Tagarchief: monnik

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 4


“Mag ik – voordat jij ons meer gaat vertellen over de georganiseerde chaos en het denkraam van de strijder – terugkomen op onze discussie van gisteravond?”, vraagt Man aan Carla.

“Dat is goed, het is beter om een onderwerp af te ronden”, zegt Carla.

“Gisteravond las ik in de bundel van Boeddhistisch vraagstukken (een recente uitgave van de bundel die Narrator van zijn Amerikaanse vriend als afscheidscadeau had ontvangen) de passage “Alle voelende wezens hebben een actief bewustzijn, grenzeloos en vaag zonder fundament ter ondersteuning”. Als voorbeeld wordt genoemd:

Wanneer een monnik voorbijkomt en hij wordt aangesproken met “Hé, jij”, dan zal deze monnik meteen zijn hoofd naar de spreker draaien. Wanneer deze monnik vervolgens aarzelt bij de tweede vraag “Wie ben jij?”, dan heeft deze monnik een actief bewustzijn, grenzeloos en vaag zonder fundament ter ondersteuning”.

Deze fundamentele staat van onwetendheid is – volgens dit vraagstuk – de onveranderlijke kennis van alle boeddha’s. Het vers bij dit vraagstuk luidt:

Een roep en men draait haar/zijn hoofd – Ken jij de zelf/Zelf of niet?

Vagelijk, als de maan [1] door de klimop, een wassende maan op dat moment.

Het kind van de rijkdom, zodra zij/hij valt

Op de grenzeloze weg van behoeften, heeft veel zorgen. [2]

feiten en logica 41.jpg[3]

Bij het lezen van dit vraagstuk en vers moest ik denken aan onze laatste discussie over onder andere God als “een ander, een vreemde”, die is gescheiden van “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat”. Waren God, de mensen en alles om ons heen voor de scheiding [4] in deze fundamentele staat van onwetendheid, zoals een gezond menselijk lichaam zonder kwalen ook een samenhangend geheel vormt zonder afzonderlijke onderdelen?  Hadden zij een fundament ter ondersteuning en welk fundament was dit, of was het ontbreken van een fundament de bron van een actief bewustzijn, grenzeloos en vaag? Ik weet het antwoord op deze vragen niet. En – na de val, na de scheiding – waaruit komt de grenzeloze weg van behoeften met vele zorgen voort? Heschel vervolgt zijn essay “Man is not alone” [5] met de onderwerpen: “geloof”, “één God”, “aan het geloof voorbij”, “streven naar eenheid”, en “gewone daden zijn avonturen”. Zou Heschel de strofe “Een roep en men draait haar/zijn hoofd” uit het Boeddhistische vraagstuk hebben gezien in de categorie “gewone daden zijn avonturen”? Ik denk het wel; maar zou hij uiteindelijke “Een roep” en “men draait haar/zijn hoofd” als “een” of als “gescheiden” hebben gezien? Ik zie het vagelijk als een wassende maan door de klimop”, zegt Man.   

“Bij de passage “grenzeloos en vaag zonder fundament ter ondersteuning” uit het Boeddhistisch vraagstuk denk ik aan “śūnya” – dat “leeg” betekent – uit de Hart Sūtra [6] waarin “vorm gelijk is aan leegte zoals leegte gelijk is aan vorm”; in leegte is geen Dharma – of wereldorde of plicht. Nu nodig ik jullie uit om de Cappelle Medicee [7] in de Basilica van San Lorenzo [8] te bezoeken. Deze kapel gelegen achter de Basiliek is een symbolisch mausoleum als praalgraf voor een deel van de familie van de Medici. Deze familie was een “kind van de rijkdom in de Renaissance dat zodra zij viel op de grenzeloze weg van behoeften, veel zorgen heeft gekend”. Het mausoleum geeft in mijn ogen de immensheid en verkilling van de zorgen van deze familie prachtig weer”, zegt Narrator.

Carla, Man en Narrator bezoeken de Cappelle Medicee.

feiten en logica 42.png[9]

Weer buiten vervolgen zij hun discussie op een bank op het Piazza di Madonna degli Aldobrandini.

“Alles in de Cappelle Medicee is erop gericht om afstand te scheppen tot de toeschouwer. Ik verwacht dat in het verleden alleen genodigden door de familie werden toegelaten tot dit symbolisch praalgraf. Ik denk dat dit mausoleum tot doel had om het nageslacht van de Medici eraan te herinneren waaraan zij hun rijkdom te danken hadden en om bezoekers te tonen welke “kinderen van rijkdom” hier herdacht worden. Bij ieder graf in het mausoleum heb ik mij afgevraagd “Wie ben jij?” en “Ken jij de zelf/Zelf of niet?”. Ik denk “Vagelijk, als de maan door de klimop”, maar de overvloed aan de vele soorten van “klimop” zal het zicht op de maan niet bevorderen”, zegt Man.

