Tagarchief: rituelen

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 11


Carla en Narrator staan in Florence voor hun pension te wachten op Man.

“Vanmiddag ben ik vergeten te zeggen dat voorwerpen, symbolen, rituelen, woorden, slogans, muziek, literatuur, filosofie en religie het gedrag en het bewustzijn van mensen sturen of zelfs overnemen. Twee extreme voorbeelden in negatieve zin zijn:

  • een politieke leider en aanhangers beïnvloeden elkaar in woorden en rituelen zo vergaand dat een deel van de samenleving overgaat op genocide,
  • een godsdienstsectie ontaardt door rituelen, slogans, woorden en gedrag in godsdienstwaanzin.

feiten en logica 111[1]

In positieve zin worden het gedrag en het bewustzijn van mensen als oefeningen voor de ziel beïnvloed door muziek, literatuur, religie (voor basisvertrouwen), architectuur, kunst, wetenschap. Door symbolen en rituelen voelen mensen geborgenheid en verbondenheid. Een uitgesproken voorbeeld is de hostie die volgens de Katholieke kerk na de epiklese en de consecratie [2] overgaat in het lichaam van Christus. Volgens mij hoeven wij daar nu niet verder op in te gaan, omdat wij lichtvoetigheid en snelheid als twee richtsnoeren voor onze zoektocht gebruiken”, zegt Carla.

feiten en logica 112[3]

“Binnen het denkraam van Indra’s Net weerspiegelt ieder partikel, ieder voorwerp en ieder levend wezen het lichaam van Christus – als historisch persoon en als goddelijk wezen”, zegt Narrator.

“Er is een klein verschil: katholieken geloven dat de hostie alleen na epiklese (of het aanroepen van de Heilige Geest) en de consecratie tijdens een Katholieke eucharistieviering verandert in het lichaam van Christus. De metafoor van Indra’s Net weerspiegelt het katholieke geloof en tegelijkertijd het ongeloof in de hostie als lichaam van Christus in al haar verschijningsvormen”, zegt Carla.

“Jij heb gelijk, wij hebben geen tijd om de invloeden van symbolen en slogans op het menselijk gedrag volledig te onderzoeken naast onze Odyssee naar wie ben jij. Daar komt Man”, zegt Narrator.

“Hebben jullie vanavond zin in een echte avondmaaltijd of zullen wij iets eenvoudigs in de supermarkt kopen en als Nederlanders in het park van de Piazza Massimo D’Azeglio opeten?”, vraagt Man.

“Goed dan, als echte Hollanders”, zegt Carla.

“Ik heb jaren niet anders gedaan, voor mij is het goed”, zegt Narrator.

Na een bezoek aan de supermarkt zitten zij in het park en voeren het volgende gesprek.

“Narrator, jouw achternaam Nārāyana komt overeen met de titel van een van de oudere Upanishads die waarschijnlijk aan het einde van de Vedische tijd is ontstaan [4]. Ik noem een korte passage uit de Nārāyana Upanishad [5] als opstapje naar mijn inleiding op Kṛṣṇa als God in een menselijke gedaante:

Nārāyana is de opperste realiteit aangeduid als Brahman. 

Nārāyana is het hoogste (Zelf).

Nārāyana is het opperste Licht. Nārāyana is het oneindige Zelf.

Het opperste wezen Nārāyana wenste alle schepselen te creëren.

Al hetgeen in deze wereld is vanbinnen en vanbuiten doordrongen van Nārāyana [6].

Kende jij deze naamovereenkomst met jouw achternaam?”, vraagt Man aan Narrator.

“Mijn vader heeft mij dit als jongeman in een van zijn verhalen verteld. Later in mijn leven – tijdens mijn incarnatie als Bhikṣu (of bedelmonnik) – heb ik de Nārāyana Upanishad via de Universiteitsbibliotheek in Heidelberg ingezien.  In het Sanskriet betekent Nārāyana onder meer “zoon van de oorspronkelijke Man”[7], waarbij “Man” in het Sanskriet de betekenis van “denken, geloven en waarnemen” heeft. In het boek met Boeddhistische vraagstukken dat ik van mijn Amerikaanse geliefde had gekregen, staat het vraagstuk “Waarachtige Man” over de betekenis van “Man”. Het begin van dit vraagstuk luidt:

“Er is een Waarachtige Man zonder status altijd in en uit gaand door de openingen van Jouw aangezicht [8].

Beginnelingen die het nog niet hebben gezien, Kijk, Kijk”

En het vers bij dit vraagstuk begint als volgt:

“Waan en (Boeddhistische) verlichting zijn tegengesteld,

Subtiel gecommuniceerd, met eenvoud;

 De Lente opent de honderd bloemen [9] in één zucht. [10]

Waan en (Boeddhistische) verlichting omvatten ook symbolen, rituelen, woorden, slogans, literatuur, filosofie en religie die het gedrag en het bewustzijn van mensen sturen of zelfs overnemen in negatieve en in positieve zin. De “zoon van de oorspronkelijke Man” in mijn naam Nārāyana is niet alleen de menselijk man, maar duidt ook op de “Waarachtige Man” in dit Boeddhistisch vraagstuk”, zegt Narrator.

feiten en logica 113[11]

“Het verschil tussen waan en werkelijkheid, misdaad en goedheid zijn soms flinterdun en vaak afhankelijk van het kader waarin zij bezien worden. Jouw uitleg over “denken, geloven waarnemen” laat dit goed zien. “Sein und Zeit[12] – het magnum opus van Martin Heidegger – toont hier een glimp van. Martin Heidegger maakt een onderscheid tussen de “Oneigenlijke Man” – of Waan – en de “Eigen Zelf”. Ik weet niet of Martin Heidegger de “Eigen Zelf” gelijk zou stellen aan de “Waarachtige Man” in het Boeddhistisch vraagstuk”, zegt Carla.

feiten en logica 114[13]

“Ik ben diep onder de indruk van jouw inleiding over Nārāyana en de “Waarachtige Man”; jij kunt dit veel beter verwoorden dan ik. Zou jij ons willen zeggen wie Kṛṣṇa is?”, zegt Man.

“Mag ik dat morgen doen, laten wij eerst op deze mooie nazomeravond van ons avondmaal in het park genieten. Zal ik het brood breken en de wijn inschenken?”, zegt Narrator.

