Tagarchief: Pierre Trouillez

Vrijheid en gebonden: een persoonlijke relatie met God


Carla, Man en Narrator ontmoeten elkaar in het Nieuwe Café bij de Nieuw Kerk in Amsterdam.

“Persoonlijke relaties met Goden zijn van alle tijden nadat in een ver verleden de mensheid en de Goden een plaats in elkaars leven hebben kregen. Deze relaties zijn niet altijd makkelijk en vanzelfsprekend; Goden en mensen stellen elkaar geregeld teleur of laten elkaar in de steek.
De relaties tussen mensen en Goden varieert – zoals bij alle soorten relaties – afhankelijk van de karakters, omstandigheden en noodzaak tussen: afwezig en verwaarlozing, oppervlak en praktisch, doelgericht en berekend, verinnerlijkt en allesomvattend, tot intens en verzengend.
In de loop der tijd zijn de menselijke samenlevingsvormen omvangrijker, complexer en gelaagder geworden waarbij tegelijkertijd ook de gelaagdheid in het Godsbegrip toeneemt. Hoewel de Oppergoden binnen de koninkrijken of wereldrijken een afstandelijke overkoepelende rol vervullen blijven de huisgoden of de plaatselijk heidense goden – het Engelse begrip “pagan gods” of dorpsgoden [1] geeft de rol beter weer – in het dagelijks leven van lokale gemeenschappen de hoofdrol vervullen. Vele lokale boerengemeenschappen zijn in de ogen van de officiële kerken heel lang heidens gebleven [2].

Binnen de Katholieke wereld hebben de lokale Heiligen de plaats ingenomen van de vroeger plaatselijke heidense goden. De Katholieke kerk heeft met haar gebruikelijke pragmatiek deze lokale gebruiken naar haar hand gezet en opgenomen in haar algemene gebruiken: de kerk biedt het grote vaartuig waarin onder haar voorwaarden en door haar gestelde grenzen plaats is voor kerkheiligen en lokale gebruiken met eigen riten [3].

Voor de gewone lokale mensen was de Katholieke God – net als Jezus – een onbereikbaar wezen die net als verre overheersers en legers alleen maar onheil bracht. De lokale clerus en bestuurders – ieder op hun eigen manier – mochten de Katholieke God tevreden houden. Op doortocht door Zuid-Limburg heb ik een plaatselijke wethouder bij een nieuw Hollands voorschrift in wanhoop horen uitroepen: “Wel God in Den Haag!!”. Herderlijke brieven van de Paus in Rome en de Bisschop van het Bisdom zijn welkom als de inhoud bij de lokale gebruiken aansluit, maar als de inhoud niet past dan gaat het plaatselijke gebruik – minder openbaar of een beetje aangepast – gewoon verder; de ouderen wisten dat in de loop van de tijd alle gebruiken toch wel in hun eigen ritme zouden veranderen.

Vooral vrouwen – en mannen incidenteel na de biecht of tijdens een kerkdienst – vragen hulp en troost aan de Maagd Maria meestal door het bidden van de rozenkrans: Maria was altijd belangrijker en behulpzamer dan de onbereikbare God [4].
Maagd Maria[5]
De lokale heiligen bestaan in de materiële wereld: zij zijn tastbaar, staan in de kerk en worden meegedragen tijdens de processies: het lokale heiligenbeeld is de heilige. Hierdoor zijn parochianen zo ontdaan wanneer een oud verweerd beeld wordt gerestaureerd of vervangen door een nieuw beeld uit de fabriek. In beroemde kerken trekken de heiligenbeelden twee groepen bezoekers: parochianen en bedevaartgangers die communiceren met een echt persoon / beter (of hoger) wezen, en toeristen die kijken naar een voorbeeld van kerkelijke kunst.

