Tagarchief: Mahâyâna Boeddhisme

Vorm is leegte en leegte is vorm


Rond half een in de middag begint de mist langzaam weg te trekken. Carla maakt Narrator wakker en zegt dat Man en zij dadelijk de lunch gaan klaarmaken. Man stelt voor om een warme lunch te bereiden, zodat ’s-avonds in het donker bij het volgende aanlegpunt een eenvoudige maaltijd kan volstaan.

Wanneer Narrator zich heeft opgefrist, is het warme middagmaal klaar.

“Een eenvoudig maar voedzaam maal. Ik hoop dat het mag smaken”, zegt Man.

“Eet smakelijk”, zeggen Carla en Narrator.

“Ik denk dat wij bij het opkomen van het hoogtij voldoende zicht hebben om te kunnen wegvaren”, zegt Man.

“Dat zou mooi zijn, want dan kan ik tegen het einde van de middag nog een dutje doen bij het schommelen van de boot”, zegt Narrator.

“Nu wij het hebben over het schommelen van de boot; enkele minuten geleden zag ik enkele eenden voorbij drijven op de plas water naast de boot. Bij het zien van het golvenspel door het trappelen van hun poten in het kielzog van deze eenden, dacht ik aan ons gesprek vanmorgen over ons leven als een droom gesuperponeerd binnen het “heel-zijn”. Het golvenspel – een metafoor voor ons leven als een droom, want het golvenspel in het wateroppervlak is een superpositie binnen het wateroppervlak – binnen het water is een metafoor voor het heel-zijn”, zegt Carla.

Drijvende eenden[1]

“Een mooi voorbeeld van het samengaan van heel-zijn met de wervelende verschijningsvormen van alledag”, zegt Man.

“Nu wij het er toch over hebben, zou jij mij nog wat water willen bijschenken?”, vraagt Narrator aan Man.

“Alsjeblieft”, zegt Man.

“Volgens mij zijn wij nu aangekomen bij de kern van het tweede deel van onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Heel-zijn en “jij” in de verschijningsvorm van alledag vallen samen binnen het onuitsprekelijke alomvattende “heel-zijn”, waarbij wij – de ander en ik in onze alledaagse verschijningsvormen – als een droom zijn gesuperponeerd in het “heel-zijn”.
Hierbij moet ik denken aan een radio signaal – gesuperponeerd op een draaggolf – dat als één signaal wordt verzonden door de ruimte. Zonder draaggolf geen overdracht van een radiosignaal, zonder ruimte geen overdracht van het signaal: zij zijn wederkerig met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk in de ruimte.

Superpositie[2]

Ik kom weer terug op de vraag: “Eén – wat is dat?” aan de wijze vrouw in het Boeddhistische vraagstuk waarop zij niet in staat was te antwoorden. Zoals een golf als verschijningsvorm en de oceaan als “heel-zijn” onlosmakelijk op elkaar zijn gesuperponeerd, is het niet weten van deze wijze vrouw ook gesuperponeerd op “heel-zijn” of is volledig opgenomen in het “heel-zijn”?, vraagt Carla aan Narrator.

“Beiden:

Nacht kust de sterren
En laat de golven wiegen,
Binnen het heelal.
De droom der dromen geheel
Antwoord op: “Eén – wat is Dat”

En:

Antwoord in stilte
Op de vraag: “Eén – wat is Dat”;
Heel-zijn in alles

En beiden tezamen in een haiku:

In Eén ademtocht
Vorm – leegte, en leegte – vorm
Verenigd in Al

Hiermee zijn wij volgens een commentator [3] bij de kern van de Hart Sūtra gekomen en deze kern van de Sūtra luidt:

“Hier, vorm is leegte en leegte is vorm.
Leegte is niet anders dan vorm; vorm is niet anders dan leegte”.

Of in het Sanskriet:

iha rūpaṃ śūnyata śūnyataiva rūpam
rūpānna pṛthak śūnyatā śūnyatāyā na pṛthagrūpaṃ

waarin we een aantal keren voor “leegte” het woord “śūnyata”[4] tegenkomen. De andere kernwoorden zijn:

  • iha wordt meestal vertaald met “hier, in deze wereld, op deze plaats”. Dit bijwoord is samengesteld uit “i” dat “compassie” betekent en “ha” dat onder meer “meditatie, kennis, de maan, doden, wegnemen, verlaten en als laatste letter van het alfabet ook wel laatste ademtocht of doden” betekent. Het woord “iha” heeft hiermee tegelijkertijd de betekenissen van “met compassie wegnemen van illusies” en “meditatie en/of verlichting in deze wereld”.
  • rūpaṃ – de accusativus van het woord “rūpa” – dat meestal vertaald wordt met “vorm” en daarbij ook de betekenissen heeft van: “droomachtige verschijning, innerlijke natuur, imago, sierlijke vorm en symptoom”. Het woord “rūpa” is afkomstig van de werkwoordkern √rūp dat “vormen, uidrukken” en daarbij ook “verschijnen” en “zichzelf tonen” betekent. Mijn vader zei dat “zichzelf tonen” het verwezenlijken van het Alomvattende Eén of het “heel-zijn” is.
  • “na pṛthak” dat meestal wordt vertaald met “niet zonder” of “niet gescheiden van”. [5]

Volgens de kern van de Hart Sūtra is niet alleen de verschijningsvormen van alledag en van ons leven van alledag, maar ook “de verwezenlijking van het Alomvattende Eén en daarmee het “heel-zijn” leeg”, zegt Narrator.

“In de Hart Sūtra wordt een aantal keren uitleg gegeven aan Shāriputra, bijvoorbeeld: “Dus Shāriputra, alle Dharma’s zijn leeg zonder eigenschappen, niet ontstaan, niet verdwenen, noch smetteloos, noch vervuilt, noch volledig en ongevuld”. Wat is de betekenis van de naam Shāriputra?”, vraagt Carla aan Narrator.

“De naam Shāriputra is samengesteld uit “Shār” dat in het Sanskriet “wind, pijl en verwonden” betekent en “putra” dat “kind” betekent [6]. Hiermee wordt met de naam Shāriputra verwezen naar “kind van de wind” – vluchtig en altijd alom aanwezig – en daarbij “kind bestemd om de illusies weg te nemen (pijlsnel in een zucht)”. Door deze bestemming staat Shāriputra in een aantal Mahāyāna teksten met een been in het “heel-zijn” en met het andere been in “de alledaagse wereld van fenomenen”; door deze dubbelrol is Shāriputra een ideaal persoon om te handelen in het “Alomvattende Eén” en binnen “de waan van alledag” als onderdeel van “heel-zijn”. Shāriputra [7] is een van de belangrijkste leerlingen van Shakyamuni Boeddha. Volgens Boeddhisten is Shakyamuni Boeddha de historische persoon Siddhārta Gautama na zijn volkomen verlichting”, zegt Narrator.

“Jouw uitleg over de kern van de Hart Sūtra doet mij denken aan de naam JHWH voor God in de Tanach [8] – en in het Oude Testament van het Christendom – die “Eeuwig” of “Altijd” betekent en ook kan ook worden opgevat als de Hebreeuwse werkwoordvorm “הוא” of “is” van het werkwoord “zijn”. Meestal wordt “הוא” vertaald met “Hij die is”, maar oorspronkelijk is betekenis alleen “is” zonder verdere duiding. Veel religies vallen bij het duiden van hun kern terug op het “onnoembare zijn”: bijvoorbeeld in Hebreeën 7:3 met “Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende” voor de Messias. Maar meteen na het duiden van het “onnoembare zijn” gaan de religies over tot het duiden van dit “onnoembare zijn” binnen de waan van alledag om daarna de plaats van de volgelingen veilig te stellen binnen het “heel- zijn” en in relatie tot het “onnoembare zijn”, zegt Man.

“Zo ook de Hart Sūtra. Na de kern: “Vorm is leegte en leegte is vorm. Leegte is niet anders dan vorm; vorm is niet anders dan leegte” begint de Hart Sūtra langzaam weer te draaien als een cycloon, want hierna wordt nogmaals gesteld dat naast vorm ook de vier overige skanda’s leeg zijn: “Op de zelfde manier zijn gevoel, perceptie, gedachten en bewustzijn leeg”. Hierna meldt de Sūtra dat alle vormen van zelf/Zelf leeg zijn zonder inhoud:

“Dus [9] alle Dharma’s [10] zijn leeg zonder eigenschappen, niet ontstaan, niet verdwenen, noch smetteloos, noch vervuilt, noch volledig en ongevuld”.

Ik kan dit alleen lezen als: alle Dharma’s zijn – via “leegte is vorm” – volkomen opgenomen in het Alomvattende Eén of in het onnoembare en ondeelbare “heel-zijn” van Martin Heidegger”.
En de Sūtra gaat verder met een groot aantal negaties:

“Daarom is er in leegte geen vorm, geen gevoel, geen perceptie, geen geheugen, geen bewustzijn, noch oog, noch oor, noch neus, noch tong, noch lichaam, noch geest, noch gedaante, noch geluid, noch reuk, noch smaak, noch gevoel, noch sporen van perceptie van oog naar conceptueel bewustzijn, noch oorzakelijk verband van onwetendheid naar ouderdom en dood, en geen einde van oorzakelijk verband van onwetendheid naar ouderdom en dood, noch lijden, noch leniging, geen weg, geen kennis, geen verworvenheid en geen niet-verworvenheid.”

Met deze negaties begint de Sūtra na “Vorm – leegte en leegte – vorm” langzaam weer volkomen vorm (en leegte) te krijgen – als een foto in een ontwikkelbad – binnen het Alomvattende Eén.

Ontwikkelbad[11]

Ah, eindelijk de zon, nog even en de mist gaat verdwijnen. Met wat geluk kunnen wij dadelijk weer om ons heen kijken. Wanneer wilde jij wegvaren?”, vraagt Narrator aan Man.

