Tagarchief: Oude Testament

Vrijheid en gebonden: een persoonlijke relatie met God


Carla, Man en Narrator ontmoeten elkaar in het Nieuwe Café bij de Nieuw Kerk in Amsterdam.

“Persoonlijke relaties met Goden zijn van alle tijden nadat in een ver verleden de mensheid en de Goden een plaats in elkaars leven hebben kregen. Deze relaties zijn niet altijd makkelijk en vanzelfsprekend; Goden en mensen stellen elkaar geregeld teleur of laten elkaar in de steek.
De relaties tussen mensen en Goden varieert – zoals bij alle soorten relaties – afhankelijk van de karakters, omstandigheden en noodzaak tussen: afwezig en verwaarlozing, oppervlak en praktisch, doelgericht en berekend, verinnerlijkt en allesomvattend, tot intens en verzengend.
In de loop der tijd zijn de menselijke samenlevingsvormen omvangrijker, complexer en gelaagder geworden waarbij tegelijkertijd ook de gelaagdheid in het Godsbegrip toeneemt. Hoewel de Oppergoden binnen de koninkrijken of wereldrijken een afstandelijke overkoepelende rol vervullen blijven de huisgoden of de plaatselijk heidense goden – het Engelse begrip “pagan gods” of dorpsgoden [1] geeft de rol beter weer – in het dagelijks leven van lokale gemeenschappen de hoofdrol vervullen. Vele lokale boerengemeenschappen zijn in de ogen van de officiële kerken heel lang heidens gebleven [2].

Binnen de Katholieke wereld hebben de lokale Heiligen de plaats ingenomen van de vroeger plaatselijke heidense goden. De Katholieke kerk heeft met haar gebruikelijke pragmatiek deze lokale gebruiken naar haar hand gezet en opgenomen in haar algemene gebruiken: de kerk biedt het grote vaartuig waarin onder haar voorwaarden en door haar gestelde grenzen plaats is voor kerkheiligen en lokale gebruiken met eigen riten [3].

Voor de gewone lokale mensen was de Katholieke God – net als Jezus – een onbereikbaar wezen die net als verre overheersers en legers alleen maar onheil bracht. De lokale clerus en bestuurders – ieder op hun eigen manier – mochten de Katholieke God tevreden houden. Op doortocht door Zuid-Limburg heb ik een plaatselijke wethouder bij een nieuw Hollands voorschrift in wanhoop horen uitroepen: “Wel God in Den Haag!!”. Herderlijke brieven van de Paus in Rome en de Bisschop van het Bisdom zijn welkom als de inhoud bij de lokale gebruiken aansluit, maar als de inhoud niet past dan gaat het plaatselijke gebruik – minder openbaar of een beetje aangepast – gewoon verder; de ouderen wisten dat in de loop van de tijd alle gebruiken toch wel in hun eigen ritme zouden veranderen.

Vooral vrouwen – en mannen incidenteel na de biecht of tijdens een kerkdienst – vragen hulp en troost aan de Maagd Maria meestal door het bidden van de rozenkrans: Maria was altijd belangrijker en behulpzamer dan de onbereikbare God [4].
Maagd Maria[5]
De lokale heiligen bestaan in de materiële wereld: zij zijn tastbaar, staan in de kerk en worden meegedragen tijdens de processies: het lokale heiligenbeeld is de heilige. Hierdoor zijn parochianen zo ontdaan wanneer een oud verweerd beeld wordt gerestaureerd of vervangen door een nieuw beeld uit de fabriek. In beroemde kerken trekken de heiligenbeelden twee groepen bezoekers: parochianen en bedevaartgangers die communiceren met een echt persoon / beter (of hoger) wezen, en toeristen die kijken naar een voorbeeld van kerkelijke kunst.

De persoonlijke relatie tussen de lokale heiligen en parochianen is wederkerig. De parochianen zorgen en vereren de heiligen, maar soms moeten de heiligenbeelden ook gevleid en geprest worden net zoals luie lokale bestuurders. Wanneer de lokale heilige de gebeden niet verhoort, kan het beeld ook gestraft worden; er zijn voorbeelden van in de rivier gooien van het beeld of voor straf met het gezicht naar de muur plaatsen [6].

De machthebbers onderhouden een wederkerige relatie met hun eigen Goden; zij ontvangen advies, steun en hulp bij hun activiteiten, zij houden de Goden in leven door hun gepaste eer te betuigen, en leggen de gebruiken van de Goden – tot wederzijds voordeel – op aan hun onderdanen.

Soms raakt de relatie tussen de machthebber en de Goden verstoort. Volgens de Griekse historicus Herodotus strafte Xerxes – koning van het Perzische Rijk van 485 – 465 v.Chr – de Zeegodin van de Hellespont door haar golven met driehonderd zweepslagen te geselen en met roodgloeiende ijzers te brandmerken, nadat een storm de kabels had vernietigd waarmee de bootbrug van ongeveer 1300 meter over het Hellespont verankerd lag [7].
Xerxes golven[8]
Vanmorgen hebben wij zeer beknopt bezien hoe de Christelijke kerk in praktijk onder Constantijn de Grote na het edict van Milaan in 313 n. Chr. de officiële staatskerk binnen het Romeinse rijk is geworden. Hieraan liggen ten minste twee ontwikkelingen aan ten grondslag. De eerste ontwikkeling is de revolutie van het monotheïsme, zoals doorlopen binnen het Jodendom ruim 1000 jaar eerder [9], en zoals in de vorm van de onoverwinnelijke Zonnegod (Deus Sol Invictus) meegenomen door Keizer Aurelius in 275 n. Chr. vanuit Syrië na zijn overwinning in het Oosten [10]. Het monotheïsme van de Zonnegod was niet absoluut, waardoor dit geloof voor Keizer Aurelius zeer geschikt was om alle Romeinse burgers rond deze nationale God te gaan scharen zonder individuele gevoeligheden van inwoners te kwetsen. Met de algemene acceptatie van deze evidente monotheïstische oppergod kon de tweede ontwikkeling tot stand komen doordat de vertegenwoordiger van de Zonnegod op aarde ook met duidelijke oppermachtige trekken werd omgeven. Deze band tussen de Zonnegod en zijn aardste vertegenwoordiger was in het hele rijk te aanschouwen door de beeltenis van beiden op munten, die hiermee als “(ruil-)objecten in het midden” werden verstrekt en gegarandeerd door de Zonnegod en zijn aardse vertegenwoordiger. De impact van deze tweede ontwikkeling zien wij nog steeds terug in onze naam voor de “Dag des Heren”: Zondag [11].
Munt zonnegod[12]

In 324 n. Chr. werd Constantijn de Grote heerser was over het gehele Romeinse rijk nadat hij Licinius – tot dan machthebber over het Oostelijk deel van het rijk – had verslagen. Hiermee was voor Constantijn “Een God, Een rijk, Een keizer” ontstaan. Hoe Constantijn de overstap van de Zonnegod naar de Christelijk God heeft gemaakt, is niet nauwkeurig meer te achterhalen. Bij de stapsgewijze invoering werden de administratieve organisatie van het Romeinse rijk en de kerkelijke organisatie in de loop ter tijd aan elkaar aangepast. Binnen administratieve eenheden van het rijk werd een bisschop aan het hoofd van de kerkelijke eenheid benoemd: “Een God, Een provincie, Een vertegenwoordiger van God”. Door deze ontwikkeling komen in delen van Europa de kerkprovincies nog steeds overeen met de vroegere provincies van het Romeinse rijk. Deze ontwikkeling is volgens de geschiedenisboeken relatief soepel verlopen, maar in de praktijk met harde hand opgelegd waarbij vele veldslagen en interne twisten binnen de wereldse en kerkelijke macht zijn uitgevochten [13].