De persoonlijke relatie tussen de lokale heiligen en parochianen is wederkerig. De parochianen zorgen en vereren de heiligen, maar soms moeten de heiligenbeelden ook gevleid en geprest worden net zoals luie lokale bestuurders. Wanneer de lokale heilige de gebeden niet verhoort, kan het beeld ook gestraft worden; er zijn voorbeelden van in de rivier gooien van het beeld of voor straf met het gezicht naar de muur plaatsen [6].

De machthebbers onderhouden een wederkerige relatie met hun eigen Goden; zij ontvangen advies, steun en hulp bij hun activiteiten, zij houden de Goden in leven door hun gepaste eer te betuigen, en leggen de gebruiken van de Goden – tot wederzijds voordeel – op aan hun onderdanen.

Soms raakt de relatie tussen de machthebber en de Goden verstoort. Volgens de Griekse historicus Herodotus strafte Xerxes – koning van het Perzische Rijk van 485 – 465 v.Chr – de Zeegodin van de Hellespont door haar golven met driehonderd zweepslagen te geselen en met roodgloeiende ijzers te brandmerken, nadat een storm de kabels had vernietigd waarmee de bootbrug van ongeveer 1300 meter over het Hellespont verankerd lag [7].
Xerxes golven[8]
Vanmorgen hebben wij zeer beknopt bezien hoe de Christelijke kerk in praktijk onder Constantijn de Grote na het edict van Milaan in 313 n. Chr. de officiële staatskerk binnen het Romeinse rijk is geworden. Hieraan liggen ten minste twee ontwikkelingen aan ten grondslag. De eerste ontwikkeling is de revolutie van het monotheïsme, zoals doorlopen binnen het Jodendom ruim 1000 jaar eerder [9], en zoals in de vorm van de onoverwinnelijke Zonnegod (Deus Sol Invictus) meegenomen door Keizer Aurelius in 275 n. Chr. vanuit Syrië na zijn overwinning in het Oosten [10]. Het monotheïsme van de Zonnegod was niet absoluut, waardoor dit geloof voor Keizer Aurelius zeer geschikt was om alle Romeinse burgers rond deze nationale God te gaan scharen zonder individuele gevoeligheden van inwoners te kwetsen. Met de algemene acceptatie van deze evidente monotheïstische oppergod kon de tweede ontwikkeling tot stand komen doordat de vertegenwoordiger van de Zonnegod op aarde ook met duidelijke oppermachtige trekken werd omgeven. Deze band tussen de Zonnegod en zijn aardste vertegenwoordiger was in het hele rijk te aanschouwen door de beeltenis van beiden op munten, die hiermee als “(ruil-)objecten in het midden” werden verstrekt en gegarandeerd door de Zonnegod en zijn aardse vertegenwoordiger. De impact van deze tweede ontwikkeling zien wij nog steeds terug in onze naam voor de “Dag des Heren”: Zondag [11].
Munt zonnegod[12]

In 324 n. Chr. werd Constantijn de Grote heerser was over het gehele Romeinse rijk nadat hij Licinius – tot dan machthebber over het Oostelijk deel van het rijk – had verslagen. Hiermee was voor Constantijn “Een God, Een rijk, Een keizer” ontstaan. Hoe Constantijn de overstap van de Zonnegod naar de Christelijk God heeft gemaakt, is niet nauwkeurig meer te achterhalen. Bij de stapsgewijze invoering werden de administratieve organisatie van het Romeinse rijk en de kerkelijke organisatie in de loop ter tijd aan elkaar aangepast. Binnen administratieve eenheden van het rijk werd een bisschop aan het hoofd van de kerkelijke eenheid benoemd: “Een God, Een provincie, Een vertegenwoordiger van God”. Door deze ontwikkeling komen in delen van Europa de kerkprovincies nog steeds overeen met de vroegere provincies van het Romeinse rijk. Deze ontwikkeling is volgens de geschiedenisboeken relatief soepel verlopen, maar in de praktijk met harde hand opgelegd waarbij vele veldslagen en interne twisten binnen de wereldse en kerkelijke macht zijn uitgevochten [13].