“Ik stel voor om met hoog water zo rond drie uur het anker te lichten en weer de terugtocht naar Lauwersoog te beginnen. Door de mist hebben wij vanmorgen het laatste stuk van onze tocht naar Vlieland niet kunnen afleggen. Wanneer wij vanmiddag dit deel zouden varen, dan lopen wij – volgens de weersverwachting – kans om over twee dagen in slecht weer terecht te komen: het lijkt mij beter om dit te vermijden. Nu kunnen wij voor de weersverandering in de jachthaven aankomen. Ik kan de boot dan op tijd klaar hebben voor de overdracht aan mijn vriend”, zegt Man.

“Ik heb zoveel gesproken dat ik te weinig heb gegeten. Kun jij mij het brood en de kaas aangeven?”, vraagt Narrator aan Carla.

“Alsjeblieft. Zijn brood en kaas ook leegte volgens de Hart Sūtra? Ik denk dat ik het antwoord weet, maar wat vind jij?”, vraagt Carla.

“Zij zijn geen permanente – op zichzelf staande – verschijningsvormen: zij zijn ontstaan door het bakken van het brood en door het rijpen van de kaas en zij zullen tijdens de spijsvertering in een andere vorm overgaan. Ook wanneer zij niet worden gegeten, bederven zij binnen korte tijd. Ook het algemeen aanvaarde idee van “brood” en “kaas” zijn geen permanente op zichzelf staande verschijningsvormen: zij krijgen betekenis en waarde binnen een mensensamenleving, zij zijn een keer in de loop der geschiedenis ontstaan, zij veranderen en zullen ook een keer weer verdwijnen. Op deze manier zijn brood en kaas tegelijkertijd vorm èn leegte binnen ons mensenleven. Daarnaast geven zij vorm èn leegte aan ons leven binnen ons “heel-zijn”.
Herakleitos heeft volgens overleveringen gezegd:

“πάντα χωρεῖ καὶ οὐδὲν μένει” καὶ “δὶς ἐς τὸν αὐτὸν ποταμὸν οὐκ ἂν ἐμβαίης” [12]

of zeer vrij vertaald:

“Alles stroomt en niets is bestendig, en wij kunnen niet twee keer in hetzelfde tij verblijven”.

Net als onze boottocht hier op het wad: alles verandert voortdurend van vorm, en geen vorm is bestendig. De mist die ons zonet nog volledig omhulde, is verdwenen. Dit doet mij denken aan een kort gedicht aan het einde van een Boeddhistisch vraagstuk: ik heb hiervan een haiku gemaakt:

Zon schijnt aan de hemel
na verdwijnen van de mist
helder als altijd

Hoewel wij “verandering” pas op het volgende deel van onze zoektocht zullen beschouwen, stel ik nu toch de vraag: Is de voortdurende verandering binnen het “heel-zijn” ook leeg?

Deze vraag is belangrijk omdat de Mahābhārata aan de ene kant stelt dat alles – zelfs de goden – en misschien ook het “heel-zijn” is gebonden aan dharma [13], maar volgens de Hart Sūtra zijn ook de dharma’s leeg en tegelijkertijd opgenomen in het “heel-zijn”. Is het “heel-zijn” ook leeg?”, vraagt Man aan Carla en Narrator.

“Vanuit “feiten en logica” is er geen antwoord mogelijk volgens de twee onvolledigheidsstellingen [14] van Kurt Gödel [15]. Kort samengevat – en gericht op de vraag “Is heel-zijn ook leeg” – luiden deze twee stellingen:

  • Als een systeem – “heel-zijn” of onkenbaar groot – consistent (of leeg) is, dan kan het systeem niet volledig zijn en
  • De consistentie van de axioma’s zoals “Is “heel-zijn” ook leeg” kan niet vanuit het eigen systeem – “heel-zijn” of oneindigheid – worden bewezen.

Ik kom tot deze conclusie doordat “heel-zijn” zo onkenbaar groot is, dat er altijd nog wel iets bij kan. Ik denk dat “heel-zijn” oneindig groot is, omdat wiskunde het begrip “oneindigheid” zeer eenvoudig toestaat, maar ik kan niet aantonen dat “heel-zijn” oneindig is, omdat het door ondeelbaarheid per definitie onkenbaar en onvergelijkbaar is in omvang.

Vanuit de metafysica denk ik dat “heel-zijn” per definitie geen onderscheid kent en dus ondeelbaar is; hierdoor is “heel-zijn” leeg van ieder onderscheid en begrip, want er is niets om te begrijpen of vast te pakken. Met deze definitie heb ik – zoals met alle uitgangspunten – moeite, want deze definitie is – zoals elke eerste aanname – discutabel.

Daarnaast zijn er natuurlijk de verschillende verschijningsvormen die gesuperponeerd binnen “heel-zijn” – als foto’s uit een ontwikkelbad – als tijdelijke verschijningsvormen ontstaan. Deze fenomenen zijn even reëel als wanneer ik jou in jouw arm knijp en even vluchtig, leeg en reëel – als vorm is leegte en leegte is vorm – binnen de metafoor van Indra’s Net”, zegt Carla

“De lunch heeft mij goed gesmaakt; zullen wij nog koffie drinken?”, zegt Narrator.

“Ik maak wel even koffie”, zegt Man.

“Jouw haiku is gebaseerd op het gedicht bij het Boeddhistisch vraagstuk “Was je bord af”. Kort samengevat en aangepast naar onze tijd luidt dit vraagstuk:

“Een student komt een klooster binnen en vraagt aan de leraar om instructie. De leraar vraagt: “Heb jij jouw lunch gehad?” De leerling antwoordt: “Ja, de lunch was goed”. “Dan”, zegt de leraar: “Was jouw bord en bestek af”.

En gedicht gaat als volgt:

Juist omdat het zo duidelijk is
Duurt het langer om te realiseren.
Als je meteen erkent dat kaarslicht vuur is,
Is de lunch al lang bereid. [16]

Of anders gezegd: “Een vis ontdekt als laatste water. Zo duurt het lang om “heel-zijn” te realiseren omdat het alomtegenwoordig is. Wanneer je erkent dat alle verschijningsvormen volkomen zijn opgenomen in het Alomvattende Eén, dan is deze lunch al lang bereid.”

Het gedicht geeft meteen – of direct en op dit moment – antwoord op de vraag waar wij het “heel-zijn” kunnen vinden: “Hier – “iha” in het Sanskriet – op de plaats waar wij zitten” en “Hier– “iha” in het Sanskriet – in de schoenen waarin wij staan”. Omdat het zo voor de hand ligt, gaan wij er steeds aan voorbij.

De non-dualistische Vedānte [17] – onder meer gebaseerd op de Upanishads en de Bagavad Gītā, verwijst regelmatig naar het Alomvattende Eén, waarna meteen een onderscheid volgt, bijvoorbeeld binnen het kastenstelsel in India, tussen leraar en leerling, tussen hogere wezens en mensen [18].

Dit zelfde onderscheid binnen het “heel-zijn” zien wij meteen ontstaan in de Tanach en het Oude Testament waar God – JHWH (of “is”) – en de mens na enkele woorden al van elkaar zijn gescheiden om daarmee onze verschijningsvormen binnen het alledaagse leven te betreden.
Recent las ik op een achterflap van “Deze wereld anders” van Ton Veerkamp:

“Het Christendom richtte zich op de hemel – de hemel van de volksreligies – en het hiernamaals. Het leven van alledag en het “hier en nu” werd bijzaak en daarmee heeft het Christendom zich vaak buitensporig aangepast aan een wereld van macht en onderdrukking.”

De wereld anders[19]

Volgens mij heeft iedere religie dit in meer of mindere mate gedaan: niets menselijks is religies vreemd.

De Hart Sūtra vervolgt na de kern van het “heel-zijn” – en na een groot aantal negaties van alledaagse werkelijkheden die leeg zijn van inhoud en vorm – met het betreden van de levensweg van de bodhisattva.

“Daartoe zonder verworvenheid, ondervinden de bodhisattva’s [20] – via de perfecte wijsheid (prajñāpāramitā) – geen hindernissen op hun levensweg. Zonder hindernissen en dus zonder vrees overkomen zij hun illusies (binnen het leven van alledag èn binnen het “heel-zijn”) en nirvana [21]. Dank zij de perfect wijsheid (prajñāpāramitā) bereiken alle Boeddha’s uit het verleden, het heden en de toekomst het “Alomvattende Eén”.”

Het Alomvattende Eén is “Hier (“iha” in het Sanskriet) op de plaats waar wij zitten” en “Hier in de schoenen waarin wij staan”.

Op deze wijze heeft de Hart Sūtra – weliswaar in woorden die onderscheiden en afstand scheppen – geprobeerd de levensweg (of Tao) binnen het non-dualistische Alomvattende Eén te verwoorden.

Tijd om mijn bord en bestek af te wassen”, zegt Narrator.

“Met het bord en bestek wordt binnen onze leefwereld ook het Alomvattende Eén” gereinigd. Dit is volkomen duidelijk binnen de metafoor van “Indra’s Net”.

In het alledaagse leven ervaar ik een begrenzing op de reikwijdte van deze afwas, omdat de informatieoverdracht – het licht binnen de metafoor van Indra’s Net – de nodige begrenzingen kent en omdat onze manier van waarneming invloed heeft op onze wijze van zien.
Benaderd vanuit de wereld van fenomenen en bezien vanuit de alledaagse afzonderlijk voorwerpen is het volkomen onmogelijk om alleen het bord en bestek af te wassen zonder enige invloed te hebben op de omgeving, want er is altijd een afwasser, zeepsop en water nodig om af te wassen en het water heeft een aanvangstemperatuur door de zon voordat het verhit wordt tot afwaswater enz. enz.

In mijn leven ervaar ik beide manieren om naar de wereld te kijken als volkomen reëel en praktisch, maar ik kan beiden niet volledig met elkaar laten samenvallen in een alomvattend systeem: de metafoor van superpositie van de wereld van de fenomenen binnen het “heel-zijn” helpt wel, maar is voor mij niet volledig bevredigend”, zegt Carla.

