Tagarchief: schoolbestuur

Carla Drift – Een nomadenbestaan 3


Aan het einde van de zomervakantie had het schoolbestuur geen behoefte aan een leerkracht voor exacte vakken. Ik besloot verder te trekken. Na de zwarte bladzijde in mijn geschiedenis was de trektocht niet meer interessant. Het leven was dof en mat geworden, net als een maaltijd die naar stopverf smaakt. Maar ik moest verder. Er was geen andere keuze, want ik hoorde niet thuis op de plaats waar ik toen was. De dagen regen zich aan elkaar. Het werd herfst en het was snel donker voor de avondmaaltijd. De heuvels toonden zich in een donkere rode gloed als geronnen bloed.

[1]

De winter viel dat jaar snel. Eind november vroor het stevig en er was al sneeuw gevallen. Begin december vond ik in de loop van de ochtend een man in een veel te dunne slaapzak. De man had een donkere blauwe huidskleur, maar nu zag hij erg bleek. Door de onderkoeling was hij niet goed aanspreekbaar. Met moeite kreeg ik hem mijn caravan. Ik zette de verwarming hoog, legde hem in mijn bed en ben bij hem gaan liggen. Voor eerste keer was ik blij met een opvlieger door de overgang. Na enkele uren was de man nog steeds rillerig en bibberig. Ik heb wat te eten en drinken voor hem gemaakt dat hij met grote tegenzin tot zich nam. Om de paar uur heb ik dit herhaald. De volgende dag zijn wij naar een wintercamping gegaan. De eigenaar keek achterdochtig naar de man met het uiterlijk van een zwerver. Op deze camping hebben wij zijn kleren gewassen. Hij is onder de douche geweest en ik heb zijn haren en baard verzorgd. Nu zag hij er weer toonbaar uit. Door deze zorg had ik tijdelijk een doel in het leven.

In mijn jeugd moederde ik zonder echt succes over mijn zussen en met succes over mijn poppen, maar dat telt niet. Later had ik nooit meer voor iemand hoeven zorgen. Ik hoefde alleen voor mijzelf te zorgen – een eenzame vogel kent niet anders. Tijdens mijn onderzoeken zorgden soms anderen ervoor dat ik niet in gevaar kwam. Maar nu had iemand mijn zorg nodig – een trotse man.

Hij was rond 1960 in Afrika geboren. Zijn moeder zorgde voor hem, voor zijn broers en zussen en voor zijn vader. Zijn vader was een rondtrekkende verhalenverteller die verzorging en onderdak kreeg wanneer hij langskwam. Hij vertelde dan zijn avonturen en iedereen was gelukkig.

Op school had hij leren lezen en schrijven bij de nonnen. De rest van zijn leven bezocht hij onderweg iedere bibliotheek voor voedsel voor zijn gedachten. Het vertellen van verhalen leerde hij van zijn vader.

Met het veranderen van jongen naar jongeman, merkte hij dat zijn liefde uitging naar andere jongemannen. Zijn moeder stuurde hem weg naar een land waar mannen van mannen mogen houden. Na een lange reis was hij in Amsterdam gekomen. Zijn leven was een feest. Zijn verliefdheid geurde exotisch door de stad: hij kwam de mooiste minnaars tegen. Maar ook in deze stad sliep hij in de buitenlucht – op een balkon of met alle ramen open als hij bij iemand overnachtte. Van exotische jongeman werd hij een oudere man met grijzend haar en een vlasbaard. De verliefdheden vervlogen even snel als de jaren. Dit voorjaar is hij op drift geraakt; zijn zwerversbestaan begon. Later zal hij meer over zijn leven vertellen.

[2]

Nog steeds kon en wilde hij niet onder een dak slapen; de eerste nachten na onze ontmoeting was hij veel te zwak voor inspraak – ik liet een lampje aan. Voor de volgende koude nachten hebben wij de sterrenhemel in lichtgevende verf op de binnenkant van het hef-dak van de caravan geschilderd: het leek of wij in het donker onder een sterrenhemel lagen. Als het mooi weer was, sliepen wij buiten.

Samen zijn wij de winter verder getrokken. Wij vertelden elkaar van onze avonturen. Ik vertelde ook in bedekte termen over de zwarte bladzijde in mijn geschiedenis. Hij vertelde zijn donkere pagina’s. Een relatie hadden wij niet, want hij hield van mannen en ik was op dit gebied gesloten.

Het volgende bericht gaat over de aanvang van onze Odyssee.


[2] Bron afbeelding: bewerking op verschillende manieren van een foto.

Carla Drift – Een nomadenbestaan 2


Een nieuw nomadenbestaan begon met het uitwuiven door het dorp van mijn jeugd – nu een bestaan zonder doel. Sinds mijn jeugd heb ik altijd een drijfveer gehad om een doel te bereiken. Op de lagere school las avonturen over ridders en avonturiers en ik wilde alles weten over het heelal en over biologie. Op de middelbare school kwamen daar literatuur, wiskunde en natuurwetenschappen bij. Als oudste dochter was het mijn plicht om het goede voorbeeld te geven. In Delft stortte ik mij op mijn studie natuurwetenschappen en ik verloor mij in een liefdesrelatie; allebei waren een doodlopend pad. Met menswetenschappen vond ik een nieuw doel in Amsterdam. Mijn werk op dit terrein nam mij helemaal in beslag en het onderzoek in de tropen ontnam mij een deel van mijn gezondheid. Achter het stuur op de tractor had ik ineens geen doel meer, behalve de weg voor mij.

