Tagarchief: Sanskriet

De wind in de zeilen


Rond 9 uur in de ochtend varen Carla, Man en Narrator op de buitenboordmotor door de veerhaven van Lauwersoog. De passagiers gaan aan boord van de ochtend veerboot van half tien naar Schiermonnikoog. Zij wuiven naar de kleine zeilboot. Carla en Man wuiven terug terwijl zij bezig zijn met het in gereedheid brengen van de zeilen: Narrator is al de kajuit ingegaan om te gaan slapen. Een van de vakantiegangers roept: “Goede vaart!”. Man roept terug: “Mooi dagen” en Carla: ”Goede vakantiedagen”. Een man op de veerboot roept: “Gaat lukken, het weer wordt goed!”.

Bij het verlaten van de haven zet Man de buitenboordmotor uit en kantelt deze uit het water. Daarna hijst Man met hulp van Carla de zeilen; eerst de fok en de druil en daarna het grootzeil van deze yawl-getuigde [1] zeilboot. Er waait een zachte bries uit het zuidwesten. Dan gebeurt het wonder: vanuit het niets bollen de zeilen licht flapperend en de boot wordt door de wind voortgedreven. Man trimt de zeilen zodat zij mooi strak staan en de boot goed op koers komt te liggen.

Na een half uur haalt de veerboot hen in; weer wuiven passagiers en Carla en Man naar elkaar. Narrator slaapt stil in de kajuit.

Veerboot[2]

“Over een half uur hebben wij een stroming van twee knopen mee; met deze wind zullen wij door deze stroming zo’n twee uur met een snelheid van zeven knopen varen en kunnen wij voorbij Het Rif richting Ameland ons om 12 uur laten droogvallen. Wij gaan dan lunchen en wachten op het volgende hoogwater aan tegen het einde van de middag om ons tegen het donker droog te laten richting Terschelling”, zegt Man.

“Zeven knopen is een aardige snelheid, want met een waterlijn van iets meer dan 5,80 meter is volgens de vuistregel “2.45 x wortel waterlijn (in meters) = rompsnelheid” met deze Drascombe Drifter een snelheid van een 5,90 knopen mogelijk”, zegt Carla.

“Misschien is het goed dat ik jou enkele aanwijzingen geef om de boot te bedienen wanneer mij iets overkomt. Je kunt in dat geval het beste op de motor naar een haven varen. Wanneer het gaat stormen dan is het verstandig om alleen de druil als zeil te voeren, want hierdoor blijft de boot met de kop in de wind en meestal de golven varen. Wanneer de motor uitvalt, dan is de boot uitstekend te varen met druil en fok. In geval van nood kun je altijd hulp inroepen of je kunt de boot aan laten landen bij een strand”, zegt Man.

Yawl[3]

“Behalve als het noodweer wordt, kunnen wij ons redden als het moet met de roeispanen. Laten we hopen dat het niet nodig is”, zegt Carla.

Na een kleine drie uren varen haalt Man het zwaard op, laat de boot droogvallen en strijkt de zeilen; Carla helpt hierbij. Op het tweepits gascomfort bakt Man eieren voor de lunch. Carla maakt Narrator wakker en zij pakt het brood, de borden en het bestek. Bij het weidse uitzicht van het droogvallend wad genieten zij van hun lunch.

“Nu begrijp ik waarom jij ons hebt uitgenodigd om hier naartoe te gaan. Met het wisselen van het tij, vloeien water en vaste grond – voortdurend complementair – oneindig veranderend in elkaar over, net als leegte en vorm. In de biografie van Narrator heb jij een passage uit de Hart Sūtra opgenomen [4] met de beginstrofe “Vorm is gelijk aan leegte, zoals leegte gelijk is aan vorm”. Tot nu toe heb ik “vorm” en “leegte” gezien als complementair net als “één” en “nul” in de informatica die via beeldschermen een volledig nieuwe menselijke communicatie gestalte geeft; zonder leegte geen vorm zoals zonder vorm geen leegte: beiden vormen elkaar door elkaar te vervangen net als letters op een leeg vel bij grafische vormgeving in de plaats van de leegte komt.

Hier op het Wad bij de wisselingen van het tij vervagen de grenzen tussen vorm en leegte; nog steeds brengen vorm en leegte elkaar tot leven. Nu zie ik beiden niet gescheiden en complementair, maar al voortdurend in elkaar vervloeiend”, zegt Carla.

Het Wad[5]

“Ja, ik ben steeds naar het Wad teruggekomen om dit schijnbaar tijdloos in elkaar overvloeien van getijden te beleven – volgens de strakke regelmaat van het tij – en tegelijkertijd steeds wisselend, steeds anders. Binnen een dag zeilen op het Wad wordt ik één met dit ritme en vervaagt mijn gejaagde alledaagse ego. Daarbij vraagt het discipline en overzicht om voortdurend zorg te blijven dragen voor een behouden vaart van de boot. Ik heb mij hier altijd onder alle omstandigheden – ook bij slecht weer en opkomende storm – thuis gevoeld”, zegt Man.

“Op mijn reis van mijn geboorteland Kenya naar Rome heb ik dezelfde ervaring van vervloeien van vorm en leegte gehad in de uitlopers van de woestijn en woestijnsteppe, op de boot op de Nijl en tijdens mijn bootreis over de Middellandse Zee; daarbij groeide ik naar een nieuw leven in een andere omgeving [6]. Nu in mijn leven als bhikṣu ben ik weer opgenomen in de eeuwige baarmoeder van moeder aarde; en de wind neemt mij mee in vluchtigheid van vorm en leegte”, zegt Narrator.

“Misschien een idee: zullen wij “verandering” – de volgende gangbare werkelijkheid op onze zoektocht naar “Wie ben jij” – in Afrika (bijvoorbeeld in Kenya) gaan onderzoek? Ik ben nog nooit in Afrika geweest en voor jullie is het een mooie gelegenheid om ernaar terug te keren. Reis en verblijf kan ik eenvoudig uit mijn middelen bekostigen. Misschien iets om aan het einde van deze boottocht op terug te komen.

Vorm en leegte zijn volgens mij de kernbegrippen van de Hart Sūtra. Wat betekent de titel van deze Sūtra in het Sanskriet”, vraagt Man aan Narrator.

“Zullen wij de Sūtra uit het Sanskriet gaan vertalen?”, vraagt Narrator.

“Dat is een stille wens van mij. Hierdoor kan mijn studie Sanskriet van nut zijn voor alles en iedereen. Zonder jouw hulp gaat het niet”, zegt Man.

“Goed idee. Dan vul ik aan vanuit mijn achtergrond en algemene kennis”, zegt Carla.

“Laten wij beginnen met de titel van de sūtra. De volledige titel “prajñāpāramitā hṛdaya sūtra” wordt vaak vertaald met “Volmaakte overdracht van het hart – of de kern – van wijsheid” [7].
Mijn vader heeft mij de betekenissen van “prajñāpāramitā”, “hṛdaya” en “sūtra” uitgelegd door te wijzen op de verschillende delen van deze woorden in hun samenstelling.

Volgens mijn vader bestaat het woord “prajñāpāramitā” uit de hoofddelen “prajñā”, “pāra” en “mitā”.

Het woord prajñā – meestal met wijsheid vertaald – is samengesteld uit pra en jñā, waarvan:

• pra de betekenissen van “voor, vooruit, aan de voorzijde, vandaan, excessief” en “vullen, vervullen, positief waarderen” – net zoals het Latijnse woord “pro” als tegenstelling van “contra” – heeft en
• jñā de betekenissen van “kennis, begrijpen, ervaren, herinneren, bekend met” bezit [8].

In de samenstelling krijgt “prajñā” de betekenis van (levens-)wijsheid, intelligentie, kennis, onderscheid en/of het oordeel van een wijze of verstandige vrouw/moeder. Met deze laatste duiding wordt verwezen naar “tao” of “levensweg” in het eerste hoofdstuk van de Tao Te Ching waarin “tao” – in de vorm van “naam” – is de “moeder aller dingen” [9]”, zegt Narrator.

