesvolle verovering of verdediging van een gewenst object: de strijder voelt op het moment van succes de vluchtige euforie van een “Alomvattende eenheid”. Deze euforie bepaalt zijn tijdelijk zelfbeeld dat vervolgens met het vervliegen van Śīla meteen begint te eroderen. Wij hebben deze vluchtige euforie na een overwinning gezien bij het zelfbeeld van roeiers in de twee studenten roeiploegen uit Oxford en Cambridge die strijden om de overwinning van een jaarlijkse roeiwedstrijd op de Thames [4]”, zegt Carla.

Feiten en logica 14b[5]

“Dezelfde euforie van tijdelijke uniciteit toonden Arjuna en Kṛṣṇa toen zij met vreugde pijlen schoten op alles dat probeerde te ontsnappen uit het vuur in het Khandava bos [6]. Met schaamte moet ik nu bekennen dat ik deze vorm van euforie heb gekend toen ik als jonge strijder met een militie in Midden Afrika schoot op alles en iedereen die uit een brandend dorp kwam [7]. Śīla had mij al verlaten bij mijn wens om zelf de avonturen van mijn voorvaderen te beleven onder mijn drang naar comfort, geld, roem en macht. In die nacht – tijdens het schieten op dorpsbewoners die het brandend dorp wilden ontsnappen – verloor ik de laatste resten van mijn onschuld. Ik draag deze tegenstrijdigheid tussen euforie van een tijdelijke uniciteit tijdens gewelddadige verovering, en direct intredend verval nog steeds met mij mee in de vorm van de adem van de dorpsbewoners. Hoewel de dorpsbewoners in de mensenwereld de identiteit “dood” hebben, houd ik hen levend met mijn adem”, zegt Narrator.

feiten en logica 14c. [8]

“Zullen wij de innerlijke onrust in het paleis van de Medici gaan bekijken?”, zegt Man.


[1] Afbeelding van Pallas Athene – de godin van wijsheid, moed, rechtvaardigheid en correcte oorlogsvoering. Daarnaast is zij een listige compagnon van heldhaftige strijders. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Warrior

[2] Śīla betekent in het Sanskriet onder meer “natuurlijk manier van leven of van gedrag”. In het Boeddhisme betekent Śīla onder meer “moreel gedrag of voorschrift”. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C4%ABla

[3] De parabel over Śīla is een zeer vrije weergave van de parabel van Prahlāda uit: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 101 – 102

[4] Zie het bericht “Amateurs” in: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 190 – 194

[6] Zie ook: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: WhereKrishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84

[7] Zie:  Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 22

[8] Afbeelding van Arjuna en Kṛṣṇa die met vreugde pijlen schieten op alles dat uit het vuur in het Khandava bos probeerde te ontsnappen. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Khandava_Forest

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 13


Na hun bezoek aan de Basilica di Santa Maria Novella zitten Carla, Man en Narrator op het Piazza di Santa Maria Novella voor hun eenvoudige lunch.

“Tijdens jouw toelichting op Kṛṣṇa – als God in de gedaante van een mens – viel het mij op hoeveel klankovereenkomst de naam Kṛṣṇa heeft met Christus, de zoon van God binnen de Katholieke Drie-eenheid. Daarbij zijn beide verschijningen van God in de gedaante van een mens door hun moeders onbevlekt ontvangen. Zijn er nog meer overeenkomsten?”, vraagt Carla.

Feiten en logica 13a[1]

“De bron van een mogelijke onbevlekte ontvangenis van de moeder van Kṛṣṇa is in nevelen gehuld. Deze informatie kan heel goed later zijn bijgevoegd, nadat deze stroming van het Hindoeïsme in aanraking is gekomen met het Christendom. De bron voor mijn inleiding over Kṛṣṇa als God in de gedaante van een mens is de Bhagavad Gītā, die ruim voor onze jaartelling is samengesteld. In namen Christus en Kṛṣṇa is de werkwoord kern “kr” te herkennen die “maken, doen, handelen” betekent, en “Īś” of “Ish” dat “God of Hoogste Geest” betekent. De combinatie van beide kernen geven de positie van de incarnatie van Kṛṣṇa als God in de gedaante van een mens en Christus als Messias goed weer”, zegt Narrator.

