Tagarchief: verstoppertje

Carla Drift – Op Reis 2


Midden Afrika nam mij op. Tijdelijk verdween ik in Midden Afrika van de aardbodem. In mijn paspoort stond een andere naam. Op papier verrichtte ik een onderzoek naar verslechtering van de gezondheidstoestand [1] van de inwoners door de infectieziekte Malaria. Ik gaf ook voorlichting over deze ziekte. Door dit papieren onderzoek ging ik op in het land en in de groepen inwoners.

De infectieziekte Malaria wordt overgebracht door de Malariamug. Wanneer een malariamug een mens steekt om bloed te zuigen, dan kan deze persoon door het speeksel van de Malariamug geïnfecteerd worden met  Malaria [2]. Er zijn verschillende vormen van Malaria met hun eigen ziekteverloop in de vorm van opflakkeren van de koorts.

Malaria mug[3]

Malaria is endemisch aanwezig in vele landelijke gebieden rond de evenaar. De Malariamug gedijt het best in warme regenrijke streken of na regenval in droge streken. In Midden Afrika beneden de Sahara komen 85 – 90 % van de fatale Malaria infecties voor.

Malaria in de Wereld[4]

Door het onderzoek naar de gezondheidstoestand kon ik redelijk makkelijk door Midden Afrika reizen. Ik had bijna overal toegang – ook tot vluchtelingenkampen en ik kreeg laagdrempelige contact met bijna alle groeperingen. Deze vele contacten leverden een schat aan informatie op over de gezondheidstoestand.

Deze hoofdingang was een zijdeur voor mijn eigenlijke onderzoek dat betrekking had op de oorzaken en gevolgen van volkerenmoord in Midden Afrika. Tussen de bedrijven van de interviews naar de gezondheidstoestand door, vroeg ik terloops informatie over de levensloop van de mensen die ik bezocht. Soms versluierd, soms direct vertelden de belangrijke getuigen hun verhaal over de verschrikkingen die zij tijdens conflicten hadden meegemaakt. Af en toe kreeg ik directe verklaringen over excessen. Op deze indirecte manier ontving ik belangrijke informatie voor mijn eigenlijke onderzoek.

Rwanda vluchtelingen in opvangkamp in Oost Zaire[5]

Uiteraard rapporteerde ik over de gezondheidstoestand in de gebieden die ik bezocht en de voorlichting was nuttig. Maar dit onderzoek was weer verstoppertje spelen; nu voor de veiligheid van de vele geïnterviewden en voor mijn eigen veiligheid.

Door het onderzoek naar de gezondheidstoestand kon ik mijn eigenlijke studiereis in betrekkelijke veiligheid verrichten. De betaalde studiereis was in beginsel een zeer gevaarlijke reis. De machthebbers in Midden Afrika die mogelijk een aandeel in de volkerenmoord hadden, waren uiteraard zeer vijandig ten opzichte van ons onderzoek. De overwinnaar en/of de machthebber bepaalt hoe de handelingen in het verleden moeten worden gezien en binnen welk kader deze handelingen een passende plaats krijgen in de vastlegging van de geschiedenis. Geen vreemde pottenkijkers zijn gewenst om hierbij uiterst kritische en pijnlijke kanttekeningen te plaatsen. Als machthebbers of daders wisten van mijn onderzoek, dan liep het leven van de getuigen en mijn leven direct gevaar.

Omdat ik uit een Europees land kwam die zijn inwoners op afstand een redelijke bescherming kon bieden, had ik waarschijnlijk geen direct gevaar van de toenmalige machthebbers te duchten. Openlijke agressie tegen mij zou snel een diplomatiek conflict opleveren met de Westerse wereld en de helft van Afrika. Waarschijnlijk zou – na vele niet al te zachtzinnige verhoren – een uitwijzing volgen wegens inmenging met binnenlandse aangelegenheden met achterlating en vernietiging van al mijn studiemateriaal. De gevolgen voor de geïnterviewden zouden verstrekkender zijn.

De machthebbers zouden hun agressie tegen het doel van mijn studiereis niet rechtstreeks laten merken. Ook zij speelden kat en muis. Hun agressie tegen een dergelijk onderzoek dreigde altijd via omwegen. Iedere wegversperring, iedere inval in een dorp, iedere controle van papieren kon gevaarlijk zijn. Reizen met een groep onderzoekers die allerlei bedreigende vragen stelden, stond in mijn ogen gelijk aan een verhulde oorlogsverklaring. Onderzoekers die soortgelijke studies uitvoerden, zijn in grote problemen gekomen.