“De Hart Sūtra is een geschrift voortgekomen uit het Mahāyāna Boeddhisme. Deze vorm van Boeddhisme wordt ook wel de “middenweg” genoemd, omdat binnen deze religie geprobeerd wordt om de leefwereld van het “heel-zijn” en het leven van alledag met elkaar te verenigen. Deze “middenweg” krijgt vorm door het bodhisattva ideaal. Een bodhisattva – die met beide benen in de werelden van “heel-zijn” tezamen met het “leven van alledag” staat – zal het Alomvattende Eén pas betreden samen en tegelijkertijd met alles en iedereen. Binnen dit ideaal betreedt een bodhisattva hier en nu voortdurend het “heel-zijn” en de “waan van alledag” om alles en iedereen te verlossen van het levenslijden”, zegt Narrator terwijl hij zijn bord en bestek afwast.

[1] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Superpositie_%28natuurkunde%29
[2] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Amplitude_modulation
[3] Zie: Lopez, Donald S. – The Heart Sutra explained Delhi: Sri Satguru Publications, 1990 p. 57
[4] Zie voor een belichting van “śūnyata” het bericht: “Leegte: naar het einde van de nacht”
[5] Bron: electronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[6] Bron: electronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[7] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Sariputta
[8] Bron: Tanach Heerenveen: Uitgeverij NBG, 2007, p. 113
[9] De Hart Sūtra gebruikt hier het woord “evaṃ”. Zie voor een uitleg de voetnoot 14 bij het hoofdstuk “Mist”
[10] Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”.
[11] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Darkroom
[12] Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Heraclitus
[13] Zie voor een uitleg van Dharma: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 34 e.v.
[14] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Kurt_G%C3%B6del
[15] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 62 – 64
[16] Zie ook: Shibayama, Zenkei, The Gateless Barrier, Zen Comments on the Mumonkan. Boston: Shambhala, 2000, p. 67 – 71 en Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990, 40 – 43
[17] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Vedanta
[18] Zie: Venkataramanan, S. Select Works of Sri Sankaracharya. New Delhi: Cosmo Publications, 2003
[19] Zie: Veerkamp, Ton. Deze wereld anders – Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal. Vught: Uitgeverij Skandalon, 2014
[20] Het woord bodhisattva bestaat uit de twee woorden “bodhi” en “sattva” die in het Sanskriet resp. “perfecte kennis, wijsheid” en “zijn, bewustzijn, levend wezen” betekenen. De school van het Mahāyāna Boeddhisme kent het bodhisattva ideaal. Volgens dit ideaal zal een mens die op het punt van verlichting staat – bodhisattva genoemd –, hiervan afzien tot het moment dat het gehele universum en ieder stofje – of het Alomvattende Eén – ook in staat is de verlichting te betreden. In de tussentijd doet de bodhisattva er alles aan om alles en iedereen voor te bereiden op de verlichting.
[21] Letterlijk: “afwezigheid van bos (of belemmeringen)” of “op de open vlakte”

Advertenties

Mist


Aan het begin van de nacht houdt Narrator de wacht bij een heldere sterrenhemel terwijl Carla en Man slapen. Halverwege de nacht komt de zeemist op die steeds dikker wordt, zodat het zicht aan het begin van de morgen minder dan 20 meter is.

Rond 7 uur maakt Narrator – zoals afgesproken – Man en Carla wakker. Na een korte blik naar buiten zegt Man tegen Narrator dat er de komende uren met zicht van minder dan 200 meter niet gevaren kan worden; hij stelt voor om de wacht over te nemen, maar Narrator wil liever overdag tijdens het zeilen slapen, want dan wiegt de boot zo prettig. Man vraagt om hem uiterlijk om 9 uur te wekken of eerder wanneer de mist wegtrekt. Carla en Man slapen weer verder.

Rond 9 uur gaat Narrator voor het ontbijt eieren met kaas bakken. Carla en Man sluimeren nog, maar de geur van gebakken eieren maakt hen wakker. Zij staan op, wassen zich met koud water en trekken snel warme kleren aan. Het zicht is nog steeds slecht.

“Het wordt weer laag water. Het heeft het geen zin om deze ochtend weg te varen, want wij hebben niet genoeg tijd om bij een volgende goede aanlegplaats te komen. Wij mogen tot het opkomen van het volgende hoog water van dit uitzicht genieten. Wanneer de zon straks doorbreekt kan het heel behaaglijk zijn. Lekker dat jij het ontbijt al hebt klaargemaakt”, zegt Man.

“Lekker: gebakken eieren en koffie om mee wakker te worden. Na onze discussie gisteravond over het “heel-zijn” dat volgens Martin Heidegger per definitie leeg of “het niets” is, heb ik vannacht gedroomd over de wijze vrouw in het Boeddhistische vraagstuk vorige week aan het einde van “Intensiteiten en associaties” [1]; zij was niet in staat de vraag: “Een – wat is dat?” [2] te beantwoorden. Tot vannacht dacht ik dat deze wijze vrouw met stomheid was geslagen omdat de wijze met deze vraag haar onkunde en onbegrip over “Een – wat is dat?” had blootgelegd.
In mijn droom wist ik dat de wijze man en de wijze vrouw volkomen waren opgenomen in het “heel-zijn”; zij waren één – vraag en antwoord was één, spreken en zwijgen was één en begrip en onbegrip was versmolten tot één – en daarmee was een antwoord onuitspreekbaar: het was niet nodig en niet mogelijk. Ineens had ik een groot ontzag voor het onvermogen van de wijze vrouw om te antwoorden. Nu bij daglicht in deze mist begint mijn inzicht in dit antwoord langzaam te vervagen, net alsof de oog van de cycloon verschuift en de wervelingen van de storm van het leven van alledag de eenheid van het “heel-zijn” wegvaagt”, zegt Carla.

“Man zou jij mij nog wat koffie willen bijschenken? Dank je. Tot voor kort heb ik een Boeddhistisch vraagstuk bestudeerd over “heel-zijn” en verscheidenheid met de titel “Een vrouw komt uit meditatie” [3]. Heel beknopt gaat dit vraagstuk als volgt.
Eens lang geleden was “heel-zijn” – of Alomvattend Eén – aanwezig op een plaats waar veel Boeddha’s [4] zich hadden verzameld. Toen Mañjuśrī – leermeester van de zeven Boeddha’s, en uitmuntend een bodhisattva [5]; zijn naam is afkomstig van de werkwoordkernen √mañj dat “reinigen of helder zijn” betekent en √śrī dat “mengen, verenigen, koken” betekent waardoor zijn naam verwijst naar volkomen verlichting in ons aardse bestaan – aankwam, verdwenen de Boeddha’s naar hun oorspronkelijk verblijfplaatsen. Alleen een jonge vrouw – in diepe meditatie – bleef achter bij Shakyamuni [6] Boeddha’s zetel. Mañjuśrī vroeg aan Boeddha: “Waarom kan een jonge vrouw nabij de zetel van Boeddha zijn en ik niet?”. Boeddha antwoordde: “Haal haar uit meditatie en vraag het haarzelf”. Wat Mañjuśrī ook probeerde hij was niet in staat haar uit meditatie te halen. Het Alomvattende Eén zei tegen Mañjuśrī: “Ontelbaar vele Mañjuśrī’s zijn nog niet in staat haar uit meditatie te halen. Ver weg voorbij meer landen dan er zandkorrels zijn in de wereldzeeën, leeft een leerling bodhisattva die in staat zal zijn haar uit deze meditatie te laten ontwaken”. Onmiddellijk verscheen deze leerling bodhisattva en na een knip van zijn vingers kwam de jonge vrouw uit haar meditatie.

Meditatie[7]

Dit Boeddhistisch vraagstuk kent een aantal sub-vraagstukken:

  • Hoe kan Mañjuśrī – een bodhisattva – de leermeester zijn van Boeddha’s?
  • Wat is de oorspronkelijk verblijfplaats van de Boeddha’s en waarom keren zij naar deze oorspronkelijk verblijfplaats terug op het moment dat Mañjuśrī aankomt?
  • Waarom kan een jonge vrouw in de nabijheid van Shakyamuni Boeddha’s zetel zijn en Mañjuśrī niet?
  • Waarom kan Mañjuśrī – een uitmuntend bodhisattva – deze jonge vrouw niet uit meditatie halen, terwijl een beginnend bodhisattva dit met een vingerknip gedaan krijgt?

Een Zen meester [8] geeft een toelichting op de vraag hoe Mañjuśrī als bodhisattva de leermeester van Boeddha’s kan zijn. Dit is mogelijk omdat Mañjuśrī symbool staat voor prajñā of de wijsheid van het “heel-zijn” – ook wel de complete leegte of de volledige gelijkheid genoemd waaruit alles wordt geboren en waarnaar alles terugkeert – die de alledaagse en metafysische wereld overstijgt. Dit “heel-zijn” is niets anders dan wordt gerealiseerd in de verlichting van alle Boeddha’s. Hierdoor wordt Mañjuśrī de leermeester van de Boeddha’s genoemd: in de leefwereld van Mañjuśrī is er geen subject en object, geen opstaan en geen gaan zitten, geen opgaan in meditatie en geen uit meditatie komen. De leerling bodhisattva staat symbool voor het wereldse onderscheid: in zijn wereld kunnen wij vrijelijk opstaan en gaan zitten, opgaan in meditatie en uit meditatie komen.
Deze Zen meester vervolgt zijn toelichting:
Alles in de wereld heeft twee aspecten van “heel-zijn”: een essentieel aspect uit het “heel-zijn” en een fenomenaal aspect. Op grond van het essentiële aspect is alles leeg: het heeft geen vorm, geen kleur, geen afmetingen, geen oppervlak. Hiermee is alles gelijk. Op grond van het fenomenale aspect heeft alles een vorm, een kleur, een afmeting en een oppervlak. Hiermee is alles uniek en compleet verschillend. Wij menselijke wezens hebben beide aspecten: een essentiële verschijningsvorm en een fenomenale verschijningsvorm. Onze volkomen gelijkheid en onze volkomen verschillen zijn twee aspecten van één “zijn”. Intrinsiek zijn beide aspecten één en hetzelfde van ons “heel-zijn”. Hierdoor kunnen wij zeggen dat alles een vorm heeft en tegelijkertijd geen vorm heeft, en op dezelfde manier zetten wij geen stap wanneer wij lopen en midden in de hectiek van een stad zijn wij de kern van een diepe stilte. Het volledige begrip van dit Boeddhistisch vraagstuk komt voort uit een volledig begrip van het samengaan van de essentiële – of lege – verschijningsvorm met alle fenomenale verschijningsvormen binnen het “Alomvattende Eén”.