“Ik sluit niet uit dat er tussen India en Klein Azië rond en na de tijd van Alexander de Grote een uitwisseling van religieuze ideeën heeft plaatsgevonden. Het Nieuwe Testament is zo’n honderd jaar na de geboorte van Christus geschreven en de vier Evangeliën vertonen onderling aanmerkelijke verschillen. Misschien hebben de Evangelisten in Klein Azië kennis genomen van religieuze elementen uit de Bhagavad Gītā met Kṛṣṇa als God in de gedaante van een mens. Ik heb hierover geen informatie; dit vergt een afzonderlijke zoektocht”, zegt Man.

“Christus en Kṛṣṇa zijn beiden overleden en tegelijkertijd worden zij door gelovigen gezien als “de ongeboren en onveranderlijke bron”. Blijkbaar is God – in de gedaante van een mens – enerzijds gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg, en anderzijds onsterfelijk. Ik denk dat beide feiten op alle manifestaties binnen Indra’s Net van toepassing zijn. Laat ik het uitleggen aan de hand van een parabel [2] uit de Mahābhārata met de titel “Wat is dood?”.

Feiten en logica 13b.jpg[3]

Het strijdveld – beschreven in de Bhagavad Gītā – tussen de wereldorde en plicht  (Dharmakshetra [4]) en het menselijk handelen (Kurukshetra) toont vele verschrikkingen. Een van deze verschrikkingen is de dood op het slagveld van de prachtige zoon van Arjuna. De oudste broer van Arjuna – en troonpretendent van de vijf Pāṇḍavaḥ broers – is ontroostbaar. Na dit verlies overziet hij het slagveld met de vele gesneuvelden en hij zegt: ”Dit is geen overwinning in de oorlog, geen koninkrijk, geen hemel en geen onsterfelijkheid waard”. Hij vraagt aan Vyāsa – de verteller van de Mahābhārata – : “Waarom liggen de gesneuvelden op de aarde met dood als hun identiteit? Waarom worden zij nu gekend als “dood”? Wie sterft er? Wat veroorzaakt de dood? En waarom eist dood de levenden op?

Hierna vertelt Vyāsa het verhaal over het ontstaan van Dood – Mŗtyu [5] in de vorm van een vrouw – door Brahman. Mŗtyu vraagt hem: “Waarom ben ik geschapen?”. Brahman vertelt haar dat zij geschapen is om de aarde te verlichten van de ondraagbare last veroorzaakt door de steeds maar groeiende populatie van levende wezens. Hierna begint Mŗtyu onbedaarlijk te huilen. Brahman vangt haar tranen in zijn handen op, maar sommigen vallen op de aarde. Uit deze tranen zijn de ziekten ontstaan waardoor de lichamen van de levende wezens zullen sterven. Mŗtyu verlangt een uitleg van Brahman: “Waarom heb jij mij geschapen in deze vorm van een vrouw? Waarom wordt ik welbewust betrokken bij de ellende en de wreedheid van het verteren en wegnemen van levende wezens. Door het wegnemen van het leven van kinderen, ouders, geliefden en vrienden zullen de nabestaanden rouwen om het verlies en ik zal het mikpunt van hun haat en angst worden. Maar het meest vrees ik de tranen van zorg. Nee, ik ben hier niet toe in staat; bespaar mij dit noodlottig bestaan”. Brahman legt haar uit: “Er is dood en er is tegelijkertijd geen dood. Alle levende wezens veroorzaken hun eigen dood door vast te houden aan hun eigen waanbeelden in zonden [6] en in geluk. In Waarachtigheid bestaat geen dood. De tranen van Dood zijn de tranen van onze zorgen die rondom ons overal dood en verderf zaaien. Net zo makkelijk kunnen wij voor onszelf en voor anderen een Waarachtig leven scheppen, verrijken en behouden.” Na deze uitleg vraagt Mŗtyu – de dood – verbijsterd:

Waarom leer jij niet te leven?” [7]

Waarom houden wij zo angstvallig vast aan onze manifestaties binnen Indra’s Net? Deze levende manifestaties – in zonden en in geluk – vervliegen vroeg of laat;  Mŗtyu zal hen wegvoeren zoals zij ook alle hoofdpersonen uit de Mahābhārata in al hun verschillende manifestaties heeft meegevoerd.