Tao[10]

“Ik heb ergens gelezen dat het Boeddhisme drie vormen van “prajñā” of wijsheid onderscheidt:
• wijsheid binnen de alledaagse wereld, waarbinnen het tijdelijke binnen ons leven als permanent wordt gezien, waar illusies als werkelijkheid worden ervaren, en waar het vergankelijke ego als absoluut zelf wordt beschouwd. Veruit de meeste mensen leven binnen het kader van deze wijsheid.
• wijsheid binnen de metafysische wereld, waarbinnen de permanente verschijningsvormen als tijdelijk worden gezien, waar werkelijkheid als een illusie wordt ervaren, en waar de verschijningsvormen met een “zelf” gezien worden als zonder zelf. Deze wijsheid is bereikbaar met meditatie en filosofie.
• wijsheid die de alledaagse en metafysische wereld overstijgt waarbinnen de verschijningsvormen als noch tijdelijk noch permanent worden gezien, noch puur en onzuiver worden ervaren, noch voorzien van een “zelf” en/of “zonder zelf” worden gezien, en waar alles onbevattelijk en onuitspreekbaar is.

Waar alledaagse en metafysische wijsheid resulteren in een hang naar verschijningsvormen, illusies en kenmerken, blijft de derde vorm van wijsheid hiervan gevrijwaard [11].

Welke wijsheid wordt hier in het Sanskriet aangeduid?”, vraagt Man aan Narrator.

“Mijn vader zei dat “prajñā” voorafgaat aan alle wijsheid zonder eraan voorbij te gaan: het omvat Al en Een zonder voorbij te gaan aan de verscheidenheid der dingen in ons dagelijks leven, aan de ideeën en gedachten in de wetenschap en aan de kennis en wijsheid van het onbevattelijke en uitspreekbare”, zegt Narrator.

“Jouw vader is een wijs man”, zegt Man.

“In al zijn beperkingen en gebondenheid. Zal ik verder gaan met pāramitā?”, vraagt Narrator.

“Dat is goed”, zeggen Carla en Man.

“Het woord “para” komt in het Sanskriet in de volgende drie vormen voor met als betekenis:
• pāra: oversteken, naar de andere kant, naar de andere oever, wachter, vervullen, doorstaan, beëindigen. In het Boeddhisme wordt verlichting soms met de metafoor “de andere oever” geduid.
• parā: weg, vandaan
• para: hoogste, opperste, oud, afgelegen, vreemd en ook soms best of slechts.
Hier wordt de eerste vorm en betekenis van het woord gebruikt; mijn vader voegde eraan toe dat bij een van de vormen van het woord para, de andere vormen altijd zachtjes meeklinken.
Het hoofddeel “mitā” is de nominativus (of onderwerpsvorm) meervoud van het woord “mita” – verwant aan het Latijnse werkwoord “mittere” met de betekenis “doen gaan” of “zenden” en “laten gaan” – dat in het Sanskriet “gevestigd, stabiel, afgewogen, iets bevatten, matig, van een goddelijke orde” betekent.

Door deze analyse krijgt “prajñāpāramitā” naast “perfecte wijsheid” ook de verwijzing naar “tao” uit het eerste hoofdstuk van de Tao Te Ching als “naam” die als naam niet de “Onsterfelijk Naam” wordt maar de “moeder aller dingen” enerzijds in duiding en anderzijds in vluchtigheid en onvermijdelijkheid.

In het Boeddhisme wordt hier vaak – met een creatieve uitleg van pāramitā dat samengesteld is uit “pāra” en “ita” dat “gaan”, “terugkeren”, “verkrijgen” en “herinneren” in het Sanskriet betekent en daardoor in het samenstel “gaan/terugkeren/herinneren van de andere zijde” [12] – de wijsheid van “de andere oever” en wijsheid van de staat van verlichting bedoeld waarbij de “de andere oever” door de stroom of de bron met “de ene oever” van het leven van alledag verbonden is [13], net zoals in de metafoor van de cycloon de kern door een muur van wind verbonden is met de tollende tropische storm.

Het woord “hṛdaya” wordt meestal vertaalt met het “hart” of “binnenste van een lichaam” en “hart, kern, essentie, beste, dierbaarste of meest verborgen/geborgen deel van iets” [14]. Dit woord hṛdaya bestaat volgens mijn vader uit de delen “hṛ”, “da” en “ya” met de betekenissen:
• “hṛ” dat “nemen, meenemen, stelen en offeren” betekent – zoals in de vee-cyclus [15], waardoor deze werkwoordkern mogelijk verwant is aan het Duitse woord “Herr” – en “vernietigen/verliezen (ook van het eigen ego), ontvangen, overwinnen, fascineren”
• “da” dat “geven”, “offeren”, “voortbrengen” en “afsnijden – volgens mijn vader scheiden van het “Al en Een”” – betekent
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” aanduidt. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel”. Mijn vader gebruikt dit werkwoord altijd in de vorm van “yayate”, waarbij de vrucht van de actie van offeren en geven aan de gever of het Alomvattende zelf toekomt en het misschien ook wel “Gods gave” in volkomen wederkerigheid is. Hij zei hierbij dat “ya” nauw verbonden is met ons woord “ja” ter positieve instemming, en bevestiging. In Holland gaat “ja” – met de handelsgeest altijd in het achterhoofd – al snel over in een overeenkomst, maar ik denk dat mijn vader doelt op de erkenning van de ander en de instemmende grondhouding voor de ander.

Door ook de betekenis van de delen van “hṛdaya” te bezien, krijgt dit woord naast “hart of binnenste van een lichaam” en “hart, kern, essentie, beste, dierbaarste of meest verborgen/geborgen deel van iets” ook de betekenis van een “lege kern” zoals in een cycloon of waterhoos met vergaande gevolgen voor alles en iedereen.

Hart[16]

In het woord “sūtra” zijn de twee kernen “sū” en “tṛ” te zien waarbij “sū” in de Vedische tijd en in samenstellingen van woorden de betekenis “goed” heeft en later is de betekenis overgegaan in “scheppen, voortbrengen, tot leven brengen, produceren, toestaan en schenken”. En “tṛ” heeft de betekenis “oversteken”.

Met deze aanvulling van mijn vader krijgt de gebruikelijke vertaling “Volmaakte overdracht van het hart – of de kern – van wijsheid” een verbreding, transparantie en tegelijkertijd een vluchtigheid als het leven zelf. Eigenlijk doelt deze titel op het leven zelf, in al haar rijkdom en facetten”, zeg Narrator.

“Tijdens jouw uitleg dacht ik voortdurend aan de parels en de alle afzonderlijke weerspiegelingen in de metafoor van “Indra’s Net”. Bij de metafoor van Indra’s Net heb ik tot nu toe altijd gedacht aan ingang tot het onkenbare. Met jouw toelichting – aangevuld met jouw vaders wijsheid – op de titel in het Sanskriet van de Hart Sūtra is mij duidelijk dat Indra’s Net ook een metafoor is voor ons leven van alledag”, zegt Carla.

“Bij een nadere bestudering gaan alle serieus religieuze beschouwingen voortdurend over hetzelfde. Het is tijd om deze uitgebreide lunch te beëindigen en de borden en bestek af te wassen. Wij moeten ons weer voorbereiden op het volgende deel van onze vaart tijdens het komende hoogtij voorbereiden. Vanavond zullen wij nadat wij weer zijn drooggevallen, in het donker moeten eten. Wij moeten nu de afwas doen, want dat gaat niet goed in het donker voor de avondmaaltijd. Trouwens mijn moeder zij dat alleen Bohemiens voor het eten afwassen. Ik heb niets tegen Bohemiens, maar een opgeruimde boot vaart prettiger”, zegt Man.

“Hebben wij genoeg water voor de vaat?”, vraagt Carla.