Het Oude Testament toont vaak een toornige – en soms rancuneuze – God wanneer zijn volk Hem weer eens in de steek heeft gelaten of zijn volk ontrouw is geweest aan het verbond. Na het ontstaan van “Een God, Een rijk, Een machthebber” met daarmee direct verbonden “Een God, Een kerk, Een territoriale vertegenwoordiger”, vragen de instandhouding van de machthebber/vertegenwoordiger en van kerk/rijk alle aandacht, zodat positie van een monotheïstische God als Oppergod niet meer principieel ter discussie werd gesteld. De Godsdienst twisten richten zich enerzijds op de mate waarin de monotheïstische Romeinse Vader God almachtig en op de posities van het universum van hemelse figuren – Christus, De Heilige Geest, Maria, de heiligen en engelen enz. – met en rondom God, en anderzijds op de relatie tussen de mensheid en de wereld met God, zijn universum, het ontstaan en einde hiervan. Zullen wij de Nieuwe Kerk binnengaan?”, zegt Narrator.

Carla, Narrator en Man gaan de kerk binnen. Zij blijven bij de preekstoel staan.

“Prachtige introductie. Bij het zien van deze preekstoel moet ik jou onderbreken, want deze preekstoel doet mij denken aan de tent van Alexander de Grote waarin hij na zijn dood nog steeds vanaf zijn troon zorgde voor orde en eenheid.

preekstoel Nieuwe Kerk[14]

Kort samengevat: Alexander de Grote liet na zijn dood in 323 v. Chr. een immens rijk achter dat reikte over de gehele beschaafde wereld van Griekenland, Egypte tot net voorbij de Indus rivier in het Oosten. Tijdens zijn leven was Alexander de Grote – met zijn onmetelijk charisma, zijn politiek van verdeel en heers, zijn beloning van trouw en zijn niets ontziende wraak bij ontrouw – de allesbindende factor met een nagenoeg Goddelijke status [15]. Zonder duidelijk aangewezen opvolger na zijn voortijdige dood, begon snel een nietsontziende machtsstrijd tussen (vermeende) troonpretendenten en aanhang. Binnen korte tijd waren de meesten van Alexander’s rechtstreekse troonpretendenten – vrouwen en kinderen – vermoord; ook zijn vrouwen namen deel aan het wederzijds uitmoorden van elkaar en elkaars kinderen.
De feitelijke strijd om zijn opvolging werd gevoerd binnen Alexander’s kleine kring van vertrouwelingen – die afwisselend de rol van generaal, strijdmakkers en uitvoerder hadden vervuld – en verschillende lokale machtshebbers, die Alexander de Grote op zijn zegetocht had achtergelaten als bewakers van delen van zijn rijk.

Een van Alexander’s vertrouwelingen was zijn secretaris Eumenes – een buitenstaander en buitenlander van Griekse afkomst – die in de loop van de strijd om de opvolging een steeds grotere rol ging vervullen waarbij hij vooral als beschermer van de moeder en enig overgebleven zoon van Alexander optrad. Eumenes bleek een uitstekend militair strateeg en tacticus, waardoor hij de meeste veldslagen won, maar verder miste hij alle goede en slechte eigenschappen van Alexander op het gebied van charisma en wraakzucht, en daarbij bleef hij een vreemde voor de Macedoniërs. Op het moment dat hij een eenheid moest maken tussen verschillende facties binnen zijn leger waaronder de eigenzinnige en zelfbewuste Zilveren Schilden – de nog nooit verslagen elite troepen die Alexander van zijn vader Philippus II had geërfd en hem op zijn zegetocht veel overwinningen hadden bezorgd; velen waren al ruim 60 jaar oud – besloot Eumenes de geest van Alexander weer tot leven te brengen. Hij vertelde de aanvoerders van de troepen die aan hem waren toevertrouwd dat Alexander in een droom aan hem was verschenen en de opdracht had gegeven om alle aanvoerders in een tent voor Alexander’s troon te verschijnen voor beraad. De aanvoerders accepteerden dit voorstel. Eumenes liet uit de koninklijke schatkist een troon maken die voorzien van de scepter en diadeem in een tent werd geplaatst. Alle aanvoerders brachten eerbetuigingen aan de lege troon waarbij zij wierook brandden voor Hem – de geest van Alexander op de troon. Eumenes beloofde dat zolang zij als raadsgroep voor de troon bijeenkwamen en de bevelen van Hem aanvaarden, dan zou Alexander aanwezig zijn en hen leiden bij hun beslissingen. Nadat Eumenes en de aanvoerders over waren gegaan op deze wijze van beslissen, was de onderlinge spanning aanmerkelijk afgenomen. Uiteraard had Eumenes de meeste inbreng tijdens het overleg [16]. Bijna was Eumenes erin geslaagd om de troon voor de familie van Alexander veilig te stellen, maar in een beslissende eindstrijd had de tegenstrever van Eumenes de bagagetrein met vrouwen en bezittingen van de Zilveren Schilden veroverd. Een deel van de Zilveren Schilden koos uiteindelijk voor hun bezittingen en zij leverden Eumenes met een list over aan zijn tegenstrever. Eerst durft de tegenstrever Eumenes uit eerbied niet te doden, maar later gaf hij hier toch opdracht toe. De onoverwinnelijke Zilveren Schilden worden ontbonden, de aanvoerder gedood en de afzonderlijke infanteristen krijgen in afgelegen gebieden onmogelijke opdrachten die zij meestal niet hadden overleefd. Al die tijd had de Geest op de troon hen bij het nemen van beslissingen in deze de woelige periode geleid en tot overwinningen gevoerd wanneer zij trouw bleven aan de besluiten [17].

Bij het zien van deze preekstoel valt mij de overeenkomst op met de tent van Alexander en een Geest op de troon”, zegt Carla.

“Boeiende aanvulling. Zullen wij vanavond verder gaan met dit onderwerp”, zegt Narrator.
“Dat is goed”, zegt Man.

[1] “Pagan Gods” komt van goden van de pagus of pays. Pagus betekent in het Latijn: gouw, dorp
[2] Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, p. 50
[3] Zie als voorbeeld: Robb, Graham, The discovery of France. London: Picador, 2007, hfdst. 7: Fairies, Virgins, Gods and Priests.
[4] Zie ook: Robb, Graham, The discovery of France. London: Picador, 2007, hfdst. 7: Fairies, Virgins, Gods and Priests en Histoire de la Vie privée. Tome 3: De la Renaissance aux Lumière. Red. Ariès, Philippe & Duby, George. hfdst. 1 (p. 85 van de Nederlandse uitgave)
[5] Bron afbeelding: http://fr.wikipedia.org/wiki/Rosaire
[6] Bron: Robb, Graham, The discovery of France. London: Picador, 2007, p. 133 – 134
[7] Zie: Herodotus 7.35 en http://en.wikipedia.org/wiki/Xerxes’_Pontoon_Bridges
[8] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Xerxes_lash_sea.JPG
[9] Zie onder meer: Potok, Chaim, Omzwervingen, ‘s-Gravenhage: BZZTôH 1999 en Schama, Simon, De geschiedenis van de Joden – Deel 1: De woorden vinden 1000 v.C. – 1492. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2013
[10] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Sol_Invictus
[11] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Zondag en Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, p. 30
[12] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Sol_Invictus
[13] Zie ook: MacCulloch, Diarmond, Christianity – The first three thousand Years. New York: Viking, 2010, Part II “One Church, One Faith, One Lord?”en Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, Hfdst. II en III
[14] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Kerk_(Amsterdam)
[15] Zie ook: Lane Fox, Robin, Alexander de Grote, Amsterdam: Uitgeverij de Arbeiderspers, 2005
[16] Bron: Romm, James, Ghost on the Thone – The death of Alexander the Great and the war for crown and empire. New York: Alfred A. Knopf, 2011. p. 220-221, 235
[17] Zie: Romm, James, Ghost on the Thone – The death of Alexander the Great and the war for crown and empire. New York: Alfred A. Knopf, 2011. Hfdst. 10

Advertenties

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 10


Carla, Man en Narrator lopen na hun bezoek aan de Basilica di Santa Croce naar hun pension.

