Tagarchief: sūtra

De wind in de zeilen


Rond 9 uur in de ochtend varen Carla, Man en Narrator op de buitenboordmotor door de veerhaven van Lauwersoog. De passagiers gaan aan boord van de ochtend veerboot van half tien naar Schiermonnikoog. Zij wuiven naar de kleine zeilboot. Carla en Man wuiven terug terwijl zij bezig zijn met het in gereedheid brengen van de zeilen: Narrator is al de kajuit ingegaan om te gaan slapen. Een van de vakantiegangers roept: “Goede vaart!”. Man roept terug: “Mooi dagen” en Carla: ”Goede vakantiedagen”. Een man op de veerboot roept: “Gaat lukken, het weer wordt goed!”.

Bij het verlaten van de haven zet Man de buitenboordmotor uit en kantelt deze uit het water. Daarna hijst Man met hulp van Carla de zeilen; eerst de fok en de druil en daarna het grootzeil van deze yawl-getuigde [1] zeilboot. Er waait een zachte bries uit het zuidwesten. Dan gebeurt het wonder: vanuit het niets bollen de zeilen licht flapperend en de boot wordt door de wind voortgedreven. Man trimt de zeilen zodat zij mooi strak staan en de boot goed op koers komt te liggen.

Na een half uur haalt de veerboot hen in; weer wuiven passagiers en Carla en Man naar elkaar. Narrator slaapt stil in de kajuit.

Veerboot[2]

“Over een half uur hebben wij een stroming van twee knopen mee; met deze wind zullen wij door deze stroming zo’n twee uur met een snelheid van zeven knopen varen en kunnen wij voorbij Het Rif richting Ameland ons om 12 uur laten droogvallen. Wij gaan dan lunchen en wachten op het volgende hoogwater aan tegen het einde van de middag om ons tegen het donker droog te laten richting Terschelling”, zegt Man.

“Zeven knopen is een aardige snelheid, want met een waterlijn van iets meer dan 5,80 meter is volgens de vuistregel “2.45 x wortel waterlijn (in meters) = rompsnelheid” met deze Drascombe Drifter een snelheid van een 5,90 knopen mogelijk”, zegt Carla.

“Misschien is het goed dat ik jou enkele aanwijzingen geef om de boot te bedienen wanneer mij iets overkomt. Je kunt in dat geval het beste op de motor naar een haven varen. Wanneer het gaat stormen dan is het verstandig om alleen de druil als zeil te voeren, want hierdoor blijft de boot met de kop in de wind en meestal de golven varen. Wanneer de motor uitvalt, dan is de boot uitstekend te varen met druil en fok. In geval van nood kun je altijd hulp inroepen of je kunt de boot aan laten landen bij een strand”, zegt Man.

Yawl[3]

“Behalve als het noodweer wordt, kunnen wij ons redden als het moet met de roeispanen. Laten we hopen dat het niet nodig is”, zegt Carla.

Na een kleine drie uren varen haalt Man het zwaard op, laat de boot droogvallen en strijkt de zeilen; Carla helpt hierbij. Op het tweepits gascomfort bakt Man eieren voor de lunch. Carla maakt Narrator wakker en zij pakt het brood, de borden en het bestek. Bij het weidse uitzicht van het droogvallend wad genieten zij van hun lunch.

“Nu begrijp ik waarom jij ons hebt uitgenodigd om hier naartoe te gaan. Met het wisselen van het tij, vloeien water en vaste grond – voortdurend complementair – oneindig veranderend in elkaar over, net als leegte en vorm. In de biografie van Narrator heb jij een passage uit de Hart Sūtra opgenomen [4] met de beginstrofe “Vorm is gelijk aan leegte, zoals leegte gelijk is aan vorm”. Tot nu toe heb ik “vorm” en “leegte” gezien als complementair net als “één” en “nul” in de informatica die via beeldschermen een volledig nieuwe menselijke communicatie gestalte geeft; zonder leegte geen vorm zoals zonder vorm geen leegte: beiden vormen elkaar door elkaar te vervangen net als letters op een leeg vel bij grafische vormgeving in de plaats van de leegte komt.