“Dat is goed”, zeggen Carla en Man.

feiten en logica 115[14]


[3] Afbeeldingen van een traditionele en een moderne monstrans. De monstrans is een houder waarin de hostie – die na de epiklese (of het aanroepen van de Heilige Geest) en de consecratie, volgens de Katholieke kerk verandert in het lichaam van Christus – wordt getoond. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Monstrans en http://nl.wikipedia.org/wiki/Hostie Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Monstrance

[4] De Mahānārāyana Upanishad is als hoofdstuk 10 van de Taittiriya Aranyaka onderdeel van de donkere – of ondoorgrondelijke – Yajurveda (of veda bij de offergaven). Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Taittiriya_Aranyaka#Taittiriya_Aranyaka

[5] De tekst in het Sanskriet is onder de titel “mahAnArAyaNa” te vinden op: http://sanskritdocuments.org/doc_upanishhat/

[6] Bron: XIII-4 en XIII-5 uit de Engelse vertaling van de Mahānārāyana Upanishad via http://www.indiadivine.org/audarya/hinduism-forum/230825-maha-narayana-upanishad-translation-english.html

[7] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

[8] Naast een menselijk gezicht wordt hier ook gedoeld op het aangezicht van de wereld en op het aangezicht van “Indra’s Net”

[9] Zie voor de duiding van bloemen ook “Een – Bloesem” in: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 50 – 53

[10] Sterk ingekorte weergave van de Zen Koan “Linji’s True Man” in: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 167 – 170

[11] Een van de oneindig vele manifestaties van de “Waarachtige Man”. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Mann

[12] Heidegger, Martin, Sein und Zeit. Tübingen: Niemeyer, 2006 Zie ook: http://de.wikipedia.org/wiki/Sein_und_Zeit#Verfallenheit_und_Eigentlichkeit:_Das_Man

[13] Afbeelding van een hulpmiddel om de hoofdbegrippen in Heideggers “Sein und Zeit” te plaatsen. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Sein_und_Zeit#Verfallenheit_und_Eigentlichkeit:_Das_Man

[14] Piazza Massimo D’Azeglio. Bron afbeelding: http://it.wikipedia.org/wiki/Piazza_d’Azeglio

Advertenties

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 5


Carla, Man en Narrator zitten in het restaurant voor hun diner. Zij hebben hun drankjes en menukaart gekregen.

“Proost, op de voortgang van onze zoektocht. Zijn jullie tevreden tot nu toe”, zegt Man.

“Deels. De eenheid – en ook de binding tussen de ander met het alomvattende – is goed aan bod gekomen, maar de ander als entiteit blijft onderbelicht. Misschien kunnen wij daar meer aandacht aan geven”, zegt Narrator.

“Misschien heb ik tot nu toe teveel nadruk gelegd op het “Ene Alomvattende”. Dat komt waarschijnlijk door mijn levensloop met veel gedwongen scheidingen. De laatste jaren ben ik veel – mogelijk teveel – aandacht gaan geven aan de binding tussen alle gebeurtenissen in mijn leven. Wat vindt jij Carla”, zegt Man.

“Tijdens mijn inleiding tot de geordende chaos zal ik meer aandacht besteden aan de ander; bij een overzicht van de ontwikkeling binnen de wetenschap in een vogelvlucht is dat nodig. Vullen jullie mij aan vanuit jullie achtergrond en denkkader. Maar laten wij eerst onze maaltijd bestellen”, zegt Carla.

Carla, Man en Narrator maken hun keuze uit het menu en bestellen hun avondmaal.

“Er kan op vele manieren een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de wetenschap – die in onze tijd is gecumuleerd in een geordende chaos. Er zijn vele boeken met uitstekende inleidingen over het ontstaan van logica, wiskunde, natuurkunde, sterrenkunde en andere wetenschappen. Mijn inleiding is persoonlijk en is zeker vatbaar voor kritiek; een kenmerk van wetenschap volgens Popper en Kuhn [1]. Ik denk dat wetenschap is begonnen toen mensen duiding zijn gaan geven aan hun leefomgeving opdat zij hun overlevingskansen kunnen vergroten door grip te krijgen op omstandigheden en tastbare zaken [2]. Waarschijnlijk hebben mensen in eerste instantie deze duiding proberen te geven door middel van rituelen zoals jagerverzamelaars zich binnen rituelen identificeren met hun prooi [3], herders-volkeren via de vee-cyclus [4] en via de verering van het gouden kalf in het Oude Testament hun kudden wilde bestendigen en vergroten, en landbouwers via tijdsbepaling met bijbehorende rituelen in het jaar het moment voor het zaaien en oogsten vastlegden. Tegelijkertijd met duiding hebben mensen ook magische krachten toegekend aan rituelen waardoor rituelen de gewenste omstandigheden konden bewerkstelligen. Deze creatieve daad van zinneming en zinneming [5] door middel van rituelen was een eerste revolutie in de wetenschappelijke ontwikkeling van mensen; restanten van deze revolutie zien wij vandaag nog steeds in het gedrag en rituelen binnen onze samenleving, bijvoorbeeld bij wendingen in het persoonlijke en openbare leven en bij jaarfeesten.

feiten en logica 51[6]

De tweede revolutie in de wetenschappelijk ontwikkeling van mensheid bestond uit een verschuiving van de aandacht van het verkrijgen van gewenste omstandigheden of zaken door middel van het verrichten van rituelen naar een begrip – en onderzoek – van het leven van de mens op aarde; het zelf/Zelf werd onderwerp van onderzoek. In de Westerse wereld werd een tijdelijk samenhangend hoogtepunt bereikt binnen de Middeleeuwse Scholastiek, die met de filosofie – in die tijd direct verbonden met de theologie – de gehele menselijk leefwereld volkomen verklaarde en duiding gaf; het leven stond in dienst van God, diens schepping en het hiernamaals bij voorkeur in de hemel of in de hel bij een slecht leven. In India rond 600 v. Chr. mondde deze aandacht uit in de Upanishads met de nadruk op het “Zelf/Ene” als eenheid [7] en het leven was onderwerp van meditatie.

feiten en logica 52[8]