“Ik kom terug op de woorden van Baäl Sjem als leidraad in jouw inleiding tot “God in search of Man”. Ik heb gemengde gedachten bij het kwaad dat wij impliciet in onderlinge verbondenheid met ons meedragen. In mijn professionele leven heb ik onderzoek gedaan naar de oorzaken, feiten en logica van het kwaad in oorlogen. Ook ik draag het kwaad – net als alle mensen – in vele vormen met mij mee; ik kom hier later op terug. Ik vraag mij af of op een soortgelijke wijze alle mensen een Goddelijke gedaante met zich meedragen”, vraagt Carla aan Man.

“Jouw vraag vormt een overgang naar God in de gedaante van een mens. De Joodse en Christelijke monotheïstische God heeft de mens naar zijn beeld geschapen [1]. In het Oude Testament voor de Christenen en de Tenach voor de Joden, wordt God als almachtig, onzichtbaar en in de kern onnoembaar beschreven. Wel heeft God vele menselijke trekken: God hecht aan trouw en aan een verbond [2], God is toornig en bij vlagen jaloers. De Christelijke God zendt volgens het Nieuwe Testament zijn zoon in een menselijk gedaante naar de aarde. Moeten wij bij deze beschrijving terugvallen op religie? Is God in een menselijke gedaante fysiek mogelijk? Of is hier sprake van levenswijsheid in de vorm een samengaan van wetenschap en religie volgens Martin Buber?”, zegt Man.

Feiten en logica 10a[3]

“Interessante vraag. In de natuur kunnen lagere organismen voor korte of lange duur het gedrag en het bewustzijn van hogere organismen sturen of zelfs overnemen. Een bekend voorbeeld is hoesten tijdens verkoudheid; dit hoesten is hoofdzakelijk gericht op het verspreiden van het virus. Minder bekende voorbeelden zijn: bepaalde schimmels nemen het gedrag van insecten volledig over om zo hun eigen kansen op voortplanting te optimaliseren. Mieren – besmet met een sporen uit de Cordyceps-stam – gaan naar een gunstig hoog gelegen blad of tak waar zij zich vastbijten en sterven; uit de dode mieren groeit de schimmel die vanaf deze ideale plaatsen haar sporen verspreid [4].

Feiten en logica 10b[5]

Een ander voorbeeld is de infectieziekte hondsdolheid dat in de furieuze variant het gedrag van honden en mensen op een optimale wijze overneemt en stuurt voor haar eigen verspreiding [6]. Omgekeerd kunnen ook complexere organismen het gedrag van eenvoudige organismen aanpassen, zoals de mensen door gewasveredeling in de landbouw zorgen voor een betere oogstopbrengst en door rasveredeling in de veeteelt groter en sterker vee bewerkstelligen. Laten wij aannemen dat God een hoger en complexer wezen is dan de mens; zou God zich kunnen manifesteren in een menselijke gedaante? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?”, zegt Carla.

“Tijdens het ontstaan van het Christendom is er een stevige richtingenstrijd [7] geweest over de positie van Christus. Uiteindelijk is deze richtingenstrijd binnen de Katholieke kerk uitgemond in de leer van de drie-eenheid met een Vader God die zijn zoon voor de verlossing van de mensheid als Messias naar de aarde heeft gestuurd en daarnaast de Heilige Geest. Van deze drie-eenheid is de zoon van God op de aarde net als ieder mens overleden; ook de Messias in de vorm van zoon van God was op dit punt gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg. Volgens de Christelijk leer is hij uit de dood opgestaan en na 40 dagen op aarde in de hemel opgenomen [8].

Feiten en logica 10c[9]

Een andere benaderingswijze die ik zonet heb genoemd, is dat de mensheid naar het evenbeeld van God is geschapen. Erich Fromm [10] stelt op basis van analyse van de Tenach [11] en de Talmoed dat:

“De mens kan als God worden, maar de mens kan niet God worden” [12].

Hij vermeldt erbij dat sommige Rabbijnse uitspraken impliceren dat het verschil tussen God en mens opgeheven kan worden met als voorbeeld:

Raba zei: Als de rechtvaardigen wilden zouden zij scheppers kunnen zijn, want er staat geschreven: ’maar uw ongerechtigheden maken een scheiding – of vormen het verschil – tussen U en Uw God’ (Jes. 59:2). Zonder ongerechtigheden zou de menselijke macht die van God evenaren en zou de mens in staat zijn een wereld te scheppen” [13] .

Volgens Erich Fromm is de essentie dat de mens uitstijgt boven zijn aardse bindingen van bloed en bodem en tot onafhankelijkheid en vrijheid komt [14]. Ik denk dat Erich Fromm naast “vrijheid van” vooral doelt op “vrijheid tot”. Het verrassende aan deze analyse van Erich Fromm vind ik dat binnen de metafoor van Indra’s Net de mens ook binnen de aardse bindingen van bloed en bodem de onafhankelijkheid en vrijheid heeft tot het scheppen van een wereld. Binnen Indra’s Net schept iedere glasparel het net, en in iedere glasparel wordt zonder ongerechtigheden het gehele net weerspiegelt”, zegt Man.

“Omdat ik niet vrij was van ongerechtigheden, heb ik ervoor gekozen om de roepnaam Kṛṣṇa die ik van mijn ouders had gekregen, in Kenia achter te laten; bij mijn vertrek uit Amsterdam heb ik om de ongerechtigheid van schoonheid mijn masker van een idool afgelegd; en door ontelbare ongerechtigheden lag mijn bestaan in het spiegelpaleis bewoond door geheime diensten aan gruzelementen [15]. De kiemen van ongerechtigheden hadden mijn vroegere incarnaties tot op het merg aangetast: mijn leven was toe aan een andere verschijningsvorm”, zegt Narrator.

Feiten en logica 10d[16]

“Incarnaties en verschijningsvormen zijn volgens mij geen God in een menselijke gedaante. Zij zijn misschien volgens Erich Fromm wel een mens als God”, zegt Carla.

“In het geval van Kṛṣṇa zou dat wel een anders kunnen zijn. Laten wij daar vanavond verder over discussiëren”, zegt Man.

Carla, Man en Narrator zijn bij hun pension aangekomen. Carla houdt haar middagrust en Man en Narrator lezen wat en maken een middagwandeling.


[1] Zie boek Genesis 1:27 uit het Oude Testament.