Waarom leren wij niet om te leven als een “Waarachtig Man zonder status altijd in en uit gaande door de openingen van Jouw aangezicht”; ik denk dat Mŗtyu dit in haar verbijstering aan Brahman vraagt”, zegt Narrator.

Feiten en logica 13c.jpg[8]

“Tijdens de vraag van Mŗtyu “Waarom leer jij niet te leven” bedacht is de volgende haiku:

Eén levend wezen,

Niets wordt geboren en sterft,

Golf in oceaan

Feiten en logica 13d[9]

Deze haiku toont op een indirect manier waarom de manifestatie van God in de gedaante van de mens gebonden is aan de wet van oorzaak en gevolg. In de gedaante van een mens is God – net als ieder levend wezen – uit stof geboren en zal tot stof wederkeren, zoals ook een golf uit de oceaan ontstaat en weer in de oceaan opgaat. Welke gedaante neemt God aan binnen Indra’s Net?”, zegt Man.

“Ik zal de vraag scherper stellen: Is een levend wezen – bijvoorbeeld een mensenleven of God in de gedaante van een mens – een manifestatie van de Waarlijke Man of is het de Waarlijke Man zelf?”, vraagt Narrator.

“Tijdens de voorbereiding van de Heilige Communie heb ik geleerd dat een mens bestaat uit een stoffelijk lichaam en een immateriële ziel. Het lichaam is sterfelijk en gaat na de dood terug naar de aarde; de ziel leeft na de dood verder in het vage vuur of gaat meteen naar de hemel. Ik heb indertijd nooit begrepen waar mijn ziel – en waar het leven – vandaan komt en ik begrijp het nog steeds niet. De metaforen “Indra’s Net” en “golf in de oceaan” geven mij een opaak beeld hoe mensen als manifestaties van het Alomvattende Een uit stof worden geboren en tot stof wederkeren. Ik kan dit opaak beeld intellectueel bevatten en ik begrijp het concept van incarnatie, maar het beeld wordt niet transparant”, zegt Carla.

“Misschien komen wij hierbij aan de grenzen van ons menselijk bevattingsvermogen en moeten wij constateren dat het “Mysterium est magnum, quod nos procul dubio transcendit” [10] of “Het Mysterie is groot, dat ons zonder twijfel overstijgt”, net zoals het mysterie van de golf zonder twijfel uit de oceaan voortkomt en zonder twijfel weer in de oceaan opgaat”, zegt Man.

“Ik zie een ontwikkeling in jouw denken. Tijdens “Het Woord als object in het midden[11] in het eerste deel van onze zoektocht, ervoer jij het levensmysterie als zo groot, dat het ons volkomen overstijgt: dit mysterie overstijgt onze twijfel, met en zonder geloof, en met en zonder offer. Nu ervaar jij het mysterie van het mensenleven dat zonder twijfel ontstaat en opgaat in het Alomvattende Een. Zie ik deze ontwikkeling goed?”, zegt Carla.

“Het is niet zozeer een ontwikkeling of een verandering in denken; het is een “mysterium continuum” of een “voortdurend mysterie” in mijn denken”, zegt Man.

“Zullen wij onze lunch opruimen? Later tijdens onze Odyssee bij “En Dood heeft hier geen verblijf” kunnen wij verder ingaan op de vraag “Wat is dood?”. Zullen wij vanmiddag na het rustuur van Carla – als overgang naar het denkraam van de strijder – het paleis van de Medici bezoeken?”, zegt Narrator.

Feiten en logica 13e[12]


[1]De levensloop van Jezus in een notendop” door Matthias Grünewald bij het Isenheimer altaar. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jezus_(traditioneel-christelijk)

[2] Vrij en verkort overgenomen uit: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 170 – 173

[4] Zie voetnoten 15 en 16 bij het vorige bericht voor een toelichting op beide woorden.

[5] De naam Mŗtyu betekent “dood, stervende” in het Sanskriet. De naam is samengesteld uit Mŗt – waarin qua klank het Nederlandse woord “moord” en het Franse woord “mort” te herkennen zijn – en “yu” dat in het Sanskriet “verbinden, samenvoegen” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[6] Zie ook de Zeven Hoofdzonden in de Katholieke kerk in: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdzonde Zie ook de Zeven hoofdzonden in de Divina Commedia van Dante Alighieri.