Het voorjaar was begonnen en ik reed naar het zuiden de zon tegemoet. De weg voerde via België naar Frankrijk. De eerste paar dagen nam het nieuwe trekkersbestaan mij beslag. In mijn studententijd had ik op mijn fiets lange trektochten naar Zuid Europa gemaakt. Het suizen van de fietsbanden was toen mijn metgezel, nu was het dreunen van de dieselmotor mijn compagnon. Na een aantal uren was dit monotone geluid samen met het trillen van de tractor heel vermoeiend. Met mijn matige gezondheid moest ik na drie of vier uur rijden halverwege de middag weer een overnachtingsplaats vinden. Soms was dat een camping, vaak kampeerde ik in het wild.

[1]

Bijna altijd kwam ik aardige en behulpzame mensen tegen; ik sprak met hen over mijn trektocht en soms hadden wij het over elkaars leven. Alleenreizend zag ik veel bijzondere dingen: een haan tussen een groep eenden. Een paar dagen ben ik opgetrokken met een vrouw met een papegaai op haar schouder. Wij gingen dat deel van de reis dezelfde weg. Haar fiets werd in de caravan gezet en zij en haar papegaai kwamen op de tractor zitten. Zij was op drift geraakt na haar scheiding en het overlijden van haar ex-man. Zij kon moeilijk kiezen tussen de opluchting en het verdriet van het verliezen. De papegaai was haar metgezel voor aanspraak en samen deden zij voorstellingen op marktpleinen om voor een deel in hun levensonderhoud te voorzien. Ik denk dat zij voor een ander deel waren aangewezen op liefdadigheid en bedelen, maar daar hadden wij niet over gesproken.

 [2]

Deze bijzondere vrouw bracht mij op het idee om met jongleren wat bij te verdienen. Overdag ben ik begonnen met oefenen. Na verloop van tijd beheerste ik de kunst met drie ballen en drie knotsen. Met deze acts vulde ik het begin en middenstuk van mijn voorstelling; de apotheose werd de dansende stok [3] met brandende uiteinden.

[4]

Door een behulpzame man die mij hielp met een lekke band van mijn caravan, kwam ik in contact met een schoolbestuur dat meteen een invaldocent wiskunde voor tot de zomervakantie nodig had. Een dag later was ik docent wiskunde in de bovenbouw.

Het eerste lesuur vroeg ik wie wist wat differentiëren en integreren was. Gelukkig konden veel leerlingen vertellen hoe dit werd gedaan: gelukkig hadden zij dat goed geleerd. Maar niemand kon mij antwoorden wat deze handelingen voorstelden. Ik heb uitgelegd dat dit bijzondere wiskundige handelingen waren voor optellen en aftrekken. De leerlingen lachten mij uit van ongeloof omdat zij deze uitspraak absurd vonden. Differentiëren was de wijze waarop de verandering van de functie verminderde of vermeerderde over een bepaalde weg of tijd – dus een bijzondere manier van optellen en aftrekken. Integreren is de wijze waarop de vermeerdering of verminderen door de wiskundige functie over een bepaalde weg of tijd plaatsvindt – dus ook een bijzondere manier van optellen en aftrekken. Na enkele voorbeelden uit de natuurkunde en het leven van alledag was hun nieuwsgierigheid voor wiskunde gewekt.

[5]

Het volgend schooljaar was er behoefte aan een invalkracht natuurkunde in de bovenbouw. Deze klas had geen zin in natuurkunde. Enkele gangmakers in de klas waren weg van oorlogspelletje met de computer. Ik heb voor hen verborgen gehouden dat ik de gevolgen van oorlogen veel te goed kende – weer verstoppertje spelen.

Ik koos voor een andere aanpak; ik vroeg hun of zij wisten wat natuurkunde was. Als antwoord ging ik met de sterkste jongens armpje drukken: gelukkig won ik. De oorlogszuchtigen liet ik een foto van een gevechtsvliegtuig zien dat bij het door de geluidsbarrière gaan een lensvormige condens wolk liet ontstaan. De milieubewusten liet ik foto’s van zonneauto’s zien. Deze onderwerpen sloten mooi aan bij de natuurkunde onderwerpen van dat jaar.

[6]

Na een half jaar was de zonneauto doorgerekend, de oorlogszuchtigen wisten wat een kogelbaan, energie en impact was, en met armpje drukken leerden zij een moment kennen. Aan het einde van mijn periode in deze klas heb ik nog een keer armpje gedrukt: nu won de jongeman, zoals het hoort.

[7]

Een korte tijd na de tweede invalperiode ontstond een donkere bladzijde in de geschiedenis van mijn leven. Iemand had het op mijn eer en leven voorzien. Door zelfverdediging redde ik mijn leven. Naar mijn gevoel en rede was dit noodweer juridisch en ethisch geoorloofd, maar ik stak de morele grens over van onderzoeker naar misdrijven naar een pleger van dergelijke daad. Ik schaarde mij gevoelsmatig tussen daders van misdaden. Ik had mijn onschuld verloren, een deel van mij was gestorven.

Een winter volgde waarin ik Narrator ontmoette.

Nieuws

Mijn uitgeverij Omnia – Amsterdam Uitgeverij heeft haar nieuwe website in gebruik genomen:

www.omnia-amsterdam.nl