Deze Zen meester geeft als toelichting op de vraag waarom de beginnende bodhisattva de jonge vrouw kan laten ontwaken uit haar meditatie terwijl Mañjuśrī hiertoe niet instaat is:
Mañjuśrī en de beginnende bodhisattva hebben beiden vrijheid tot handelen binnen hun mogelijkheden. Mañjuśrī is vrij om de jonge vrouw niet uit haar meditatie te laten opstaan en de beginnende bodhisattva is vrij om haar te laten opstaan, net zoals een paard vrij is om te galopperen en een slang vrij is om over de grond te kruipen en vrij is om niet te gaan galopperen. Het niet kunnen galopperen van een slang is een elegante manier om invulling te geven aan deze vrijheid. Het paard en de slang hebben gemeen dat zij beiden de mogelijkheid en vrijheid hebben om invulling te geven aan hun kern van diepe stilte of beter gezegd aan hun “heel-zijn” binnen hun “Alomvattende Eén”; zo zijn Mañjuśrī en de beginnende bodhisattva in hun “heel-zijn” in volkomen onderlinge verbondenheid met alle verschijningsvormen volledig vrij om hun Dharma [9] en hun onveranderlijk heel-zijn[10] te weerspiegelen binnen Indra’s Net.
Dit vraagstuk met de toelichting van de Zen meester is een goede opmaat voor de verdere verkenning van leegte en voor een nadere bestudering van de Hart Sūtra”, zegt Narrator.

“Dit vraagstuk en de toelichting geven woorden aan mijn gevoelens van één-zijn in mijn droom die ik had naar aanleiding van onze discussie van gisteravond over “heel-zijn” en het Alomvattende Eén”, zegt Carla.

“Ik zoek – na al mijn jaren waarin ik mij verdiept heb in meditatie – nog steeds naar een evenwicht tussen de stilte van meditatie en de hectiek van het leven van alledag. De vrijheid tot “zijn” binnen beide leefwerelden heb ik binnen mijn mogelijkheden en beperkingen verkend. In de afzonderlijk werelden van meditatie en het leven van alledag ben ik thuis en daarbij ervaar ik regelmatig een “heel-zijn”, maar ik ken geen volledige integratie van beide afzonderlijke leefwerelden in mijn leven; misschien is deze integratie mij binnen mijn mogelijkheden en beperkingen niet gegeven of misschien is deze integratie binnen een menselijk leven niet mogelijk. Dit vraagstuk gaat over deze integratie die ik probeer te bereiken.
De Zen meester die deze toelichting geeft, gebruikt het woord Samādhi voor meditatie. Weet jij de oorsprong en de betekenis van het woord Samādhi in het Sanskriet?”, zegt Man.

“De mist trekt nog niet op; zullen wij nieuwe koffie zetten?”, vraagt Narrator.

“Ik zet wel even koffie, dan kun jullie verder praten”, zegt Carla.

“Meditatie is een goede vertaling van Samādhi. In het Sanskriet is het woord Samādhi samengesteld uit:

  • “sam” dat “samen, met, in verbinding met, onderling verbonden, intens, volledig en/of compleet” betekent,
  • “ā” dat “achterwaarts, terug, een richting aangevend en ook wel compassie en/of instemming” betekent en
  • “dhi” dat als een zwakke vorm van “dhā” – dat “plaatsen, brengen, helpen, schenken, voortbrengen, veroorzaken” – de betekenis heeft van “verheugen, voeden, verzadigen, volbrengen” [11].

Mijn vader zei dat “dhi” ook naar “de ander” in samenhang met het Alomvattende Eén verwijst. Recent tijdens het bestuderen van dit Boeddhistisch vraagstuk zag ik in een woordenboek de betekenis “vergaarbak”[12] voor “dhi”, waarbij ik meteen aan de uitleg van mijn vader dacht in de betekenis van: alle afzonderlijke vervliegende verschijningsvormen in samenhang met het “heel-zijn” binnen het Alomvattende Eén.
Meditatie 2[13]

Ik ruik de koffie. De bonen komen helemaal uit Kenya; het land van mijn moeder en van mijn jeugd”, zegt Narrator.

“Wij waren van plan om tijdens deze boottocht de Hart Sūtra woordelijk te gaan vertalen; ik denk dat dit niet gaat lukken: laten wij dit op een later tijdstip – wanneer het beter uitkomt – gaan doen. Ik stel voor om ons deze dagen te beperken tot een bespreking van de Sūtra”, zegt Man.

“Goed idee. Zal ik koffie inschenken: de mist houdt nog wel even aan”, zegt Carla.

“Graag, dan wordt ik weer warm en blijf ik nog even wakker na een nacht waken. Als ik mij goed herinner heeft de lange versie van Hart Sūtra de volgende opbouw:

  • Inleiding
  • Vraag en antwoord
  • Vorm is leegte en leegte is vorm
  • De negaties en verlichting
  • De mantra “Sadyathā oṃ, gate, gate, pāragate, pārasaṃgate, bodhi svāhā” en
  • Het nawoord.

In de korte versie ontbreekt de inleiding, de vraag en het nawoord.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekking dat de inleiding pas in een later stadium aan de Hart Sūtra is toegevoegd om deze Sūtra qua vorm aan te passen aan de vele andere Sūtra’s en om de oorsprong van deze Sūtra terug te herleiden naar de beginfase van het Boeddhisme. Voor mij zou de inleiding van deze Sūtra beperkt kunnen blijven tot “aldus” of “evaṃ”[14] in het Sanskriet, want hiermee is de herleiding naar de oorsprong en naar de manifestatie van alle verschijningsvormen volkomen.

Na de inleiding luidt de vraag zeer beknopt weergegeven: “Hoe moet mensenkinderen de perfecte wijsheid – of in het Sanskriet “prajñāpāramitā – verwezenlijken?”

Het antwoord – en daarmee het begin van de Hart Sūtra in de korte versie – is:
“Zij moeten inzien dat de vijf skanda’s [15] – volgens de Boeddhistische leer “vorm, sensatie, perceptie, gedachten en bewustzijn” en op onze zoektocht “feiten en logica, intensiteiten en associaties, leegte, verandering en onderlinge verbondenheid” – in wezen leeg zijn.”

Een commentator[16] geeft de volgende toelichting bij dit “in wezen leeg zijn”. Er zijn vijf vormen van “leeg zijn”:

  • Leegte van dat niet eerder heeft bestaan, zoals de zeiltocht die wij vanochtend in deze mist niet kunnen maken;
  • Leegte van dat niet (meer) bestaat nadat het is vernietigd, bijvoorbeeld geschifte slagroom die nooit meer kan worden veranderd in goede slagroom;
  • Leegte van het volkomen niet bestaan, zoals delen door nul met een vaststaande eindige uitkomst [17];
  • Leegte van een niet bestaan in de ander, bijvoorbeeld een hond kan niet in een kat bestaan;
  • Leegte van enig onderscheid, zoals in het “heel-zijn” volgens Martin Heidegger.

Volgens deze commentaar wordt in de Hart Sūtra gedoeld op de laatste vorm van leeg zijn: de vijf skanda’s zijn leeg van enig onderscheid en dus leeg van enig inherent bestaan[18]. Een andere commentator noemt als voorbeeld van “leegte van enig inherent bestaan” een steenmannetje in de bergen die van afstand wordt aangezien voor een mens [19].
Steenmannetje[20]

Na mijn opleiding tot architect heb ik altijd veel aandacht voor de beleving van vrije ruimte en daarmee voor leegte en de begrenzing van de ruimte.

Glasshouse[21]

De leegte van de vijf skanda’s overstijgt de leegte van de vrije ruimten en de leegte tot invulling van deze vrijheid. De leegte van de vijf skanda’s is tegelijkertijd onnoembaar – omdat er binnen “heel-zijn” niets noemen valt – en noembaar omdat het “heel-zijn” de vier anderen vormen van leegte bevat en daarbij alle mogelijke verschijningsvormen die bij nadere beschouwing illusies blijken te zijn, zoals steenmannetjes op afstand worden aangezien voor mensen.
Het is al wat lichter is geworden, maar het zicht is nog te slecht. Vanmorgen kunnen wij het varen vergeten”, zegt Man.

“Heel interessante manier om te belichten dat op onze zoektocht de vijf gangbare werkelijkheden – “feiten en logica, intensiteiten en associaties, leegte, verandering en onderlinge verbondenheid” – in wezen leeg zijn en daarmee als verschijningsvormen – of illusies – ondeelbaar en tegelijkertijd als illusies onderscheidend zijn opgenomen in het “heel-zijn”. Ik heb ergens gelezen dat het leven een droom is; volgens de Hart Sūtra is het een droom opgenomen – of misschien wel deels gesuperponeerd [22] – binnen de leegte van het “heel-zijn””, zegt Carla.

“Hoewel ik ’s-nachts nog altijd weinig slaap – omdat herinnering aan wandaden uit het verleden mij in het donker blijven achtervolgen – heeft een kort gedicht van Ryōkan mij vele jaren vergezeld op mijn reizen:

Al slaap ik altijd
op mijn reizen, elke nacht
op een andere plaats,
de droom die ik altijd droom
brengt mij naar mijn eigen huis.
(Ryōkan) [23]

Dit korte gedicht gaf mij troost, berusting en verbondenheid met mijn zwervend bestaan in Europa; en tegelijkertijd verbond het mij weer met het zwervend bestaan in mijn jeugd met mijn moeder die als Masaï nomade rondtrok met haar kleine kudde in Noord Kenia samen met mijn broers en zussen waarbij het altijd een feest was als wij mijn vader op zijn trektochten als verhalenverteller ontmoetten.