[7] Vrije en verkorte weergave van: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 170 – 173

[8] Een van de oneindig vele manifestaties van de “Waarachtige Man”. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Mann

[9] Schilderij “De Golfslag” van Gustave Courbet. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Ozean

[10] Uit encycliek de Ecclesia de Eucharista van paus Johannes Paulus II. In het woord “Eucharista” zijn te herkennen “Eu” dat in het Grieks “goed” betekent, “car” uitgesproken als “char” dat in het Sanskriet “bewegen betekent en “Īś” uitgesproken als “ish” dat in het Sanskriet “in staat tot” en “het opperste wezen/ziel” betekent. Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 166

[11] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 166

[12] Bron afbeelding: http://it.wikipedia.org/wiki/Palazzo_Medici_Riccardi

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 12


De volgende ochtend zitten Carla, Man en Narrator tijdens hun ontbijt op het Piazza di Santa Maria Novella in Florence.

“Gisteravond las ik de volgende twee commentaren – van een Zen meester op een Boeddhistisch vraagstuk – die aansluiten bij onze discussie gisteren tijdens de avondmaaltijd:

“Fundamenteel is er geen waan of verlichting

“Vrede is van oorsprong de verwezenlijking van het algemeen, maar het algemeen is niet toegestaan ​​om de vrede te zien” [1]

Het eerste commentaar sluit aan bij Carla’s toelichting op het soms flinterdunne verschil tussen waan en werkelijkheid. Ik denk dat de Zen meester nog enkele stappen verder gaat dan Carla; in de traditie van de Hart Sūtra [2] zal de Zen meester – denk ik – ook waan en verlichting als leeg duiden; hierop komen wij later – bij “leegte” als derde gangbare werkelijkheid – terug. Het tweede commentaar kan ik niet goed plaatsen. Weten jullie hiervoor een verklaring”, vraagt Man aan Carla en Narrator.

feiten en logica 12a[3]

“Dit commentaar lijkt qua structuur op de bekende drogreden in de logica “Iedere os is een dier, dus ieder dier is een os”; in dit commentaar staat er een ontkenning in het tweede argument waardoor er een tautologie dreigt te ontstaan. Naar mijn mening is vrede in oorsprong alleen mogelijk bij vrede in alles en iedereen; maar door de entropie [4] – of zeer vrij vertaald: de georganiseerde chaos – is het niet mogelijk om menselijk vrede voor alles en iedereen blijvend te verwezenlijken. De inspanning om deze vorm van entropie te blijven behouden, overstijgt onze leefwereld”, zegt Carla.

“Jij hebt gelijk voor de manifestaties van onze leefwereld – en dat wordt deels met dit commentaar bij het Boeddhistisch vraagstuk “Zhaozhou’s Was je bedelnap af” bedoeld. Het vraagstuk luidt:

“Heb jij het ontbijt op?”

“Ja, ik heb het op”

“Dan ga jouw bedelnap afwassen”

In het vraagstuk staat “ontbijt” voor (een persoonlijke ervaring van) Boeddhistische verlichting en “jouw bedelnap afwassen” staat voor het – als bodhisattva – bewerkstelligen van Boeddhistische verlichting voor het Alomvattende Een [5].

feiten en logica 12b[6]

Binnen Indra’s Net is het niet mogelijk om vrede te zien, omdat enerzijds het oog zichzelf niet volledig kan zien en omdat anderzijds binnen Indra’s Net geen vrede en geen oorlog bestaat: Indra’s Net is leeg van deze begrippen.

Zal ik dit tweede commentaar gebruiken als opmaat naar mijn toelichting op Kṛṣṇa”, zegt Narrator.

“Goede verklaring van beide commentaren in woorden; een Zen Meester vraagt om het antwoord direct en meteen binnen Indra’s net te tonen. Ik ben benieuwd naar jouw toelichting op Kṛṣṇa”, zegt Man.

“Ik zal het commentaar iets nauwkeuriger formuleren:

“Shānti [7] (vrede, rust, gemoedsrust, afwezigheid van passie, comfort, zoon van Indra, zoon van Kṛṣṇa kālindi) is van oorsprong de verwezenlijking van Īśvara [8] (of het algemene), maar Īśvara is niet toegestaan ​​om de vrede te zien”.

In de loop van de toelichting zal duidelijk worden waarom dit commentaar zo treffend is voor Kṛṣṇa.