Het Oude Testament toont vaak een toornige – en soms rancuneuze – God wanneer zijn volk Hem weer eens in de steek heeft gelaten of zijn volk ontrouw is geweest aan het verbond. Na het ontstaan van “Een God, Een rijk, Een machthebber” met daarmee direct verbonden “Een God, Een kerk, Een territoriale vertegenwoordiger”, vragen de instandhouding van de machthebber/vertegenwoordiger en van kerk/rijk alle aandacht, zodat positie van een monotheïstische God als Oppergod niet meer principieel ter discussie werd gesteld. De Godsdienst twisten richten zich enerzijds op de mate waarin de monotheïstische Romeinse Vader God almachtig en op de posities van het universum van hemelse figuren – Christus, De Heilige Geest, Maria, de heiligen en engelen enz. – met en rondom God, en anderzijds op de relatie tussen de mensheid en de wereld met God, zijn universum, het ontstaan en einde hiervan. Zullen wij de Nieuwe Kerk binnengaan?”, zegt Narrator.

Carla, Narrator en Man gaan de kerk binnen. Zij blijven bij de preekstoel staan.

“Prachtige introductie. Bij het zien van deze preekstoel moet ik jou onderbreken, want deze preekstoel doet mij denken aan de tent van Alexander de Grote waarin hij na zijn dood nog steeds vanaf zijn troon zorgde voor orde en eenheid.

preekstoel Nieuwe Kerk[14]

Kort samengevat: Alexander de Grote liet na zijn dood in 323 v. Chr. een immens rijk achter dat reikte over de gehele beschaafde wereld van Griekenland, Egypte tot net voorbij de Indus rivier in het Oosten. Tijdens zijn leven was Alexander de Grote – met zijn onmetelijk charisma, zijn politiek van verdeel en heers, zijn beloning van trouw en zijn niets ontziende wraak bij ontrouw – de allesbindende factor met een nagenoeg Goddelijke status [15]. Zonder duidelijk aangewezen opvolger na zijn voortijdige dood, begon snel een nietsontziende machtsstrijd tussen (vermeende) troonpretendenten en aanhang. Binnen korte tijd waren de meesten van Alexander’s rechtstreekse troonpretendenten – vrouwen en kinderen – vermoord; ook zijn vrouwen namen deel aan het wederzijds uitmoorden van elkaar en elkaars kinderen.
De feitelijke strijd om zijn opvolging werd gevoerd binnen Alexander’s kleine kring van vertrouwelingen – die afwisselend de rol van generaal, strijdmakkers en uitvoerder hadden vervuld – en verschillende lokale machtshebbers, die Alexander de Grote op zijn zegetocht had achtergelaten als bewakers van delen van zijn rijk.

