Tagarchief: Zuid Limburg

Carla Drift – Een nomadenbestaan


Meer kan ik niet schrijven over mijn werk op het gebied van misdaden tegen de mensheid, omdat ik dan andere mensen en mezelf in groot gevaar breng. Met staatsgeheimen, geheime diensten, overheden en machtshebbers die aan de geschiedenis pik duistere pagina’s hebben toegevoegd, kan ik niet voorzichtig genoeg zijn.

In West Europa denken veel mensen dat deze duistere pagina’s door overheden en machtshebbers in verre landen worden geschreven. Vanuit Zuid Limburg hoef ik niet ver te gaan. Zuid Limburg heeft altijd weinig ambities gehad om een rol in de wereldgeschiedenis te vervullen, misschien hebben roversbendes uit Zuid Limburg zoals de bokkenrijders [1] enkele voetnoten aan de geschiedenis toegevoegd. Verder onderzoek naar zwarte bladzijden in de geschiedenis door Zuid Limburg laat ik aan buitenstaanders over.

[2]

Vanuit mijn dorp in Zuid Limburg hoefde ik voor een aantal van mijn onderzoeken niet ver te reizen. Met enkele uren lopen naar het Oosten is Duitsland te bereiken met misdaden tegen de mensheid tijdens de Tweede Wereld Oorlog. Enkele uren naar het westen ligt België met Congo als zwarte bladzijden in de geschiedenis; op de lagere school leerden wij alleen de misstanden tegen paters en zusters en moordpartijen onder onschuldige gelovigen, maar later werd meer bekend [3]. In het noorden binnen de landsgrenzen ligt Holland met zijn donkere geschiedenis in de slavenhandel. Donkere bladzijden werden geschreven bij het neerslaan van opstanden in Indonesië [4] waarbij een voorzitter van de ministerraad [5] in zijn jonge jaren persoonlijk een actieve rol heeft gespeeld. Uiteindelijk is Indonesië tegen de zin van veel Hollanders onafhankelijk geworden na een oorlog die in Holland vergoelijkend politionele acties [6] werden genoemd. Bij delen van onderzoek naar misstanden tijdens deze oorlog ben ik betrokken geweest. Verder heb ik onderzoek gedaan op alle zeven continenten – ook in Australië bij Aboriginals en in Noord Amerika bij de Wereldmacht.

[7]

Na ieder onderzoek in de tropen kwam ik afgemat en ziek thuis. Gelukkig had ik nog steeds thuisplaatsen waar ik kon herstellen. In Amsterdam heb ik lang mijn kamer en een thuis gehad bij vrienden van Man en van mij. Wanneer ik in Zuid Limburg thuis kwam waren er altijd blije gezichten – als ik kwam en als ik weer ging; ik werd altijd als de verloren dochter begroet maar ik was ook veel te onafhankelijk en brutaal – “vreg” – geworden; de pastoor, de burgemeester en de gemeenteraad zagen dat het eerst. Kortom overal een tijdelijke plaats om te herstellen en mij voor te bereiden op een nieuw onderzoek met alle avonturen die daarbij horen. Altijd onder een vermomming verstoppertje spelen om niet ontmaskerd te worden met alle fatale gevolgen die daarbij kunnen optreden.

Ongeveer 10 jaar geleden heb ik mijn kamer in Amsterdam verlaten omdat de vrienden van Man en mij hadden besloten om op hun oude dag veel kleiner te gaan wonen. Hiervoor werd hun prachtige huis in de binnenstad van Amsterdam verkocht. Ik heb daarbij mijn kamer verlaten met een rugzak, een slaapzak, een bivak zak, lichtgewicht kampeerspullen en wat kleren. Al mijn boeken staan in de universiteitsbibliotheken – met een aantal bibliotheekkaarten eenvoudig toegankelijk. Mijn overige bezittingen heb ik verkocht. Al met al is dit een enorme rijkdom.

Enkele jaren geleden kwam ik weer terug van een onderzoek in de tropen – maar nu was ik ernstig ziek. Ik herstelde niet meer volledig; ik werd na een kleine inspanning snel moe. Ik merkte aan mijn lichaam en ziel dat tropenjaren dubbel tellen; na zo’n 20 jaar in de tropen was ik aan pensioen toe op een leeftijd van 50 jaar. Met karig leven op spaargeld en enkele kleine opdrachten kon ik de tijd tot mijn “overheidspensioen” overbruggen.