“Ik zal een keteltje water koken: dat moet genoeg zijn wanneer wij de borden en bestek met zeewater voorspoelen”, zegt Man.

Na de afwas komt langzaam het hoogtij op. Man en Carla maken de boot klaar om weg te kunnen varen.

“Tijdens het droogvallen heb ik de voorkant van de boot zo kunnen plaatsen dat wij dadelijk met de stroom mee kunnen wegvaren. Wij hoeven de boot niet tegen de stroom in naar dieper water te brengen. Daar komt het tij al op tussen Schiermonnikoog en Ameland. Dadelijk wanneer ik het sein geef graag het anker inhalen”, zegt Man.

Met het opkomen van het tij varen zij weg naar de volgende aanlegplaats om droog te vallen.

[1] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Yawl
[2] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Wagenborg_(rederij)
[3] Voorbeeld van een yawl-getuigde zeilboot. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Yawl
[4] Zie: Leben, Man, Narrator Nārāyana – Een weg – Een Biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 110 – 112
[5] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Wattenmeer_(Nordsee)
[6] Zie: Leben, Man, Narrator Nārāyana – Een weg – Een Biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 31 – 36
[7] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Heart_Sutra Zie: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21 – 31. Zie: Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 29 – 40
[8] Bron voor vertalingen uit het Sanskriet: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Red Pine (Bill Porter), Lao-Tzu’s Tao Te Ching (revised edition). Port Townsend: Copper Canyon Press, 2006, p.2
[10] Afbeelding van een symbool dat vaak wordt gebruikt om Tao en uitwerking aan te duiden. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Tao
[11] Bron: Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 30 – 31
[12] Bron: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21-22
[13] Bronnen: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21-22 en Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 32
[14] Bron voor vertalingen uit het Sanskriet: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[15] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 94 – 95
[16] Afbeelding van 3D echocardiogram van een menselijk hart. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Heart

Advertenties

Leegte: naar het einde van de nacht


Nacht. Een heldere hemel bij nieuwe maan. Narrator rijdt de geleende Skoda Superb [1] Combi van Amsterdam door de Noordoostpolder [2] naar de jachthaven aan het Lauwersmeer bij het vertrekpunt van de veerboot naar Schiermonnikoog. De beide koplampen schijnen over de lege snelweg door het donkere lege land dat ruim 50 jaar geleden nog bodem van de Zuiderzee was. Carla doezelt op de achterbank. Man zit als bijrijder naast Narrator; in het spaarzame licht van het dashboard kijken zij naar de afslag bij Emmeloord die heel in de verte weg oplicht door lantaarnverlichting.

Skoda Superb Combi[3]

“Binnen de leegte tovert het licht van de koplampen – met straatverlichting heel in de verte – een donker toverlandschap tevoorschijn waarin alles dat wij nu zien ontstaat en meteen weer verdwijnt als schimmen die in een flakkering tot leven worden geroepen om daarna weer te verglijden in de donkere leegte. Ik heb als jongen in Zuid Limburg al gehouden van donkere nachten met het oneindig heelal waarin ik – opgenomen – één was met alle sterren en melkwegstelsels aan het firmament. Nu voel ik mij zweven binnen een vage witte nevelgloed op oneindige reis door het heelal en daarbij volmaakt thuis in dit vaartuig. Vanavond – voordat wij ons klaarmaakten om te vertrekken – heb ik in een boek een definitie van Boeddhistische verlichting [4] opgezocht: “Verlichting is realisering van de eenheid van leven” [5].

Ik ben deze definitie gaan opzoeken omdat wij gistermiddag het onderzoek van de intensiteiten en associaties hebben afgesloten met de vraag: “Een – wat is dat?” die een boeddhistische wijze aan een wijze vrouw stelde. Zij was niet in staat deze vraag te beantwoorden. Ik vraag mij af of het onvermogen – of de leegte – van de wijze vrouw om te antwoorden niet beter past bij de vraag: “Een – wat is dat?” dan deze definitie van Boeddhistische verlichting.

Wij beginnen nu aan het onderzoek van leegte op onze zoektocht naar “Wie ben jij”. Het woord in Sanskriet voor leegte in de Hart Sūtra is “śūnyatā”. Weet jij welke betekenissen dit woord in het Sanskriet heeft?”, zegt Man.

De auto nadert de wegsplitsing bij Emmeloord. Narrator remt wat af en neemt de afslag naar Lemmer; hierbij is Carla wakker geworden en zij vraagt: “Waar zijn wij?”. “Bij Emmeloord in de Noordoostpolder, wij gaan nu richting Friesland. Ik heb Narrator naar de betekenis van het woord “śūnyatā” gevraagd”, zegt Man.

“Het woord “śūnyatā” wordt meestal met “leegte” of “leeg van zelf” vertaald [6], maar deze vertaling geeft alleen de kern van het woord weer net zoals er in de kern van een wervelstorm meestal een windstilte heerst bij een heldere hemel; de kern van de cycloon is zonnig en “vrij” van wind.

Kern van een cycloon[7]

Het woord “śūnyatā” is samengesteld uit de werkwoordkernen:
• “śvi” – met de zwakke vorm “śū” – met de betekenissen “opzwellen” en “uitdijen”;
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” betekent. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel” (misschien ook wel “Godsgave” in wederkerigheid) en,
• “tā” met de betekenissen “onbegaanbaar”, “ontoegankelijk”, en ook “onschendbaar” en “heilig” [8].

Een hedendaagse Japanse Zenmeester in Amerika schrijft in zijn uitleg van “śūnyatā” dat dit woord geen ontkenning van het concept van bestaan is, maar het woord geeft aan dat ons gehele bestaan in al haar vormen volledig afhankelijk is van het beginsel van oorzaak en gevolg; wij lazen eerder dat zelfs de Goden zijn gebonden aan het beginsel van oorzaak en gevolg [9].

Omdat de factoren van oorzaak en gevolg voortdurend veranderen, is er geen statisch – vaststaand – bestaan mogelijk. Het woord “śūnyatā” ontkent categorisch de mogelijkheid van het bestaan van statische – vaststaande – verschijningsvormen. Alle verschijningsvormen zijn volgens deze hedendaagse Japanse Zen meester relatief en onderling afhankelijk.

Daarbij schrijft hij dat “śūnyatā” ook “nul” betekent, een begrip dat in Europa pas laat bekend is geworden, maar in India al veel langer in gebruik was. Nul heeft geen getalswaarde in zichzelf, maar vertegenwoordigd de afwezigheid van getalswaarden en symboliseert daarmee tegelijkertijd de mogelijkheid van alle getalswaarden. Vergelijkbaar hiermee vertegenwoordigt “śūnyatā” door middel van het begrip “nul” of “geen” de mogelijkheid van het bestaan van alle verschijningsvormen en is daarmee tevens opgenomen in alle verschijningsvormen, die alleen bestaan in relatie tot hun niet-bestaan en in hun onderlinge verbondenheid [10]”, zegt Narrator.

vorm en leegte[11]

“De definitie van nul is wat te beperkt: daar ga ik nu niet op in. Als ik het goed begrijp, dan duidt “śūnyatā” op “leeg van” en “leeg tot”, net zoals Erich Fromm bij het begrip “vrijheid” volgens mij doelt op “vrij van” en “vrij tot” in onderlinge samenhang [12]. Hierbij moet ik denken aan de Franse fenomenoloog Maurice Merleau Ponty die stelt dat verschijningsvormen ontstaan door een creatief proces van gelijktijdige zingeving en zinneming [13]. De Zenmeester voegt hier de leegte – of ruimte – voor het ontstaan van verschijningsvormen aan toe”, zegt Carla.