Een van Alexander’s vertrouwelingen was zijn secretaris Eumenes – een buitenstaander en buitenlander van Griekse afkomst – die in de loop van de strijd om de opvolging een steeds grotere rol ging vervullen waarbij hij vooral als beschermer van de moeder en enig overgebleven zoon van Alexander optrad. Eumenes bleek een uitstekend militair strateeg en tacticus, waardoor hij de meeste veldslagen won, maar verder miste hij alle goede en slechte eigenschappen van Alexander op het gebied van charisma en wraakzucht, en daarbij bleef hij een vreemde voor de Macedoniërs. Op het moment dat hij een eenheid moest maken tussen verschillende facties binnen zijn leger waaronder de eigenzinnige en zelfbewuste Zilveren Schilden – de nog nooit verslagen elite troepen die Alexander van zijn vader Philippus II had geërfd en hem op zijn zegetocht veel overwinningen hadden bezorgd; velen waren al ruim 60 jaar oud – besloot Eumenes de geest van Alexander weer tot leven te brengen. Hij vertelde de aanvoerders van de troepen die aan hem waren toevertrouwd dat Alexander in een droom aan hem was verschenen en de opdracht had gegeven om alle aanvoerders in een tent voor Alexander’s troon te verschijnen voor beraad. De aanvoerders accepteerden dit voorstel. Eumenes liet uit de koninklijke schatkist een troon maken die voorzien van de scepter en diadeem in een tent werd geplaatst. Alle aanvoerders brachten eerbetuigingen aan de lege troon waarbij zij wierook brandden voor Hem – de geest van Alexander op de troon. Eumenes beloofde dat zolang zij als raadsgroep voor de troon bijeenkwamen en de bevelen van Hem aanvaarden, dan zou Alexander aanwezig zijn en hen leiden bij hun beslissingen. Nadat Eumenes en de aanvoerders over waren gegaan op deze wijze van beslissen, was de onderlinge spanning aanmerkelijk afgenomen. Uiteraard had Eumenes de meeste inbreng tijdens het overleg [16]. Bijna was Eumenes erin geslaagd om de troon voor de familie van Alexander veilig te stellen, maar in een beslissende eindstrijd had de tegenstrever van Eumenes de bagagetrein met vrouwen en bezittingen van de Zilveren Schilden veroverd. Een deel van de Zilveren Schilden koos uiteindelijk voor hun bezittingen en zij leverden Eumenes met een list over aan zijn tegenstrever. Eerst durft de tegenstrever Eumenes uit eerbied niet te doden, maar later gaf hij hier toch opdracht toe. De onoverwinnelijke Zilveren Schilden worden ontbonden, de aanvoerder gedood en de afzonderlijke infanteristen krijgen in afgelegen gebieden onmogelijke opdrachten die zij meestal niet hadden overleefd. Al die tijd had de Geest op de troon hen bij het nemen van beslissingen in deze de woelige periode geleid en tot overwinningen gevoerd wanneer zij trouw bleven aan de besluiten [17].

Bij het zien van deze preekstoel valt mij de overeenkomst op met de tent van Alexander en een Geest op de troon”, zegt Carla.

“Boeiende aanvulling. Zullen wij vanavond verder gaan met dit onderwerp”, zegt Narrator.
“Dat is goed”, zegt Man.

[1] “Pagan Gods” komt van goden van de pagus of pays. Pagus betekent in het Latijn: gouw, dorp
[2] Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, p. 50
[3] Zie als voorbeeld: Robb, Graham, The discovery of France. London: Picador, 2007, hfdst. 7: Fairies, Virgins, Gods and Priests.
[4] Zie ook: Robb, Graham, The discovery of France. London: Picador, 2007, hfdst. 7: Fairies, Virgins, Gods and Priests en Histoire de la Vie privée. Tome 3: De la Renaissance aux Lumière. Red. Ariès, Philippe & Duby, George. hfdst. 1 (p. 85 van de Nederlandse uitgave)
[5] Bron afbeelding: http://fr.wikipedia.org/wiki/Rosaire
[6] Bron: Robb, Graham, The discovery of France. London: Picador, 2007, p. 133 – 134
[7] Zie: Herodotus 7.35 en http://en.wikipedia.org/wiki/Xerxes’_Pontoon_Bridges
[8] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Xerxes_lash_sea.JPG
[9] Zie onder meer: Potok, Chaim, Omzwervingen, ‘s-Gravenhage: BZZTôH 1999 en Schama, Simon, De geschiedenis van de Joden – Deel 1: De woorden vinden 1000 v.C. – 1492. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2013
[10] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Sol_Invictus
[11] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Zondag en Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, p. 30
[12] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Sol_Invictus
[13] Zie ook: MacCulloch, Diarmond, Christianity – The first three thousand Years. New York: Viking, 2010, Part II “One Church, One Faith, One Lord?”en Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, Hfdst. II en III
[14] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Kerk_(Amsterdam)
[15] Zie ook: Lane Fox, Robin, Alexander de Grote, Amsterdam: Uitgeverij de Arbeiderspers, 2005
[16] Bron: Romm, James, Ghost on the Thone – The death of Alexander the Great and the war for crown and empire. New York: Alfred A. Knopf, 2011. p. 220-221, 235
[17] Zie: Romm, James, Ghost on the Thone – The death of Alexander the Great and the war for crown and empire. New York: Alfred A. Knopf, 2011. Hfdst. 10