De derde revolutie in de wetenschappelijk ontwikkeling van de mensheid bestond uit de verschuiving van het centrale “Zelf/Ene” – of God binnen de Middeleeuwse Scholastiek waarin alles op de een of andere wijze rechtstreeks mee in verbinding stond – naar een zelfbewustzijn van het individu en naar “de ander” die bestaat uit de andere mensen, de omgeving, de omstandigheden en de tastbare zaken. In de Westerse wereld werd wetenschap – en later de filosofie – van de Godsdienst gescheiden opdat het wetenschappelijke onderzoek zich onbevangen, (waarde-)vrij van dogma’s en gericht op feiten en logica kon ontwikkelen. In de Renaissance stelde de mens de wetenschap in eerste instantie voor als een uurwerk waarin de onderlinge raderen en beweging ontdekt moesten worden, waaruit vervolgens de leefomgeving en de loop der dingen verklaard konden worden [9]. Vervolgens probeerde wetenschappers wiskundige vergelijkingen voor alles te achterhalen [10]. De eerste ontwikkelingen waren zo indrukwekkend dat de mensheid deze vergelijkingen uit de klassieke mechanica [11] nog steeds gebruikt om ruimtevaartuigen uiterst nauwkeurig te besturen.

feiten en logica 53[12]

Daarna werd de kennis over het oplossen van wiskundige vergelijkingen een belemmerende factor: een aantal lineaire (differentiaal-) vergelijkingen waren verhoudingsgewijze eenvoudig op te lossen. De wetenschap probeerde de leefomgeving onder ideale omstandigheden (zonder wrijving, tegenwind waarbij al het onbekende was samengevat in constanten) te beschrijven in lineaire vergelijkingen waarvan de oplossing bekend was, net alsof onze leefwereld alleen bestaat uit gecultiveerde Franse tuinen.

feiten en logica 54[13]

Tot ruim honderd jaar geleden was de ontwikkeling van de wetenschap zo veelbelovend dat alleen nog enkele kleine onvolkomenheden – zoals de vraag hoe de zwaartekracht wordt overgedragen en de vraag of licht bestaat uit deeltjes of uit golven – oplossing behoefden. De eerste scheuren in deze verwachting ontstonden nadat bleek dat licht tegelijkertijd bestond uit deeltje èn uit lichtgolven, dat binnen de kwantummechanica de snelheid en de plaats van deeltjes niet tegelijkertijd nauwkeurig bepaald konden worden, en dat uitkomsten binnen de relativiteitstheorie afhankelijk waren van de wijze van waarnemen.

Deze scheuren groeiden uit met de constatering dat onze dagelijkse leefomgeving voor een belangrijk deel bestaat uit niet-lineaire differentiaalvergelijkingen die niet oplosbaar zijn en vaak alleen benaderd kunnen worden. Bovendien bleken zelfs eenvoudige modellen – zoals het drielichamenprobleem [14] in de ruimte – uiterst complex en alleen in bijzondere eenvoudige omstandigheden oplosbaar. Daarnaast vertoonden eenvoudige modellen – zoals een dubbele staafslinger [15] – een chaotisch karakter waarbij de uitkomsten in de loop van de tijd enorm konden verschillen bij minieme verschillen in de begintoestand.

Ik zie dat onze maaltijd wordt geserveerd. Later ga ik verder”, zegt Carla.

“Bij het aanhoren van jouw inleiding valt het mij op dat de Mahābhārata een vergelijkbare revolutie ten opzichte van Upanishads – die zich richten op het Ene/Alomvattende – heeft veroorzaakt. In de Mahābhārata wordt de aandacht verlegd naar de ander/zelf in relatie tot de Ene/Zelf, waarin niets kan worden begrepen losstaand van de rest. Het Zelf is een wezen in relatie met zichzelf en op het zelfde moment is het Zelf een wezen ten opzicht van de ander en hiermee wordt het eigen leven verbonden met het leven van de ander [16]. De wijze waarop deze aandacht in de Mahābhārata wordt verlegd, is meer gericht op uitleg en beschrijven van het leven en minder gericht op beheersing en grip of de leefomgeving”, zegt Narrator.

“Bij jouw inleiding moet ik denken aan de titel van een dichtbundel van Rutger Kopland:

Wie wat vindt,

heeft slecht gezocht. [17]

en aan een uitspraak van Prof. Dr. W. Luijpen in zijn colleges aan de Technische Universiteit in Delft:

Bewijzen is dwingend doen kennen dat een ander door de knieën gaat.

Misschien iets om over na te denken bij het vervolg van onze zoektocht”, zegt Man.

“Interessante gedachten; op het dwingend doen bewijzen kom ik terug bij het denkraam van de strijder, maar laten wij eerst van onze maaltijd genieten”, zegt Carla.

“Eet smakelijk”, zeggen Man en Narrator vervolgens.


[1] Zie ook: Nārāyana, Narrator, Carla Drift – Een Buitenbeentje, Een Biografie. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 34

[2] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 103. Zie ook: Calvin, William H., De Rivier die tegen de Berg opstroomt – een reis naar de oorsprong van de aarde en de mens. Amsterdam: Bert Bakker, 1992

[3] Zie ook: Eliade, Mircea, A History of Religious Ideas, Volume I, Chicago: The University of Chicago Press, 1982, p. 5 en Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 111 – 112

[4] Origo, Jan van, Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan – 1. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 33 – 34 en 94 – 95

[5] Zie ook voor de “creatieve daad van zinneming en zinneming”: Merleau-Ponty, Maurice, Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Boom, 2009

[6] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gouden_kalf_

(Hebreeuwse_Bijbel)

[9] Zie ook: Stewart, Ian, Does God Play Dice? London: Penguin Books, 1992², p. 5 – 8

[10] Zie ook: Stewart, Ian, Does God Play Dice? London: Penguin Books, 1992², p. 18 – 33

[16] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 530

[17] Bron: Kopland, Rutger, Verzamelde gedichten. Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2010, p. 103

Man Leben – kloosterjaren


Im Kloster entdeckt man Leben in vielfältiger Form

Jij gaat verder het verhaal van jouw leven:

“Na mijn bezoek aan de kampen bij Dachau en het graf van moeder op Allerzielen in 1983, ben ik verder getrokken. Mijn verdere aanwezigheid in Dachau werd niet meer op prijs gesteld: landlopers zijn daar niet welkom. Een kleine week heb ik in het wild kunnen bivakkeren, maar ik begon steeds meer op te vallen. Begin november trok ik weer naar het noorden. Ik had een vaag plan om naar het graf van mijn vader in Auschwitz te gaan. Maar ik zag snel de onmogelijkheid van deze gedachte in. De winter is een erg slecht jaargetijde voor landlopen en Duitsland was nog steeds in tweeën gedeeld. Ik kon niet door Oost-Duitsland naar Polen lopen.