Het ontstaan van Kṛṣṇa is in nevelen gehuld. Volgens de Vedische traditie is Kṛṣṇa ongeveer 5000 jaren geleden na een onbevlekte ontvangenis [9] geboren in Mathura – de toenmalige hoofdstad van het koninkrijk Shurasena (in het huidige Uttar Pradesh) – in Noord India [10].

feiten en logica 12c[11]

In het derde boek van de Mahābhārata[12] – dat ruim 2500 jaar geleden is samengesteld – roept Kṛṣṇa:

“Ik ben Nārāyaņa. Ik ben schepper en vernietiger. Ik ben Vişņu [13]. Ik ben Brahman. Ik ben Indra de meester God.[14]

In onze hedendaagse oren klinkt deze uitroep uitermate overmoedig. Binnen de metafoor van Indra’s Net is het een open deur, omdat iedere manifestatie binnen Indra’s net het volledige net als schepper en vernietiger weerspiegelt en vormt.

Volgens de Mahābhārata weigert Kṛṣṇa partij te kiezen aan het begin van de strijd om het koninkrijk tussen de vijf Pāṇḍavaḥ broers – waaronder Arjuna – en hun vele Kaurava neven; hij is alleen bereid het strijdperk te betreden als wagenmenner en leidsman van Arjuna aan de zijde van Pāṇḍavaḥ broers.

Aan het begin van de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – staat het leger van de vijf Pāṇḍavaḥ broers in slagorde op het strijdveld – met de plaatsnaam Kurukshetra – opgesteld tegenover het leger van hun Kaurava neven. Naast een gevecht om een koninkrijk, staan zij op het strijdveld in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht  (Dharmakshetra [15]) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra [16]). Bij de aanvang van de strijd weigert Arjuna – als aanvoerder van de vijf Pāṇḍavaḥ broers – het startsein voor de aanval te geven; hij ziet tegenover zich in de ander slagorde zoveel familieleden, leraren en dierbaren. Kṛṣṇa – de leidsman en wagenmenner van Arjuna tijdens deze strijd – zet Arjuna aan om zijn plicht binnen de wereldorde te vervullen. Kṛṣṇa slaagt pas hierin nadat hij tijdens de dialoog met Arjuna zijn Goddelijke gedaante heeft aangenomen.

In de Bhagavad Gītā wordt Kṛṣṇa onder meer als Parameshvara [17] of de Hoogste God aangeduid [18]. Enkele uitspraken van Kṛṣṇa tijdens de dialoog met Arjuna zijn:

Alhoewel ik de ongeboren en onveranderlijke bron ben, alhoewel ik de Īśvara van alle schepselen ben, betreedt ik mijn Goddelijke gedaante en word ik van tijd tot tijd een sterfelijk wezen” [19]

“Ik ben gelijk voor alle levende wezens, er is geen wezen en object dat mijn voorkeur of afkeur heeft.”[20]

“Heb uw aandacht en leven gericht op Mij, verlicht elkaar en spreek voortdurend van Mij.” [21]

feiten en logica 12d[22]

Deze laatste uitspraak van Kṛṣṇa was van toepassing op mijn masker als idool in de omgekeerde wereld in Amsterdam [23].

Via deze Goddelijke gedaante is Kṛṣṇa – in dit deel van de Mahābhārata – een hoeder en een leidsman van de wereldorde en plicht, en van het menselijk handelen. Binnen de wereldorde van de Mahābhārata is het Kṛṣṇa niet toegestaan om vrede te zien – ook deze Goddelijke gedaante in de vorm van Kṛṣṇa is gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg.

De uitkomst van de strijd om het koninkrijk is voor alle betrokkenen desastreus. De helden sneuvelen in de strijd; de overlevenden worden verteerd door haat, woede en verdriet; en de vrouwen en kinderen rouwen jammerlijk om het verlies van de gevallenen. Aan het einde van de Mahābhārata zijn allen overleden.

Mag ik vanmiddag op de dood terugkomen?”, zegt Narrator.

“Dat is een goede overgang naar mijn inleiding op de het denkraam van de strijder; oorlogen kennen uiteindelijk alleen verliezers. Ik kom daar later op terug”, zegt Carla.