[2] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Ark_van_het_Verbond en Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 104 – 106

[3] Moses met de Tien Geboden door Rembrandt (1659). Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Covenant_theology

[5] Bron afbeelding en zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Cordyceps

[6] Zie ook: Quammen, David, Spillover – Animal infections and the next human pandemic. New York: W.W. Norton & Company, 2012, p. 296 – 297. Zie ook: http://www.ccohs.ca/oshanswers/diseases/rabies.html

[7] Zie ook: MacCulloch, Diarmond, Christianity – The first three thousand Years. New York: Viking, 2010, Part II “One Church, One Faith, One Lord?”

[8] Zie ook: Marcus 16:19, Lucas 24:51 en Handelingen van de Apostelen 1:1-12 van het Nieuwe Testament.

[9] Hemelvaart van Christus door Garofalo, 1520 Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Feast_of_the_Ascension

[12] Bron: Fromm, Erich, Gij zult zijn als Goden. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 62

[13] Bron: Fromm, Erich, Gij zult zijn als Goden. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 62

[14] Bron: Fromm, Erich, Gij zult zijn als Goden. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 64

[15] Zie ook: Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013

[16] Krishna Mediating between the Pandavas and Kauravas. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Krishna

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 5


Carla, Man en Narrator zitten in het restaurant voor hun diner. Zij hebben hun drankjes en menukaart gekregen.

“Proost, op de voortgang van onze zoektocht. Zijn jullie tevreden tot nu toe”, zegt Man.

“Deels. De eenheid – en ook de binding tussen de ander met het alomvattende – is goed aan bod gekomen, maar de ander als entiteit blijft onderbelicht. Misschien kunnen wij daar meer aandacht aan geven”, zegt Narrator.

“Misschien heb ik tot nu toe teveel nadruk gelegd op het “Ene Alomvattende”. Dat komt waarschijnlijk door mijn levensloop met veel gedwongen scheidingen. De laatste jaren ben ik veel – mogelijk teveel – aandacht gaan geven aan de binding tussen alle gebeurtenissen in mijn leven. Wat vindt jij Carla”, zegt Man.

“Tijdens mijn inleiding tot de geordende chaos zal ik meer aandacht besteden aan de ander; bij een overzicht van de ontwikkeling binnen de wetenschap in een vogelvlucht is dat nodig. Vullen jullie mij aan vanuit jullie achtergrond en denkkader. Maar laten wij eerst onze maaltijd bestellen”, zegt Carla.

Carla, Man en Narrator maken hun keuze uit het menu en bestellen hun avondmaal.

“Er kan op vele manieren een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de wetenschap – die in onze tijd is gecumuleerd in een geordende chaos. Er zijn vele boeken met uitstekende inleidingen over het ontstaan van logica, wiskunde, natuurkunde, sterrenkunde en andere wetenschappen. Mijn inleiding is persoonlijk en is zeker vatbaar voor kritiek; een kenmerk van wetenschap volgens Popper en Kuhn [1]. Ik denk dat wetenschap is begonnen toen mensen duiding zijn gaan geven aan hun leefomgeving opdat zij hun overlevingskansen kunnen vergroten door grip te krijgen op omstandigheden en tastbare zaken [2]. Waarschijnlijk hebben mensen in eerste instantie deze duiding proberen te geven door middel van rituelen zoals jagerverzamelaars zich binnen rituelen identificeren met hun prooi [3], herders-volkeren via de vee-cyclus [4] en via de verering van het gouden kalf in het Oude Testament hun kudden wilde bestendigen en vergroten, en landbouwers via tijdsbepaling met bijbehorende rituelen in het jaar het moment voor het zaaien en oogsten vastlegden. Tegelijkertijd met duiding hebben mensen ook magische krachten toegekend aan rituelen waardoor rituelen de gewenste omstandigheden konden bewerkstelligen. Deze creatieve daad van zinneming en zinneming [5] door middel van rituelen was een eerste revolutie in de wetenschappelijke ontwikkeling van mensen; restanten van deze revolutie zien wij vandaag nog steeds in het gedrag en rituelen binnen onze samenleving, bijvoorbeeld bij wendingen in het persoonlijke en openbare leven en bij jaarfeesten.

feiten en logica 51[6]

De tweede revolutie in de wetenschappelijk ontwikkeling van mensheid bestond uit een verschuiving van de aandacht van het verkrijgen van gewenste omstandigheden of zaken door middel van het verrichten van rituelen naar een begrip – en onderzoek – van het leven van de mens op aarde; het zelf/Zelf werd onderwerp van onderzoek. In de Westerse wereld werd een tijdelijk samenhangend hoogtepunt bereikt binnen de Middeleeuwse Scholastiek, die met de filosofie – in die tijd direct verbonden met de theologie – de gehele menselijk leefwereld volkomen verklaarde en duiding gaf; het leven stond in dienst van God, diens schepping en het hiernamaals bij voorkeur in de hemel of in de hel bij een slecht leven. In India rond 600 v. Chr. mondde deze aandacht uit in de Upanishads met de nadruk op het “Zelf/Ene” als eenheid [7] en het leven was onderwerp van meditatie.

feiten en logica 52[8]

De derde revolutie in de wetenschappelijk ontwikkeling van de mensheid bestond uit de verschuiving van het centrale “Zelf/Ene” – of God binnen de Middeleeuwse Scholastiek waarin alles op de een of andere wijze rechtstreeks mee in verbinding stond – naar een zelfbewustzijn van het individu en naar “de ander” die bestaat uit de andere mensen, de omgeving, de omstandigheden en de tastbare zaken. In de Westerse wereld werd wetenschap – en later de filosofie – van de Godsdienst gescheiden opdat het wetenschappelijke onderzoek zich onbevangen, (waarde-)vrij van dogma’s en gericht op feiten en logica kon ontwikkelen. In de Renaissance stelde de mens de wetenschap in eerste instantie voor als een uurwerk waarin de onderlinge raderen en beweging ontdekt moesten worden, waaruit vervolgens de leefomgeving en de loop der dingen verklaard konden worden [9]. Vervolgens probeerde wetenschappers wiskundige vergelijkingen voor alles te achterhalen [10]. De eerste ontwikkelingen waren zo indrukwekkend dat de mensheid deze vergelijkingen uit de klassieke mechanica [11] nog steeds gebruikt om ruimtevaartuigen uiterst nauwkeurig te besturen.

feiten en logica 53[12]

Daarna werd de kennis over het oplossen van wiskundige vergelijkingen een belemmerende factor: een aantal lineaire (differentiaal-) vergelijkingen waren verhoudingsgewijze eenvoudig op te lossen. De wetenschap probeerde de leefomgeving onder ideale omstandigheden (zonder wrijving, tegenwind waarbij al het onbekende was samengevat in constanten) te beschrijven in lineaire vergelijkingen waarvan de oplossing bekend was, net alsof onze leefwereld alleen bestaat uit gecultiveerde Franse tuinen.

feiten en logica 54[13]

Tot ruim honderd jaar geleden was de ontwikkeling van de wetenschap zo veelbelovend dat alleen nog enkele kleine onvolkomenheden – zoals de vraag hoe de zwaartekracht wordt overgedragen en de vraag of licht bestaat uit deeltjes of uit golven – oplossing behoefden. De eerste scheuren in deze verwachting ontstonden nadat bleek dat licht tegelijkertijd bestond uit deeltje èn uit lichtgolven, dat binnen de kwantummechanica de snelheid en de plaats van deeltjes niet tegelijkertijd nauwkeurig bepaald konden worden, en dat uitkomsten binnen de relativiteitstheorie afhankelijk waren van de wijze van waarnemen.