Bevrijd en gebonden


Nadat Carla, Man en Narrator de Engelse kerk hebben bezichtigd, lopen zij naar de Katholieke Begijnhof kapel. Bij de ingang vertelt Man:

“In het voorjaar van 1942 heb ik in deze Katholiek kapel met de officiële naam H.H. Johannes en Ursulakapel de eerste sacramenten [1] van het Katholieke geloof ontvangen. In 1671 is deze kapel als schuilkapel begonnen door twee woonhuizen binnen het Begijnhof samen te voegen tot een kerkruimte. Het toenmalige stadsbestuur keurde de plannen voor deze verbouwing goed op voorwaarde dat van buitenaf niet te zien was dat er een Katholieke kapel was gevestigd.
Katholieke Begijnhof kapel buitenzijde[2]
Met de ontvangt van de eerste sacramenten veranderde mijn geloof voor de buitenwereld in deze Katholieke Begijnhof kapel van Joods naar Katholiek. Via vrienden van mijn tante bij de Burgerlijke stand in Rotterdam heb ik enkele dagen later mijn andere naam Hermanus Maria Jacobus Leben met bijbehorende identiteitspapieren gekregen; van dat moment was mijn naam Man Leben in plaats van Levi Hermann. Met deze andere papieren identiteit ben ik via een aantal tussenstappen in Zuid Limburg op de boerderij van mijn peetouders aangekomen [3]. Hoewel ik op hun boerderij de mooiste tijd van mijn leven heb gekend, is mijn vrije weergave van het gedicht door Rudyard Kipling [4] over het verlies van zijn zoon tijdens een gevecht op het Westelijk front in de Eerste Wereldoorlog lang in mijn leven gebleven:

Heeft U nieuws over mijn moeder?
Niet dit tij
Wanneer denkt U dat zij zal wederkeren?
Niet met het waaien van deze wind en niet dit tij

Heeft iemand iets over haar gehoord?
Niet dit tij
Voor wat is verdwenen, keert niet weerom
Niet met het waaien van deze wind en niet dit tij

“O, waar kan ik troost vinden?”
Niet dit tij, noch een ander tij,
Behalve dat zij gaf haar kind —
met het waaien van die wind aan dat tij.

Dan hou mijn hoofd omhoog te meer,
Dit tij en ieder tij;
want ik ben haar zon
gegeven aan het waaien van die wind en dat tij! [5]

Veel later, veel later bij de voorbereiding van het zeggen van Kaddhish ter nagedachtenis van mijn moeder kwam de volgende haiku in mijn leven:

De wind neemt U mee
Vluchtig en onafwendbaar
Uit het dodenrijk

Na het eren van mijn moeder en vader volgens de Joodse dodenherdenking Kaddish [6] is de volgende haiku in mijn leven gekomen. Deze haiku draag ik steeds met mij mee waar ik ga en sta.

Waar ik ga en sta
Uw stem en Uw aangezicht
Dit tij en ieder tij

De lange versie van deze haiku is het volgende gedicht:

Waar ik ga, waar ik ook sta
Dit tij en ieder tij
Met het waaien van de wind hoor ik Uw stem

Waar ik ook ga, waar ik ook sta
Dit tij en ieder tij
Met het waaien van de wind bent U nabij

In iedere stem, hoor ik
In ieder gezicht, herken ik
Dit tij en ieder tij
Uw aangezicht

Waar ik ga, waar ik sta
Dit tij en ieder tij
Het verglijden van mijn leven
Uw aangezicht

Laten wij de kapel binnengaan”, zegt Man.