Na een nomadenbestaan van onderzoek naar onderzoek met herstelperiodes in Amsterdam bij vrienden en in Zuid Limburg bij familie, was ik nu aangewezen op een nieuwe woon- en verblijfplaats. In Zuid Limburg paste ik niet meer in de samenleving van het dorp waar ik opgroeide – ik was veel te lang weggeweest. Mijn vader en moeder waren trotse grootouders geworden van de kinderen van mijn beide zussen. Deze neefjes en nichtjes waren al bijna zelfstandig – twee gingen studeren, een was aankomend vakman en de jongste volgde nog de middelbare school. Mijn zussen waren gelukkig getrouwd met lieve partners. Met mijn vriend uit mijn jeugd ging alles goed. Als ik in Amsterdam was, dan kwam hij op bezoek – voor hem een bezoek aan een wereldstad met alle uitdagingen. Soms bezocht hij mij in het buitenland. Hoe warm het thuisnest in Zuid-Limburg ook was, ik hoorde er niet meer thuis.

Ik was een nomade geworden, maar een nomade die een dak boven het hoofd nodig had bij slecht weer en koude. Via vrienden kocht is een redelijk wintervaste caravan.

[8]

Er was nog een probleem: ik had geen rijbewijs en ik wilde het ook niet gaan halen. Van kennissen in Zuid Limburg kon ik een kleine tractor kopen. Mijn vader heeft de tractor nagekeken op gebreken. Ik denk dat een tractor nog nooit zo grondig is gecontroleerd, omdat mijn vader intuïtief voelde dat dit wel eens het laatste zou kunnen zijn dat hij voor mij – zijn oogappel en zorgenkind – kon doen.

[9]

Het dorp heeft mij uitgewuifd toen ik voor het eerst met de tractor – caravan combinatie vertrok en ik wuifde terug: weer allemaal blije gezichten. Het volgende bericht gaat over de trektochten met de tractor – caravan combinatie.

Nieuws

Mijn uitgeverij Omnia – Amsterdam Uitgeverij heeft haar nieuwe website in gebruik genomen:

www.omnia-amsterdam.nl

 

Advertenties

Carla Drift – jaren van bloei


De Lentezon scheen

Gul en overvloedig neer;

Haar glimlach voor ons

Van een omgeving waar “ja” alles kon betekenen afhankelijk van de omstandigheden – van een regelrecht “nee” tot een “ja” van Molly Bloom in Ulysses van James Joyce – verhuisde ik naar een land waar “ja en nee” de wereld volkomen in tweeën deelde. Het was een land dat onvoorstelbaar plat was en waar iedere groepering zijn eigen geloof baseerde op een bepaalde passage uit de Bijbel. Alleen het water was alomtegenwoordig. Water was voor alles en iedereen gelijk en iedereen streed daar dan ook tegen. Het was altijd pompen of natte voeten – veel vloeren van woningen langs het kanaal liggen ruim beneden het waterpeil in het kanaal.

[1]

Later heb ik begrepen dat het pompen erg nauw luistert. Bij teveel pompen klinkt de bodem van de polder in en zakt de bodem van de polder onherroepelijk verder naar beneden. Er moet steeds voldoende water in de slootjes en in de bodem van de polder blijven.

In dit land ging ik wonen, studeren, en ik ontmoette er mijn grote liefde – in deze volgorde.

Zo vlak als de polders waren, zo vlak waren toen in mijn ogen ook de manieren van de inwoners van dat land. Uit gastvrijheid werd ik bij een verjaardagsfeest uitgenodigd op de koffie – een klein stukje appeltaart voor iedere bezoeker en bij het aanbieden van een tweede biertje later op de avond zei iedereen: “Het is tijd om weer eens op te stappen”. Daar zat ik met mijn tweede biertje dat ik maar snel opdronk. Bij feesten in Zuid Limburg werden 24 vlaaien afgebakken voor het bezoek – men keek niet op enkele stukken vruchtenvlaai meer of minder voor iedere gast.

Mijn kamer was vlak bij een burgerroeivereniging in Delft. Ik ging bij de vereniging op bezoek: de vereniging zag wat in mij en ik vond de vereniging aantrekkelijk. Mijn drie jaren in Delft ben ik er blijven wedstrijdroeien.