Hier op het Wad bij de wisselingen van het tij vervagen de grenzen tussen vorm en leegte; nog steeds brengen vorm en leegte elkaar tot leven. Nu zie ik beiden niet gescheiden en complementair, maar al voortdurend in elkaar vervloeiend”, zegt Carla.

Het Wad[5]

“Ja, ik ben steeds naar het Wad teruggekomen om dit schijnbaar tijdloos in elkaar overvloeien van getijden te beleven – volgens de strakke regelmaat van het tij – en tegelijkertijd steeds wisselend, steeds anders. Binnen een dag zeilen op het Wad wordt ik één met dit ritme en vervaagt mijn gejaagde alledaagse ego. Daarbij vraagt het discipline en overzicht om voortdurend zorg te blijven dragen voor een behouden vaart van de boot. Ik heb mij hier altijd onder alle omstandigheden – ook bij slecht weer en opkomende storm – thuis gevoeld”, zegt Man.

“Op mijn reis van mijn geboorteland Kenya naar Rome heb ik dezelfde ervaring van vervloeien van vorm en leegte gehad in de uitlopers van de woestijn en woestijnsteppe, op de boot op de Nijl en tijdens mijn bootreis over de Middellandse Zee; daarbij groeide ik naar een nieuw leven in een andere omgeving [6]. Nu in mijn leven als bhikṣu ben ik weer opgenomen in de eeuwige baarmoeder van moeder aarde; en de wind neemt mij mee in vluchtigheid van vorm en leegte”, zegt Narrator.

“Misschien een idee: zullen wij “verandering” – de volgende gangbare werkelijkheid op onze zoektocht naar “Wie ben jij” – in Afrika (bijvoorbeeld in Kenya) gaan onderzoek? Ik ben nog nooit in Afrika geweest en voor jullie is het een mooie gelegenheid om ernaar terug te keren. Reis en verblijf kan ik eenvoudig uit mijn middelen bekostigen. Misschien iets om aan het einde van deze boottocht op terug te komen.

Vorm en leegte zijn volgens mij de kernbegrippen van de Hart Sūtra. Wat betekent de titel van deze Sūtra in het Sanskriet”, vraagt Man aan Narrator.

“Zullen wij de Sūtra uit het Sanskriet gaan vertalen?”, vraagt Narrator.

“Dat is een stille wens van mij. Hierdoor kan mijn studie Sanskriet van nut zijn voor alles en iedereen. Zonder jouw hulp gaat het niet”, zegt Man.

“Goed idee. Dan vul ik aan vanuit mijn achtergrond en algemene kennis”, zegt Carla.

“Laten wij beginnen met de titel van de sūtra. De volledige titel “prajñāpāramitā hṛdaya sūtra” wordt vaak vertaald met “Volmaakte overdracht van het hart – of de kern – van wijsheid” [7].
Mijn vader heeft mij de betekenissen van “prajñāpāramitā”, “hṛdaya” en “sūtra” uitgelegd door te wijzen op de verschillende delen van deze woorden in hun samenstelling.

Volgens mijn vader bestaat het woord “prajñāpāramitā” uit de hoofddelen “prajñā”, “pāra” en “mitā”.

Het woord prajñā – meestal met wijsheid vertaald – is samengesteld uit pra en jñā, waarvan:

• pra de betekenissen van “voor, vooruit, aan de voorzijde, vandaan, excessief” en “vullen, vervullen, positief waarderen” – net zoals het Latijnse woord “pro” als tegenstelling van “contra” – heeft en
• jñā de betekenissen van “kennis, begrijpen, ervaren, herinneren, bekend met” bezit [8].

In de samenstelling krijgt “prajñā” de betekenis van (levens-)wijsheid, intelligentie, kennis, onderscheid en/of het oordeel van een wijze of verstandige vrouw/moeder. Met deze laatste duiding wordt verwezen naar “tao” of “levensweg” in het eerste hoofdstuk van de Tao Te Ching waarin “tao” – in de vorm van “naam” – is de “moeder aller dingen” [9]”, zegt Narrator.