“Wat was jij eenzaam”, zegt Carla.

“Een te samen, al een, nooit eenzaam zoals jij in de gestolde tijd. Laten wij de kapel binnengaan”, zegt Man.

Carla, Man en Narrator gaan de Katholiek Begijnhof kapel binnen.
Katholieke Begijnhof kapel binnenzijde[7]
Na het bezichtigen van de kapel gaan Carla, Man en Narrator iets drinken op het Spui.

“Een lange tijd zijn mijn herinneringen aan de Katholieke Begijnhof kapel vaag en diffuus geweest, maar nu ik oud ben, lijkt het of mijn doop, vormsel en eerste communie gisteren hebben plaatsgevonden, zo duidelijk zie ik en ruik ik deze gebeurtenissen uit mijn herinneringen weer.

Ook herinner ik mij mijn afkeer van de priester die mij de eerste sacramenten van de Katholieke kerk heeft toegediend. Een afkeer van autoriteiten is een constante in mijn leven. Van jongs af aan wilde ik in deze wereld zo min mogelijk met macht te maken hebben, want dat bracht mij niets goeds. Nu moet ik – met schaamte – mijn vergissing toegeven voor de invloed en vooral in die tijd de moed van de priester in Katholieke Begijnhof kapel; aan hem heb ik mijn verdere bestaan te danken.

Hoewel deze priester waarschijnlijk het Katholieke kerkrecht volgde, ging hij – met gevaar voor eigen leven – in ieder geval voorbij aan de profane voorschriften van de bezetter in Nederland en hij ging ook voorbij aan een openlijke stroming van anti Judaïsme in de Christelijke kerk sinds deze kerk onder Constantijn de officiële kerk in het Romeinse Rijk was geworden.

Het anti Judaïsme in het Christendom heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in de gebruikelijk rivaliteit tussen religies onderling in de strijd om te overleven, en heeft vorm gekregen in de strijd om de onderlinge overheersing en in het streven naar zuiverheid van geloof.
Voordat de Christelijke kerk onder Constantijn in praktijk de officiële kerk van het Romeinse Rijk werd, hadden de Christenen te maken met vervolgingen. Daarbij hadden zij zich op veel plaatsen in Klein Azië te plooien naar de Joodse leefregels en wetgeving. De Christenen konden hun sluimerende en soms openlijke afkeer van het Joodse geloof alleen in woorden, preken en geschriften uiten. Het Christelijk geloof was voorgekomen uit en bouwde verder op het Joodse geloof en leefregels, maar net zoals pubers afstand nemen van hun ouders om hun eigen levenspad te gaan, zo namen de Christenen afstand van – en kwamen soms in opstand tegen – het Joodse geloof en de Joodse wetgeving en leefregels. Op welke wijze de Christenen in Klein Azië zich in die tijd ook afzetten tegen de Joden, als afstammelingen van de Joden – op weg naar zelfstandigheid – bleven beide geloven nauw met elkaar verbonden. Ook een zeer aanzienlijke groep Christenen – Judaïsanten [8] genoemd – bleven sympathiseren met het Jodendom: naast de Christelijke zondagsrust volgenden zij de Sabbatrust, zij vastten met de medechristenen en hielden zich aan de joodse vastenregels, zij vierden in de kerk het Christelijke paasfeest en in eigen kring het Joodse Pesach. De Christelijke kerkleiders – strevend naar zuiverheid van geloof – waren niet ingenomen met deze mengeling van beide geloven; zij wilden de geloofsvernieuwing van het Christelijke geloof vestigen en voor eeuwig bestendigen waarmee tegelijkertijd verstarring, hiërarchie en autoriteit de plaats van vernieuwing binnen het Christelijk geloof in ging nemen. Daarbij wilden de Christelijke kerkleiders in hun strijd tegen het heidendom een homogeen blok vormen [9]. Misschien waren de Christelijke kerkleiders meer beducht voor de verleidingen en het heidendom in eigen geledingen of in zichzelf, dan voor het heidendom in de vreemde buitenwereld. Een organisatie of iemand met innerlijke twijfel probeert vaak zekerheden te ontlenen aan de naaste omgeving: als de omgeving zekerheid en houvast biedt dan ontvangt de innerlijke onzekerheid minder prikkels om zich te manifesteren. Dit komt overeen met een leugenaar die er alles aan is gelegen om de omgeving eerlijk te laten zijn/schijnen, om zo betrapping op leugens te voorkomen.