Ik besloot mijn aandeel in het onderzoek alleen uit te voeren. Ik reisde met hulp en onder de hoede van plaatselijke inwoners. Als vrouw kon ik in vrouwen gemeenschappen opgenomen worden. Ik stond open voor de hen en zij ontvingen mij gastvrij. Zij behoeden mij – als een van hun kleine kinderen – voor de gevaren van de omgeving en voor gevaren van beroving en erger.

Rwanda landelijk gebied [6]

Tijdens de laatste jaren van mijn studie heb ik veel alleen in Europa gereisd. Deze studiereis in Afrika besloot ik ook alleen te reizen. Vanaf mijn jongste jaren heb ik op bijna alle gebieden verstoppertje gespeeld. Op dit terrein heb ik door het lezen van de boeken van John Le Carré en Len Deighton vooral voorzichtigheid bijgeleerd. Ik besloot alleen te reizen met hulp van wisselende betrouwbare plaatselijke mensen.

In deze onbekende wereld met onzekerheden, mysteries en twijfel vertrouwde ik op geduld, tolerantie en mijn bewustzijn van mijn onkunde. Ik klampte mij niet vast aan afzonderlijke signalen, en ik liet alle denkbeelden en vooroordelen voorlopig los. Via omwegen – meestal verhuld en onopvallend – kreeg ik ontzettend veel informatie [7]. Ik liet de indrukken rijpen en maakte aantekeningen die ik cryptisch tussen de uitkomsten van mijn neven onderzoek verborg.

Als onderzoeker naar de gezondheidstoestand leefde ik samen – in een bevoorrechte positie – met de mensen op de plaatsen die ik bezocht. Vele dorpen en vluchtelingen kampen heb ik bezocht.

Waterpomp in Rwanda[8]

Uiteindelijk zorgden een aantal factoren ervoor dat ik mijn studiereis moest afronden. Allereerst begon het budget op te raken. Een eindverslag was nodig voor vervolg acties door de organisatie die mij de opdracht had gegeven. Daarnaast moest ik er rekening mee houden dan mijn verblijf in deze gebieden steeds meer op ging vallen. Mijn onbevangen verblijf bij de inwoners kon hierdoor erg snel omslaan in een explosieve situatie voor iedereen. Met mijn onderzoeksgegevens reisde ik naar een betrouwbaar vliegveld voor mijn vertrek.

[1] Carla Drift is een fictieve naam, de onderzoeken naar de gezondheidstoestand en zijn fictief. Geen persoon of onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van volkerenmoord in Midden Afrika heeft model gestaan voor deze berichten over het leven van Carla Drift.
[2] Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Malaria
[3] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Malaria
[4] Deze wereldkaart toont de prevalentie van Malaria. De schaal gaat in toenemende ernst van licht geel naar donkerrood. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Malaria
[5] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Rwandan_Genocide
[6] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Rwanda
[7] Zie ook: Brooks, David, The Social Animal – The Hidden Sources of Love, Character and Achievement. New York: Random House, 2011, p. 248
[8] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Malaria

Advertenties

Carla Drift – eerste jaren


De geschiedenis van mijn voorouders is in nevelen gehuld. Mijn oom heeft de stamboom van mijn moeders familie tot de tijd van Napoleon kunnen samenstellen, daarvoor is op papier niets meer terug te vinden. Mijn vaders familie heeft geen moeite gedaan voor een stamboom, want zijn familie is nauw verbonden met de drie families die al meer dan 1000 jaar in ons dorp wonen. Het dorp bestaat al veel meer dan duizend jaar, maar ruim 1000 jaar geleden is het dorp in een akte vermeld. En als het officieel op papier staat dan bestaat het volgens de mensen in mijn dorp.

[1]

Mijn moeder komt niet uit ons dorp. Zij zal nooit bij het dorp horen, hoewel zij er al meer dan 50 jaar woont. Zij zal altijd een Belg – of “Belsh” zoals ze in ons dorp zeggen – blijven. Hierdoor blijven wij – mijn twee zussen en ik – ook buitenbeentjes in ons dorp.  Bij ons thuis is alles net even anders; door mijn moeder hebben wij een aantal Belgische gewoonten in ons gezin. In het begin had ik moeite om de familie van mijn moeder te verstaan: zij spreken onderling een Vlaams dialect. Ook als zij tegen mij een vorm van Nederlands spraken, kon ik ik hen niet volgen. Nu ik ouder ben, heb ik hier geen moeite mee; met het vele reizen is het Vlaams heel vertrouwd geworden. Door mijn moeder ken ik hun manier van leven goed; het heeft een bepaalde charme – gesloten naar buiten en warm naar binnen.