Tao[10]

“Ik heb ergens gelezen dat het Boeddhisme drie vormen van “prajñā” of wijsheid onderscheidt:
• wijsheid binnen de alledaagse wereld, waarbinnen het tijdelijke binnen ons leven als permanent wordt gezien, waar illusies als werkelijkheid worden ervaren, en waar het vergankelijke ego als absoluut zelf wordt beschouwd. Veruit de meeste mensen leven binnen het kader van deze wijsheid.
• wijsheid binnen de metafysische wereld, waarbinnen de permanente verschijningsvormen als tijdelijk worden gezien, waar werkelijkheid als een illusie wordt ervaren, en waar de verschijningsvormen met een “zelf” gezien worden als zonder zelf. Deze wijsheid is bereikbaar met meditatie en filosofie.
• wijsheid die de alledaagse en metafysische wereld overstijgt waarbinnen de verschijningsvormen als noch tijdelijk noch permanent worden gezien, noch puur en onzuiver worden ervaren, noch voorzien van een “zelf” en/of “zonder zelf” worden gezien, en waar alles onbevattelijk en onuitspreekbaar is.

Waar alledaagse en metafysische wijsheid resulteren in een hang naar verschijningsvormen, illusies en kenmerken, blijft de derde vorm van wijsheid hiervan gevrijwaard [11].

Welke wijsheid wordt hier in het Sanskriet aangeduid?”, vraagt Man aan Narrator.

“Mijn vader zei dat “prajñā” voorafgaat aan alle wijsheid zonder eraan voorbij te gaan: het omvat Al en Een zonder voorbij te gaan aan de verscheidenheid der dingen in ons dagelijks leven, aan de ideeën en gedachten in de wetenschap en aan de kennis en wijsheid van het onbevattelijke en uitspreekbare”, zegt Narrator.

“Jouw vader is een wijs man”, zegt Man.

“In al zijn beperkingen en gebondenheid. Zal ik verder gaan met pāramitā?”, vraagt Narrator.

“Dat is goed”, zeggen Carla en Man.

“Het woord “para” komt in het Sanskriet in de volgende drie vormen voor met als betekenis:
• pāra: oversteken, naar de andere kant, naar de andere oever, wachter, vervullen, doorstaan, beëindigen. In het Boeddhisme wordt verlichting soms met de metafoor “de andere oever” geduid.
• parā: weg, vandaan
• para: hoogste, opperste, oud, afgelegen, vreemd en ook soms best of slechts.
Hier wordt de eerste vorm en betekenis van het woord gebruikt; mijn vader voegde eraan toe dat bij een van de vormen van het woord para, de andere vormen altijd zachtjes meeklinken.
Het hoofddeel “mitā” is de nominativus (of onderwerpsvorm) meervoud van het woord “mita” – verwant aan het Latijnse werkwoord “mittere” met de betekenis “doen gaan” of “zenden” en “laten gaan” – dat in het Sanskriet “gevestigd, stabiel, afgewogen, iets bevatten, matig, van een goddelijke orde” betekent.

Door deze analyse krijgt “prajñāpāramitā” naast “perfecte wijsheid” ook de verwijzing naar “tao” uit het eerste hoofdstuk van de Tao Te Ching als “naam” die als naam niet de “Onsterfelijk Naam” wordt maar de “moeder aller dingen” enerzijds in duiding en anderzijds in vluchtigheid en onvermijdelijkheid.

In het Boeddhisme wordt hier vaak – met een creatieve uitleg van pāramitā dat samengesteld is uit “pāra” en “ita” dat “gaan”, “terugkeren”, “verkrijgen” en “herinneren” in het Sanskriet betekent en daardoor in het samenstel “gaan/terugkeren/herinneren van de andere zijde” [12] – de wijsheid van “de andere oever” en wijsheid van de staat van verlichting bedoeld waarbij de “de andere oever” door de stroom of de bron met “de ene oever” van het leven van alledag verbonden is [13], net zoals in de metafoor van de cycloon de kern door een muur van wind verbonden is met de tollende tropische storm.