“Interessant dat jij een creatief proces noemt voor het ontstaan van verschijningsvormen. De Japanse Zenmeester geeft aan dat een intuïtief en onmiddellijk begrip van “śūnyatā” de basis vormt voor alle begrip. Maar voordat hij dit stelt, benoemt hij eerst de “śūnyatā” van het ego en vervolgens de “śūnyatā” van dharma [14] – de wereldorde en plicht [15] – en van het subjectieve en het objectieve. Hierna concludeert hij dat alles – iedere verschijningsvorm en ieder wezen – alleen bestaat door middel van het beginsel van onderlinge afhankelijkheid gebonden door de wet van vergankelijkheid. Het intuïtief en onmiddellijk begrip leidt tot kennis en begrip van de vier grote waarheden te weten vergankelijkheid, onderlinge verbondenheid, verschijningsvormen en essentie; misschien is het goed om later op deze vier waarden terug te komen. De Zenmeester gaat verder in zijn oordeel over het belang van vergankelijkheid – leegte of ijdelheid – en onderlinge verbondenheid dan Maurice Merleau Ponty bij het ontstaan of creatie van alle verschijningsvormen en ieder wezen.

De uitleg van “śūnyatā” komt uit de inleiding van deze Zenmeester in zijn boek over de Boeddhistische Hart Sūtra.

Deze beschrijving van de Zenmeester is mij bijgebleven omdat zij zo goed pas bij mijn beleving van de geesten in de nacht. Als kindsoldaat in Afrika stak ik met onze militie aan het einde van een nacht het bos rondom een dorp in brand. Wij schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [16]. De geesten van deze dorpelingen draag ik nog altijd met mij mee; hun adem – in leegte en ijdelheid – is was mijn adem geworden. ’s-Nachts zijn zij voor mij even reëel als mensen die ik overdag tegenkom; deze geesten zijn met mij verbonden in onderlinge afhankelijkheid binnen de wet van vergankelijkheid: overdag zijn zij weer verdwenen”, zegt Narrator.

“Zijn deze geesten ook nu hier in deze auto voor jou reëel aanwezig?”, vraagt Man.
“Nee, nu bestuur ik de auto en heb ik mijn aandacht bij de weg, maar als ik mijn aandacht nergens meer op richt, dan komen de geesten vanuit de leegte van de duisternis tot leven net zo levensecht als een droom tijdens de slaap. Of om een citaat aan te halen dat vaak ten onrechte aan Mark Twain wordt toegeschreven: “I am an old man and have suffered a great many misfortunes, most of which never happened” [17]”, zegt Narrator.

“Gelukkig, want anders zou ik jou willen vragen om een parkeerplaats op te zoeken en morgenochtend bij daglicht verder te rijden. Ik heb enkele versies van de Hart Sūtra in mijn bagage om te bestuderen. Zou jij mij willen helpen bij de interpretatie van het Sanskriet?”, vraagt Man.

“Dat is een goed idee. Ik heb een exemplaar van de uitleg van de Japanse Zenmeester bij mij. Heb jij een waterdichte ruimte voor boeken op de boot?”, vraag Narrator.

“Jouw boek past nog makkelijk in de waterdichte ton. Wanneer wij droog liggen bij laag tij, dan is er tijd om te lezen”, zegt Man.

“De definitie voor verlichting die jij net hebt genoemd, geeft een aspect van verlichting – in lijn met de onderlinge verbondenheid binnen de metafoor van Indra’s Net – duidelijk weer. Het is slechts een zijde van de medaille, de andere zijde is “śūnyatā”. In het Boeddhisme wordt voor verlichting vaak de term “nirvana” – letterlijk: afwezigheid van bos (of belemmeringen), op de open vlakte [18] – gebruikt. In het Hindoeïsme duidt men verlichting vaak met “moksha” [19] dat afkomstig is van de werkwoordkern “muc” die onder meer “losmaken, bevrijden” betekent. Met beide duidingen ben ik niet gelukkig, want ik denk dat “śūnyatā” tezamen met de metafoor van Indra’s Net een betere duiding geeft aan het begrip verlichting. Het lijkt mij goed om op dit deel van onze zoektocht niet alleen leegte in de zin van “leeg van” of ruimte, maar ook in relatie met onder meer de vier grote waarheden van het Boeddhisme en met Indra’s Net te bezien”, zegt Narrator.

“Goed idee. Wanneer ik op mijn reizen onder de donkere sterrenhemel wakker lag, dan voelde ik mij in de ruimte – of de oneindige leegte – opgenomen. De grenzen tussen de ruimte en mijzelf vervloeiden en ik werd één met alles om mij heen. In een boek over Zen Boeddhisme heb ik twee gedichten gelezen die een lege spiegel als metafoor voor het leven benoemden; in het tweede gedicht werd ook de illusie van de lege spiegel weggenomen zoals tijdens deze autorit door de donkere polder het zicht op het landschap. Kennen jullie de tekst van deze gedichten?”, vraagt Carla.

“Het zijn twee gedichten geschreven tijdens de benoeming van – of beter de Dharma overdracht aan – Huineng [20] de zesde Zen patriarch. In mijn eigen woorden: de vijfde patriarch voorvoelde dat de gedoodverfde kandidaat was tegen deze taak was opgewassen. Hij vroeg aan iedere monnik die kandidaat zou willen zijn, een kort gedicht met de kern van Zen te schrijven en te openbaren op de kloostermuur. Alleen de gedoodverfde kandidaat publiceerde anoniem het volgende gedicht:

Het lichaam is een Bodhi boom;
De geest als een lege spiegelstandaard.
Nu en altijd veeg hem schoon
En laat geen stof oplichten [21]

Bodhi – dat qua klank (en betekenis via “et incarnatus est” [22]) verwant is aan het Engelse woord body – betekent in het Sanskriet “een boom van wijsheid, of een boom waaronder een mens een Boeddha wordt” [23].

Een volgende ochtend hing er naast dit gedicht een tweede gedicht met de tekst:

Bodhi is fundamenteel zonder boom;
De lege spiegel heeft geen standaard.
Van oorsprong is er geen enkel ding.
Waar kan stof oplichten?

In het Sanskriet heeft Bodhi als tweede betekenis: “volkomen verlichting” [24]. De vijfde patriarch wist dat een nederige houtsprokkelaar – zonder enige formele opleiding tot monnik – dit tweede gedicht had geschreven en hij voorzag een opstand van het klooster tegen de benoeming van deze leek als Dharma opvolger. In de volgende nacht heeft de Dharma overdracht plaatsgevonden en bij het eerste ochtendlicht is de zesde Zen patriarch uit het klooster moeten wegvluchten. De monniken hebben hem nog lang achtervolgd. Uiteindelijk is hij na een lange vlucht volledig geaccepteerd als Dharma erfgenaam; iedere Zenmeester is in directe lijn met deze zesde patriarch verbonden. En met het voordragen van het gedicht weerspiegel ik hem in de leegte van de nacht”, zegt Man.

“Schitterende uitleg. Zullen wij morgen hierover verder gaan? Ik zou graag nog wat verder doezelen”, zegt Carla.

“Dan ga ik ook wat dutten. Morgen is het al vroeg licht”, zegt Man.

Narrator rijdt de auto met de slapende Carla en Man door Friesland en Groningen naar de parkeerplaats van Lauwersoog bij de veerboot naar Schiermonnikoog. Hij parkeert de auto naar het Oosten om over enkele uren de dageraad te kunnen aanschouwen. Bij het zien van de eerste schemering maakt hij Carla en Man wakker.

“Op deze heldere ochtend moeten wij naar de zonsopgang kijken voordat wij zo meteen bij de jachthaven de zeilboot gaan optuigen”, zegt Narrator.

“Bij het zien van het opkomen van de eerste zonnestralen door deze autoruit moet ik denken aan het gedicht “De Ramen” van Guido Gezelle, waarin hij als katholiek priester aan het einde van de negentiende eeuw de beeldenstorm nog een dunnetjes overdoet.

D E  R A M E N

De ramen staan vol heiligen, gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond, gehertoogd en gegraafd;
die ’t branden van het ovenvier geglaasd heeft in den scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf [25].