De laatste jaren – in mijn leven als bhikṣu [24] – draag ik dit gedicht in een licht gewijzigde vorm nog altijd met mij mee:

Al slaap ik altijd
op mijn reizen, elke nacht
op een andere plaats,
in de droom die ik steeds droom
ben ik in mijn eigen huis
(Ryōkan) [23]

De duiding van “mijn eigen huis” heeft zich uitgebreid naar het “Alomvattende Eén” of het “heel-zijn” van Martin Heidegger en “de droom” is verschoven van de nachtelijke droom naar “het alledaagse leven” inclusief mijn nachtelijke waken en mijn nachtelijke visioenen aan mijn wandaden.

Na mijn nachtwake ga ik nu een dutje gaan doen tot aan de lunch”, zegt Narrator.

“Natuurlijk. Slaap lekker. Met de lunch maken wij jou wakker. Wij letten op de boot en hopen dat de mist wegtrekt”, zegt Carla.

“Ik denk dat de mist rond de lunch verdwenen is. Wij kunnen dan een wandeling maken op het droge wad, om halverwege de middag weer weg te varen”, zegt Man.

[1] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 134 – 135
[2] Caplow, Florence & Moon, Susan, edt. The hidden lamp – Stories from twenty-five Centuries of Awakened Women. Boston: Wisdom Publications, 2013, p. 33
[3] Zie: Shibayama, Zenkei, The Gateless Barrier, Zen Comments on the Mumonkan. Boston: Shambhala, 2000, p. 293 – 298 en Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990, 199 – 203
[4] De naam Boeddha is in het Sanskriet samengesteld uit het zelfstandig naamwoord “bud” dat “knop, begin” betekent – vergelijkbaar met het Engelse woord “bud” in rosebud uit de film “Citizen Kane” van Orson Wells – en de werkwoordkern “dha” dat “plaatsen, verlenen, schenken” als betekenis heeft. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[5] Het woord bodhisattva bestaat uit de twee woorden “bodhi” en “sattva” die in het Sanskriet resp. “perfecte kennis, wijsheid” en “zijn, bewustzijn, levend wezen” betekenen. De school van het Mahāyāna Boeddhisme kent het bodhisattva ideaal. Volgens dit ideaal zal een mens die op het punt van verlichting staat – bodhisattva genoemd, hiervan afzien tot het moment dat het gehele universum en ieder stofje ook in staat is de verlichting te betreden. In de tussentijd doet de bodhisattva er alles aan om alles en iedereen voor te bereiden op de verlichting. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Bodhisattva
[6] Shakyamuni is samengesteld uit “śakya” dat “mogelijk of instaat tot” en “muni” dat “ziener of wijze” betekent.
[7] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Meditation
[8] Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990, p. 201 – 202
[9] Zie voor een uitleg van Dharma: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 34 e.v.
[10] Zie voor het tweede deel van deze zin ook: Shibayama, Zenkei, The Gateless Barrier, Zen Comments on the Mumonkan. Boston: Shambhala, 2000, p. 298
[11] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[12] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[13] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Samadhi
[14] In Sanskriet bestaat het woord “evaṃ” uit de werkwoordkern “e” dat “naderen, bereiken, nader komen” en het zelfstandig naamwoord “va” dat “wind, oceaan, water, stroom, gaan” betekent. Bron: electronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

Zie: Lopez, Donald S. – The Heart Sutra explained Delhi: Sri Satguru Publications, 1990 p. 34: “The commentary Vajrapāņi has high praise for the word evam (thus), the word with which sūtras begin. Those four letters are the source of the 84.000 doctrines taught by the Buddha and are the basis of all marvels.”

Zie ook: Red Pine (Bill Porter) – The Diamond Sutra 2001 p 41-42: “Commentaries have written volumes on the profundity of evam (thus). Does it mean “like so”, or does it mean “just so”? And what is the difference? Is this sutra the finger that points to the moon, or is it the moon itself?”

Zie ook: Holstein, Alexander. Pointing at the Moon. 1993 p 49: “Voor de verlichte geest van een Zen meester is er mogelijk geen verschil tussen de vinger die naar de maan wijst en de maan, zoals er op gelijke wijze ook geen verschil is tussen de golven en de oceaan.”
[15] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Skandha ; en zie ook voor een korte inleiding: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 172 – 174
[16] De naam van deze commentator is Praśāstrasena. Bron: Lopez, Donald S. – The Heart Sutra explained Delhi: Sri Satguru Publications, 1990 p. 53
[17] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Division_by_zero
[18] De Hart Sūtra gebruikt in het Sanskriet het woord “svabhāvashūnya” voor “in wezen leeg zijn”. Het woord svabhāvashūnya is samengesteld uit “sva” dat “zelf” betekent, “bhāva” dat “zijn” betekent en shūnya” dat “leeg” betekent met verwijzing naar het “heel-zijn” van Martin Heidegger.
[19] Zie ook: Leben, Man, Narrator Nārāyana – Een weg, Een biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 54
[20] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Steenmannetje
[21] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Glass_House
[22] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Superposition_principle
[23] Uit: Tooren, J. van, Tanka – het lied van Japan. Amsterdam: Meulenhoff, 1983, p. 170; de tweede versie is licht aangepast.
[24] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Bhikkhu

Narrator – Een nieuw jaar


Rond Pasen was de winter van dat jaar voorbij. De voorjaarszon kwam tevoorschijn en de natuur bloeide op. Ik kocht naast mijn stadsfiets nog een toerfiets waarmee ik eerst enkele fietstochten maakte op de beide eilanden Sjælland en Amager waarop de stad Kopenhagen ligt. In een paar maanden leerde ik niet alleen goed fietsen, maar ik kreeg plezier in deze vorm van zweven in weer en wind over de wegen.

Reiserad-beladen[1]

Aan het einde van het voorjaar ontving ik opnieuw verontrustende brieven van vroegere minnaars in Amsterdam; ook zij waren ernstig ziek door AIDS. Ik besloot met mijn toerfiets in ruim een week naar Amsterdam te reizen. Na een kleine week voorbereiding vertrok ik met een volgepakte fiets voor enkele maanden naar Amsterdam. Mijn zolderkamer had ik tijdelijk onderverhuurd aan een vriend.

Uiteindelijk deed ik twee weken over de reis, want ik had bijna altijd tegenwind. Op de lange rechte stukken ging in mijn beleving het malen van de pedalen over in het ronddraaien van de gebedsmolens, soms moeizaam, soms als vanzelf.

Gebedsmolens[2]

Onderweg naar Amsterdam speelde het Boeddhistisch vraagstuk van de “ijzeren Os” [3] door mijn hoofd. Vroeger zullen enkele van mijn voorouders te paard gereisd hebben. In Afrika had ik wel mensen op een os zien reizen. Nu was ik in plaats van ruiter te paard een berijder van een ijzeren ros.

Man op os[4]

Ik miste mijn geliefde die toen al in Amerika woonde, voor aanspraak bij dit vraagstuk. Mijn aanwijzing tijdens het fietsen was het vers bij het vraagstuk:

“Het werk van een ijzeren os –

Wanneer de zegel (van verlichting [5] en van idool) aanwezig blijft, dan is de impressie geruïneerd”. [6]

Fietsend door Noord Duitsland en Nederland kreeg mijn fiets steeds meer de vorm van de “ijzeren os” in het boeddhistisch vraagstuk. Soms lekker glijdend bij windstilte, soms zwoegend bij tegenwind deed mijn ijzeren ros zijn werk; gestaag gleden wij samen met de weg en de omgeving door het heelal.

Onderweg kon ik meestal bij mensen overnachten in ruil voor enkele verhalen of voor enige hulp op een boerderij. Overdag probeerde ik bij rustplaatsen wat geld te verdienen met goochelen, want tijdens mijn fietsreis had ik geen inkomsten uit percussiespel met jazz ensembles. Na enige oefening kon ik met twee goochelvoorstellen met touw – die ik had geleerd van een vriend in Kopenhagen – bij iedere stopplaats een nationale munt verdienen; in Duitsland een D-mark en in Nederland een gulden. Bij een voorstelling liet ik een touw door mijn hals gaan. Een demonstratie van deze voorstelling is te zien op de volgende video:

http://www.youtube.com/watch?NR=1&feature=endscreen&v=aSMZJ0w3DyM

Tijdens een andere presentatie ging het touw onverwachts door een ring. Een voorbeeld van deze voorstelling wordt getoond op de volgende video:

http://www.youtube.com/watch?v=2xx7UjeZYn4

Wanneer ik beide voorstellingen iedere dag op vijf verschillende rustplaatsen opvoerde, dan verdiende ik genoeg geld voor goede dagelijkse maaltijden voor mij en voor een andere reiziger met wie ik de maaltijd deelde.

Die zomer en herfst in Amsterdam leefde ik met en zorgde ik voor oude bekenden en vroegere minnaars met AIDS. Daarnaast genoot ik van de Hollandse stranden en van de mooie wolken in Nederland.

Aan het einde van de herfst reed ik met een storm in de rug naar Kopenhagen. De winter bracht ik door in mijn zolderkamer met de lange nachten waarin de maan, de sterrenhemel en de geesten mij gezelschap hielden. Dit ritme van zomers naar het zuiden en de winters in Kopenhagen heb ik enkele jaren gevolgd; op latere leeftijd ben ik in het zuiden gaan overwinteren om de zomer in het noorden door te brengen.

Waren deze overwinteringen op mijn zolderkamer een boetedoening voor de misdrijven als kind soldaat bij een militie? Misschien, een jaar later ontmoette ik een man die voortdurend moest boeten voor zijn daden.


[1] Bron afbeelding: http://da.wikipedia.org/wiki/Cykeltyper . De foto is gemaakt in 2005 en toont een fietstype van een latere datum.

[3] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 125 – 130.

[4] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Os_(rund). De ossen in Afrika waren niet zo weldoorvoed.

[5] Volgens het Mahāyāna Boeddhisme verspreid menselijke verlichting een geur van ijdelheid. Er is pas sprake van verlichting wanneer alles en iedereen verlicht is.