Het woord “hṛdaya” wordt meestal vertaalt met het “hart” of “binnenste van een lichaam” en “hart, kern, essentie, beste, dierbaarste of meest verborgen/geborgen deel van iets” [14]. Dit woord hṛdaya bestaat volgens mijn vader uit de delen “hṛ”, “da” en “ya” met de betekenissen:
• “hṛ” dat “nemen, meenemen, stelen en offeren” betekent – zoals in de vee-cyclus [15], waardoor deze werkwoordkern mogelijk verwant is aan het Duitse woord “Herr” – en “vernietigen/verliezen (ook van het eigen ego), ontvangen, overwinnen, fascineren”
• “da” dat “geven”, “offeren”, “voortbrengen” en “afsnijden – volgens mijn vader scheiden van het “Al en Een”” – betekent
• “ya” dat “beweger” en “drijfveer” aanduidt. Mijn vader was van mening dat “ya” nauw verbonden is met “yaj” in de betekenis van “offeren”, “geven voor een hoger – Goddelijk/hemels – doel”. Mijn vader gebruikt dit werkwoord altijd in de vorm van “yayate”, waarbij de vrucht van de actie van offeren en geven aan de gever of het Alomvattende zelf toekomt en het misschien ook wel “Gods gave” in volkomen wederkerigheid is. Hij zei hierbij dat “ya” nauw verbonden is met ons woord “ja” ter positieve instemming, en bevestiging. In Holland gaat “ja” – met de handelsgeest altijd in het achterhoofd – al snel over in een overeenkomst, maar ik denk dat mijn vader doelt op de erkenning van de ander en de instemmende grondhouding voor de ander.

Door ook de betekenis van de delen van “hṛdaya” te bezien, krijgt dit woord naast “hart of binnenste van een lichaam” en “hart, kern, essentie, beste, dierbaarste of meest verborgen/geborgen deel van iets” ook de betekenis van een “lege kern” zoals in een cycloon of waterhoos met vergaande gevolgen voor alles en iedereen.

Hart[16]

In het woord “sūtra” zijn de twee kernen “sū” en “tṛ” te zien waarbij “sū” in de Vedische tijd en in samenstellingen van woorden de betekenis “goed” heeft en later is de betekenis overgegaan in “scheppen, voortbrengen, tot leven brengen, produceren, toestaan en schenken”. En “tṛ” heeft de betekenis “oversteken”.

Met deze aanvulling van mijn vader krijgt de gebruikelijke vertaling “Volmaakte overdracht van het hart – of de kern – van wijsheid” een verbreding, transparantie en tegelijkertijd een vluchtigheid als het leven zelf. Eigenlijk doelt deze titel op het leven zelf, in al haar rijkdom en facetten”, zeg Narrator.

“Tijdens jouw uitleg dacht ik voortdurend aan de parels en de alle afzonderlijke weerspiegelingen in de metafoor van “Indra’s Net”. Bij de metafoor van Indra’s Net heb ik tot nu toe altijd gedacht aan ingang tot het onkenbare. Met jouw toelichting – aangevuld met jouw vaders wijsheid – op de titel in het Sanskriet van de Hart Sūtra is mij duidelijk dat Indra’s Net ook een metafoor is voor ons leven van alledag”, zegt Carla.

“Bij een nadere bestudering gaan alle serieus religieuze beschouwingen voortdurend over hetzelfde. Het is tijd om deze uitgebreide lunch te beëindigen en de borden en bestek af te wassen. Wij moeten ons weer voorbereiden op het volgende deel van onze vaart tijdens het komende hoogtij voorbereiden. Vanavond zullen wij nadat wij weer zijn drooggevallen, in het donker moeten eten. Wij moeten nu de afwas doen, want dat gaat niet goed in het donker voor de avondmaaltijd. Trouwens mijn moeder zij dat alleen Bohemiens voor het eten afwassen. Ik heb niets tegen Bohemiens, maar een opgeruimde boot vaart prettiger”, zegt Man.

“Hebben wij genoeg water voor de vaat?”, vraagt Carla.