Ik werd ziek. Eerst een beetje door een stevige verkoudheid, daarna kwam de koorts. Een verhoudingsgewijs klein klooster gaf mij gastvrijheid en binnen vier weken was ik weer volledig genezen.

De kloosters waren in korte tijd erg veranderd. Begin 1960 waren er nog vele jonge mannen die in het klooster traden voor studie, bezinning, gerichtheid op God en Zijn werken, en voor het uitdragen van het geloof en Zijn werken in andere delen van de wereld. De kloosters stonden nog in volle bloei. Tien jaren later traden geen jongelingen meer toe en vele jongere broeders/monniken/paters hadden het kloosters verlaten voor het leven van alle dag al dan niet met een partner. Weer tien jaren later waren nog alleen de oudere bewoners en de abt over. Ook de gebouwen waren in 1983 erg naar binnen gekeerd geraakt.

[1]

Het klooster waar ik herstelde was niet zo groot. In 1983 was de inval van leegte in het gebouw nog niet beklemmend. De laatste 15 jaar was er maar een nieuwe broeder ingetreden; de bewoners waren wel 15 jaar ouder geworden. Als het klooster wilde voortbestaan, dan was een verandering op zijn plaats.

Aan een verandering was ik ook toe. Het was nog volop winter en verder trekken zonder doel lag niet op mijn weg. Ik was tijdens mijn herstel gaan wennen aan het kloosterritme. Na mijn genezen mocht ik van de abt blijven tot de lente aanbrak. Tegen kost en inwoning hielp ik bij het onderhoud en ik verrichtte de noodzakelijke klussen.

Aan het begin van de lente had ik met de abt mijn afscheidsgesprek. Dit gesprek vormde een nieuw begin. De abt vertelde zijn zorgen over de toekomst van het klooster; de kloosterorde was toe aan een verandering in lijn met de traditie en gericht op de toekomst.

Ieder moment, iedere handeling, ieder gebed en zang, iedere dag, ieder jaar, ieders leven, het leven binnen het klooster en het geloof waren in het klooster een oriëntatie op God. De wereld buiten het klooster veranderde in de loop van de eeuwen voortdurend. De veranderingen hadden in het verleden gevolgen gehad op het kloosterleven. In de middeleeuwen waren kloosters centra geweest van bijna alle wetenschappelijke kennis en kunde in de Westerse wereld. Vele kloosters hadden rijkdommen verworven die niet in lijn lagen met de traditie van de kloosters. Tegen het einde van de middeleeuwen – rond 1550 [2] – zijn veel kloosters van deze rijkdommen ontdaan: een aantal kloosters zijn in verval geraakt.

De laatste 15 jaar gingen de veranderingen in de wereld buiten het klooster erg snel. Deze snelle verandering had vergaande gevolgen voor het klooster, want de gemiddelde leeftijd van de bewoners nam heel snel toe. Verstilling, contemplatie en gerichtheid op God hoorde bij het klooster; aan de andere kant pasten verstarring en krampachtig vasthouden aan het verleden niet in de traditie.

De abt vroeg of ik een bijdrage aan de oriëntatie voor het klooster wilde leveren. Mijn bouwkundige achtergrond en mijn kennismaking met verschillende geloven konden goede invalshoeken opleveren. Naast de gebruikelijke taken voor een lekenbroeder zou ik mij wijden aan advisering voor en bijdragen aan deze oriëntatie.

Het kloostergebouw was in goede staat. Het was uitstekend geschikt voor klooster. Bij een teruglopend aantal vaste bewoners, konden delen van het gebouw ook gebruikt worden voor activiteiten in lijn met de doelstellingen van het klooster.

[3]

De oriëntatie op de buitenwereld liet zien dat ook buiten het klooster en de Christelijke kerk er een behoefte aan bezinning en contemplatie aanwezig was. Deze behoefte had vaak andere uitingsvormen.

[4]

Deze oriëntatie heeft tot gevolg gehad dat het klooster open is gesteld voor bezinning en educatie van buitenstaanders: individueel en in groepsverband. Een aantal broeders van de kloosterorde zijn religies uit Azië gaan bestuderen ter verrijking van het kloosterleven met als motto “onderzoekt het nieuwe en behoudt het goede”. Daarbij is ook kennis verworven voor begeleiding van groepen bij religieuze activiteiten en meditatie. In het klooster zijn nieuwe leken broeders gekomen voor de begeleiding van bezinning en educatie. Zij verbleven tijdelijk of soms permanent in het klooster.

Ongeveer 5 jaar heb ik in het klooster gewoond, gewerkt en groepen begeleid. Aan het einde van deze periode gingen de kloostergeloften knellen. De geloften van eenvoud/armoede was geen probleem; ik had een luxe leven met een goede gezondheid, voldoende eenvoudig maaltijden en een nuttige bijdrage aan het klooster en de wereld. De gelofte van kuisheid was iets lastiger. Sinds mijn studententijd zijn er tot aan mijn verblijf in het klooster altijd wel vrouwen in mijn leven geweest. Tijdens het kloosterleven zijn er geen vrouwen in mijn leven geweest; de verleiding was niet groot. De gelofte van gehoorzaamheid vormde het grote struikelblok: ik ben altijd onafhankelijk geweest en mijn motto was “niemands baas, niemands knecht”.

Mijn wens om mij verder te verdiepen in Oosterse religies viel niet samen met het verzoek om andere kloosters binnen de orde te begeleiden bij veranderingen. In samenspraak zijn plannen voor de verandering van andere kloosters gemaakt; de uitvoering is door anderen verricht. Af en toe heb ik advies gegeven tijdens de voortgang. Van bewoner van het klooster ben ik overgegaan in een periodieke bezoeker.

Rond mijn 55ste levensjaar ging ik een nieuwe fase van mijn leven in. Ik ging Oosterse religies bestuderen”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw studie van Oosterse religies.