[6] Eerste twee versregels bij de koan Fengxue’s “Iron Ox”. Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 125 – 130.

Narrator – wijst naar de sneeuw


De eerste sneeuw viel al vroeg in het najaar; de dagen waren nog niet erg kort. In die donkere ochtend klonk het geknisper van de sneeuw onder mijn schoenen gedempt door de Prästgatan waarin ons gouden huis van hoop en dromen op het eiland Gamla Stan in Stockholm stond.

Prästgatan in Juni[1]

De witte sneeuw en kou nam alle kleuren in zich op; de maan en de sterrenhemel versmolten met de sneeuw en de volle kleuren van de vorige zomer waren verdwenen. In de loop van de ochtend werd de sneeuwlaag besmeurd door het leven van alledag. Die avond verscheen een vage gloed in het licht van lantaarns.

Prästgatan in December[2]

Mijn geliefde zou die nacht thuiskomen van een bezoek aan zijn zieke moeder in Amerika. Zijn terugkeer was het begin van een grote verandering in ons leven. Hij wilde graag dichter bij zijn moeder wonen, want door haar ziekte had zij nog maar een klein jaar te leven. Tijdens zijn verblijf in Amerika bezocht mijn geliefde verschillende Boeddhistische gemeenschappen; hij had besloten in een klooster in de nabij van het huis van zijn ouders te treden. Het contact met zijn vader was nog steeds stroef door het wederzijdse onbegrip over zijn dienstweigering tijdens de Vietnam oorlog. Buiten medeweten van mijn geliefde heb ik die winter een brief aan zijn vader geschreven waarin ik een vergelijking maakte tussen het generaal pardon van president Carter in 1977 voor dienstweigering  tijdens de Vietnam oorlog en de parabel van de verloren zoon [3] in het Nieuwe Testament: Uw zoon was verloren en hij is teruggevonden [4] door het generaal pardon. Na het volgende bezoek aan zijn ouders keerde mijn geliefde blij terug; zijn vader had hem weer met open armen ontvangen.

Die winter zwoegde mijn geliefde op een Boeddhistisch vraagstuk waarin een leraar naar de sneeuw wijst en vraagt: “Is er iets dat voorbij deze kleur gaat?”. Een andere leraar zei: “Op dit punt zou ik het voor hem omvergeduwd hebben”.  Een derde leraar zei: “Hij kan alleen naar beneden duwen, hij weet niet hoe overeind te helpen”. [5]

Dit vraagstuk gaat over het passeren van de Lege Poort en de staat van verlichting. Sneeuw, koude en wit waarin de maan versmelt zijn metaforen voor verlichting. De eerste leraar vraagt naar het iets voorbij deze kleur waarbij deze kleur staat voor de weg na het passeren van de Lege Poort of na verlichting. De andere leraar verwijdert meteen de illusie van verlichting en een weg na het passeren van de Lege Poort door onder meer te verwijzen naar de kleurloze kleur en naar het Boddhisattva ideaal uit het Mahâyâna Boeddhisme waarin een mens die op het punt staat verlicht – of zelfs een levende Boeddha – te worden, hiervan uit compassie afziet totdat alles en iedereen met haar/hem de verlichting of de staat van een Boeddha te betreden. Mijn geliefde kon de uitspraken van de eerste twee leraren plaatsen, maar hij zwoegde die winter op de derde uitspraak.

Ik had net als veel mensen in noordelijke landen moeite met de korte dagen. Onze laatste gemeenschappelijk Kerstfeest en Oud en Nieuw vierden wij uitbundig met vele vrienden en bekenden. Gelukkig werden in januari en februari de dagen weer langer.

Mijn geliefde verkocht die winter zijn buitenhuis in de scheren archipel en het gouden huis in de oude binnenstad van Stockholm. Wij verhuisden voor een korte tijd naar een gehuurde houten woning op het eiland Södermalm vanwaar wij een schitterend uitzicht op de binnenstad van Stockholm hadden. Hier hebben wij onze laatste paar maanden samengewoond. Mijn geliefde studeerde en ik speelde percussie in verschillende jazz ensembles.

Asogatan_213_Stockholm[6]

Aan het begin van het voorjaar vroeg mijn geliefde wat “māyā” in het Sanskriet betekent. Hierop vertelde ik dat “māyā” in de verre oudheid de betekenis had van “kunst en wijsheid” en later zijn hier de betekenissen van “illusie”, “compassie, sympathie” en “een van de 24 kleine Boeddhistische zonden” [7] bijgekomen. De naam van de moeder van Siddharta Gautama was Māyādevī waarin “devī” als vrouwelijk vorm van “deva” [8]  onder meer “vrouwelijk godin” betekent. Ik zei ook dat mijn vader mij heeft geleerd dat “māyā” zich voordoet in de vorm van het algemene of kosmische bewustzijn en daardoor direct verbonden is met de alomvattende Īśa en daarnaast in de vorm van het afzonderlijke of menselijke bewustzijn en daarbij vaak de betekenis van illusie heeft [9]. Beide vormen komen voort en zijn opgenomen in de ene werkelijkheid.

Na deze uitleg straalde mijn geliefde. Door de warmte van de zonnegloed gingen de bloesemknoppen weer open. Met de bloesem van de lente verhuisde mijn geliefde voorgoed naar Amerika.

Bloesem Stockholm[10]

Die zomer is zijn moeder rustig verleden. Vier jaren later ontving ik een droef bericht dat mijn geliefde was overleden aan de mysterieuze ziekte die in onze vrienden- en kennissenkring rondwaarde. In onze briefwisseling heeft hij hier nooit melding van gemaakt. En altijd wanneer de bloesem …..

In de samenleving waar ik uit voortkom, betekent gemeenschapszin alles – je bent wie je kent [11]. In Stockholm was ik op zijn best de vriend van mijn geliefde. Nu ik niemand meer echt kende, was ik ook niemand meer in Stockholm. Aan het einde van de lente heb ik de huur van ons mooie houten huis opgezegd en ik ben naar Kopenhagen verhuisd.


[1] Foto van de Prästgatan op het eiland Gamla Stan begin juni. Bron afbeelding: http://sv.wikipedia.org/wiki/Pr%C3%A4stgatan

[2] Foto van de Prästgatan op het eiland Gamla Stan in december. Bron afbeelding: http://sv.wikipedia.org/wiki/Pr%C3%A4stgatan

[3] Zie het Evangelie van Lucas 15: 11-32 in het Nieuwe Testament

[7] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[8] Het woord Deva waaruit Deus in het Latijn, Zeus in het Grieks en Dieu in het Frans is ontstaan, is in het Sanskriet verbonden met de werkwoordstam “Div”, dat onder meer “stralen, spelen, vermeerderen” betekent.

[9] Zie ook: Nikhilananda, Swami, The Upanishads – A new Translation, Volume I. New York: Ramakrishna-Vivekananda Center, 2003, p. 57, 58

[11] Zie ook: Reybrouck, David van, Congo – Een geschiedenis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012, p. 58

Man Leben – Oosterse wijsheid


Kann man leben in den Stand der Vollkommenheit?

Jij vervolgt het verhaal van jouw leven:

“In 1989 verliet ik het klooster. Op geregelde tijden kwam ik terug voor begeleiding van groepen en voor overleg en advies over de stand van zaken van het klooster en de kloosterorde. Ik was toen 55 jaar oud.

Gedreven door een innerlijke noodzaak ging ik mij verder verdiepen in Oosterse wijsheid. Eerst woonde ik overal en nergens; af en toe was ik in het klooster voor verplichtingen. Daarna heb ik tijdelijk bij verschillende vrienden en bekenden gewoond. Voor meer vastigheid leek Amsterdam mij een goede plaats om te gaan wonen. Daar heb ik een bescheiden woonruimte kunnen vinden bij vrienden.

Tussen de bedrijven door las ik vele boeken over Boeddhisme, Taoïsme [1] en Hindoeïsme.

[2]

Uiteindelijk ben ik mij verder gaan verdiepen in Mahāyāna Boeddhisme [3] en de Upanishads [4]. De samenhang van contemplatie, meditatie en het leven van alledag hielden mij bezig. Hoe gaan zij samen en hoe beïnvloeden zij elkaar? In die tijd leek mijn leven vol concentratie en aandacht. Later heb ik een metafoor gelezen voor mijn manier van leven [5]. Ik leefde in een menigte met een bekertje water op mijn hoofd. Alle aandacht was nodig om probleemloos en vanzelf door de menigte te laveren en daarbij geen druppel water te verliezen.

[6]

Iedere handeling, iedere gedachte, iedere indruk was als een druppel water die in het water valt. De rimpelingen van de impact van de druppel golven rimpelend naar het verleden, naar de toekomst en naar alles om ons heen. Niets blijft onaangetast.

[7]

Bij deze studie ben ik de bronteksten gaan lezen. Om de teksten beter te kunnen doorgronden, heb een begin gemaakt met een studie Sanskriet. In het begin heb ik moeite gehad om de tekens voor het Devanāgarī – betekent letterlijk Godenstad – alfabet [8] te onthouden. De klanken van het alfabet zijn heel logisch opgebouwd. In het overzicht hieronder is het alfabet weergegeven. De eerste drie regels bevatten de basisklinkers. De volgende vijf regels tonen de medeklinkers – hard, hard geaspireerd, zacht, zacht geaspireerd, neusklank. De voorlaatste regel geeft de half (mede) klinkers weer. En de laatste regel laat de sisklanken en de huigklank “ha” zien. De kolommen tonen de klanken bij de spreker van binnen naar buiten [9].

[10]

Mijn hele leven heb ik van een goede ordening gehouden, maar de buitenbeentjes zijn mij lief. In het Devanāgarī alfabet zijn de half (mede) klinkers – ya, ra, la, va – en de huigklank – ha – de buitenbeentjes. Zij nemen in het alfabet en als betekenis binnen woorden een bijzondere plaats in.