Deze scheuren groeiden uit met de constatering dat onze dagelijkse leefomgeving voor een belangrijk deel bestaat uit niet-lineaire differentiaalvergelijkingen die niet oplosbaar zijn en vaak alleen benaderd kunnen worden. Bovendien bleken zelfs eenvoudige modellen – zoals het drielichamenprobleem [14] in de ruimte – uiterst complex en alleen in bijzondere eenvoudige omstandigheden oplosbaar. Daarnaast vertoonden eenvoudige modellen – zoals een dubbele staafslinger [15] – een chaotisch karakter waarbij de uitkomsten in de loop van de tijd enorm konden verschillen bij minieme verschillen in de begintoestand.

Ik zie dat onze maaltijd wordt geserveerd. Later ga ik verder”, zegt Carla.

“Bij het aanhoren van jouw inleiding valt het mij op dat de Mahābhārata een vergelijkbare revolutie ten opzichte van Upanishads – die zich richten op het Ene/Alomvattende – heeft veroorzaakt. In de Mahābhārata wordt de aandacht verlegd naar de ander/zelf in relatie tot de Ene/Zelf, waarin niets kan worden begrepen losstaand van de rest. Het Zelf is een wezen in relatie met zichzelf en op het zelfde moment is het Zelf een wezen ten opzicht van de ander en hiermee wordt het eigen leven verbonden met het leven van de ander [16]. De wijze waarop deze aandacht in de Mahābhārata wordt verlegd, is meer gericht op uitleg en beschrijven van het leven en minder gericht op beheersing en grip of de leefomgeving”, zegt Narrator.

“Bij jouw inleiding moet ik denken aan de titel van een dichtbundel van Rutger Kopland:

Wie wat vindt,

heeft slecht gezocht. [17]

en aan een uitspraak van Prof. Dr. W. Luijpen in zijn colleges aan de Technische Universiteit in Delft:

Bewijzen is dwingend doen kennen dat een ander door de knieën gaat.

Misschien iets om over na te denken bij het vervolg van onze zoektocht”, zegt Man.

“Interessante gedachten; op het dwingend doen bewijzen kom ik terug bij het denkraam van de strijder, maar laten wij eerst van onze maaltijd genieten”, zegt Carla.

“Eet smakelijk”, zeggen Man en Narrator vervolgens.


[1] Zie ook: Nārāyana, Narrator, Carla Drift – Een Buitenbeentje, Een Biografie. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 34

[2] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 103. Zie ook: Calvin, William H., De Rivier die tegen de Berg opstroomt – een reis naar de oorsprong van de aarde en de mens. Amsterdam: Bert Bakker, 1992

[3] Zie ook: Eliade, Mircea, A History of Religious Ideas, Volume I, Chicago: The University of Chicago Press, 1982, p. 5 en Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 111 – 112

[4] Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 33 – 34 en 94 – 95

[5] Zie ook voor de “creatieve daad van zinneming en zinneming”: Merleau-Ponty, Maurice, Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Boom, 2009

[6] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gouden_kalf_

(Hebreeuwse_Bijbel)

[9] Zie ook: Stewart, Ian, Does God Play Dice? London: Penguin Books, 1992², p. 5 – 8

[10] Zie ook: Stewart, Ian, Does God Play Dice? London: Penguin Books, 1992², p. 18 – 33

[16] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 530

[17] Bron: Kopland, Rutger, Verzamelde gedichten. Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2010, p. 103

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 3


“Na mijn middagrust heb ik weer genoeg energie voor de avond. De vele tropische ziekten hebben hun sporen in mijn lichaam achtergelaten; een hele dag actief blijven is soms teveel van het goede. Welke boeken heb jij gekocht?”, zegt Carla.

“Een Italiaans cursusboek voor Sanskriet om mijn studie nieuw leven in te blazen en “Six memos for  the next Millennium” van Italo Calvino. De titels van deze memos zijn intrigerend:

  • 1 – Lightness,
  • 2 – Quickness,
  • 3 – Exactitude,
  • 4 – Visibility,
  • 5 – Multiplicity

en het nooit op papier gezette memo “6 – Consistency”. De titels voor deze memo’s zouden ook de richtsnoeren voor onze Odyssee moeten zijn, waarbij wij – net als Italo Calvino – het zesde memo nooit op papier kunnen zetten omdat wij dan het volledige universum in zijn volkomen oneindigheid moeten beschrijven”, zegt Man.

feiten en logica 31[1]

“Daar zie ik Narrator aankomen. Mooi om hier in de avondzon te zitten met uitzicht op de “Basilica di Santa Maria Novella”. Voldoet de façade van de Basilica ook aan de titels van de memo’s?”, zegt Carla.

feiten en logica 32[2]

“Goede vraag met vele antwoorden. Goede ontmoeting gehad met jouw vriend?”, zegt Man.

“Mooi om elkaar na zoveel jaren weer te zien. Wij zijn veel veranderd en ook hetzelfde gebleven; vertrouwd en anders. Met de jaren is de lichamelijke aantrekkingskracht verdwenen, maar de genoeglijkheid van het samenzijn is gelukkig gebleven. Zullen wij eerst wat drinken en de menukaart vragen?”, zegt Narrator.

“Dat is goed. Dan zal ik na onze keuze uit het menu – zoals vanmiddag beloofd – mijn kijk op “feiten en logica” van “Wie ben jij?” met jullie willen delen”, zegt Man.

Carla, Man en Narrator bestellen hun drankjes, maken hun keuze uit het menu en bestellen hun avondmaal.

“Gisteren ben ik begonnen in “De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid”, de Nederlandse heruitgave van “Man is not alone – A Philosophy of Religion”, van Abraham Heschel [3] uit 1951. De titel van het boek spreekt mij aan, omdat mijn voornaam erin wordt genoemd en omdat ik meer wil weten over het geloof in God dat mij in mijn volwassen leven vreemd is gebleven. Ik heb lang in kloosters gewoond en ik heb groepen begeleid bij Oosterse wijsheid, maar een ervaring van Gods aanwezigheid heb ik nooit gehad. De eerste acht hoofdstukken van het boek over “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat” komen rechtstreeks uit mijn binnenste en gaan daaraan voorbij zoals bloesem aan een boom – opgenomen in het heelal – uit de aarde voorkomt, erdoor wordt gevoed en er weer in onder zal gaan [4]. In hoofdstuk 9 van het boek staat een passage – ik lees voor – “Wij loven tezamen met de kiezels op het wegdek, die als versteende verbazing gelden, tezamen met alle bloemen en bomen die eruit zien alsof zij in stilte gehypnotiseerd zijn. Wanneer geest en ziel met elkaar in overeenstemming zijn, wordt geloof geboren” [5]. Tot hier is het boek voor mij volkomen logisch en herkenbaar, zoals ook het feit dat het “Ene” – dat alom aanwezige is – bestaat, waarin wij volkomen zijn opgenomen en waarvan wij, ieder en alles om ons heen tijdelijke manifestaties zijn. Maar God – als de andere – blijft een vreemde voor mij. Wie is hij? Waardoor staat God los van “het onuitsprekelijke”, “de opperste verbazing”, “de ultieme vraag die woorden te boven gaat”. Deze scheiding is voor mij onwerkelijk; ik kan dit niet bevatten: het in niet logisch”, zegt Man.

feiten en logica 33[6]