“Ik zal een keteltje water koken: dat moet genoeg zijn wanneer wij de borden en bestek met zeewater voorspoelen”, zegt Man.

Na de afwas komt langzaam het hoogtij op. Man en Carla maken de boot klaar om weg te kunnen varen.

“Tijdens het droogvallen heb ik de voorkant van de boot zo kunnen plaatsen dat wij dadelijk met de stroom mee kunnen wegvaren. Wij hoeven de boot niet tegen de stroom in naar dieper water te brengen. Daar komt het tij al op tussen Schiermonnikoog en Ameland. Dadelijk wanneer ik het sein geef graag het anker inhalen”, zegt Man.

Met het opkomen van het tij varen zij weg naar de volgende aanlegplaats om droog te vallen.

[1] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Yawl
[2] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Wagenborg_(rederij)
[3] Voorbeeld van een yawl-getuigde zeilboot. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Yawl
[4] Zie: Leben, Man, Narrator Nārāyana – Een weg – Een Biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 110 – 112
[5] Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Wattenmeer_(Nordsee)
[6] Zie: Leben, Man, Narrator Nārāyana – Een weg – Een Biografie. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013, p. 31 – 36
[7] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Heart_Sutra Zie: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21 – 31. Zie: Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 29 – 40
[8] Bron voor vertalingen uit het Sanskriet: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.
[9] Zie: Red Pine (Bill Porter), Lao-Tzu’s Tao Te Ching (revised edition). Port Townsend: Copper Canyon Press, 2006, p.2
[10] Afbeelding van een symbool dat vaak wordt gebruikt om Tao en uitwerking aan te duiden. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Tao
[11] Bron: Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 30 – 31
[12] Bron: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21-22
[13] Bronnen: Lopez, Donald S., The Heart Sutra explained. Delhi: Sri Satguru Publications, 1990, p. 21-22 en Red Pine (Bill Porter), The Heart Sutra. Washington D.C.: Shoemaker & Hoard, 2004, p. 32
[14] Bron voor vertalingen uit het Sanskriet: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta
[15] Zie: Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 94 – 95
[16] Afbeelding van 3D echocardiogram van een menselijk hart. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Heart

Advertenties

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 9


Carla, Man en Narrator lopen rond het Piazza di Santa Croce.

“Ik kom terug op de synthese tussen de wereld van de Upanishads en de Mahābhārata waar Narrator ons op heeft gewezen. Hebben jullie het verschil tussen het “Aldus”-aspect en het “Samenloop der dingen”-aspect begrepen?”, vraagt Man aan Carla en Narrator.

“Ik heb jouw uitleg over het verschil begrepen, maar ik vraag mij af of er in de werkelijkheid een verschil is tussen “Aldus” en “Samenloop der dingen”. Het lijkt mij dat de “Samenloop der dingen” een andere kijk is op “Aldus”, of zie ik iets over het hoofd”, zegt Carla.

“Carla zou wel een gelijk kunnen hebben”, zegt Narrator.

“Carla heeft gelijk. In mijn uitleg heb ik het verschil tussen beide aspecten benadrukt om “Aldus” op twee verschillende manieren te bezien. In de inleiding tot de “Ontwaking van Geloof” wordt in eerste instantie het “Aldus”-aspect aangeduid met “Aldus in essentie (in leegte en vorm)”, en “Saṃsāra – of Samenloop der dingen” wordt beschreven als “Aldus in verschijningsvormen en kenmerken”. Daarna wordt in de inleiding de begrippen “Aldus”-aspect en “Samenloop der dingen”-aspect gebruikt om beide verschijningsvormen van “Aldus” helder te duiden. Na het lezen van deze inleiding weet ik beter wat bedoeld wordt met “evam” als eerste woord – en tevens als samenvatting – van alle Boeddhistische Sutra’s; “evam” omvat alles, niets is uitgesloten”, zegt Man.