[1] Voorbeeld van een klooster. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Benedictijnen

[2] In Engeland door King Hendrik VIII – zie ook http://en.wikipedia.org/wiki/Dissolution_of_the_Monasteries; In Europa tijdens de reformatie waarbij in Nederland de beeldenstorm en de Tachtig Jarige Oorlog niet voorspoedig waren voor de kloosterorden.

[3] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Trappist_praying_2007-08-20_dti.jpg

[4] http://en.wikipedia.org/wiki/File:Meditating_in_Madison_Square_Park.jpg

Man Leben – op weg 3


Geschichte, mit denen man leben muβ

Jij vervolgt het korte verslag van jouw leven met de aankomst in Dachau na een pelgrimstocht van twee maanden:

“Begin september 1983 ben ik vertrokken van de boerderij van mijn peettante in Zuid Limburg. Zij had mij deze pelgrimstocht aangeraden om invulling te geven aan de wens van mijn tante die mij na mijn 21st verjaardag had gevraagd om de traditionele Joodse dodenherdenking voor mijn ouders te verrichten, wanneer ik daartoe in staat zou zijn. Mijn moeder was in 1944 in Dachau overleden en begraven. Tijdens Allerzielen op 2 november hoopte ik het graf van mijn moeder te bezoeken zoals gebruikelijk is volgens de Katholiek gewoonte in Zuid Limburg.

Op mijn tocht had ik de wind [1] en de maan [2] leren kennen en ik was hen gaan vereenzelvigen met de “Hij” en “zijn” in het Joodse gebed Kaddish [3]. Hierdoor had ik pas vanaf eind september 1983 iedere dag een jaar lang dit gebed gezegd voor mijn vader, moeder, tante en peetoom.

Als landloper, maar als luxe landloper kwam ik eind oktober 1983 in Dachau aan; mijn gezondheid was nog steeds uitstekend en mijn uitrusting comfortabel. Ook met het snelle invallen van de duisternis aan het einde van de middag leerde ik leven door een klein vuurtje te maken in een oud conservenblik.

Een dag later – op een wat stormachtige dag – heb ik het kamp bezocht. De beelden van de kampen zijn bekend. Bronnen melden dat in de kampen bij Dachau volgens de administratie ruim 206.000 gevangenen hebben gezeten waarvan 31,951 gevangen zijn overleden aan ondervoeding, uitputting en ziekte [4]. Ter vergelijking: op de oorlogsbegraafplaatsen bij Omaha Beach in Normandië en bij Henri Chapelle aan de Noordrand van de Ardennen liggen 7000 en 8000 gesneuvelde soldaten begraven: peilloos leed.

Tijdens mijn bezoek zag ik waarover mijn tante hier tegen mij nooit over heeft kunnen en willen praten. Ik begreep ook waarom ze aan haar wens zo uitdrukkelijk toevoegde: “Wanneer jij daar toe in staat bent”. Later, veel later, heb ik mijn gevoel tijdens het bezoek onder woorden kunnen brengen.

Versteend en verstild

Van binnen en van buiten

De Wind speelt Haar zang.

Bij het invallen van de schemering verliet ik het kamp. Buiten zong ik neuriënd de aria uit Cantate 82 “Ich habe genug” van Johann Sebastian Bach:

Schlummert ein, ihr matten Augen,
Fallet sanft und selig zu!
Welt, ich bleibe nicht mehr hier,
Hab ich doch kein Teil an dir,
Das der Seele könnte taugen.
Hier muss ich das Elend bauen,
Aber dort, dort werd ich schauen
Süßen Friede, stille Ruh.

Deze Cantate had Johann Sebastian Bach geschreven voor 2 februari, Maria Lichtmis of “Purificatio Mariae” [5] – de reiniging van Maria – 40 dagen na Kerstmis. Toepasselijk: ik zong de reiniging van en voor mijn moeder, haar gedachtenis zij een zegen voor hier – in onze wereld – en voor daar – in het hiernamaals [6]. Voor mij zijn deze twee werelden van Haar altijd een en dezelfde geweest.

De volgende dag kwam ik terug om te kijken of het graf van mijn moeder er goed verzorgd bij lag. Ik had een plat rond steentje meegenomen: dit steentje heb ik op haar graf gelegd.

[7]

Daarna ben ik langs de Katholieke kapel, de Christelijke verzoeningskerk en de Joodse gedenkruimte gelopen. Geen van de ruimten was voor mij uitnodigend om te betreden.

[7]

[9]

[10]

[11]

In Ulm had ik het studie model voor het continuüm gezien dat het gehele universum omvat in al Haar eenvoud en beperking. Binnenkant en buitenkant wisselen continu. Deze verzoeningsruimte geeft beschutting en neemt tegelijkertijd alles uit het universum ademend in zich op in geborgenheid en ontvankelijkheid. Mijn moeder, haar gedachtenis zij een zegen – voor hier en voor daar.

[12]

Op 2 November – de dag van Allerzielen – ben ik in de loop van de middag naar het graf van mijn moeder gegaan. Het steentje was verdwenen. Dat kon ik begrijpen, anders zou er een berg van steentjes ontstaan. Bij haar graf heb ik het gebed van Kaddish gezegd.

Tegen het vallen van de duisternis ben ik verder gegaan. De gevoelens bij mijn vertrek heb ik later gelezen in de Zen koan: “Ieder van U heeft Uw eigen licht. Als jij het wil zien, dan is het niet mogelijk. De duisternis is donker, donker. Nu, wat is Uw/Jouw licht? …… Het antwoord is: De ruimte van het Universum, de weg.” [13]

Landlopers zijn niet welkom in Dachau. Ik ben weer verder getrokken. De winter viel in. Het graf van mijn vader heb ik 10 jaar later in 1993 bezocht: toen was ik daar toe in staat. Eerst heb ik een aantal jaren in kloosters gewoond”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw kloosterjaren.


[1] Zie bericht “Man Leben – op weg” van 14 oktober 2011.

[2] Zie bericht “Man Leben – op weg 2” van 17 oktober 2011.