“Narrator, wat denk jij dat Arjuna en Kṛṣṇa zouden hebben geantwoord op het Boeddhistisch vraagstuk “Was je bedelnap af” van Zhaozhou”, vraagt Man aan Narrator.

“Arjuna zet zijn handen als een strijdhoorn aan zijn mond en loeit; Kṛṣṇa spoort de strijdpaarden aan”, zegt Narrator.

“Zou Zhaozhou deze antwoorden goedkeuren?”, vraagt Man aan Narrator.

“Het antwoord van Arjuna wel, en Zhaozhou geeft Arjuna meteen “De Waarachtige Man” als volgend Boeddhistisch vraagstuk. Volgens het Hindoeïsme heeft Arjuna aan “De Waarachtige Man” – binnen zijn mogelijkheden en beperkingen – invulling gegeven [24]. Het antwoord van Kṛṣṇa wordt door Zhaozhou afgekeurd, waarna Kṛṣṇa in de incarnatie als Bhikṣu meteen het gebaar van reiniging van de bedelnap maakt”, zegt Narrator.

“Tot nu toe heb ik vooral geluisterd tijdens jullie inleidingen op God in een menselijke gedaante. De “Deus ex homine” blijft voor mij trekken houden van een “Deus ex machina”, zegt Carla

“Bijna alle religieuze bewegingen hebben hiermee geworsteld. Zoals wij eerder hebben gezien, is Christus na veel woordenwisselingen en strijd binnen de Katholieke kerk erkend als zoon van God binnen de Drie-eenheid. De leer van de onbevlekte ontvangenis van Maria – de moeder van Christus – door de Heilige Geest heeft veel discussie veroorzaakt. Pas in 1854 n. Chr. werd dit dogma met de pauselijke bul Ineffabilis Deus (De onuitsprekelijke God) afgekondigd door paus Pius IX [25]”, zegt Man.

“Tijdens mijn leven heb ik vele keren afstand gedaan van “Deus ex homine”, omdat in deze gedaante het mij niet was toegestaan om de vrede te zien”, zegt Narrator.

“Later op onze Odyssee tijdens “Incarnatus est” bij “Zeven andere Werkelijkheden” hoop ik meer te weten te komen over het wonder van het leven binnen de leegte en manifestaties van Indra’s Net”, zegt Man.

“Zullen wij ons ontbijt opruimen en de Basilica di Santa Maria Novella gaan bezoeken”, zegt Carla.


[1] Beide zinnen  zijn commentaren van de Zen meester Xuedou op de koan ‘Zhaozhou’s “Wash your bowl’. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 172

[2] Zie ook: Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 110 – 112

[3] In deze menselijke afbeelding van vrede mag betwijfeld worden of de vrede zich ook uitstrekt tot de os en de laurierbladeren. Mural of Peace by Gari Melchers. Library of Congress Thomas Jefferson Building, Washington, D.C. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Peace

[5] Een bodhisattva is een mens die – op het punt staat een persoonlijke ervaring van Boeddhistische verlichting te ervaren – besluit in de wereld te blijven om de verlichting van de gehele wereld te bevorderen; een bodhisattva heeft de gelofte afgelegd om de verlichting tezamen met alles om ons heen op hetzelfde moment binnen te gaan. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bodhisattva

[6] Houtsnede van Zhaozhou. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Zhaozhou_Congshen

[7] Shānti is vergelijkbaar met Sanctus dat in het Nederlands “Deel van de Eucharistieviering voor de consecratie” en “Heiligprijzing” betekent, en in het Latijn “heilig, onschendbaar, onaantastbaar” en “heilig, eerbiedwaardig, verheven, goddelijk, rein en vroom. Bronnen: Woordenboeken Nederlands en Latijn uitgegeven door Wolters – Noordhoff

[8] Īśvara betekent in het Sanskriet onder meer “in staat tot”, “het opperste wezen/ziel”. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[9] Bron: Bhagavata Purana volgens: http://en.wikipedia.org/wiki/Krishna

[12] Zie: Boek 3, 188 (of 189), 5 van de Mahābhārata

[13] Een Hindoeistische oppergod, manifestatie van Brahman, ook wel Nārāyaņa genoemd. Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Vishnoe

[14] Bron: Radhakrishnan, S, Indian Philosophy – Centenary Edition. London: Unwin Hyman Limited, 1989, Vol. One, p. 485 – 486

[15] Dharmakshetra is samengesteld uit Dharma “plaatsen van de voortdurende zelf/Zelf”, en “kshetra” – letterlijk: veld.