Doch schaars is herontsteken in den oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op de heiligen, zoo smelt
’t samijtwerk uit den mantelworp, de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen en graven dan, zoo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer, ’t is alles henen, tot
één’ helderheid gesmolten, in één zonnelicht – in God. [26]

– Guido Gezelle [27]

Kerkramen Noordzijde Keulen[28]

Volgens mij bepleit Guido Gezelle met dit gedicht – ondanks de pracht van gebrandschilderde kerkramen als vensters op de wereld – een lege spiegel zonder standaard in Gods aangezicht”, zegt Man.

 

 

[1] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[2] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Noordoostpolder
[3] Bron afbeelding: http://da.wikipedia.org/wiki/%C5%A0koda_Superb
[4] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(boeddhisme)
[5] Bron: Bridges, Jeff & Glassman, Bernie, The Dude and the Zen Master. New York: Plume, 2014, p. 95
[6] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sunyata, zie ook de Engelse Wikipedia-pagina over dit onderwerp
[7] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tropische_cycloon
[8] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 85 en 122
[10] Bron: Deshimaru, Taisen, Mushotoku Mind – The Heart of the Heart Sutra. Chino Valley: Hohm Press, p. 28, 29
[11] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/%C5%9A%C5%ABnyat%C4%81
[12] Bron: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 2.1 – Feiten en Logica. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2014, p. 97
[13] Zie ook voor de “creatieve daad van zinneming en zinneming”: Merleau-Ponty, Maurice, Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Boom, 2009
[14] Dharma betekent letterlijk “het plaatsen van het voortdurende zelf/Zelf”.
[15] Bron: Badrinath, Chaturvedi, The Mahābhārata – An Inquiry in the human Condition. New Delhi: Orient Longman Private Limited, 2006, p. 68. Zie ook hoofdstuk 4 voor een inleiding in Dharma.
[16] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84
[17] Zie: http://quoteinvestigator.com/2013/10/04/never-happened/
[18] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[19] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Moksha
[20] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Huineng
[21] Bron: The Sixth Patriarch’s Dharma Jewel Platform Sutra. Burlingame: Buddhist text translation society, 2002, p. 67
[22] Letterlijke vertaling uit het latijn: hij/zij/het is vlees geworden
[23] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[24] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[25] “Gemiterd en gestaafd”: van mijters en staf – als tekenen van autoriteit – voorzien. “’t branden van het ovenvier geglaasd”: tot glas geworden door het branden van het overvuur. “Al de talen spreekt van ’t hemelboogsch geverf”: toont al de schilderingen op de plafonds van de kerken.
[26] Bron: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/gezelle/rijmsnoer/ramen.htm Het gedicht is door Guido Gezelle gedateerd op 14 april 1895.
[27] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Guido_Gezelle
[28] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Stained_glass

Narrator – terug naar de bewoonde wereld 2


Na de dagtocht over de hoogvlakte van de Hardangervidda – een natuurgebied in Noorwegen – reisden mijn minnaar en ik in een dag naar Oslo. In Gol [1] bezochten wij onze laatste Middeleeuwse staafkerk in Noorwegen. Eigenlijk was het een kopie van het origineel dat vroeger op deze plaats had gestaan en nu was ondergebracht in een openlucht museum bij Oslo. Het viel ons op dat deze kerk veel weelderiger was dan de staafkerken die wij eerder hadden gezien – wij naderden weer de bewoonde wereld.

768px-Gol_Stave_Church[2]

Van Gol naar Oslo werd de weg steeds voller en drukker, wij naderden een middelgrote stad. Het rustig over de wegen zweven in onze Godin [3] was voorbij, nu vroeg het verkeer weer de aandacht.

Bij onze aankomst in Oslo zetten wij eerst de tent op in de stadscamping. Daarna bezochten wij het Noors Volksmuseum waar wij de originele staafkerk uit Gol opnieuw bezochten. Het viel ons op dat de inrichting van de traditionele Noorse huizen steeds eender was en steeds verschillend. De vorm van de meubels en de huisraad was per huis verschillend, maar de voorwerpen waren steeds op dezelfde plaats in het huis gezet. Hierdoor ontstond een directe herkenbaarheid voor iedere bewoner en bezoeker, terwijl ook de eigenheid van de bewoners werd getoond. Een eenheid in de veelheid en een veelvormigheid in dezelfde inrichting.

800px-Norskfolkemuseum_1[4]

De volgende dag bezochten mijn geliefde en ik het Frogner Park [5] waarin een grote beeldencollectie van de Noorse beeldhouwer Gustav Vigeland [6] is geplaatst. Centraal in het park staat een monolithische zuil opgebouwd uit in elkaar verstrengelde mensenfiguren. Mijn minnaar was diep geraakt door de gelijkenis met de staafkerken en door de in elkaar vervlochten werelden van de uitgebeelde mensen. Hij vond de zuil op een wijsvinger lijken die ons eraan blijft herinneren dat wij allen tezamen de hemelpoort zullen binnengaan.

Vigelandpark[7]

Ik vertelde aan mijn geliefde de parabel die mijn vader van zijn voorouders heeft gehoord:

“Toen ik nog een kind was bij mijn ouders, onderwezen zij mij en zeiden: “Laat Uw hart ons leven met zich meedragen! Want in de dagen en nachten van Uw leven zal de vrede zich in U vermeerderen. Onze weldaad en trouw zal U niet verlaten, U draagt ze mee, ademt  ze en de wereld deelt in Uw vrede [8]. Hierna citeerde mijn vader de beginstrofen uit de īśāvāsya upaniṣad: “Dat is algeheel. Dit is algeheel. Algeheel komt van algeheel. Neem algeheel af van algeheel en aldus blijft algeheel. Vrede, Vrede, Vrede”.

In een pikdonkere periode van mijn leven heb ik het vertrouwen van mijn ouders geschonden. Mijn hart was kil en leeg, mijn trouw aan de vrede in de wereld veranderde in haat en ik verheugde mij in wandaden die ik zou begaan om mijn hart met ijdelheid te vullen. In een nacht heb ik het bos rondom een dorp in brand gestoken, de wind en de vuurgoden verspreiden de vlammen. Ik schoot op alles en iedereen die aan de vlammen wilde ontkomen. Ik was blij! [9]

De volgende ochtend zag ik dat alles van waarde voor het vullen van mijn lege hart met ijdelheid door het vuur was veranderd in as en lijken. De stank van verrotting en de vliegen bleven. Hongerig en leeg trok ik verder. Onderweg vulde ik mijn maag met voedsel en mijn hart met mededogen. Welwillendheid, onthechting en vreugde kwamen weer in zicht.  

Jaren later deelde ik mijn eten met enkele hongerige bedelaars-zwervers. Zij dankten mij met de woorden: “Al met al, moge U zich realiseren dat Onze trouw en weldaad U niet kan verlaten”.

Door de woorden van deze voorbijganger voelde mijn hart weer de voortdurende weldaad en trouw die ik altijd meedraag en adem waar ik ga”.   

Na deze parabel leerde mijn vader mij de betekenis van het sleutelwoord “realiseren” dat is samengesteld uit “re”, “al”, “ïśe” [10] en “eren”, waardoor “realiseren” voorkomt uit “steeds opnieuw”, “alles”, “in haar almacht”, “eren”.

Waar jij ook gaat en wat wij ook doet, de weldaad en trouw zal U niet verlaten.”

Mijn minnaar zei aan het einde van deze parabel dat alles en iedereen verlicht is; wij moeten het voortdurend realiseren. Ik had nog een lange weg naar huis te gaan. Gelukkig was er weer welwillendheid en vreugde in mijn leven; de onthechting zou spoedig volgen.