“Ook bij “evam” heb ik mijn gebruikelijke vraag over de definitie van dit grondbeginsel. Wanneer “evam” eindig is, dan is op “evam” de tweede onvolledigheidsstelling van Gödel van toepassing [1]. Maar in het geval “evam” oneindig en alomvattend is, dan zou er buiten “evam” niets kunnen bestaan om “evam” te bewijzen of ter discussie te stellen; in het geval van oneindigheid en alomvattendheid is “evam” per definitie volledig, want buiten “evam” bestaat niets. Ik laat deze vraag voorlopig rusten; volgens mij ligt het antwoord in het onbereikbare”, zegt Carla.

“Het is een inleiding tot de “Ontwaking van geloof” en het is geen inleiding tot de “Ontwaking van wetenschap”. De vraag naar “evam” is een religieuze vraag; een vraag naar de oorsprong waar mensen op terug kunnen vallen wanneer zij het niet meer (kunnen) weten. Ik denk dat Carla gelijk heeft; het antwoord ligt waarschijnlijk in het onbereikbare”, zegt Narrator.

“Als stapsteen naar “God in search of Man” – ik noem de Engelse titel omdat daarin mijn voornaam voorkomt – gebruik ik het boek “Ich und Du” uit 1923 van de godsdienstfilosoof Martin Buber [2] (buitengewoon hoogleraar in Frankfurt am Main) die in 1938 aan het andere regime in Duitsland is ontkomen door naar Jeruzalem te vluchten. “In den beginne is de relatie [3]” volgens Martin Buber. De mens kan alleen “ik” zeggen dankzij “jij” (of “het”), zijn verhouding met anderen (en dingen) is dialogisch. “Ik” en “jij” zijn geen afzonderlijke objecten of dingen; er bestaat geen afzonderlijk “ik” of “jij”, er bestaat alleen een wederkerige relatie tot elkaar. Door dit religieus te duiden – “In ieder Jij spreken wij het oneindige alomvattende [4] aan” – wordt de verhouding tot God dialogisch: in de alomvattendheid kunnen wij God niet beschrijven, maar alleen aanspreken; ons leven is een existentiële dialoog met een oneindige alomvattende “Jij”. Wetenschap verenigd met religie biedt volgens Martin Buber geen leer, maar levenswijsheid.

feiten en logica 91[5]

Een voorbeeld van deze levenswijsheid gegrondvest in wetenschap en religie las ik op de achterzijde van de Nederlandse uitgave van “God in search of Man” waar de woorden van Baäl Sjem als leidraad staan vermeld:

Als een mens kwaad heeft gezien, laat hij daar niet moeilijk over doen.

Laat hij zich bewust zijn van zijn eigen kwaad en daaraan gaan werken.

Want wat hij gezien heeft, is ook binnenin hem.

Binnen de kaders van de “Ontwaking van Geloof” zijn de woorden van Baäl Sjem glashelder; al het goed en kwaad is net als Jij en ik opgenomen in “evam” of “Aldus”. Al het goed en kwaad is binnenin ons. Zou Martin Buber goed en kwaad zien als manifestaties van “Ich und Du”, als dialogische verhouding tussen ik en God, of zou hij goed en kwaad onderbrengen in zijn tweede dialogische verhouding “Ich und Es” ? Ik weet het niet; ik laat deze vraag voorlopig rusten totdat ik in mijn inleiding ben aangekomen bij God in de gedaante van een mens.

Bij het lezen van de eerste hoofdstukken van “God in search of Man” – in het Sanskriet betekent “Man” onder meer “denken/beschouwen/waarnemen” – werd ik getroffen door de overeenkomsten in structuur met de “Ontwaking van Geloof”. Abraham Joshua Heschel kiest voor volgende drie wegen bij deze zoektocht van God:

  • God – dit is bij Abraham Joshua Heschel het onuitsprekelijke alomvattende EEN uit de “Ontwaking van Geloof”.
  • Openbaring (ontsluiering of onthulling)
  • Weerklank (respons)

De laatste twee wegen van de zoektocht van God tonen overeenkomsten met “evam” waarbij de “Openbaring” lijkt op “Aldus in essentie (in leegte en vorm)” gedurende de overgang naar “Aldus in verschijningsvormen en kenmerken” dat weer gelijkenis vertoont met “Weerklank”. Is deze gelijkenis toeval of is deze gelijkenis fundamenteel voor de “Ontwaking van geloof” van de mens?”, zegt Man.