[4] De bronnen melden variërende aantallen. De aantallen in dit bericht komen uit: http://www.dachau.nl/het_kamp/historisch/index.html en http://en.wikipedia.org/wiki/Dachau_concentration_camp

[6] Zie ook: Wieseltier, Leon, Kaddisj. Amsterdam: De Bezige Bij, 1999, p. 11

[12] Model for the continuous study of the workshop of Tomas Maldonado. Bron afbeelding:  http://en.wikipedia.org/wiki/Ulm_School_of_Design

[13] Vrije weergave van Yunmen’s light – casus 86 uit de Hekiganroku. Zie ook: Aitken, Robert, The Mind of Clover – Essays in Zen Buddhist Ethics. New York: North Point Press, 2000⁸. pag. 62. Opmerking: Volgens de bronnen is het antwoord in deze koan: “De opslagruimte, de poort/weg”. De Engelse versie voor “opslagruimte” is “storeroom” of “kitchen storage”; hier is dit begrip weergegeven als “de ruimte van het Universum” met verwijzing naar “Deine Seele ist die ganze Welt” – zie ook: Hesse Herman, Siddhartha. Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag: 1989 p. 10. De Engelse versie voor “poort/weg” is “gate en gateway”; in het Sankriet betekent “gate” onder andere “gaande, en de locativus voor gaan”.

Man Leben – jouw studietijd


Traume soll man leben

Jij vervolgt met jouw studiejaren in Delft:

“Na het behalen van mijn middelbare school diploma ben ik met twee vrienden vier weken in Nederland, België en Frankrijk gaan kamperen. Mijn tante moedigde mij aan om te gaan studeren en op kamers te gaan; zij wilde dat ik op deze manier in de voetsporen van mijn vader kon treden. Door de wederopbouw was ik geïnteresseerd geraakt in architectuur. Ik ging in Delft bouwkunde studeren en ik vond een kleine kamer in een huis aan de Oude Delft. Ik genoot van het studenten leven, studentenvereniging, twee jaar roeien, jazz, uitstapjes naar Amsterdam, Parijs, en natuurlijk was er de architectuur. De huivering van het nieuwe: Amsterdamse school, Frank Lloyd Wright, De Nieuwe Zakelijkheid, Glasshouse.

[1]

[2]

[3]

[4]

Net na mijn 21ste verjaardag volgde een ontnuchtering. Mijn tante legde verantwoording af over haar tijd als voogd en zij droeg het nalatenschap van mijn vader en moeder aan mij over. Zij had het goed gedaan, maar het tijdsgewricht was haar niet goedgezind geweest.

Zij toonde hoe het klein basiskapitaal – dat mijn grootouders rond 1923 in Amsterdam hadden belegd – door mijn ouders in 1933 was gebruikt om een nieuwe start in Nederland te maken. Met een deel van dit geld was in Amsterdam een huis gekocht; de rest was als reserve kapitaal aangewend voor de handel. De handel was redelijk voorspoedig verlopen totdat het andere bewind uit Duitsland belemmeringen ging opwerpen. Bij de deportatie van mijn ouders naar Duitsland zijn de roerende goederen in beslag genomen of verdwenen. Hun huis is in de oorlog geconfisqueerd voor huisvesting.

De eerste post die mijn tante in 1945 kreeg bij haar terugkeer in Nederland, waren aanslagen van de Nederlandse overheid voor de belasting die tijdens de oorlog door mijn familie nog niet was betaald. Zij begreep dat de Nederlandse overheid na de oorlog alles van de grond moest opbouwen net als alles en iedereen. Mijn tante moest als erfgenaam en voogd de verplichtingen voor de overledenen en voor mij nakomen. Alle bezittingen waren vervlogen of niet toegankelijk. Het huis van mijn ouders was bewoond door andere mensen. Vele rekeningen voor onderhoud van deze voormalige woning stonden open of waren door anderen voorgeschoten. Ook het eigendomsrecht over het huis werd betwist. Door het eigendom van het huis officieel over te dragen aan nieuwe eigenaren, konden alle schulden en belastingaanslagen net worden voldaan.

Gelukkig kreeg mijn tante een betrekking bij een handelskantoor waardoor zij een nieuw bestaan kon opbouwen. Vanuit deze basis had zij toegang kunnen krijgen tot het andere klein basiskapitaal dat mijn grootouders in Zwitserland hadden ondergebracht. Met dit basiskapitaal kon zij mijn onderhoud en studie bekostigen. Zij wenste dat ik een goede tijd studietijd zou hebben en ik genoot van de zorgeloze eerste twee jaren van mijn studie.

Een wens van mijn tante heb ik pas veel later – nadat ik 50 jaar was geworden – kunnen invullen. Zij vroeg mij om mijn vader en moeder te eren niet alleen met mijn leven zoals ik voor mijn volwassenheid had gedaan, maar ook te eren met een dodenherdenking. Ik dacht eerst aan “Dies Irae” [5] – of de “Dag van Toorn” – als herdenking van het noodlot en verschrikkingen die mijn vader en moeder in de oorlog hadden getroffen. Het verzoek van mijn tante ging verder: zij vroeg mij – wanneer ik daar rijp voor was – om mijn ouders te eren volgens de Joodse dodenherdenking Kaddish [6] met de openingstekst: “U zij geprezen en heilig is uw naam in de wereld gemaakt naar uw wil”. Deze tekst lijkt sterk op het Christelijk equivalent “U zij de glorie” [7]. Veel later was ik eindelijk rijp en nederig om deze teksten een heel jaar lang te zeggen en daarmee de wens van mijn tante te vervullen. Ik kon daar pas mee beginnen nadat een monnik in een klooster zag dat ik veel moeite had met buigen. “Weet jij voor wie jij buigt?”, vroeg hij. Ik antwoordde dat ik moeite had om op deze manier God te eren. Daarop zei de monnik: “De buigingen zijn buigingen voor jezelf”. Dit antwoord drong jaren later pas tot mij door.

Na deze ontnuchtering volgend op de vrolijke eerste twee jaar studie, heb ik vier jaren later mijn ingenieursdiploma behaald. Mijn afstudeerwerk had betrekking op utiliteitsbouw: redelijk tot goed werk, maar het niveau van de beste architecten was mij niet gegeven,” zei jij.

[8]

“De rijpheid en nederigheid heb ik nog niet. Ik zit nog vol opstand”, zeg ik.

“Het heeft mij veel moeite gekost om dit te bereiken”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw vruchtbare jaren in de samenleving.