[16] Kurukshetra is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat “maken, doen of handelen” betekent, en “kshetra” – letterlijk: veld.

[17] Parameshvara is samengesteld uit para en Īśvara waarin “para” in het Sanskriet “hoogste” betekent.

[18] Bron: Bhagavad Gītā (11.3-4). Een letterlijke vertaling uit het Sanskriet is beschikbaar, zie: Sargeant, Winthrop, The Bhagavad Gȋtâ. Albany: State New York University Press, 1994

[19] Bhagavad Gītā IV.6

[20] Bhagavad Gītā IX.29

[21] Bhagavad Gītā X.9

[23] Zie:  Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 93 – 98

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 9


Carla, Man en Narrator lopen rond het Piazza di Santa Croce.

“Ik kom terug op de synthese tussen de wereld van de Upanishads en de Mahābhārata waar Narrator ons op heeft gewezen. Hebben jullie het verschil tussen het “Aldus”-aspect en het “Samenloop der dingen”-aspect begrepen?”, vraagt Man aan Carla en Narrator.

“Ik heb jouw uitleg over het verschil begrepen, maar ik vraag mij af of er in de werkelijkheid een verschil is tussen “Aldus” en “Samenloop der dingen”. Het lijkt mij dat de “Samenloop der dingen” een andere kijk is op “Aldus”, of zie ik iets over het hoofd”, zegt Carla.

“Carla zou wel een gelijk kunnen hebben”, zegt Narrator.

“Carla heeft gelijk. In mijn uitleg heb ik het verschil tussen beide aspecten benadrukt om “Aldus” op twee verschillende manieren te bezien. In de inleiding tot de “Ontwaking van Geloof” wordt in eerste instantie het “Aldus”-aspect aangeduid met “Aldus in essentie (in leegte en vorm)”, en “Saṃsāra – of Samenloop der dingen” wordt beschreven als “Aldus in verschijningsvormen en kenmerken”. Daarna wordt in de inleiding de begrippen “Aldus”-aspect en “Samenloop der dingen”-aspect gebruikt om beide verschijningsvormen van “Aldus” helder te duiden. Na het lezen van deze inleiding weet ik beter wat bedoeld wordt met “evam” als eerste woord – en tevens als samenvatting – van alle Boeddhistische Sutra’s; “evam” omvat alles, niets is uitgesloten”, zegt Man.

“Ook bij “evam” heb ik mijn gebruikelijke vraag over de definitie van dit grondbeginsel. Wanneer “evam” eindig is, dan is op “evam” de tweede onvolledigheidsstelling van Gödel van toepassing [1]. Maar in het geval “evam” oneindig en alomvattend is, dan zou er buiten “evam” niets kunnen bestaan om “evam” te bewijzen of ter discussie te stellen; in het geval van oneindigheid en alomvattendheid is “evam” per definitie volledig, want buiten “evam” bestaat niets. Ik laat deze vraag voorlopig rusten; volgens mij ligt het antwoord in het onbereikbare”, zegt Carla.

“Het is een inleiding tot de “Ontwaking van geloof” en het is geen inleiding tot de “Ontwaking van wetenschap”. De vraag naar “evam” is een religieuze vraag; een vraag naar de oorsprong waar mensen op terug kunnen vallen wanneer zij het niet meer (kunnen) weten. Ik denk dat Carla gelijk heeft; het antwoord ligt waarschijnlijk in het onbereikbare”, zegt Narrator.

“Als stapsteen naar “God in search of Man” – ik noem de Engelse titel omdat daarin mijn voornaam voorkomt – gebruik ik het boek “Ich und Du” uit 1923 van de godsdienstfilosoof Martin Buber [2] (buitengewoon hoogleraar in Frankfurt am Main) die in 1938 aan het andere regime in Duitsland is ontkomen door naar Jeruzalem te vluchten. “In den beginne is de relatie [3]” volgens Martin Buber. De mens kan alleen “ik” zeggen dankzij “jij” (of “het”), zijn verhouding met anderen (en dingen) is dialogisch. “Ik” en “jij” zijn geen afzonderlijke objecten of dingen; er bestaat geen afzonderlijk “ik” of “jij”, er bestaat alleen een wederkerige relatie tot elkaar. Door dit religieus te duiden – “In ieder Jij spreken wij het oneindige alomvattende [4] aan” – wordt de verhouding tot God dialogisch: in de alomvattendheid kunnen wij God niet beschrijven, maar alleen aanspreken; ons leven is een existentiële dialoog met een oneindige alomvattende “Jij”. Wetenschap verenigd met religie biedt volgens Martin Buber geen leer, maar levenswijsheid.