De Christelijke kerk werd in 313 n. Chr. onder Licinius en Constantijn de Grote – de keizers van resp. het Westelijke en Oostelijke Romeinse rijk – met het Edict van Milaan [10] gevrijwaard van vervolgingen door de tekst “dat de christenen en alle anderen de vrijheid moet hebben om die modus van religie te volgen die aan elk van hen het beste lijkt” [11]. Hoewel er met dit Edict vrijheid van godsdienst ontstond binnen het gehele Romeinse rijk, werd in praktijk de Christelijke kerk kort na het Edict de officiële kerk van het Romeinse rijk. Tijdens het Concilie van Nicaea zorgde Constantijn er persoonlijk voor dat het Christelijke paasfeest en het Joodse Pesach werden gescheiden [12].

Rond 380 n. Chr. bereikte de anti-Joodse retoriek in die tijd het hoogtepunt bij Johannes Chrysostomus (kerkvader en de latere Aartsbisschop van Constantinopel van 398 tot 403 n. Chr.). In Antiochië – Johannes Chrysostomus was daar rond 380 nog gewoon priester – was er ondanks alle inspanning van de Christelijk kerk om Christenen en Joden te scheiden, nog een aanzienlijke groep Judaïsanten. Met zijn “Preken tegen de Joden” heeft Johannes Chrysostomus geprobeerd om aan de gebruiken van de Judaïsanten voorgoed een einde te maken. Hij vergeleek de Judaïsanten met doodzieke medechristenen die moesten worden genezen van de Joodse pest. Met al zijn uitzonderlijke retorieke gaven en zijn buitengewoon charisma bracht hij in deze preken de Joden in diskrediet door hen te vergelijken de laagste aardse wezens. Het ultieme argument van Johannes Chrysostomus in zijn anti-Joodse preken was de stelling dat – zonder uitzondering – alle Joden “de moordenaar van Jezus Christus zijn”: hierdoor hebben de Joden al hun ellende en Gods verwerping over zich afgeroepen. De invloed van deze preken is enorm geweest; de preken zijn in vertaalde vorm wijd verspreid binnen de Christelijke kerk. Door de preken van Johannes Chrysostomus is de houding van Christenen tegenover de Joden diepgaand beïnvloed; de latente Joden afkeer heeft een stem gekregen en het beeld van de “Christusmoordenaar” schandvlek is erdoor bij de Christenen ingeprent [13].
Johannes Chrysostomus[14]
Voor de Reformatie waren vooral Antwerpen en ook Amsterdam vluchthavens eerst voor Joden uit Spanje en Portugal en later voor mensen met een ander geloof of voor andersdenkenden. Na de val van Antwerpen tijdens de opstand tegen Spanje van de Lage landen in 1585 n. Chr. [15], zijn veel – meest welvarende – vluchtelingen naar Amsterdam getrokken. Amsterdam is tijdens en na de Reformatie in meer of mindere mate een toevluchtsoord en een soort vrijhaven geweest voor andersdenkenden en voor andere geloven. Mijn ouders vertrouwden hierop toen zij in 1934 van Frankfurt am Main naar Amsterdam vluchtten om te ontkomen aan de gevolgen van het andere regime in Duitsland.