 

– “Wie ben jij – Deel 1” – is klaar om te downloaden –

– Zie pagina: “Wie ben jij – Deel 1”


[8] Ketelhuis bij de Rotterdamseweg in Delft. Dit ketelhuis is een voorbeeld van de nieuwe zakelijkheid. Het ontwerp is van het architectenbureau van den Broek en Bakema – zie ook: http://www.broekbakema.nl/ Bron afbeelding: Screenprint uit Google maps.

Man Leben – jouw schooltijd


Ein Weg durch das Abenteurer, das man Leben nennt

Jij vervolgt met jouw middelbare schooltijd in Holland.

“In de zomer van 1946 is mijn tante bij mijn peetoom en peettante op bezoek gekomen. Zij heeft er een week gelogeerd. Na deze week ben ik bij mijn tante in een dorp in de buurt van Rotterdam gaan wonen. Het afscheid van mijn peetouders was niet makkelijk; gelukkig ben ik nog geregeld bij hun gaan logeren: iedere keer weer bijzonder.

In de trein in de buurt van Rotterdam verbaasde ik mij erover dat een land zo plat en leeg kon zijn. En zo vol sloten en slootjes. Later begreep ik dat dit het resultaat was van een eeuwenlang samenleven met het water en het drooghouden van de polders.

[1]

  [2]

Toen wij in ons nieuwe huis aankwamen, had mijn tante droef nieuws. Mijn vader en moeder hadden de oorlog en de gevolgen van het andere bewind uit Duitsland – dat ook Nederland had overspoeld – niet overleefd. Mijn vader was omgekomen in Auschwitz [3], mijn moeder aan ziekte in Dachau. Verder heeft mijn tante nooit meer over de oorlogstijd gesproken. Ik heb haar hierover nooit vragen gesteld: het was overduidelijk dat dit te pijnlijk was. Na de oorlog is zij door verre familie geholpen aan een betrekking op een handelskantoor.

In Holland woonde ik in een Christelijk dorp, ik ging naar een Christelijke middelbare school en wij gingen naar een Christelijke kerk met volkomen andere gebruiken. Wel moest ik van mijn tante regelmatig de Joodse geschriften bestuderen; deze erfenis van mijn voorouders werd niet verloochend. Alles weer even vreemd, ook mijn voornaam was vreemd en een Duits klinkende achternaam veroorzaakte in het begin ook bedenkingen. Ik kon de mensen wel verstaan, maar ze reageerden anders. Door mijn tongval en gedrag was ik opnieuw een buitenbeentje. Na de oorlog was er gebrek aan bijna alles en men was erg zuinig. In Holland werd veel melk gedronken – liefst een liter per dag; in Limburg werd alleen beetje melk in de koffie gedaan. Bij feesten was er als traktatie een plakje cake in plaats van overvloedig vruchtenvlaai: de buurvrouw in Limburg liet bij de bakker voor een belangrijk feest wel 24 verschillende vlaaien afbakken en die gingen allemaal op.

Na verloop van tijd raakte ik gewend aan ons nieuwe leven in Holland. Ik kreeg vrienden op de nieuwe school, ik werd weer in stilte verliefd en ik haalde na 6 jaar mijn diploma. Daarna ben ik in Delft Bouwkunde gaan studeren”, zeg jij.

“Jo Ritzen, die vanuit Zuid Limburg in Delft Technische Natuurkunde is gaan studeren, heeft in zijn autobiografie [4] geschreven dat de overgang van Limburg naar Holland de grootste verandering in zijn leven was. Jouw veranderingen zijn groter”, zeg ik.

“Voor mij was er geen keuze. Het kwam het zoals het kwam, het was zoals het was en het ging zoals het ging; net als het weer of de wind, niet anders”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw studiejaren in Delft.

 

– “Wie ben jij – Deel 1” – is klaar om te downloaden –

– Zie pagina: “Wie ben jij – Deel 1”


[3] De naam Auschwitz is afkomstig van de Poolse plaatsnaam Oświęcim in de buurt van het kamp. Veel Joden die voor de oorlog in Oświęcim leefden, noemden deze plaats Oshpitzin – het Yiddish woord voor gast – omdat deze plaats voor de oorlog bekend was om haar gastvrijheid. Bron: Glassman, Bernie, Bearing Witness – A Zen Master’s Lessons in Making Peace. New York: Bell Tower, 1998, p. 4

[4] Ritzen, Jozef Maria Mathias, De Minister – Een Handboek. Amsterdam: Bert Bakker, 1998.

Man Leben – jouw eerste jaren


Wie kann man leben, wenn man nicht sterben will [1]

In het vorige bericht heb jij de geschiedenis van jouw voorouders en ouders – tot het moment dat jij in hun leven kwam – in een vogelvlucht verteld. Geen bestaand mens heeft model gestaan voor een van de hoofdpersonen. Hun namen zouden ook Alleman en Iederman kunnen zijn. Jij gaat nu verder met jouw eerste levensjaren:

“Op de avond waarop ik eind maart 1933 in het leven van mijn ouders kwam, hadden zij besloten om Frankfurt am Main te verlaten. Zij zijn naar Amsterdam verhuisd met achterlating van veel van hun bezittingen. Nooit hebben zij mij dat verteld, maar ik denk dat ik in deze nacht ben ontstaan binnen een cocon van liefde, hoop en vertroosting.

Eerst een schets van de tijd waarin ik ben ontstaan. Duitsland was na de nederlaag in “Een oorlog als geen ander, een oorlog als elkeen” vervallen in een diepe economische crisis met grote werkloosheid. In 1923 was door de herstelbetalingen de hyperinflatie van geld – als vertrouwenwekkend object in het midden – zo groot dat het verdiende salaris aan het einde van de ochtend in een heel brood moest worden omgezet, omdat in de loop van de middag dat geld nog maar enkele boterhammen waard was. Mijn grootouders hebben in die tijd een klein basiskapitaal in harde munt in Nederland en Zwitserland ondergebracht.