De letter “ya” betekent in het Sanskriet “beweger, wind, bereiken, meditatie”. De letter “ra” betekent “gaan, rollen”. De letter “la” betekent “van Indra”. Indra is de God van de hemel en ook de God van oorlog, storm en regenval. In het Boeddhisme wordt Indra aangeduid met Śakra [11] dat letterlijk “in staat tot scheppen” betekent. De letter “va” zijn wij eerder tegengekomen; deze letter betekent “wind, oceaan, water, stroom, gaan”. De huigklank “ha” betekent onder meer “water, bloed, meditatie, hemel, paradijs, sterven, wijsheid, oorlog”.

Deze buitenbeentjes kwamen overeen met mijn leven rond 1990. Ik had niet veel nodig, want mijn inwoning in het klooster en bij vrienden was verzorgd. Het weinige dat ik nodig had kwam uit het begeleiden van groepen en uit het organiseren en begeleiden van verbouwingen – eerst van kloosters en later ook van huizen van vrienden en bekenden.

In 1993 overleden mijn tante en peettante in korte tijd. In dat jaar heb ik ook Auschwitz bezocht”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat verder over jouw zoektocht in Oosterse wijsheid.


[2] White Cloud Monastry bij Beijing. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Baiyun.jpg

[5] Bron: Wick, Gerry Shishin, The Book of Equanimity – Illuminating Classic Zen Koans. Somerville MA: Wisdom Publications, 2005 p. 136.

[6] Amitābha Buddha statue from Borobodur, Indonesia. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Seated_Buddha_Amitabha_statue.jpg

[7] Impact of a drop of water, a common analogy for Brahman and the Ātman. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Wassertropfen.jpg

Man Leben – op weg 2


Wie kan man leben?

Jij vervolgt de korte samenvatting van jouw leven met de tocht van de kapel “Notre Dame du Haut” bij Ronchamp naar Dachau:

“Eind september 1983 heb ik de kapel “Notre Dame du Haut” bezocht. Daarna zou de weg naar Dachau gaan waar mijn moeder in 1944 is overleden en waar zij ook begraven is. Mijn peettante heeft mij deze wandeltocht of pelgrimstocht aangeraden om de dood van mijn naaste familie en de anderen in mijn leven in te bedden. Ik ben deze tocht begonnen om invulling te kunnen gaan geven aan de wens van mijn tante; zij had mij net na mijn 21st verjaardag gevraagd de traditionele Joodse dodenherdenking voor mijn ouders te verrichten wanneer ik daartoe in staat zou zijn. In 1983 was ik 49 jaar oud; mijn leven was aan verandering toe. In de loop van het eerste deel van de tocht ben ik de wind [1] en de maan met de “Hij” en “zijn” in het gebed Kaddish [2] gaan vereenzelvigen. Ik heb een jaar lang iedere dag dit gebed gezegd voor mijn vader, moeder, tante en peetoom. Met het tweede deel van de tocht heb ik daarbij ook invulling wensen te geven aan de Katholieke grafverering zoals gebruikelijk is in Zuid Limburg. Tijdens Allerzielen op 2 november hoopte ik in Dachau het graf van mijn moeder te eren.

Mijn gevoel van luxe nam steeds meer toe. Hoe slecht het weer ook was en hoe moe ik ook was, ik had nog steeds veel meer dan de bedevaarders in het verleden. In mijn rugzak zat steeds een set schone en droge kleren, mijn bivak zak was van waterdicht en ademend materiaal en de slaapzak was warm. Mijn gezondheid was uitstekend. Kortom, mijn bestaan was luxer dan in mijn “Jaguar-jaren”.

Via Belfort liep ik naar Mulhouse in Frankrijk. Mijn vader hield in zijn jonge jaren erg veel van autoraces. Tegen de zin van mijn grootouders volgde hij de verslagen in de krant en las hij er boeken over. In zijn jongensjaren wilde hij graag autocoureur worden. In Mulhouse heb ik als ode aan de jongensjaren van mijn vader het automuseum [3] bezocht. Het museum is voortgekomen uit de verzamelwoede van de gebroeders Schlumpf, die hun kapitaal uit de wolfabriek grotendeels hebben omgezet in een uitzonderlijke verzameling klassieke auto’s. De Franse staat heeft de collectie voor 1 Franse frank – als “object in het midden” – overgenomen. De verzameling Bugatti’s maakte een diepe indruk. IJdelheid der ijdelheden [4], maar een ijdelheid van grote schoonheid.

[5]

Nabij Freiburg stak ik de Rijn en de grens met Duitsland over. Niet veel verder liet ik ook het gebied achter waar zoveel oorlogen om zijn gevochten. De oorlogen in dit gebied zijn in ieder geval al in de Romeinse tijd begonnen. Hoe hadden deze opeenstapelingen van hebzucht, eer, toorn, verschrikkingen en peilloos verdriet voorkomen kunnen worden? Later heb ik  in een boek [6] van Robert Aitken – in het hoofdstuk “Niet Stelen” – een goed voorstel gelezen.

Eerste haalt hij Unto Tähtinen aan met:

“Er zijn twee manieren om oorlog te voorkomen: de eerste manier is het bevredigen van ieders behoeften en de andere manier is om onszelf tevreden te stellen met het goede. De eerste manier is niet mogelijk door de beperkingen van de wereld. Daardoor blijft alleen de tweede manier van het goede en tevredenheid over.” [7]

Daarna haalt hij Mahatma Gandhi aan met:

“In India zijn er vele miljoenen mensen die slechts één maaltijd per dag hebben. Deze maaltijd bestaat uit een chapati zonder vet en met een vleugje zout. Jij en ik hebben geen recht op ook maar iets totdat deze miljoenen beter gevoed en gekleed zijn. Jij en ik zouden beter moeten weten en onze behoeften bijstellen, zelfs vrijwillig hongerlijden, opdat zij beter verzorgd, gevoed en gekleed kunnen worden.” [8]

De Duitse taal heeft hier een mooie uitdrukking voor: “In der Beschränkung zeigt sich der Meister.”

Via het Schwarzwald vervolgde ik mijn tocht. Ik bezocht Ulm omdat daar van 1953 tot 1968 de Hochschule für Gestaltung [9] gevestigd was.

[10]

Deze hogeschool heeft een aantal ontwerpen en ontwerpers voorgebracht die streven naar eenvoud en beperkingen. Bijvoorbeeld het TC 100 servies ontworpen door Nick Roericht.

[11]

Het studie model voor het continuüm uit de workshop van Tomas Maldonado omvat het universum in eenvoud en beperking. Binnenkant en buitenkant wisselen continu. De vorm geeft beschutting en neemt tegelijkertijd het universum ademend in zich op. Geborgenheid en ontvankelijkheid ineen: een weerspiegeling van mijn beleving van de tocht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[12]

Op deze tocht waren ook de wind en de maan mijn voortdurende metgezellen. Mijn kennismaking met de wind heb ik in het vorige bericht gegeven. Nu zoals beloofd, geef ik weer hoe ik de maan heb leren kennen.

Op de boerderij zijn de maanden van het jaar belangrijk. De twaalf maanden van een jaar zijn met de duim eenvoudig op een hand te tellen door met de duim langs de 12 kootjes van de vier vingers te gaan. In de buitenlucht, ’s nachts, in een spaarzaam verlichte omgeving leerde ik vanzelf de nieuwe maan, de wassende maan, de volle maan en de afnemende maan kennen. Op een heldere nacht met volle maan kon ik buiten bijna alles doen, behalve lezen: daarvoor was er net te weinig licht. Ook gaf de maan overdag een mooi beeld aan de hemel.

Door de “maan illusie kan de volle maan nabij de horizon ontzagwekkend zijn. Deze maan illusie heb ik op mijn tocht ook gezien.

[13]

Bij een heldere nacht met nieuwe maan liggend in mijn slaapzak leek ik het universum ingezogen te worden. De afstand tussen het universum en mij vervaagde: ik werd er in opgezogen.

De loop van de maan moet – naast het ritme van de zon – voor mensen levend in de buitenlucht alles bepalend en ongrijpbaar zijn geweest. Waarschijnlijk komt het woord Tao – dat letterlijk “weg of levensloop” betekent – voort uit het woord maan [14]. In het Sanskriet is een van de woorden voor maan “candra”, waarbij de “c” wordt uitgesproken als het Engelse woord “chair” en de “a” de Engelse uitspraak voor “America”. “Candra” betekent in het Sanskriet “maan, schijnend als goud, het nummer een/geheel, aangenaam of lieflijk fenomeen” [15].  Het woord in samengesteld uit “can” dat  “verheugen, tevreden met” betekent en “drâ” dat “rennen, wentelen” betekent. Het samenstel van “dra” en “va – voor wind” of “drava” betekent “rennen, vloeien, stromen, essentie”. Het samenstel van “Candra” kan worden opgevat als “de loop der dingen, de loop van de maan, de essentie van het geheel”.

In de Zen literatuur komt de maan vaak voor. Het woord Zen komt volgens de bronnen voort het woord “dhyâna” [16] dat in het Sanskriet “meditatie, gedachte, vergaande en abstracte meditatie”  betekent, Dit woord is samengesteld uit “dhî” dat onder meer “wijsheid, intelligentie, meditatie, kennis, intentie, gebed” betekent en “yâna” [17] dat “gaan, weg, koers, pad, lopen en vaartuig” betekent. Zen boeddhisme is in China ontstaan door een samensmelting van het Mahâyâna Boeddhisme en het Taoïsme.

Door mijn nadere kennismaking met de maan op mijn bedevaart tocht, is het mij opgevallen hoeveel het Chinese woord “Chan” – of in het Japans Zen – in betekenis en klank lijkt op het “can” van “candra”. Als deze overeenkomst niet toevallig is, dan kan Zen naast alle andere betekenissen ook worden gezien als “voort wentelende maan”. Deze gedachte gaf mij troost en vertrouwen op weg naar Dachau”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw bezoek aan Dachau.


[1] Zie bericht “Man Leben – op weg” van 14 oktober 2011.

[4] Zie: boek prediker

[6] Bron: Aitken, Robert, The Mind of Clover – Essays in Zen Buddhist Ethics. New York: North Point Press, 2000⁸. Pag. 31

[7] Bron: Tähtinen, Unto, Non-Violence as an Ethical Principle. Turku, Turun Yliopisto, 1964. pag. 136.