[2]

In deze directe omgeving ging ik studeren: het sloot mooi aan bij de rechtlijnigheid van wiskunde en natuurkunde. Later bleken deze vakken en de inwoners van Holland wat minder rechtlijnig te zijn.

Mijn studie was nog altijd even makkelijk als op het gymnasium. Veel schijnzekerheden vielen tijdens mijn studie weg. Ik mocht bij een practicum een versterker bouwen; er waren teveel onbekende variabelen in de beschikbare formules om een eenduidige oplossing te verkrijgen. De oplossing hiervoor bestond uit het aannemen van enkele instelstroompjes – gebaseerd op ervaring of gerommel van alledag – en als het niet voldeed werd het instelstroompje wat aangepast.

Het bepalen van de uitkomsten van proeven bestond uit het vele keren meten waarna statistisch de uitkomst met een betrouwbaarheidsinterval werd berekend – ook gerommel van alledag, maar gestructureerd en reproduceerbaar gerommel binnen een statistisch betrouwbaarheidsinterval.

[3]

Bij wetenschapsfilosofie vernamen wij van Popper en Kuhn met falsificatie [4] als criterium voor wetenschap: een idee of model was pas wetenschap als het idee of model bevattelijk was – en openstond – voor andere ideeën/modellen die een kans hadden het eerste idee te weerleggen. Ideeën en modellen die niet bevattelijk waren voor weerlegging, vielen in de categorie dogma’s of religie.

Tijdens de colleges maatschappijleer maakt ik kennis met een hiërarchie van behoeften beschreven door Abraham Maslow [5]. Volgens dit model had ik een begin gemaakte met zelfverwezenlijking met een levensgroot gat bij liefde – daar had ik tot dan verstoppertje gespeeld met mijn gevoelens.

De colleges maatschappijleer over de “Milgram” [6] en “Stanford Gevangenis” [7] experimenten vergrootten mijn zorg en onbehagen dat was ontstaan bij het lezen van het oeuvre van Jef Geeraerts en van Erich Fromm. Een zeer aanmerkelijk deel van de mensheid liet zich – vaak door omstandigheden – wel erg makkelijk meesleuren in laaghartig, volgzaam en zelfs verwerpelijk gedrag. In mijn laatste jaar in Delft maakte ik kennis met de kwader trouw en de theorie van de blik van Sartre [8]. Door deze zienswijze werden mensen in hun vrije handelen ernstig belemmerd werden. Volgens de kwader trouw verwordt de mens tot een instrumenteel ding door op de betreffende mens een stempel te plakken: een vrij mens met alle mogelijkheden wordt uitsluitend door zijn rol als bijvoorbeeld kelner gereduceerd tot een beperkt instrumenteel dienend ding. Een soortgelijk mechanisme speelt bij de theorie van de blik waardoor in een oogopslag een vrij mens met alle mogelijkheden kan worden gereduceerd tot een laaghartig wezen. Een mens kijkt door een sleutelgat van een kamer, een tweede mens ziet dit: door de blik van deze tweede persoon wordt de eerste mens teruggebracht tot een laaghartige gluurder.

Deze colleges wetenschapsfilosofie en maatschappijleer hebben mijn hele verdere leven beïnvloed. Later zal ik hierdoor in Amsterdam mijn studie in een hele andere richting voortzetten.

Eerst volg ik drie jaren mijn technische natuurwetenschappelijke studie met onder meer de onderwerpen: elektromagnetische velden, thermodynamica, vloeistofleer, relativiteitstheorie, kwantummechanica en wiskunde over matrices en vectorvelden.

Uiteraard bleef ik bibliotheken bezoeken. De algemene bibliotheek voor literatuur, algemene ontwikkeling en ontspanning en de technische bibliotheek voor verdieping op natuurwetenschappelijk terrein.

Maar in het tweede semester van mijn eerste jaar kwam ook en vooral de liefde in mijn leven.

Carla Drift – jaren van ontluiken


Mijn eerste communie was een groot feest. Door de inwijding van mijn doop was ik een paar dagen oud al in de kerk opgenomen. Sommige jongens in ons dorp worden bij de geboorte aangemeld bij de schutterij: zij kunnen hun leven lang lid zijn. Van mijn doop kan ik mij niets herinneren. Wel draag ik nog altijd mijn doopnaam samen met de doopnamen van mijn peettante en peetoom als herinnering met mij mee.