“Er is denk ik een fundamenteel verschil tussen jouw inleiding tot de “Ontwaking van geloof” enerzijds en de wederkerige relatie tussen ik en Jij van Martin Buber en de zoektocht van God naar de mens anderzijds. In het Hua-yen Boeddhisme is er in beginsel geen ander, want alle verschijningsvormen en illusies komen voort uit en zijn verweven met “Een”. Martin Buber en Abraham Joshua Heschel zoeken en/of ervaren een dialoog met een eeuwigdurende alomvattende Ander: er bestaat een zekere bepaalde scheiding tot de Ander. Dit komt neer op een kernvraag op onze zoektocht: ”Zijn jij en ik verbonden of zijn wij gescheiden”. Ik weet het antwoord niet, maar het lijkt mij goed om deze vraag verder uit te diepen”, zegt Carla.

“Misschien zijn beide manieren van zien wel twee manifestaties van een en hetzelfde binnen Indra’s Net. Zullen wij eerst De Basilica di Santa Croce van binnen gaan bezien. Binnen is het kruisbeeld dat tijdens de overstroming in 1996 ernstig werd beschadigd. Dit zou een overgang kunnen bieden naar God in de gedaante van een mens in onze wereld”, zegt Narrator.

feiten en logica 92[6]


[1] Zie voor een vereenvoudigde uitleg van het bewijs van deze tweede onvolledigheidsstelling: Nārāyana, Narrator, Carla Drift – Een Buitenbeentje, Een Biografie. Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 154

[3] Bron: Buber, Martin, Ik en Jij. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 24; zie ook de openingszin in het Evangelie van Johannes.

[4] Bron: Buber, Martin, Ik en Jij. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 110, 111

Narrator – terug naar de bewoonde wereld


Wij reden van de lege poort naar de Noord Kaap in het eeuwig licht. Geen nacht, geen duisternis, geen visioenen van vermoorde dorpelingen die wilde ontsnappen aan het vuur in het nachtelijk bos, geen nachtwake voor de adem van de overledenen, alleen de voortdurende dag waarbij de zon niet meer ondergaat aan de horizon. Deze vredige wereld zonder nachtelijke fantomen was mij nieuw. Eindelijk kon ik rustig slapen.

Mijn geliefde was in euforie over het passeren van de lege poort – zijn hier en nu was onbegrensd verbonden met het universum. Bij de Noord Kaap had hij geen slaap nodig; hij rustte vredig zittend op de grond terwijl ik sliep.

Noordkaap[1]

De heenreis naar de lege poort in het noorden was doelgericht verlopen. Bij de terugreis naar de bewoonde wereld maakten wij grote omwegen langs de kronkelende kust van de fjorden in Noorwegen. Mijn minnaar verdiepte zich vanaf de Noord Kaap in de oneindig in elkaar verweven werelden van de Avatamsaka Sūtra [2].

Mijn geliefde was diep bewogen door de overdaad aan beschrijvingen van de in elkaar vervlochten werelden. Stomverbaasd las hij dat er vele Boeddha’s in het verleden hadden bestaan en volgens de sūtra zouden er in de toekomst nog onnoembaar veel Boeddha’s volgen. Tot dat moment kende mijn minnaar met zijn Amerikaans Protestants Christelijke achtergrond maar één god. Nadat hij zich had verdiept in het Boeddhisme, was die ene god vervangen door Boeddha.

De weg naar de lege poort voerde naar een eenheid met het alomvattende Boeddhistisch universum, maar nu verkondigde deze sūtra het bestaan van oneindig vervlochten universa waarin vele, vele Boeddha’s waren verweven. Zijn verbijstering was volkomen, net zo volkomen als mijn verbijstering over de eeuwige dagen en over de oneindig in elkaar kronkelende scheiding van berglandschap en zee langs de oevers van de Noorse fjorden.