“In het land van mijn voorouders wordt het “Individuele Ene” of Ātman [7] – dat qua klank gelijkenis vertoont met ons woord adem – en het “Ene Alomvattende” of Brahman [8] verwoord en onderwezen door de Upanishads [9]. Via een volledig bewustzijn dat Ātman en Brahman twee manifestaties van het “Ene” zijn en daardoor in elkaar samenvallen zoals en druppel in de zee, overstijgen wij ons mens-zijn op aarde.

feiten en logica 34[10]

Of wij – al dan niet – geloven in een “Een alomvattend Zelf” als eeuwigdurende entiteit, is van weinig belang voor ons menselijk leven met alledaagse vreugde, lijden en waanzin. Het Boeddhisme bewandelt een strikte middenweg tussen het “Een alomvattend Zelf” en het “menselijk dagelijks leven” om zo een bodemloze put van metafysische vraagstukken te vermijden [11]. Een tak van deze middenweg is de metafoor van Indra’s Net [12] dat een beperkte weergave biedt voor een onderling verband tussen al de afzonderlijke manifestaties en het “Een alomvattend Zelf”. De Mahābhārata brengt in dit denken een radicale verandering aan door de aandacht in het alledaagse leven te verleggen van Ātman naar “Dharma” – of wereldorde en plicht[13]; Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”. In de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – cumuleert de “aandacht voor het alledaagse leven” wanneer Arjuna het strijdperk betreedt waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht  (Dharmakshetra [14]) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra [15]). Wanneer Arjuna zijn familie, leraren en dierbaren tegenover zich ziet staan, weigert hij het startsein te geven in de strijd tussen de twee partijen. Kṛṣṇa – zijn leidsman en wagenmenner tijdens dit gevecht – zet Arjuna aan om zijn plicht binnen de wereldorde te vervullen en Kṛṣṇa slaagt hier pas in nadat hij tijdens de dialoog zijn Goddelijke gedaante heeft aangenomen; daarna geeft Arjuna het startsein voor de strijd met desastreuze gevolgen voor alle hoofdrolspelers, maar waarin zij hun plicht en taak vervullen binnen de ontstane wereldorde. Binnen en samenvallend met het “Een alomvattend Zelf” is de Goddelijke gedaante van Kṛṣṇa in dit deel van de Mahābhārata een hoeder en leidsman van de wereldorde”, zegt Narrator.

“Binnen het denkkader van jouw voorouders met hun kijk op “feiten en logica” vervullen mensen en Goden hun rol in de wereldorde. Binnen mijn denkkader past geen Goddelijke rol die losstaat van “het Ene onuitsprekelijke”: ik voel mij thuis binnen het denkraam van de Upanishads en binnen de middenweg van het Boeddhisme, maar ik bestudeer graag zienswijzen waar ik het niet mee eens ben, om hetgeen te achterhalen wat anderen zien en ik niet zie”, zegt Man.

“In de laatste zin hoor ik een uitspraak van Professor Dr. W. Luijpen tijdens zijn colleges filosofie aan de TU Delft. Ook ik heb in mijn leven veel gestudeerd waar ik het niet mee eens ben. In mijn studies naar misdaden tegen de mensheid ben ik veel sluitende, onjuiste en leugenachtige denkkaders tegengekomen waar ik het volstrekt mee oneens was. Na studie van het Oude Testament en de Mahābhārata – met de nadruk op ahiṃsā of geweldloosheid als fundament van leven [16] – ben ik tot de conclusie gekomen dat het boeken zijn die vrede tot doel hebben, hoewel beide boeken vol staan van bedrog, geweld en gruweldaden. Ik zie dat onze maaltijd eraan komt. Later hoop ik wat meer over het denkraam van de strijder te kunnen vertellen”, zegt Carla. feiten en logica 35[17]

“Smakelijk eten; later gaan wij verder met onze zoektocht”, zegt Man.

“Voldeed onze discussie aan de titels van de zes memo’s van Italo Calvino?”, vraagt Narrator.

“Volgens mij wel”, zegt Carla.

“Volkomen”, zegt Man.


[1] Zie ook: Calvino, Italo, Six Memos for the next Millennium. New York: Vintage Books, 1993

[3] Zie: Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011. De oorspronkelijke uitgave is: Heschel, Abraham Joshua, Man is not alone – A Philosophy of Religion. New York: Farrar, Straus and Giroux, 1951. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Joshua_Heschel

[4] Zie ook: Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 50 – 51

[5] Zie: Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011, p. 85.

[6] Bron afbeelding: Voorkant van Heschel, Abraham Joshua, De mens is niet alleen – De ervaring van Gods aanwezigheid. Utrecht: Kok, 2011

[8] Het woord Brahman is waarschijnlijk verwant met de werkwoordswortel √bhṝ dat “vermeerderen of vergroten” betekent. Zie voor een verdere inleiding: http://en.wikipedia.org/wiki/Brahman

[9] Upanishad betekent letterlijk in het Sanskriet: “neerzitten gericht naar”. Dit neerzitten vindt plaats bij een leermeester voor onderricht in het eeuwigdurende alomvattende mysterie dat ons leven vormt. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.  Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Upanishads

[11] Zie ook: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 67 – 68

[12] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 66 – 68;  Cook, Francis, Hua-Yen Buddhism: The Jewel Net of Indra. University Park and London: The Pennsylvania State University Press, 1977; Cleary, Thomas, Entry Into the Inconceivable: An Introduction to Hua-yen Buddhism. Boston:  Shambhala, 2002; en Cleary, Thomas, The Flower Ornament Scripture, a Translation of the Avatamsaka Sutra. Boston: Shambhala, 1993

[13] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.

[14] Dharmakshetra is samengesteld uit Dharma “plaatsen van de voortdurende zelf/Zelf”, en “kshetra” – letterlijk: veld.

[15] Kurukshetra is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat “maken, doen of handelen” betekent en “kshetra” – letterlijk: veld.

[16] Zie ook: hoofdstuk 5 van Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006

Vijf gangbare werkelijkheden – Inleiding


De zoektocht naar “Wie ben jij” in de vorm van een “Verkenning van ons bestaan” is een hedendaagse Odyssee met 17 aanlegplaatsen. Aan het einde zullen wij terugkijken op onze reis. Wij zien dat alles in een zucht is volbracht.

Voordat wij de zoektocht hervatten met het betreden van de wereld van alledag, geven wij eerst een korte samenvatting van de reis tot nu toe.

Bij de eerste aanlegplaats hebben jij en ik de volkomen eenheid beleefd om vandaar via “Solipsisme”, “Het universum is een droombeeld”, “Pantheïsme” en “Indra’s net” naar de tweede aanlegplaats te reizen.

indras-net2[1]

Op de tweede aanlegplaats is de eenheid na een eerste scheuring van lucht en aarde [2] in onnoemelijk veel deeltjes uiteengevallen. Ook jij en ik zijn volkomen uiteengevallen in ontstellend veel minieme deeltjes. Na een eerste ordening binnen deze deeltjes zijn wij – de hoofdpersonen Carla Drift, Man Leben en Narrator – na een onnoemelijk lange tijd in de vorm van mens op onze aarde teruggekeerd.