Met de opkomst van het andere regime in Duitsland van de jaren 30 werd xenofobie in combinatie met de altijd latente afkeer van Joden gekoppeld met de herinnering aan schande van het verlies van de Eerste Wereldoorlog en de terugbetaling van de oorlogsschuld – die tijdens de Weimarrepubliek een crisis en hyperinflatie tussen 1921 en 1923 had veroorzaakt [16] – verbonden met de drang om de vernieuwing in Duitsland blijvend te vestigen en bestendigen. Het gevolg was een breed gedragen dictatuur in Duitsland die geen ander geluid meer verdroeg en een samenleving die de bestaande angsten wenste uit te bannen door onzekerheden te projecteren op zondebokken. Het verwijderen van de zondebokken uit de samenleving zou ook de angsten en onzekerheden wegnemen; dit mechanisme cumulerende in gedicteerde Jodenvervolgingen die door de bureaucraten stipt werd uitgevoerd.

In de kracht van mijn leven had ik het idee dat ik mijn eigen leven vorm kon geven, dat ik mij door vrije keuzes kon bevrijden van mijn verleden en dat ik mijn eigen toekomst gestalte gaf. Deze bevrijding heeft voor een belangrijk deel ook plaats gevonden, maar ik heb mijn hele leven en de wijze waarop ik heb geleefde voor een zeer groot deel te danken aan Christelijke kerk, aan Johannes Chrysostomus en de gevolgen van zijn Preken tegen de Joden, en aan de autoriteit van de priester die mij in deze Katholieke Begijnhof kapel de eerst sacramenten van het Katholieke geloof heeft toegediend. Hoezeer ik hier aan heb proberen te ontkomen en hoezeer ik mij in de kracht van mijn leven tegen deze autoriteit heb verzet, nu heb ik hier vrede mee. Bevrijd en gebonden”, zegt Man.

“Ik heb eens ergens gelezen dat de Kerkgeschiedenis allesomvattend is. Volgens mij is dit juist”, zegt Narrator.

“Zullen wij wat drinken en eten. Halverwege de middag kunnen wij verder gaan met “Bevrijd en gebonden” in een persoonlijke relatie met God tijdens en na de Reformatie. Daarna stel ik voor om verder te gaan met de opkomst van het kapitalisme in Holland mede door de Reformatie. Wat vinden jullie van dit voorstel”, zegt Man.

“Dat is goed. Zal ik verder gaan met de persoonlijke relatie met God? ”, zegt Narrator.

“Dan ga ik daarna verder met de opkomst van het kapitalisme”, zegt Carla.

 

[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sacrament
[2] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Begijnhofkapel_(Amsterdam)
[3] Zie ook: Drift, Carla, Man Leben – Een leven. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012 p. 21 – 21
[4] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Rudyard_Kipling
[5] Vrij naar: Kipling, Rudyard, My Boy Jack. Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/My_Boy_Jack_%28poem%29
[5] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Rudyard_Kipling
[6] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Kaddish
[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Begijnhofkapel_(Amsterdam)
[8] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Judaizers
[9] Bron en zie ook: Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, p. 154
[10] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Edict_of_Milan
[11] Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Constantine_I_and_Christianity
[12] Bron: Schama, Simon, De geschiedenis van de Joden – Deel 1: De woorden vinden 1000 v.C. – 1492. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2013, p. 266
[13] Bron en zie ook: Trouillez, Pierre, Bevrijd en gebonden – De Kerk van Constantijn (4e en 5e eeuw n. Chr.). Leuven: Davidsfonds, 2006, p. 155
[14] Afbeelding van Johannes Chrysostomus in de Hagia Sophia. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Chrysostomus
[15] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Beleg_van_Antwerpen_(1584-1585)
[16] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Weimarrepubliek#Crisisjaren_1919-1923