“Zullen wij nu Basilica van San Lorenzo bezoeken? De buitenkant is gesloten, maar ook bij deze basiliek wordt de pracht binnen getoond”, zegt Narrator.

feiten en logica 43[10]

feiten en logica 44 [11]

“Ik ben blij dat wij de discussie hebben voortgezet, want hierdoor – en zeker na het bezoek aan de basiliek – ontstaat een mooie opstapje naar het ontstaan van een scheiding tussen wetenschap en religie in de Renaissance. De overgang in stijl van de koorkoepel naar het plafond van de hoofd- en zijbeuken toont de wens om de wetenschap gebaseerd op Middeleeuwse Scholastiek te gaan veranderen in een ordelijke wetenschap die alles keurig verklaard wanneer wij de grondbeginselen maar juist kennen en toepassen. Mag ik de volgende keer hierop verder gaan, want ik moet nu rusten?”, zegt Carla.

feiten en logica 45[12]

“Graag”, zeg Man.

“Tijdens het avondeten?”, zegt Narrator.

“Dat is goed”, zegt Carla.


[1] Zie ook: Drift, Carla, Man Leben – Een Leven, Een Biografie. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 71 – 72

[2] Vrije weergave van een deel van het vraagstuk “Guishan’s Active Consiousness” uit: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 163 – 166.

[4] Zie ook: De parabel van Adam en Eva verstoten uit het paradijs na de zondeval in Hoofdstuk 3 van Genesis in het Oude Testament.

[5] Zie: Heschel, Abraham Joshua, Man is not alone – A Philosophy of Religion. New York: Farrar, Straus and Giroux, 1951. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Joshua_Heschel. In “The Long Discourses of the Buddha. Massachusetts: Wisdom Publications, 1995 p. 38-39” worden 32 verblijfplaatsen genoemd voor voelende wezens; waarvan 22 verblijfplaatsen voor Goden. Zijn binnen dit denkraam Goden ook “kinderen van rijkdom”?

[6] Zie: Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 110 – 112

Advertenties

Narrator – Te voet door Frankrijk


Nadat ik via de Mont Blanc tunnel in Frankrijk aankwam, vervolgde ik mijn reis met de trein naar “Annemasse” net voor de Zwitserse grens bij Geneve. Zelfs midzomer was het Midden/Hoog gebergte ten noorden van Chamonix niet mijn wereld. Later ben ik in de besneeuwde wereld aan het begin van de winter in een droom bijna naar een andere wereld weggegleden. In de ijskoude verstilling voelde ik mij helemaal thuis in de betoverende witte droomwereld. Carla Drift heeft mij vanuit deze verijsde wereld weer tot leven laten komen.

[1]

Mijn beperkte reispapieren waren niet goed genoeg om twee keer de Zwitsers/Franse grens te passeren. Vanaf “Annemasse” liep ik langs de Zwitserse grens naar “Les Rousses” om vandaar via de GR 5 naar het Noorden te gaan. Gelukkig was vanaf “Les Rousses” de wandelweg naar het Noorden wel begaanbaar.

[2]

Na de treinreis was mijn geld op. Ik moest op de een of andere manier aan eten komen. Ik had ik niet voldoende tijd om onderweg voor mijn voedsel te werken, omdat ik voor de herfst in Amsterdam wilde aankomen.

Op 2 oktober 1996 zei een vroegere bisschop van Breda – Bisschop Martinus Muskens – in een VPRO-televisieprogramma dat het stelen van brood en eten geoorloofd is, als mensen honger hebben en geen andere mogelijkheid zien om te overleven [3]. Hiermee verwoordde hij de moraalleer van de Katholieke kerk waarin het leven belangrijker wordt gevonden dan het aardse bezit. Al in de Middeleeuwen werd het “voedsel dilemma” opgelost doordat een monnik in extreme noodzaak zijn abt niet hoefde te gehoorzamen door voedsel volgens opdracht te bezorgen, maar hij behoorde onderweg eten te verschaffen aan een mens met ernstige honger [4].

[5]

Gelukkig heb ik onderweg nooit ernstig honger hoeven lijden. Heel af en toe heb ik gezondigd door een of twee stukken fruit zonder toestemming van de eigenaar van een fruitboom te plukken. Ook heb ik af en toe een vis gevangen of een kleine dier gejaagd – een nobele daad voor de adel en ordinair stropen voor de gewone mens – om op een klein vuurtje te bereiden. Met mijn achtergrond uit een Masaï nomadenstam die geen landsgrenzen kent en waar al het land voor iedereen is, heb ik dit gebruik van de omgeving nooit als diefstal kunnen zien; uiteindelijk komen het fruit, de vis en de kleine dieren altijd voort uit de leefwereld van iedereen. Later in mijn leven ben ik het ethisch [6] uitgangspunt gaan gebruiken, dat iedere verschijningsvorm in principe even veel recht van bestaan heeft. Maar als een keuze tussen twee verschijningsvormen onvermijdelijk is, dan verdient een complexere verschijningsvorm – in dit geval een wezen dat een hogere plaats in de hiërarchie heeft – de voorkeur [7].