Later heb ik begrepen dat het doopsel het enige sacrament is dat door de gehele Christenheid wordt erkend [1]. Het kinderdoopsel wordt zo vroeg mogelijk gegeven om kinderen zo spoedig mogelijk in Gods genade te laten verkeren. In tijden van een grote zuigelingsterfte is dit van belang. Misschien is het ook een overblijfsel uit het patriarchale Romeins recht, waar het leven van een pasgeborene afhankelijk is de erkenning door de vader. In de gereformeerde kerk heeft tegen het einde van de tweede wereldoorlog in 1944 nog een scheuring of “vrijmaking” in de kerk plaats gevonden over de vraag of een kind door de doop in Gods genade zal zijn of dat de doop een roeping is om als Gods kind te leven [2]. Ons dorp hield zich met dit soort vragen niet bezig; ons dorp leefde binnen het rijke Roomse leven met al haar andere hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

[3]

Aan het begin van de lagere school werden wij op onze eerste Communie voorbereid. Wij leerden de eerste basisbeginselen van het Katholieke geloof. Midden in de lente deed ik mijn eerste Communie. Ik ging in een prachtig wit jurkje in een processie naar de kerk. De eerste hostie bleef aan mijn verhemelte plakken; dit was mijn enige bijzondere herinnering aan de kerkmis. Daarna hadden wij een groot familiefeest. De hele familie van mijn moeder en mijn vader waren aanwezig. Ik werd overstelpt met cadeaus. Mijn ouders waren trots dat hun eerste dochter in de gemeenschap en in de kerk werd opgenomen. Ik voelde me in het middelpunt van de belangstelling staan.

[4]

Met mijn geloof speelde ik half verstoppertje. De beschermengel was altijd onzichtbaar aanwezig, ik voorvoelde als er iets mis dreigde te gaan. Ik zorgde er dan voor dat het goed afliep. Maar bij mijn rechterschouder voelde ik de engel niet zitten. Het leek mij niet verstandig om mijn twijfel te tonen. Dat deed niemand. Niemand in ons dorp twijfelde aan de volgende adem teug, behalve als men heel oud was of als er iemand in de familie op sterven lag en daarna overleed. Dan ging men veel naar de kerk om te bidden voor de zielsrust van de overledenen of voor henzelf. Ik heb enkele jaren gedacht dat in mijn moeders dorp in België de grootste familie de familie Zaliger was, zij spraken er altijd over. Rond mijn zesde jaar kwam ik er achter dat de familie Zaliger voor de helft in de hemel woonde en voor de andere helft op het kerkhof rustte: later zou ik ook bij deze familie gaan horen als netjes zou leven. In ons dorp moest je wel heel slecht zijn om lang in het vagevuur te blijven. De oudere vrouwen bidden veel en alle families gingen trouw naar de jaardiensten en naar het kerkhof met Allerzielen. Voor de hel en het vagevuur was ik niet bang.

Toen ik acht jaar was, deed ik het heilig vormsel [5]. De Heilige Geest zou mij helpen om mijn geloof te versterken. De bisschop zei bij mijn vormsel: “Signaculum doni Spiritus Sancti“ (Zegel van de gave van de heilige Geest). Uit verveling had ik uit het missaal van zijn vader al wat Latijn geleerd tijdens de vele lange missen. De gave van de Heilige Geest hielp mij niet bij mijn geloof. Ik zag steeds duidelijker dat de Vader God was geschapen naar de gelijkenis van zijn gelovigen en niet omgekeerd zoals de Katholieke kerk ons voorhield. Rond die tijd begon het “Rijke Roomse Leven” in Zuid Limburg af te kalven; wij gingen nog alleen met hoogtijdagen naar de kerk.

Onze meester in de vijfde en zesde klas had stage had gelopen bij De Werkplaats Kindergemeenschap [6] van Betty en Kees Boeke in Bilthoven. Hij was pas een jaar op onze school en door hem heb ik twee jaar lang veel geleerd. Hij moedigde mij aan om samen met mijn vader de boeken uit de bibliotheek de lezen en er werkstukken over te maken. Het Kees Boeke’s “Wij in het heelal, een heelal in ons” [7] hebben mijn vader en ik van kaft tot kaft gelezen. Mijn vader en ik kochten een microscoop en een sterrenkijker. Samen lazen wij boeken over astronomie en microscopie. Voor school maakten wij zeker vier werkstukken over deze onderwerpen.