Na het bezoek aan het Frogner Park liepen wij een paar straten de ambassadewijk in waar een vriend van ons met een groep in een mooi traditioneel houten huis woonde. Tijdens ons bezoek hoorden wij zorgelijk nieuws uit Amsterdam. Vele van onze vrienden en vroegere minnaars hadden een mysterieuze ziekte opgelopen waardoor zij snel vermagerden; de ziekte putte hen volkomen uit. De artsen wisten geen raad met dit ziektebeeld; aan de Westkust van Amerika waren al verschillende verre bekenden aan dit mysterie overleden.

Bij het ophalen van de post-restante op het postkantoor in Oslo las mijn geliefde in een brief van zijn zus dat zijn moeder erg ziek was geworden. Tijdens een telefoongesprek met zijn zus, hoorde hij dat zijn moeder minder dan een jaar te leven had.

Hoewel wij ons thuis voelden in Oslo, overschaduwde de bezorgdheid  over het lot van onze vrienden in Amsterdam en de ziekte van mijn minnaars moeder ons verblijf in deze stad. Na een week reisden wij door een waterrijk gebied terug naar Stockholm. Aan het begin van de herfst waren wij weer terug in Gamla Stan. De bladeren aan de bomen bij het water toonden hun rood, bruin, gele gloed. Die herfst en winter waren mijn minnaar en ik voor het laatst zorgeloos samen.

Stockholm-autumn[11]


[3] Onze witte Citroën DS

[8] De eerste zinnen van deze parabel zijn vrij naar het begin van hoofdstuk 3 uit de Spreuken van Salomo in het Oude Testament.

[9] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bron: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII. En verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990,  p. 71 – 84; Ruth Katz heeft in haar studie moeite om deze daden van Arjuna en Kṛṣṇa te duiden.

[10] Dit is de locativus van Īśa. Īśa betekent in het Sanskriet onder meer “God in de goddelijke hemel”, “iemand met almacht”. De klank van īśā komt overeen met “ich” – het Duitse persoonlijk voornaamwoord eerste persoon enkelvoud.

[11] Bron afbeelding: http://www.communityofsweden.com/photos/photo/?photo=41411. Deze afbeelding valt niet onder de Creative Common Licentie; zie voor gebruik van deze foto de voorwaarden via de volgende hyperlink: http://www.communityofsweden.com/footer/editorial/community-of-sweden/terms-of-service/

Narrator – poort in het noorden 2


Het leven met mijn geliefde – die zijn dienstplicht in het Amerikaanse leger tijdens de oorlog in Vietnam had ontdoken en nog steeds in Europa verbleef hoewel hij na het generaal pardon van president Carter in 1977 weer terug kon keren naar de Verenigde Staten [1] – was in Stockholm even vertrouwd als in Amsterdam en het was tegelijkertijd in alle opzichten anders.

Naast het gouden huis in de oude binnenstad van Stockholm had hij ook de beschikking over een prachtig buitenhuis in de scheren archipel aan de kust. In de weekenden en tijdens vrije dagen gingen wij met een bootje naar dit houten huis op een klein eiland. Wij genoten van de prachtige luchten en ’s-nachts sliepen wij buiten als het weer het toeliet. Ik verbaasde mij over de dagen die steeds langer werden.

[2]

Verschillende vrienden van mijn minnaar speelden in jazz-ensembles. Via hen leerde ik de muziek van de groten in de jazz muziek waarderen; mijn favorieten waren het Miles Davis Quintet [3] en John Coltrane [4] met zijn quartet; zijn LP’s met “Joy“, and “A Love Surpreme” – geschreven tijdens de strijd voor gelijke rechten in Amerika waarbij John Coltrane met deze muziek een spirituele eenheid wilde creëren om daarmee een maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen [5] – draaide ik grijs.

[6]

Tijdens enkele oefensessies speelde ik op percussie met een jazz-ensemble; de leden waren zo onder de indruk van mijn spel dat ik die zomer mee mocht spelen tijdens het Stockholm Jazz Festival [7]. Daarna trad ik regelmatig op met wisselende muzikanten in Stockholm en later in Kopenhagen.

Mijn geliefde had zich in Stockholm verdiept in Boeddhisme en meditatie om zo meer inhoud aan zijn leven te geven. Onder zijn invloed ben ik mij langzaamaan gaan verdiepen in de Boeddhistische en Taoïstische kant van de Oosterse wijsheid.  Hij kon mijn hulp bij het leren doorgronden van bronteksten geschreven in het Sanskriet goed gebruiken. Samen bewandelden wij in Stockholm deze weg: hij volgde de inhoud en ik ondersteunde bij de vorm.

Vrijdag en zaterdag voor de laatste week in Juni maakte ik voor het eerst Midzomerfeest in Scandinavië mee. De nacht duurde in Stockholm maar enkele uren en die zaterdag en zondag lag het hele openbare leven stil. Wij waren bij vrienden uitgenodigd en namen deel aan dit traditionele feest.

Enkele dagen na midzomer zijn mijn minnaar en ik in de Godin op vakantie naar de Noordkaap gegaan. Door het bijna verlaten landschap van Noord Zweden – waar je buurman je beste vriend is, omdat er niemand anders in de omgeving woont – reden wij bij het eeuwige licht.

[8]

Net voor de grens met Noorwegen zagen wij de Lapporten. Mijn geliefde noemde het de Lege Poort [9]. Hij vroeg aan mij wat “leeg” in het Sanskriet was. Hierop antwoordde ik “śūnya” [10] dat verwant is aan het Engelse woord “shunt” [11] waarbij een lage parallelweerstand een kortsluiting van een elektrische stroom veroorzaakt. Daarop begon hij een deel van de Hart Sutra te zingen:

De Hart Sutra is te luisteren op: http://www.youtube.com/watch?v=z0jcx9fnoWc

Of beknopt en vrij weergegeven in het Nederlands:

Vorm is gelijk aan leegte zoals leegte gelijk is aan vorm;

Vorm zelf is leegte en leegte zelf is vorm;

Zo ook gevoel, kennis, dingen en bewustzijn.

Aldus Shariputra, alle Dharmas zijn leeg van kenmerken.

Zij worden niet gemaakt, niet vernietigd, niet bezoedeld en zij zijn niet puur;

en zij worden niet groter noch kleiner.

Daarom in leegte is geen vorm, gevoel, kennis, dingen en geen bewustzijn;

geen ogen, oren, neus, tong, lichaam en geest;

geen gezichtsvermogen, geluid, geur, smaak, tastzin en Dharmas;

Ik zei dat de Lege Poort de toegang tot het Nirvana[12] leek. Hij antwoordde dat de Lege Poort ook leeg was van Nirvana en hij straalde [13] als een god. Mijn geliefde is volmaakt gelukkig blijven stralen tot voorbij de Noordkaap.

[14]


[9] De Mumonkan – in Engels meestal vertaald met Gateless Gate – is een verzameling van 48 Zen Koans door de monnik Mumon samengesteld in de 13e eeuw na Christus.

The character 無 () has a fairly straightforward meaning: no, not, or without. However, within Chinese Mahayana Buddhism, the term 無 () is often a synonym for 空 (sunyata). This implies that the 無 () rather than negating the gate (as in “gateless”) is specifying it, and hence refers to the “Gate of Emptiness”. This is consistent with the Chinese Buddhist notion that the “Gate of Emptiness” 空門 is basically a synonym for Buddhism, or Buddhist practice. 門 (mén) is a very common character meaning door or gate. However, in the Buddhist sense, the term is often used to refer to a particular “aspect” or “method” of the Dharma teachings. Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/The_Gateless_Gate

Er zijn vier goed verkrijgbare uitgaven in het Engels:

Aitken, Robert, The Gateless Barrier, The Wu-men Kuan (Mumonkan). New York: North Point Press, 2000

Sekida, Katsuki, Two Zen Classics – Mumonkan & Hekiganroku. New York:Weatherhill, 1977

Shibayama, Zenkei, The Gateless Barrier, Zen Comments on the Mumonkan. Boston: Shambhala, 1974

Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990

[10] “Empty, void” volgens: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[11] Volgens Shorter Oxford English Dictionary een natuurlijk of kunstmatig bloedvat om de bloedstroom om te leiden.