[8] Geciteerd in: Tähtinen, Unto, Non-Violence as an Ethical Principle. Turku, Turun Yliopisto, 1964. pag. 128.

[11] Uit het servies TC 100 ontworpen door Nick Roericht. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Hochschule_f%C3%BCr_Gestaltung_Ulm

[12] Model for the continuous study of the workshop of Tomas Maldonado. Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Ulm_School_of_Design

[13] Maanillusie bij volle maan boven het Parthenon in Athene. Bron afbeelding: http://apod.nasa.gov/apod/ap110320.html

[14] Bron: Porter, Bill, Road to Heaven – Encounters with Chinese Hermits. Berkeley: Counterpoint, 1993, p. 35.

[15] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[17] Opmerking: dit woord is ook een onderdeel van het samenstel “Mahâyâna”.

Intermezzo: Waarom Sanskriet?


Uw verteller heeft aan de tweede hoofdpersoon gevraagd waarom hij Sanskriet studeert. Zijn antwoord is dat dit vanzelf is gekomen. Bij het bestuderen van de Boeddhistische teksten is het opgevallen dat een aantal begrippen in het Sanskriet eenvoudig zijn te volgen, bijvoorbeeld de klanken van “âtman” lijken veel op ons woord “adem”. Ook blijkt dat enkele schrijvers over Boeddhisme [1], levensbeschouwing [2] en de oorsprong van woorden [3] zich hebben verdiept in Sanskriet.

De tweede hoofdpersoon is geïnteresseerd in de oorsprong van onze taal als een vorm van archeologie naar het ontstaat van ons bewustzijn of “man[4]-kind” in het Engels. Bij de aanvang van deze studie blijkt dat de oorsprong van het Indo-Europees voor leken beperkt toegankelijk is: er zijn slechts enkele studiewerken makkelijk beschikbaar [5]. Daarentegen is Sanskriet – een van onze oudere zustertalen – al in een heel vroeg stadium uitgebreid vastgelegd. Deze verstilling heeft er voor gezorgd dat Sanskriet eerst een kunstmatige taal en vervolgens een dode taal is geworden. Aan de andere kant heeft Sanskriet door de kunstmatigheid en de verstilling een hoge status verworden. De uitgebreide, logische  en verfijnde grammatica is door Pāṇini [6] en zijn tijdgenoten al in de vierde eeuw voor Christus vastgelegd. Ons alfabet is een onsamenhangend geheel; het alfabet in het Sanskriet is volledig logisch opgebouwd volgens de manier waarop mensen klinkers en medeklinkers van binnen naar buiten vormen. Er zijn ook zeer uitgebreide woordenboeken Sanskriet – Engels beschikbaar. Een inleiding tot het Sanskriet [7] is met wat doorzettingsvermogen goed te volgen. Sanskriet heeft voor de tweede hoofdpersoon een goede mogelijkheid geboden om de oorsprong van taal en daarmee de duiding van ons bewustzijn te bestuderen.

[8]

Met het bestuderen van Sanskriet is het de tweede hoofdpersoon opgevallen dat vele namen en plaatsen in Indische en Boeddhistische teksten een betekenis hebben. Bijvoorbeeld Boeddha [9] betekent “plaatsen van een knop of kiem” en Ānanda betekent “gelukzaligheid” en vreugde. De Boeddhistische woorden en begrippen krijgen met kennis van het Sanskriet een grotere diepgang.

Tijdens zijn herstelperiode heeft de tweede hoofdpersoon het boek “Empires of the Word – A Language History of the World [10]” gelezen.

  [11]

In hoofdstuk 5 van dit boek komt Sanskriet aan bod onder “Charming like a Creeper – the cultured Career of Sanskrit”. Met verbazing en herkenning heeft de tweede hoofdpersoon gelezen hoe Sanskriet zich heeft gevestigd in India en vervolgens via het Boeddhisme met handelskaravanen en vrachtboten is verspreid over Indonesië, Zuidoost Azië, Tibet, China en Japan. Naast de Chinese schrifttekens kent Japan ook nog een alfabet dat gemodelleerd is naar het alfabet in het Sanskriet.  Een hoogleraar heeft tegen de tweede hoofdpersoon gezegd dat taal het spraakgebrek is van de overheerser. Sanskriet heeft zich verhoudingsgewijze geweldloos over dit grote gebied verspreid. Door de religies die aan het Sanskriet verbonden zijn – Hindoeïsme en Boeddhisme – heeft deze taal veel invloed gehad. Nicholas Ostler [12] heeft zich verbaasd over het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee het Sanskriet zich heeft verspreid: hij heeft dit besproken met een aantal vrienden uit India. Deze vrienden hebben Nicholas Ostler erop gewezen hoe weinig gelovigen moeten opgeven voor het Boeddhisme en Hindoeïsme: de oude religies hoeven niet afgewezen te worden. Andere geloven vragen op dit punt veel meer. De tweede hoofdpersoon is het niet eens met deze vrienden. Door hun aard vragen Hindoeïsme en het Mahāyāna [13] Boeddhisme alles van haar gelovigen inclusief hun oorspronkelijke religie.

Na verloop van tijd is Sanskriet eerst door de Islam verdreven uit delen van India en Indonesië en vervolgens is Boeddhisme ook verbannen uit China en deels uit Japan. Maar, de overblijfselen van Sanskriet zijn – net als Hebreeuws – voor een kenner overal te zien.

Ook een aantal woorden in het Duits, Engels en Nederlands krijgen met kennis van het Sanskriet een rijkere betekenis. Tijdens zijn herstelperiode heeft de tweede hoofdpersoon een rondje gewandeld. Hij hoorde enkele vrouwen als een groepje kwetterende vogels met elkaar praten. Toen hij langsliep zei een van de vrouwen: “Wat dat aangaat, ik zeg maar zo, ik zeg maar niks”. Daarna vervolgden de vrouwen kwetterend hun gesprek. De tweede hoofdpersoon dacht: “Wat tathāgata [14], evam [15], śūnya [16]” of “Wat de wereld van de verschijningsvormen betreft, aldus, leegte”. Deze drie woorden vatten de volgende aanlegplaats tijdens onze Odyssee in één zin samen met de verduidelijking: “Wat uit de macht van de wind voortkomt, zal uiteindelijk afgebroken worden en verpulveren [17]” .

Deze verduidelijking doet denken aan een vrije weergave van een pop-song van Neil Young [18] :

“Leven is als een bloem

Die alleen groeit aan de stengel.

Handvol met doorns en jij hebt haar gemist,

En jij verliest haar wanneer jij haar noemt Mijn, Mijn, Mijn, Mijn.”

.


[1] Bijvoorbeeld: Sheng Yen, Footprints in the Snow – the Autobiography of a Chinese Buddhist Monk. New York: Doubleday, 2008

[2] Bijvoorbeeld: Pirsig, Robert M., Lila, an Inquiry in Morals. London: Bantam Press, 1991

[3] Bijvoorbeeld: Ayto, John, Word Origins – The hidden Histories of English Words from A to Z. London: A & C Black Publishers, 2008

[4] “man” betekent in het Sanskriet “denken/beschouwen/waarnemen”.

[5] Bijvoorbeeld: Fortson, Benjamin W., Indo-European Language and Culture – an Introduction. Oxford: Blackwell Publishing, 2004; Mallory, J.P. & Adams, D.Q., The Oxford Introduction to Proto-Indo-European and the Proto-Indo-European World. Oxford: Oxford University Press, 2007; Mallory, J.P., In Search of the Indo-Europeans. New York: Thames & Hudson, 2005

[6] Zie als eerste inleiding: http://en.wikipedia.org/ onder de zoekterm “Pāṇini”

[7] Bijvoorbeeld; Egenes, Thomas, Introduction to Sanskrit part 1 & 2. Delhi: Motilal Banarsidass, 2003 – 2005

[8] Bron afbeelding: http://www.amazon.com

[9] De naam Buddha is in het Sanskriet samengesteld uit het zelfstandig naamwoord “bud” dat “knop, begin” betekent – vergelijkbaar met het engelse woord “bud” in rosebud in de film “Citizen Kane” van Orson Wells – en de werkwoord-kern “dha” dat “plaatsen, verlenen, schenken” als betekenis heeft. Bron voor woorden in het Sanskriet: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[10] Zie: Ostler, Nicholas, Empires of the Word – A Language History of the World. New York: Harper Collins, 2005

[11] Bron afbeeldingen: http://www.amazon.co.uk

[12] Zie Ostler, Nicholas, Empires of the Word – A Language History of the World. New York: Harper Collins, 2005 p. 217

[13] Mahāyāna betekent vrij vertaald “groot vaartuig”. Alles en iedereen is aanwezig in het grote vaartuig, geen stofje is buitengesloten.

[14] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Tath%C4%81gata. Het woord “tathāgata” is samengesteld uit “tathā” dat “alzo” betekent en “gata” of “āgata” dat respectievelijk gaan of komen betekent. In het Mahāyāna Boeddhisme heeft het woord “tathāgata” twee betekenissen: enerzijds “het volkomen voorbij komende en gaande Zelf” of “Boeddha of het Zelf” en anderzijds “de verschijningsvormen zoals ze uiteraard zijn”.

[15] In Sanskriet bestaat het woord “Evam” uit de werkwoordkern “e” dat “naderen, bereiken, nader komen” en het zelfstandig naamwoord “va” dat “wind, oceaan, water, stroom, gaan” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[16] In het Sanskriet betekent “śūnya” niets of nul. Het woord “śūnya” is samengesteld uit “śūna” dat “opgezwollen staat of leegte” betekent en “ya” dat onder meer “beweger, reiziger of wind” betekent.

[17] Bron: Wick, Gerry Shishin, The Book of Equanimity – Illuminating Classic Zen Koans. Somerville MA: Wisdom Publications, 2005 p. 51 casus 16.

[18] Zie: http://www.azlyrics.com/lyrics/neilyoung/loveisarose.html