Meestal heb ik op mijn reis naar Amsterdam in ruil voor voedsel of een maaltijd toepasselijke verhalen van mijn voorvaderen verteld. Hiermee ben ik in de voetsporen van mijn vader getreden.

In de Europese landen met materiële rijkdom en geestelijke armoede bestaat er een grote nood aan verhalen die duiding geven. Politici, managers, bankiers, dienstverleners in de geestelijke gezondheidszorg, bekende filmacteurs verkrijgen met hun duiding een uitstekend belegde boterham. In veel culturen worden deze ruilprocessen als windhandel gezien.

Met de verhalen van mijn voorouders kon ik mijn maag ruim voldoende vullen; ik had nooit honger op mijn weg naar Amsterdam. Door het ruilen van verhalen tegen voedsel leefde ik eigenlijk van de wind  – in Sanskriet वात of vāta – mijn vader was mijn voortdurende metgezel en leidsman.

Een dak boven mijn hoofd was in de zomer niet nodig; ik sliep in de open lucht onder de sterrenhemel. Bij slecht weer was een extra set kleren en wat plastic voldoende.

Zo begon het eerste deel van mijn wandeltocht langs de GR 5 in Frankrijk.


[4] Bron: Dougherty, M.V. Moral Dilemmas in Medieval Thought – From Gratian to Aquinas. Cambridge: Cambridge University Press, 2011, p. 77

[6] “De onderliggende betekenis van het Griekse woord “ethos” was “persoonlijke rangschikking”. Het woord komt van het Indo-Europese woord “swedh-”” waarin de woorden “sva” of “zelf, Ego en menselijke ziel” en “dha” of “plaatsen, schenken” in het Sanskriet in te herkennen zijn.

Bronnen: Ayto, John, Word Origins, The hidden History of English Words from A to Z. London: A &C Black, 2008 p. 199 en Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

[7] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 81 – 82

Man Leben – kloosterjaren


Im Kloster entdeckt man Leben in vielfältiger Form

Jij gaat verder het verhaal van jouw leven:

“Na mijn bezoek aan de kampen bij Dachau en het graf van moeder op Allerzielen in 1983, ben ik verder getrokken. Mijn verdere aanwezigheid in Dachau werd niet meer op prijs gesteld: landlopers zijn daar niet welkom. Een kleine week heb ik in het wild kunnen bivakkeren, maar ik begon steeds meer op te vallen. Begin november trok ik weer naar het noorden. Ik had een vaag plan om naar het graf van mijn vader in Auschwitz te gaan. Maar ik zag snel de onmogelijkheid van deze gedachte in. De winter is een erg slecht jaargetijde voor landlopen en Duitsland was nog steeds in tweeën gedeeld. Ik kon niet door Oost-Duitsland naar Polen lopen.

Ik werd ziek. Eerst een beetje door een stevige verkoudheid, daarna kwam de koorts. Een verhoudingsgewijs klein klooster gaf mij gastvrijheid en binnen vier weken was ik weer volledig genezen.

De kloosters waren in korte tijd erg veranderd. Begin 1960 waren er nog vele jonge mannen die in het klooster traden voor studie, bezinning, gerichtheid op God en Zijn werken, en voor het uitdragen van het geloof en Zijn werken in andere delen van de wereld. De kloosters stonden nog in volle bloei. Tien jaren later traden geen jongelingen meer toe en vele jongere broeders/monniken/paters hadden het kloosters verlaten voor het leven van alle dag al dan niet met een partner. Weer tien jaren later waren nog alleen de oudere bewoners en de abt over. Ook de gebouwen waren in 1983 erg naar binnen gekeerd geraakt.

[1]

Het klooster waar ik herstelde was niet zo groot. In 1983 was de inval van leegte in het gebouw nog niet beklemmend. De laatste 15 jaar was er maar een nieuwe broeder ingetreden; de bewoners waren wel 15 jaar ouder geworden. Als het klooster wilde voortbestaan, dan was een verandering op zijn plaats.

Aan een verandering was ik ook toe. Het was nog volop winter en verder trekken zonder doel lag niet op mijn weg. Ik was tijdens mijn herstel gaan wennen aan het kloosterritme. Na mijn genezen mocht ik van de abt blijven tot de lente aanbrak. Tegen kost en inwoning hielp ik bij het onderhoud en ik verrichtte de noodzakelijke klussen.