[12] “Land zonder bos” volgens: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[13] Het woord Deva waaruit Deus in het Latijn, Zeus in het Grieks en Dieu in het Frans is ontstaan, is in het Sanskriet verbonden met de werkwoordstam “Div”, dat onder meer “stralen, spelen, vermeerderen” betekent.

Narrator – poort in het noorden


Het werd tijd om mijn masker van een idool af te leggen, want mijn hemel op aarde in de omgekeerde wereld van Amsterdam veranderde langzaamaan in een Boeddhistische hel. Alles en iedereen in mijn omgeving leefde naar mijn luimen. De oud Joodse verwensing “ik wens u veel personeel toe” en de Romeinse wijsheid “macht corrumpeert” [1] gaven de invloed van mijn leven als icoon in Amsterdam op mijn persoonlijkheid goed weer. Mijn bestemming als Narrator Nārāyana [2] lag ergens anders.

Tijdens mijn glorietijd in Amsterdam was ik Nederlands staatsburger geworden met bijbehorend paspoort: ik kon vrij door de wereld reizen met uitzondering van Kenia en enkele landen in Afrika. Na afscheid te hebben genomen van mijn vrienden en minnaars in Holland vertrok ik halverwege het voorjaar naar Zweden. Ik had een open uitnodiging van mijn Amerikaanse minnaar om bij hem in Stockholm te komen wonen.

In mijn Citroën DS zweefde ik over de autowegen in Nederland en Duitsland via Bremen en Hamburg naar Denemarken. Ik dacht dat mijn Godin een snelle auto was, maar op de Duitse autobahn ontmoette ik de echte “raser” of “snelheidsduivels” die zich met een snelheid van 200 km/u voortbewogen. Wilden zij hierdoor het hier en nu zo snel mogelijk ontvluchten?

[3]

In Denemarken bezocht ik Kopenhagen [4] – de stad waar ik na mijn verblijf in Zweden en Noorwegen enkele jaren zou gaan wonen. Mijn verliefdheid straalde nog steeds als een halo om mij heen; binnen enkele uren had ik vrienden ontmoet waar ik kon logeren. Via deze nieuwe vrienden vond ik een jaar later onderdak in deze stad aan het water.

[5]

Na een tussenstop van twee weken nam ik de veerboot Malmö. In Zweden reed ik langs de Zweedse scherenkust [6] naar Stockholm [7]. Na 1500 km rijden naderde ik mijn bestemming, maar voordat ik het eiland Stadsholmen betrad – waar mijn geliefde in een prachtig oud huis binnen de oude binnenstad Gamla Stan [8] woonde – zag ik in de verte het Stadshuis van Stockholm.

[9]

In zijn gouden huis van hoop en dromen in de Prästgatan [10] nam ik voor een klein jaar intrek bij mijn geliefde. Een jaar vol muziek en vreugde, een jaar met een tocht naar de Noordkaap en een terugweg langs de Noorse Fjorden, een jaar van zorgeloosheid en een jaar van afscheid.

[11]

In landen rond de Oostzee eindigen veel namen van straten op “Gatan”, “Gade” of “Gate”. Bij het horen of lezen van dit woord word ik herinnerd aan de lessen Sanskriet van mijn vader. Hij leerde mij dat in het Sanskriet het woord “gate” niet alleen een vervoeging is van het werkwoord met de betekenis “gaande”, maar het is ook de “locativus of plaats-vervoeging” van een zelfstandig naamwoord afgeleid van het werkwoord “gaan”.

Toen ik vele jaren later de volgende parabel [12] over Boeddha las, moest ik terugdenken aan mijn eerste aankomst in de Prästgatan in Stockholm: “Ruim 2500 jaar geleden hield een buitenstaander een huismus in zijn handen verborgen en hij vroeg aan Boeddha “Is de huismus in mijn handen levend of dood?”. Boeddha ging met zijn beide voeten aan weerszijde van de “gate” [13] staan en vroeg: “Zeg mij, sta ik op het punt van vertrekken of binnentreden?”” [14]

Het betreden van de Prästgatan en het huis van mijn geliefde voelde als een aankomst èn een vertrek in mijn leven; de voorjaarszon straalde haar gouden gloed.


[1] Het Romeinse werkwoord “corrumpere” betekent “bederven, verpesten, verwennen”.

[2] Het woord “nama” betekent in het Sanskriet “bestemming” en “Narrator” betekent “verteller”. Hierin zijn de woorden “nara” of “gewone man” en de werkwoordkern “tr – tarati” of “overzetten, kruisen, overstijgen” te herkennen; Nārāyana betekent “zoon van de oorspronkelijke man”. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[3] Deze foto is later rond 2005 genomen. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Autobahn

[10] “Präst” betekent “priester” in het Zweeds volgens “Google Vertalen”

[12] Een parabel (van het Griekse παραβολή parabolè dat “vergelijking” betekent — evangelisten gebruikten dit woord in de betekenis van “gelijkenis”) of gelijkenis is een kort verhaal, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren. Bron (en zie voor meer informatie): http://nl.wikipedia.org/wiki/Parabel

[13] De Poortloze Poort. Zie ook: Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990

[14] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 95 – 96.

Narrator – terug op aarde


Het vuur in het bos [1] heeft de hele nacht gebrand. De volgende ochtend smeulde het nog steeds; pas in de middag doofde het vuur. De nachtelijke moordpartij aan de rand van het bos leverde niets op. De geur van het verbrandde bos mengde zich met de geur van dode lichamen en de aasvliegen waren overal.

Aan het begin van de volgende maanloze nacht verliet ik de militie. Ik liep de hele nacht; ik volgde de bestemming [2] van mijn roepnaam Kṛṣṇa [3] – in deze maanloze nacht ontsnapte ik levend uit de hel en ik ontliep de dood van Engaï [4]. Later hoorde ik dat enkele maanden later de militie was uitgemoord door het leger van het land. Net voor het eerste zonlicht heb ik mijn uniform en wapen weggedaan.

[5]

De volgende dag ruilde ik enkele bezittingen uit de militie tegen kleren. In ruim een week trok ik naar mijn moeders weidegrond [6]. Via informatie van bekenden vond ik haar tijdelijke verblijfplaats.

[7]

Zij zag mij al van afstand en mijn jongere broers en zussen kwamen op mij afgerend. Mijn moeder keek zielsgelukkig totdat zij mijn ogen zag – donker en koud als de nacht. Zij zag in mijn gezicht het vuur in het bos, mijn bewegingen weerspiegelden de hongerige geesten en aan mijn lichaam rook zij de hel. Ik kreeg te eten en ik kon blijven slapen, maar de volgende morgen stuurde zij mij weg met de woorden: “Van de wereld heb jij genomen, aan de wereld moet jij teruggeven. Daarna ben jij welkom als gast.”

Te voet ben ik naar de hoofdstad gegaan. Aan de rand van de stad kon ik tegen kost en inwoning hulpdocent zijn op een school. Tijdens de lesuren hielp ik de leerlingen bij de opdrachten en buiten schooltijd ging ik naar de bibliotheek om te studeren. Mijn Engels en Sanskriet verbeterden enorm en ik leerde en oefende de belangrijke epische verhalen zodat ik – net als mijn vader – verhalenverteller kon zijn.

[8]

In de stad ontmoette ik de mooiste mannen op wie ik heimelijk verliefd werd. Na een jaar leerde ik mijn eerste liefde kennen – zo gewoon, zo vanzelf, zo geborgen. Zijn naam was Arjen; ik noemde hem Arjuna [9]. Zijn ouders waren voor hun werk uit Nederland naar Nairobi verhuisd . Naar buiten waren wij vrienden, heimelijk waren wij geliefden. Zijn huid was veel lichter; hij studeerde aan de universiteit. Ik hielp hem met Sanskriet; hij hielp mij met Engels, Frans en Duits.