[2]

Mijn voorouders en ouders zijn altijd buitenbeentjes geweest in iedere samenleving – ook in Duitsland – met alle gevolgen van dien. In de tweede helft van de jaren 1920 en het begin van de jaren 1930 ontstond in Duitsland een overweldigende dadendrang, hoop en toorn – ijselijke toorn [3].  Autowegen werden aangelegd, industrie leefde op, een enorme drang tot leven ontstond en de soldatenlaarzen werden opnieuw in het vet gezet voor de mars vooruit. “Alles op de pof; wie gaat dat betalen”, zei de oma van Hermann Simon in Heimat – Eine deutsche Chronik [4] na een bezoek aan familie in het Ruhrgebied. De prijs in de toekomst was toen nog onvoorstelbaar [5].

[6]

Om dit onderling vertrouwen in de Duitse samenleving te bestendigen waren een “persoon in het midden”, “objecten in het midden”, “mythes” en “rituelen” [7] nodig. De zondebok in de samenleving was snel gevonden; mijn grootouders en ouders met andere afstammelingen van mijn voorouders werden aangemerkt als collectieve dragers van het kwade. Door het offeren en verwijderen van de zondebok uit de samenleving dacht het Duitse volk van al het kwade verlost te zijn. Het begon met kleine vernielingen en pesterijen, en het ging verder met rookoffers waarin onder andere Synagogen en boeken in brand werden gezet.

 [8]

Toen in maart 1933 het andere bewind in Duitsland alle volmachten had verkregen, besloten mijn ouders te vertrekken: zij wilde niet opgeofferd worden. Mijn grootouders zijn gebleven.

In Amsterdam ben ik begin januari 1934 geboren. Ook in Amsterdam was het crisis. Met het klein basiskapitaal van mijn grootouders uit de jaren 1920, konden mijn ouders een bestaan opbouwen in een wijk die leek op de Rivierenbuurt [9]. Mijn vader ging in de handel. Ik groeide op als een Amsterdamse jongen.

In mei 1940 overspoelde het andere bewind uit Duitsland ook Nederland. Enkele kennissen van mijn ouders pleegden zelfmoord, omdat zij in wanhoop geen andere uitweg meer wisten. Mijn ouders vervolgenden hun leven. In september 1940 ging ik gewoon naar de lagere school. Behalve de “J met gele ster” op mijn kleren, ging het leven gewoon verder tot het einde van 1941. Op een avond voordat ik bij mijn tante ging logeren, hebben mijn ouders mij gezegd dat ik lang weg zou blijven, maar uiteindelijk zou alles goed zou komen.

Bij mijn tante ben ik een nacht gebleven. Via enkele tussenstations ben ik met een nieuwe voor- en achternaam op een boerderij in Zuid – Limburg beland. Mijn officiële naam was van dat moment Hermanus [10] Maria Jacobus [11] Leben; ik was Katholiek gedoopt. Men noemde mij Man – een naam die ook met tegenwind over de velden ver draagt”, zeg jij

“Ik kom ook Zuid Limburg. Ik herkende jouw voornaam “Man” meteen. Er zijn daar zoveel voornamen die ver over de velden dragen. Math van Mattheüs, Wiel van Wilhelmus, Sjeng of Sjang van Johannes, Sjraar van Gerard, Joep van Josef, Pie van Peter, Nant van Ferdinand, Sjoef, Sjier. Bij al deze namen heb ik gezichten”, zeg ik.

“Al deze namen en gezichten draag ik ook met mij mee”, zeg jij.

“En jouw ouders?”, vraag ik.

“Ik draag hen ook altijd met mij mee. Een klein jaar nadat ik mijn ouders voor het laatst heb gezien, is in 1942 mijn zusje geboren met de naam Carla [12]. Dat is het enige dat ik van haar weet. Nog steeds als ik vrouwen zie van haar leeftijd met mijn familietrekken, kijk ik of zij het is. Ik heb eens gelezen: ”Als er ook maar een haarbreedte verschil is, dan zijn hemel en aarde duidelijk gescheiden [13]. Er stond ook bij: “De weg van het hemelrijk is niet moeilijk, deze weg houdt niet van keuzes maken”. Later meer”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw schooltijd in Zuid Limburg.

– “Wie ben jij – Deel 1” – is klaar om te downloaden –

– Zie pagina: “Wie ben jij – Deel 1”


[1] Vertaling: Hoe kan men leven, als men niet wenst te sterven.

[3] Zie ook: “Toorn, ijselijke toorn die ontelbare verschrikkingen bracht” in het bericht van 31 augustus 2001: Een oorlog als geen ander – de hoofdrolspelers

[4] Bron: Reitz, Edgar, Heimat – Eine deutsche Chronik. 1984 Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Heimat_(Edgar_Reitz)

[5] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_wars_and_anthropogenic_disasters_by_death_toll en voor de prijs van de Spaanse griep aan het einde van de Eerste Wereld Oorlog: http://en.wikipedia.org/wiki/1918_flu_pandemic

[7] Zie eerdere berichten met gelijknamige titels.

[8] Foto van brand in de Synagoge in de Börnestraße in Frankfurt am Main tijdens de Kristallnacht op 9 November 1938. Bron afbeelding: http://www.frankfurt.frblog.de/ostend-industrieviertel-mit-juedischen-wurzeln

[9] Voorbeeld van geschiedenis van vluchtelingen uit Duitsland: http://www.zuidelijkewandelweg.nl/tijdtijn/razzia%27s.htm

[10] De naam Hermanus is samengesteld uit “Herr” en “Man”. Mogelijk is het Duitse woord “Herr” verwant met de werkwoord kern “√hṛ” die in het Sanskrit “offeren, aanbieden” en “nemen, wegnemen” betekent. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta. Zie ook de eerste Chorus uit de Cantate 131 van van Johann Sebastian Bach: ”Aus der Tiefe rufe ich, Herr, zu dir. Herr, höre meine Stimme, lass deine Ohren merken auf die Stimme meines Flehens!“. “Man” betekent in het Sanskriet “denken/beschouwen/waarnemen”.

[11] Waarschijnlijk is deze naam nauw verbonden met de werkwoord kern “√śak” dat in het Sanskriet “vaardig, capabel zijn en in staat zijn tot” betekent.

[12] De naam Carla is samengesteld uit ”car” dat in het Sanskriet “bewegen, zwerven” betekent en “la” dat “ondernemen of geven” betekent.

[13] Bron: Wick, Gerry Shishin, The Book of Equanimity – Illuminating Classic Zen Koans. Somerville MA: Wisdom Publications, 2005 – casus 17, p. 54.