feiten en logica 91[5]

Een voorbeeld van deze levenswijsheid gegrondvest in wetenschap en religie las ik op de achterzijde van de Nederlandse uitgave van “God in search of Man” waar de woorden van Baäl Sjem als leidraad staan vermeld:

Als een mens kwaad heeft gezien, laat hij daar niet moeilijk over doen.

Laat hij zich bewust zijn van zijn eigen kwaad en daaraan gaan werken.

Want wat hij gezien heeft, is ook binnenin hem.

Binnen de kaders van de “Ontwaking van Geloof” zijn de woorden van Baäl Sjem glashelder; al het goed en kwaad is net als Jij en ik opgenomen in “evam” of “Aldus”. Al het goed en kwaad is binnenin ons. Zou Martin Buber goed en kwaad zien als manifestaties van “Ich und Du”, als dialogische verhouding tussen ik en God, of zou hij goed en kwaad onderbrengen in zijn tweede dialogische verhouding “Ich und Es” ? Ik weet het niet; ik laat deze vraag voorlopig rusten totdat ik in mijn inleiding ben aangekomen bij God in de gedaante van een mens.

Bij het lezen van de eerste hoofdstukken van “God in search of Man” – in het Sanskriet betekent “Man” onder meer “denken/beschouwen/waarnemen” – werd ik getroffen door de overeenkomsten in structuur met de “Ontwaking van Geloof”. Abraham Joshua Heschel kiest voor volgende drie wegen bij deze zoektocht van God:

  • God – dit is bij Abraham Joshua Heschel het onuitsprekelijke alomvattende EEN uit de “Ontwaking van Geloof”.
  • Openbaring (ontsluiering of onthulling)
  • Weerklank (respons)

De laatste twee wegen van de zoektocht van God tonen overeenkomsten met “evam” waarbij de “Openbaring” lijkt op “Aldus in essentie (in leegte en vorm)” gedurende de overgang naar “Aldus in verschijningsvormen en kenmerken” dat weer gelijkenis vertoont met “Weerklank”. Is deze gelijkenis toeval of is deze gelijkenis fundamenteel voor de “Ontwaking van geloof” van de mens?”, zegt Man.

“Er is denk ik een fundamenteel verschil tussen jouw inleiding tot de “Ontwaking van geloof” enerzijds en de wederkerige relatie tussen ik en Jij van Martin Buber en de zoektocht van God naar de mens anderzijds. In het Hua-yen Boeddhisme is er in beginsel geen ander, want alle verschijningsvormen en illusies komen voort uit en zijn verweven met “Een”. Martin Buber en Abraham Joshua Heschel zoeken en/of ervaren een dialoog met een eeuwigdurende alomvattende Ander: er bestaat een zekere bepaalde scheiding tot de Ander. Dit komt neer op een kernvraag op onze zoektocht: ”Zijn jij en ik verbonden of zijn wij gescheiden”. Ik weet het antwoord niet, maar het lijkt mij goed om deze vraag verder uit te diepen”, zegt Carla.

“Misschien zijn beide manieren van zien wel twee manifestaties van een en hetzelfde binnen Indra’s Net. Zullen wij eerst De Basilica di Santa Croce van binnen gaan bezien. Binnen is het kruisbeeld dat tijdens de overstroming in 1996 ernstig werd beschadigd. Dit zou een overgang kunnen bieden naar God in de gedaante van een mens in onze wereld”, zegt Narrator.

feiten en logica 92[6]


[1] Zie voor een vereenvoudigde uitleg van het bewijs van deze tweede onvolledigheidsstelling: Nārāyana, Narrator, Carla Drift – Een Buitenbeentje, Een Biografie. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 154

[3] Bron: Buber, Martin, Ik en Jij. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 24; zie ook de openingszin in het Evangelie van Johannes.

[4] Bron: Buber, Martin, Ik en Jij. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 110, 111