Aan het begin van de lente had ik met de abt mijn afscheidsgesprek. Dit gesprek vormde een nieuw begin. De abt vertelde zijn zorgen over de toekomst van het klooster; de kloosterorde was toe aan een verandering in lijn met de traditie en gericht op de toekomst.

Ieder moment, iedere handeling, ieder gebed en zang, iedere dag, ieder jaar, ieders leven, het leven binnen het klooster en het geloof waren in het klooster een oriëntatie op God. De wereld buiten het klooster veranderde in de loop van de eeuwen voortdurend. De veranderingen hadden in het verleden gevolgen gehad op het kloosterleven. In de middeleeuwen waren kloosters centra geweest van bijna alle wetenschappelijke kennis en kunde in de Westerse wereld. Vele kloosters hadden rijkdommen verworven die niet in lijn lagen met de traditie van de kloosters. Tegen het einde van de middeleeuwen – rond 1550 [2] – zijn veel kloosters van deze rijkdommen ontdaan: een aantal kloosters zijn in verval geraakt.

De laatste 15 jaar gingen de veranderingen in de wereld buiten het klooster erg snel. Deze snelle verandering had vergaande gevolgen voor het klooster, want de gemiddelde leeftijd van de bewoners nam heel snel toe. Verstilling, contemplatie en gerichtheid op God hoorde bij het klooster; aan de andere kant pasten verstarring en krampachtig vasthouden aan het verleden niet in de traditie.

De abt vroeg of ik een bijdrage aan de oriëntatie voor het klooster wilde leveren. Mijn bouwkundige achtergrond en mijn kennismaking met verschillende geloven konden goede invalshoeken opleveren. Naast de gebruikelijke taken voor een lekenbroeder zou ik mij wijden aan advisering voor en bijdragen aan deze oriëntatie.

Het kloostergebouw was in goede staat. Het was uitstekend geschikt voor klooster. Bij een teruglopend aantal vaste bewoners, konden delen van het gebouw ook gebruikt worden voor activiteiten in lijn met de doelstellingen van het klooster.

[3]

De oriëntatie op de buitenwereld liet zien dat ook buiten het klooster en de Christelijke kerk er een behoefte aan bezinning en contemplatie aanwezig was. Deze behoefte had vaak andere uitingsvormen.

[4]

Deze oriëntatie heeft tot gevolg gehad dat het klooster open is gesteld voor bezinning en educatie van buitenstaanders: individueel en in groepsverband. Een aantal broeders van de kloosterorde zijn religies uit Azië gaan bestuderen ter verrijking van het kloosterleven met als motto “onderzoekt het nieuwe en behoudt het goede”. Daarbij is ook kennis verworven voor begeleiding van groepen bij religieuze activiteiten en meditatie. In het klooster zijn nieuwe leken broeders gekomen voor de begeleiding van bezinning en educatie. Zij verbleven tijdelijk of soms permanent in het klooster.

Ongeveer 5 jaar heb ik in het klooster gewoond, gewerkt en groepen begeleid. Aan het einde van deze periode gingen de kloostergeloften knellen. De geloften van eenvoud/armoede was geen probleem; ik had een luxe leven met een goede gezondheid, voldoende eenvoudig maaltijden en een nuttige bijdrage aan het klooster en de wereld. De gelofte van kuisheid was iets lastiger. Sinds mijn studententijd zijn er tot aan mijn verblijf in het klooster altijd wel vrouwen in mijn leven geweest. Tijdens het kloosterleven zijn er geen vrouwen in mijn leven geweest; de verleiding was niet groot. De gelofte van gehoorzaamheid vormde het grote struikelblok: ik ben altijd onafhankelijk geweest en mijn motto was “niemands baas, niemands knecht”.

Mijn wens om mij verder te verdiepen in Oosterse religies viel niet samen met het verzoek om andere kloosters binnen de orde te begeleiden bij veranderingen. In samenspraak zijn plannen voor de verandering van andere kloosters gemaakt; de uitvoering is door anderen verricht. Af en toe heb ik advies gegeven tijdens de voortgang. Van bewoner van het klooster ben ik overgegaan in een periodieke bezoeker.

Rond mijn 55ste levensjaar ging ik een nieuwe fase van mijn leven in. Ik ging Oosterse religies bestuderen”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw studie van Oosterse religies.


[1] Voorbeeld van een klooster. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Benedictijnen

[2] In Engeland door King Hendrik VIII – zie ook http://en.wikipedia.org/wiki/Dissolution_of_the_Monasteries; In Europa tijdens de reformatie waarbij in Nederland de beeldenstorm en de Tachtig Jarige Oorlog niet voorspoedig waren voor de kloosterorden.

[3] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Trappist_praying_2007-08-20_dti.jpg

[4] http://en.wikipedia.org/wiki/File:Meditating_in_Madison_Square_Park.jpg