[8]

Hetzelfde deden wij voor wereld geschiedenis en over andere godsdiensten. Wij lazen boeken over de Islam, het Hindoeïsme en het Boeddhisme.

Bij de landelijke toets voor middelbare school heb ik geen verstoppertje gespeeld. De meester vertelde vol trots dat onze klas een uitmuntende uitkomst had. De hele klas was ruim boven het landelijk gemiddelde. Ik had maar één fout bij een vraag die wij niet konden weten, omdat wij niet in Holland woonden. De meester zorgde dat iedereen een goede passende vervolgopleiding ging doen. Ik ging naar het gymnasium in de stad.


[7] Zie: Boeke, Kees, Wij in het heelal, een heelal in ons – Twee tochten: door macrokosmos en microkosmos. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1959

[8] Bron afbeelding: http://www.vendian.org/mncharity/cosmicview/ . De Engelse versie van het boek kan via deze hyperlink worden ingezien. De Nederlandse versie is in te zien via de volgende hyperlink: http://www.dearend.nl/pdf/Kees_Boeke.pdf

Man Leben – interview 3


Het vorige interview ging over jouw verhuizing van Zuid Limburg naar Rotterdam. In dit interview volgen enkele vragen over liefde.

“In de beschrijving van jouw leven geef jij aan dat er altijd vrouwen in jouw leven zijn geweest. Jouw moeder, peettante en tante als verzorgers en opvoeders hebben een duidelijke rol. Mijn plaats als metgezel tijdens onze Odyssee roept voor mij geen vragen op. Ik vind het opvallend dat er in jouw leven vanaf je 10e jaar bijna altijd verliefdheden en liefdes zijn geweest. Ik ben pas rond mijn 18e jaar begonnen met een vage verliefdheid. Van mijn 19e tot mijn 20e heb ik mijn grote liefde – de man in mijn leven – gekend. Daarna heb ik wel gevoelens van kameraadschap voor mannen gevoeld en mannen hebben voor mij liefde gevoeld, maar verliefdheid en liefde zijn nooit meer in mijn leven ontstaan: ik heb er nooit meer voor opengestaan. In de beschrijving van mijn leven daarover meer. Hoe ben jij omgegaan met deze wisselende liefdes?”, vraag ik.

“Als ik zou mogen kiezen, dan was ik het allerliefst mijn hele leven blijven houden van mijn eerste liefde: de liefde die ik op mijn 10e jaar als een intense gloed heb gevoeld.

[1]

Met haar was ik graag op mijn 18e getrouwd en oud geworden. Dit is niet mogelijk om verschillende redenen: ik ben naar Holland verhuisd en ik hoor niet echt in Limburg thuis. En later – toen ik in staat was om met haar contact te zoeken – had haar leven al een andere weg genomen door een verloving met een lieve en zorgzame man. Zij zijn gelukkig getrouwd, hebben kinderen en kleinkinderen gekregen en zijn gelukkig oud geworden. Ik heb haar nog vaak ontmoet: zij heeft nooit geweten van deze verblindende liefde in mijn jonge jaren. Nu ik terugkijk, zie ik dat mijn liefde altijd op één vrouw is gericht: één vrouw in verschillende verschijningsvormen. Natuurlijk zijn alle liefdes verschillend geweest, maar er was altijd één constante, de constante van intensheid en intimiteit in verscheidenheid. De gevoelens van intensheid en de intimiteit voor al mijn afzonderlijke geliefden zijn in de loop van de tijd wel veranderd, maar nooit verdwenen. Misschien hebben jij en ik op dit punt een overeenkomst; jouw grote liefde – de man in jouw leven – is één man aller mannen. Mijn geliefden zijn één vrouw in verschillende verschijningsvormen”, zeg jij.

“Ik laat deze gelijkenis even bezinken. Hoe heb jij de eindigheid van de afzonderlijke liefdes ervaren”, vraag ik.

“De vrouwen in mijn leven hebben mij altijd uitstekend behandeld. Ik heb dit ook altijd met hen proberen te doen. Met mijn vrouw is dit niet gelukt; over dit onvermogen heb ik nog altijd spijt en schaamte: ik zou beter moeten kunnen. Ook de afzonderlijke relaties met twee Duitse geliefden is door hen zeer doortastend en abrupt beëindigd; zij vinden waarschijnlijk: voorbij is voorbij – geen gezeur meer. Als de wegen zich moeten scheiden, dan heb ik altijd mijn geliefden de scheiding laten voltrekken. Ik denk dat ik onbewust heb gevoeld dat de beëindiging van een relatie voor de geliefde die de scheiding uitspreekt en voltrekt, bijna altijd makkelijker is. Door mijn leven ben ik waarschijnlijk beter toegerust op pijnlijke scheidingen. Waar mogelijk heb ik altijd contact blijven houden met al mijn geliefden. Soms alleen via brieven en kerstkaarten, bij anderen heb ik geregeld gelogeerd of wij hebben reizen gemaakt”, zeg jij.