Twee jaren laten zijn wij naar mijn moeder gegaan. Zij begroette mij als haar verloren zoon. Al mijn broers en zussen waren blij om ons te zien. Enkele dagen later kwam mijn vader langs en wij waren gelukkig.

Mijn moeder zag meteen dat Arjen en ik meer dan alleen vriendschap hadden. Om mij te beschermen tegen de overweldigende krachten die een liefde tussen jongemannen in haar land opriepen, stuurde zijn mij weg naar een stad in een ver land waar mannen van mannen mogen houden. Zo overbrugde [10] zij het dilemma tussen haar wereldorde en plicht en het menselijk handelen [11]. Zij noemde de naam van de stad: Amsterdam. Enkele dagen later ben ik vertrokken. Ik heb mijn ouders nooit meer bezocht, maar zij vergezellen mij overal waar ik ga.


[1] Zie voor het vuur in het Khandava bos: http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990,  p. 71 – 84

[2] In het Sanskriet betekent nāmadheya naast “naam” of “titel” ook “bestemming”. Bron: Maurer, Walter Harding, The Sanskrit Language, An Introductory Grammar and Reader. London: Routledge Curson, 2004 Deel II p. 771

[3] Kṛṣṇa betekent in het Sanskriet onder meer “zwart”, “blauw zwart”, “de donkere periode van de maancyclus” Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[4] Volgens een Masaï mythe geeft de God Engaï vee aan de mensen en hij brengt de mensen na de dood tot leven en laat de maan iedere dag sterven. Na een zonde waarin een tegenstander dood werd gewenst, liet Engaï de mensen sterven en hij bracht de maan iedere nacht weer tot leven. Bron:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Masa%C3%AF_(volk)

[5] Bron afbeelding: http://ki.wikipedia.org/wiki/File:Sunrise_over_Mount_Kenya.jpg

[6] In het Sanskriet betekent “nama” “weidegrond” (voor een nomadenvolk is dit een vorm van bestemming). Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[8] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Kenya

[9] Arjuna is een van de hoofdpersonen in de Mahābhārata. Hij is een van de vijf broers die allen met een vrouw Draupadi – de mooiste en invloedrijkste vrouw van haar tijd – in polyandrie samenleven. De vijf broers strijden voor hun rechtmatig deel van het koninkrijk, voor het herstel van de eer van Draupadi en voor behoud van de wereldorde. De naam Arjuna betekent onder meer “wit, helder”; in de naam is ook “arh” te herkennen dat “waardig, in staat tot” betekent.

[10] In het Sanskriet is een woord voor overbruggen: “yuj” dat ook “verbinden, voorbereiden, bevelen” betekent.

[11] Krishna [4] – de wagenmenner – zet in de Bhagavad Gita – een klein en oud deel van de Mahābhārata – Arjuna aan tot het betreden van het strijdperk waarin families, leraren en leerlingen tegenover elkaar staan in het spanningsveld tussen enerzijds de wereldorde en plicht (Dharmakshetra) en anderzijds het menselijk handelen (Kurukshetra). Dharmakshetra is samengesteld uit Dharma “plaatsen van voortdurende zelf/Zelf”, en “kshetra” – letterlijk: veld. Kurukshetra is samengesteld uit Kuru – een vervoeging van “kr” dat “maken, doen of handelen” betekent en “kshetra” – letterlijk: veld.

Narrator – van de hemel naar de hel


In mijn jeugd leefde ik in de hemel. Ik had toen vijf hindernissen in mijn leven: mijn kleren werden vies, mijn lichaam veranderde, mijn oksels zweetten, mijn lichaam riekte en het leven was soms oncomfortabel [1]. Mijn moeder zorgde dat mijn kleren, mijn oksels en mijn lichaam werden gewassen wanneer wij voldoende water hadden in het droge land. Dit was een feest. Het veranderen van mijn lichaam hoort bij een mensenleven; na de veranderingen zijn de groeipijnen vergeten en de situatie wordt weer normaal. En een sober, eenvoudig leven brengt niet altijd comfort met zich mee.

[2]

Tijdens mijn schooltijd heb ik mij soms als krijger getooid, meer als spel en uit ijdelheid dan om mij voor te bereiden op strijd. In vechten was ik als scholier niet geïnteresseerd.

[3]

Aan het einde van mijn schooltijd trok ik weg uit mijn moederland. Ik wilde de avonturen uit de verhalen van mijn voorouders zelf meemaken en ik voelde een drang naar comfort, geld, roem en macht. Of in de taal van mijn voorouders: ik wilde van Nara [4] veranderen in Rājan [5].

Terwijl iedereen sliep ben ik op een nacht bij mijn moeder weggegaan; ik liet een briefje achter met de boodschap dat alles goed zou komen en dat zij later trots op mij kon zijn.

Na enkele dagen zwerven kwam ik een militie tegen. Ik heb mij bij hen aangesloten. Ik kreeg een uniform met een wapen en ik werd getraind tot militair net zoals de helden uit de Kṣhatriya [6] of krijgers/heersers kaste in de Mahābhārata.

[7]

Ik was geen sterke soldaat, maar ik was slim en snel en ik zag meteen wat nodig was. De leiders van de militie zagen dit ook: ik werd chauffeur van de leider van de militie. Net als Kṛṣṇa in de Bhagavad Gita [8] werd ik wagenmenner en leidsman/adviseur.

Als wagenmenner op de strijdwagen was ik kok, ik gaf raad in de strijd, ik moedigde aan, ik bood bescherming in nood, ik redde uit benarde situaties en ik verhaalde achteraf van de heldendaden van de strijders.

Door de overgang naar de militie verliet ik de hemel en betrad ik de wereld van de hongerige geesten en de extreem pijnlijke wereld van de hel. Mijn leven ging van vrede naar oorlog, van liefde en zorgzaamheid naar geweld.

Aan het einde van een nacht hadden wij het bos rondom een dorp in brand gestoken. De vuurgod en de wind verspreiden de vlammen. Onze militie schoot op alles en iedereen die uit het bos kwam en wij waren blij [9].

Bij daglicht volgde de ontnuchtering. Wij zagen dat wij alles en iedereen van pasgeborenen tot hoogbejaarden hadden gedood. Hierna heb ik de wereld van de hongerige geesten en de hel verlaten.


[1] Vrij uit: Cleary Thomas, The Undying Lamp of Zen – The testament of Zen Master Torei. Boston: Shambhala, 2010. Voetnoot 3 op p. 23

[4] In het Sanskriet beteken “nara” letterlijk “iemand die zich niet verheugt”. Dit woord wordt gebruikt voor een gewone man.

[5] “Rājan” betekent in het Sanskriet “verheugen in het ontstaan/geboorte/oorsprong”. Dit woord wordt gebruikt voor iemand van koninklijke of militaire kaste. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

[6] Voor het kastesysteem in India zie onder meer: http://en.wikipedia.org/wiki/Caste_system_in_India

[8] Zie voor een eerste inleiding in de Bhagavad Gita dat een klein onderdeel is van de Mahābhārata: http://en.wikipedia.org/wiki/Bhagavad_Gita. Een goede inleiding voor de vertaling Sanskriet – Engels is: Sargeant, Winthrop, The Bhagavad Gȋtâ. Albany: State New York University Press, 1994. Een inleiding in een religieuze – yoga – achtergrond geeft: Yogananda, Paramahansa, The Bhagavad Gȋtâ. Los Angelas: Self-Realization Fellowship, 2001

[9] Zie het laatste deel van boek 1 van de Mahābhārata waarin Arjuna en Kṛṣṇa bij het vuur in het Khandava bos met vreugde pijlen schieten op alles dat het bos verlaat. Bronnen:  http://www.sacred-texts.com/hin/maha/index.htm boek 1 Section CCXXVII en verder; Katz, Ruth Cecily, Arjuna in the Mahābhārata: Where Krishna is, there is victory. Delhi: Molital Banarsidass Publishers, 1990, p. 71 – 84