Geirangerfjord[3]

Bij onze terugkeer langs de Noorse kust kwamen de nachten met mijn duistere fantomen bijna ongemerkt weer terug. Ik hield weer de nachtwake terwijl mijn geliefde sliep. In de noordelijke havens en plaatsen was ik een bezienswaardigheid – er kwamen niet veel mensen met een blauw-donkere huidskleur. Gelukkig waren wij op doorreis; mijn masker van een idool vervloog bij het verlaten van de plaats.

Na een paar weken studie in de Avatamsaka Sūtra was mijn minnaar gewend aan de onderlinge vervlechting van de universa, maar hij las ook dat de universa zich in elkaar spiegelden en daardoor elkaar beïnvloeden. Hij kon dit verstandelijk bevatten wanneer hij naar het water en de lucht in de fjorden keek, maar deze denkwereld strookte niet met zijn culturele achtergrond. Zijn euforie en hemels geluk bij het passeren van de lege poort was geschokt na het lezen van deze sūtra.

Sonnefjord_Norway2[3a]

De beschrijvingen van Indra’s Net [4] bracht enige ordening in de verwarring die was ontstaan na het bestuderen van de vele met elkaar vervlochten werelden, maar hij ervoer dit model als gekunsteld. De euforie en bevrijding van de Noord Kaap veranderde in zorg en twijfel over een oneindig kronkelende weg die mijn minnaar in dit leven nooit zou kunnen voltooien. Een parabel van mijn vader – over een eindeloos leven met vele wedergeboorten waarin levende wezens in vele verschijningsvormen (van microbe tot verlichte mensen en goden via afzonderlijke universa) de weg naar een gelukzalig bestaan bewandelden – gaf geen rust. De beschrijving van de 32 verblijfplaatsen “van Hellen, Titanen, Hongerige geesten, Dieren, Mensen, Goden in 22 categorieën naar vijf sferen van oneindige ruimte, bewustzijn en leegte” [5] in de lange toespraken van Boeddha ontlokten mijn geliefde sombere opmerkingen.

Wij besloten vanaf de Sognefjord via een directe route langs de Staafkerken naar Oslo te reizen. Wij bezochten eerst de kerk in Kaupanger en daarna de oudste staafkerk in Urnes met een crucifix waarvan een deel van de originele verf volgens de gids uit Afghanistan afkomstig was. In de kerk was de donkere nacht met een schijnsel van boven – buiten de overdaad van het zomerse licht.

Stave_church_Urnes,_panorama[6]

Mijn geliefde en ik maakten een dagtocht over de hoogvlakte van de Hardangervidda [7]. Naar het noorden leken de wolken en het landschap eindeloos verder te gaan. Mijn minnaar vergeleek de zich herhalende wolken met de in elkaar vervlochten universa uit de Avatamsaka Sūtra. Hij vroeg zich af hoe wij de verlichting van de vervlochten universa kunnen bewerkstelligen. Ik gaf aan dat de wolken en de werelden voor zichzelf kunnen zorgen; de wind is overal  hetzelfde – uiteindelijk is geen tweede wind [8]. Na mijn terloopse opmerking begon mijn geliefde weer te stralen; zijn zorgen en verwarring waren vervlogen. Mijn nachtelijke fantomen bleven terugkeren.

800px-Hardangerviddaflora[9]

De vreugde van mijn geliefde bleef in mijn leven totdat hij het volgende voorjaar terugkeerde naar zijn ouderlijk huis.


[2] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Avatamsaka_Sutra. De volledige naam van deze sutra is: “ Mahāvaipulya Buddhāvataṃsaka Sūtra ( महावैपुल्यबुद्धावतंसकसूत्र)” of “De enorm uitgebreid prachtig gedecoreerde guirlande van bloemknoppen sūtra”, waarin “Avatamsaka” onder meer “schitterende guirlande” betekent en “sūtra” staat voor “overdracht van het goede”.

[3a] Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sognefjord

[4] Zie ook: Origo, Jan van, Wie ben jij – een zoektocht naar ons bestaan, deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p.66 – 68

[5] The Long Discourses of the Buddha. Massachusetts: Wisdom Publications, 1995 p. 38-39

[8] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 110.