Atomen[3]

Bij de derde aanlegplaats hebben wij gezien hoe onderling vertrouwen en wederkerige verbondenheid tussen mensen tot stand komen – en worden bestendigd – door het plaatsen van “mensen, objecten, offergaven en het woord in het midden” tussen mensen onderling en/of tussen mensen en de onderlinge onzekerheid. kroning van karel de grote[4]

Als voorbereiding voor het vervolg van onze Odyssee – waarin wij het leven van alledag betreden – is er een intermezzo gevolgd en vervolgens hebben de drie hoofdpersonen elkaars biografie beschreven. Het verslag van het eerste deel van onze Odyssee en de drie biografieën zijn te verkrijgen op de website van de uitgeverij.

wie ben jij1

NLCarla Drift - een buitenbeentje voorkant jpgNarrator-Noordelijke1

Narrator - een weg

Tijdens het tweede deel van onze Odyssee gaan wij de volgende vijf gangbare werkelijkheden als aanlegplaatsen voor het leven van alledag aandoen, omdat deze gezichtspunten een goede indruk bieden van de menselijke beleving van het dagelijkse leven:

o Feiten en logica

o Intensiteiten en associaties

o Leegte

o Verandering

o Onderlinge verbondenheid

Bieden deze vijf gangbare werkelijkheden alles wat wij nodig hebben voor onze zoektocht naar “Wie ben jij?” [5]. Wij hebben eens gelezen dat:

Wanneer jij deze vijf aanlegplaatsen op een correcte manier bezoekt, dan ben jij opgenomen in het volkomen heelal. Bezoek jij deze gangbare werkelijkheden op een verkeerde manier, dan blijf jij een gewone sterveling”. [6]

Aan het einde van deze gangbare werkelijkheden zullen wij terugkijken om te zien of wij nog gewone stervelingen zijn en/of wij opgenomen zijn in het volkomen heelal.


[2] Volgens Genesis 1:1 – het eerste boek van Oude Testament – schiep/scheidde God eerst de lucht en de aarde. De Hebreeuwse werkwoordkern “bara” heeft vier betekenissen: “scheppen”, “klieven”, “uitverkiezen” en “voeden”. Bron: http://www.qbible.com/hebrew-old-testament/genesis/1.html

In de Westerse vertalingen van de Hebreeuwse versie van het Oude Testament wordt het woord “shamayim” vertaald met “hemel”. Waarschijnlijk is “lucht” of “firmament” een betere vertaling voor het Hebreeuwse woord “shamayim”. Zie ook: http://www.qbible.com/hebrew-old-testament/genesis/1.html en http://www.ancient-hebrew.org/35_home.html en Benner Jeff A.A Mechanical Translation of the Book of Genesis – The Hebrew text literally translated word for word. 2007

[5] Volgens het Boeddhisme geven de vijf skandha’s alles wat wij nodig hebben voor onze spirituele ontwikkeling. Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 172 – 183

[6] Bron: The Sixth Patriarch’s Dharma Jewel Platform Sutra. San Francisco: Buddhist Text Translation Society, 2002, p. 381 – 382. Opmerking: “Buddha–use” en “Store enveloping consciousness” zijn als “Volkomen heelal” weergegeven.

Narrator – terug naar de bewoonde wereld 2


Na de dagtocht over de hoogvlakte van de Hardangervidda – een natuurgebied in Noorwegen – reisden mijn minnaar en ik in een dag naar Oslo. In Gol [1] bezochten wij onze laatste Middeleeuwse staafkerk in Noorwegen. Eigenlijk was het een kopie van het origineel dat vroeger op deze plaats had gestaan en nu was ondergebracht in een openlucht museum bij Oslo. Het viel ons op dat deze kerk veel weelderiger was dan de staafkerken die wij eerder hadden gezien – wij naderden weer de bewoonde wereld.

768px-Gol_Stave_Church[2]

Van Gol naar Oslo werd de weg steeds voller en drukker, wij naderden een middelgrote stad. Het rustig over de wegen zweven in onze Godin [3] was voorbij, nu vroeg het verkeer weer de aandacht.

Bij onze aankomst in Oslo zetten wij eerst de tent op in de stadscamping. Daarna bezochten wij het Noors Volksmuseum waar wij de originele staafkerk uit Gol opnieuw bezochten. Het viel ons op dat de inrichting van de traditionele Noorse huizen steeds eender was en steeds verschillend. De vorm van de meubels en de huisraad was per huis verschillend, maar de voorwerpen waren steeds op dezelfde plaats in het huis gezet. Hierdoor ontstond een directe herkenbaarheid voor iedere bewoner en bezoeker, terwijl ook de eigenheid van de bewoners werd getoond. Een eenheid in de veelheid en een veelvormigheid in dezelfde inrichting.

800px-Norskfolkemuseum_1[4]

De volgende dag bezochten mijn geliefde en ik het Frogner Park [5] waarin een grote beeldencollectie van de Noorse beeldhouwer Gustav Vigeland [6] is geplaatst. Centraal in het park staat een monolithische zuil opgebouwd uit in elkaar verstrengelde mensenfiguren. Mijn minnaar was diep geraakt door de gelijkenis met de staafkerken en door de in elkaar vervlochten werelden van de uitgebeelde mensen. Hij vond de zuil op een wijsvinger lijken die ons eraan blijft herinneren dat wij allen tezamen de hemelpoort zullen binnengaan.

Vigelandpark[7]

Ik vertelde aan mijn geliefde de parabel die mijn vader van zijn voorouders heeft gehoord:

“Toen ik nog een kind was bij mijn ouders, onderwezen zij mij en zeiden: “Laat Uw hart ons leven met zich meedragen! Want in de dagen en nachten van Uw leven zal de vrede zich in U vermeerderen. Onze weldaad en trouw zal U niet verlaten, U draagt ze mee, ademt  ze en de wereld deelt in Uw vrede [8]. Hierna citeerde mijn vader de beginstrofen uit de īśāvāsya upaniṣad: “Dat is algeheel. Dit is algeheel. Algeheel komt van algeheel. Neem algeheel af van algeheel en aldus blijft algeheel. Vrede, Vrede, Vrede”.

In een pikdonkere periode van mijn leven heb ik het vertrouwen van mijn ouders geschonden. Mijn hart was kil en leeg, mijn trouw aan de vrede in de wereld veranderde in haat en ik verheugde mij in wandaden die ik zou begaan om mijn hart met ijdelheid te vullen. In een nacht heb ik het bos rondom een dorp in brand gestoken, de wind en de vuurgoden verspreiden de vlammen. Ik schoot op alles en iedereen die aan de vlammen wilde ontkomen. Ik was blij! [9]

De volgende ochtend zag ik dat alles van waarde voor het vullen van mijn lege hart met ijdelheid door het vuur was veranderd in as en lijken. De stank van verrotting en de vliegen bleven. Hongerig en leeg trok ik verder. Onderweg vulde ik mijn maag met voedsel en mijn hart met mededogen. Welwillendheid, onthechting en vreugde kwamen weer in zicht.  

Jaren later deelde ik mijn eten met enkele hongerige bedelaars-zwervers. Zij dankten mij met de woorden: “Al met al, moge U zich realiseren dat Onze trouw en weldaad U niet kan verlaten”.

Door de woorden van deze voorbijganger voelde mijn hart weer de voortdurende weldaad en trouw die ik altijd meedraag en adem waar ik ga”.   

Na deze parabel leerde mijn vader mij de betekenis van het sleutelwoord “realiseren” dat is samengesteld uit “re”, “al”, “ïśe” [10] en “eren”, waardoor “realiseren” voorkomt uit “steeds opnieuw”, “alles”, “in haar almacht”, “eren”.

Waar jij ook gaat en wat wij ook doet, de weldaad en trouw zal U niet verlaten.”