Mijn vader en moeder hebben elkaar in de jaren 50 van de vorige eeuw bij toeval leren kennen. Twee gewone, lieve jonge mensen hebben elkaar ontmoet en zijn van elkaar gaan houden – dat doen zij nog steeds. Na een paar jaar verkering zijn zij getrouwd en al snel zijn wij – de drie zusjes – geboren. Mijn eerst herinnering is de geboorte van mijn zusje. Ik was toen bijna 2 jaar oud. Ineens was alles vreemd in huis en die nacht kwam mijn moeder niet toen ik riep. Daarna zijn de herinneringen elkaar snel opgevolgd. Bij de geboorte van mijn tweede zusje toen ik drie was, voelde ik me haar moeder. Ik was goed in staat om voor mijn jongste zusje te zorgen; mijn moeder dacht daar anders over. Ons eerste generatie conflict was ontstaan.

Op de kleuterschool werd al snel duidelijk dat ik anders was: ik kon veel te goed leren. Ik had al snel door dat het niet verstandig was om dat te laten zien. Lezen was nog niets voor gewone meisjes op de kleuterschool. Ik deed dat onopvallend thuis in oude boekjes van mijn moeder.

In die tijd had ik een sprinkhaan gevangen. In een luciferdoosje zat hij die avond op het nachtkastje bij mijn bed. Als ik met het doosje schudde, dan hoorde ik hem springen. Voor altijd zou ik nu gezelschap van mijn sprinkhaan hebben. De volgende ochtend was hij dood. Mijn vader en ik hebben hem plechtig in de tuin begraven. Dit was mijn eerste echte afscheid.

Op de lagere school speelde ik verstoppertje met de onderwijzers. Ik vond het niet verstandig om te laten zien hoe makkelijk ik leerde. De meester in de tweede klas had een schitterende verzameling vlinders uit Indonesië. Hij was daar als dienstplichtig soldaat geweest: over de gevechten vertelde hij niets. Later, veel later heb ik begrepen dat van de 95.000 Nederlandse soldaten er ongeveer 2500 de gevechten niet hebben overleefd [2]. Dit aantal komt overeen met bijna een derde van de graven op de militaire oorlogsbegraafplaats in Margraten. Het was geen politionele actie, maar een echte oorlog. Het aantal slachtoffers onder de inwoners van Indonesië is vele malen hoger. Na de oorlog wilde de Holland de kolonie behouden voor haar welvaart; de levensvreugde van mijn schoolmeester was daarvoor opgeofferd. Als meisje van 7 jaar oud zag ik dat haarscherp. [3]

Met mijn moeder speelde ik ook verstoppertje. Ik kon heel snel rekenen. Rekenen is optellen en aftrekken van getallen. De tafels hebben ik nooit hoeven leren: ik kon 9 keer 8 ook zo in een flits optellen. Bij het boodschappen doen telde ik het eindbedrag vaak meteen op. Ik zag als meisje van 6 of mijn moeder het juiste wisselgeld terugkreeg. Een discussie over een verschil van een paar centen met de winkelier en mijn moeder is niet handig voor een kind van 6 jaar oud. Sinds die tijd greep ik alleen in bij grote verschillen.

Ik was de oudste van drie zussen. Ik vond het logisch dat ik over alles een beter overzicht had en voor hun kon moederen. Mij viel het niet op dat ik alles zoveel makkelijker kon leren. Zij zijn nog altijd gewone lieve mensen die gelukkig in ons dorp zijn getrouwd. Zij wonen er nog steeds met hun gezin.

Met mijn vader ging ik iedere zaterdag naar de bibliotheek in een grotere plaats. De juffrouw van de bieb koos voor mij boekjes uit om te lezen en mijn vader koos de boeken om voor te lezen. Hij koos in de tweede klas van de lagere school “Brief voor de koning” van Tonke Dragt. De boeken van de juffrouw keek ik niet eens in. De boeken om voor te lezen, las ik zelf – Tiuri was mijn held. Mijn vader werd gevraagd waarom hij zoveel voorlas, mijn vader zei dat hij alleen de eerste bladzijden voorlas. Dat klopte ook: ik las de rest in mijn eentje. Ook hier verstoppertje spelen.