Mijn minnaar zei aan het einde van deze parabel dat alles en iedereen verlicht is; wij moeten het voortdurend realiseren. Ik had nog een lange weg naar huis te gaan. Gelukkig was er weer welwillendheid en vreugde in mijn leven; de onthechting zou spoedig volgen.

Na het bezoek aan het Frogner Park liepen wij een paar straten de ambassadewijk in waar een vriend van ons met een groep in een mooi traditioneel houten huis woonde. Tijdens ons bezoek hoorden wij zorgelijk nieuws uit Amsterdam. Vele van onze vrienden en vroegere minnaars hadden een mysterieuze ziekte opgelopen waardoor zij snel vermagerden; de ziekte putte hen volkomen uit. De artsen wisten geen raad met dit ziektebeeld; aan de Westkust van Amerika waren al verschillende verre bekenden aan dit mysterie overleden.

Bij het ophalen van de post-restante op het postkantoor in Oslo las mijn geliefde in een brief van zijn zus dat zijn moeder erg ziek was geworden. Tijdens een telefoongesprek met zijn zus, hoorde hij dat zijn moeder minder dan een jaar te leven had.

Hoewel wij ons thuis voelden in Oslo, overschaduwde de bezorgdheid  over het lot van onze vrienden in Amsterdam en de ziekte van mijn minnaars moeder ons verblijf in deze stad. Na een week reisden wij door een waterrijk gebied terug naar Stockholm. Aan het begin van de herfst waren wij weer terug in Gamla Stan. De bladeren aan de bomen bij het water toonden hun rood, bruin, gele gloed. Die herfst en winter waren mijn minnaar en ik voor het laatst zorgeloos samen.

Stockholm-autumn[11]


[3] Onze witte Citroën DS

[8] De eerste zinnen van deze parabel zijn vrij naar het begin van hoofdstuk 3 uit de Spreuken van Salomo in het Oude Testament.

[9] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bron: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII. En verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990,  p. 71 – 84; Ruth Katz heeft in haar studie moeite om deze daden van Arjuna en Kṛṣṇa te duiden.

[10] Dit is de locativus van Īśa. Īśa betekent in het Sanskriet onder meer “God in de goddelijke hemel”, “iemand met almacht”. De klank van īśā komt overeen met “ich” – het Duitse persoonlijk voornaamwoord eerste persoon enkelvoud.

[11] Bron afbeelding: http://www.communityofsweden.com/photos/photo/?photo=41411. Deze afbeelding valt niet onder de Creative Common Licentie; zie voor gebruik van deze foto de voorwaarden via de volgende hyperlink: http://www.communityofsweden.com/footer/editorial/community-of-sweden/terms-of-service/

Narrator – masker van een idool


In de omgekeerde wereld van Amsterdam had ik de verschijningsvorm van een idool aangenomen. Ineens was ik overal meer dan welkom; ik werd gevraagd bij voorstellingen en voor feesten. Iedereen wilde met mij gezien worden of in mijn omgeving zijn. Voor anderen mensen leek ik een goddelijk aureool met mij mee te dragen. In mijn nabijheid ervoeren vreemden zich opgenomen in een hemelse gloed. Zij allen droomden dat ik de toegangspoort tot de hemel bezat [1].

[2]

Nieuwe minnaars waanden zich bij mij in een buitenaardse ruimtereis, verbonden met het universum of opgenomen in droomwereld mooier dan het leven. Ik was voor hen de verbinding tot een altijddurend paradijs.

[3]

In mijn weelde verscheen opnieuw een Godin – weer een witte [4] Citroën DS – waarmee ik zoevend over de wegen – net als de leidsman Kṛṣṇa [5] in de Bhagavad Gita [6] – de glorie verwezenlijkte [7]. Als idool en middelpunt moedigde ik aan, ik stuurde en ik gaf vorm aan de wereld om mij heen; ik vormde het oog van een cycloon – even leeg, tijdelijk en verstild van binnen.

Idolatrie

Vergankelijk in een zucht

Gezien in de zon

“Schoonheid is een verschrikkelijk en beangstigend ding. Verschrikkelijk omdat de schoonheid onbepaalbaar is, omdat God ons alleen raadselen heeft opgegeven. Hier komen  de oevers bij elkaar, hier wonen de tegenspraken samen​​.” [8]  Deze aanhaling uit De Gebroeders Karamazow van Dostojewski gaf mijn vluchtige positie als idool in de omgekeerde wereld in Amsterdam weer. Dit citaat vormde ook het motto van Confessions of a Mask van Yukio Mishima waaruit ik een zekere duiding van mijn rol als icoon in de wereld waar mannen van mannen houden ontleende; voor mijn minnaars was ik niet alleen hun geliefde, maar tegelijkertijd ook hun concurrent bij hun liefde voor andere mannen in de polygame homoseksuele omgeving van Amsterdam in die tijd.

[9]

Naast duiding van mijn ijdele positie in de omgekeerde wereld in Holland zocht ik ook naar inzicht over de ontwikkeling van mijn leven. Na het lezen van de tetralogie Sea of Fertility [10] van Yukio Mishima bood de viervoudige reïncarnatie van de tweede hoofdpersoon houvast.

[11]

In lijn met deze zienswijze besloeg de eerste reïncarnatie in mijn leven – onder de roepnaam Kṛṣṇa – de periode van mijn vroege jeugd tot aan mijn vertrek uit Kenia. Nu was ik als tijdelijk idool op het hoogtepunt van mijn tweede incarnatie in mijn levensloop aanbeland. Ik voorzag dat mijn leven als icoon op imploderen stond; ik besloot de omgekeerde wereld van Holland voor een ruime tijd te verlaten. Na mijn aandeel in een ernstige oorlogsmisdrijf tijdens mijn eerste reïncarnatie in Kenia, wilde ik de loop van het vervolg van mijn leven in goede banen blijven leiden. Het werd ook tijd voor boetedoening voor dit misdrijf.


[1] Zie het boek Genesis 28:10-19 in het Oude Testament voor de droom van Jacob waarin Jacob een ladder van afdalende en opstijgende engelen aanziet voor de toegangspoort tot de Hemel. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Jacob’s_Ladder

[2] Schilderij: Jacob’s dream of a ladder of angels, c. 1690, by Michael Willmann. Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Dream

[3] De Droom van Henri Rousseau, 1910. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Droom

[4] Arjuna betekent onder meer “wit, helder”; in de naam is ook “arh” te herkennen dat “waardig, in staat tot” betekent. Arjuna is een van de hoofdpersonen in de Mahābhārata. Hij is een van de vijf broers die allen met een vrouw Draupadi – de mooiste en invloedrijkste vrouw van haar tijd – in polyandrie samenleven. De vijf broers strijden voor hun rechtmatig deel van het koninkrijk, voor het herstel van de eer van Draupadi en voor behoud van de wereldorde.

[5] Kṛṣṇa betekent in het Sanskriet onder meer “zwart”, “blauw zwart”, “de donkere periode van de maancyclus” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[7] Zie ook: Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990

[8] Bron: Dostojewski, F.M. Verzamelde Werken 9 – De Gebroeders Karamazow. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1958, p. 136

[9] Bron afbeelding: Voorzijde van boekband Mishima, Yukio. Confessions of a Mask. New York: A New Directions Book, 1958 (Eleventh printing)

[11] Bron afbeelding: Hatsuhana doing penance under the Tonosawa waterfall van Utagawa Kuniyoshi (1797–1861). Deze afbeelding is gebruikt als voorzijde van de Franse uitgave van de Sea of Fertility van Yukio Mishima.