“De scheiding met jouw vrouw lijkt volgens mij meer een scheiding van een manier van leven dan een scheiding tussen twee geliefden”, zeg ik.

“Ik denk dat jij gelijk hebt. Op het gebied van intimiteit en liefde zijn wij door allerlei omstandigheden uit elkaar gegroeid. Daarna is de tijd van ons vrije [2] huwelijk aangebroken. Deze andere manier van ons huwelijk heeft het verschil tussen ons vergroot: mijn vrouw is opgebloeid en zij heeft haar eigen leven willen inrichten met haar nieuwe geliefde. Deze laatste ontwikkeling heb ik te laat gezien. Ik heb te lang geprobeerd een familiehuis in stand te houden. De verkoop van ons huis en de verdeling van het bezit inclusief de reservering van het kleine kapitaal voor de kinderen is voor mij het einde van een tijdperk geweest: een afscheid nemen van een werkelijkheid die al een geruime tijd in een onhoudbare illusie was veranderd. Met de afwikkeling van ons huwelijk en bezittingen ben ik te eenzijdig en doortastend te werk gegaan. Ik heb hiermee niemand gelukkig gemaakt; mijn vrouw en kinderen zijn volkomen van mij vervreemd”, zeg jij.

“Het einde van de liefde met de man van mijn leven is voor mij onmogelijk en heel pijnlijk verlopen. Bij de beschrijving van mijn leven hierover meer. Ik vind jouw gedicht over de kleine dood in het bericht “Liefde” heel mooi. In mijn grote liefde heb ik ook de alomvattendheid van de kleine dood ervaren.

 [3]

Hoe is jouw leven verder gegaan na de grote dood van jouw geliefde lotgenoot?”, vraag ik.

“Haar familie en vrienden hebben mij deels als een indringer gezien. Ik kan me dat voorstellen, want behalve een klein appartement in Amsterdam, veel boeken en een AOW-pensioen – voor mij een groot bezit – heb ik geen bezittingen. Zij had beduidend meer bezittingen. De familie en vrienden hebben er op gestaan om de begrafenis en de verdere afwikkelingen te verzorgen. Ik heb mij op de achtergrond gehouden. Uit de erfenis heb ik enkele boeken ontvangen. In een recent boek heeft zij bij een passage over liefde de zinsnede aangestreept: “Het grootste mysterie ben jezelf”. Na haar dood heb ik een tijd rondgelopen met het gevoel alsof ik in tweeën was gescheurd – onzichtbaar ragfijn doormidden – dwars door mijn hart. Alles was koud, eindeloos en pijnlijk gewoon. Door de derde verrassing van de eenvoud heb ik mijn nieuwe balans gevonden”, zeg jij.

In het volgende bericht volgen enkele vragen over jouw eenvoud.


[2] De werkwoord wortel “vraj” betekent in het Sanskriet “gaan, lopen”. Bron: Egenes, Thomas, Introduction to Sanskrit – Part Two. Delhi: Motilal Banarsidass Publishers, 2005 p. 395. Volgens de elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta, heeft “vraj” daarnaast ook de betekenis “gaan naar (een vrouw)” en “geslachtsverkeer hebben met” net als het Nederlandse werkwoord “vrijen”.

Man Leben – interview 2


In het vorige bericht is het eerste deel van het interview over de beschrijving van jouw leven weergegeven. Nu ga ik verder met enkele vragen over de verhuizing van Zuid Limburg naar Rotterdam.

“Jij bent met jouw tante op 12 jarige leeftijd in de buurt van Rotterdam gaan wonen en daar ben jij naar het Gymnasium gegaan. Hoe was deze verandering?”, vraag ik.

“In Zuid Limburg heb ik waarschijnlijk de mooiste jaren in mijn leven gehad. Ik heb mij daar volkomen thuis gevoeld, hoewel ik eerst een buitenbeentje ben geweest. Eerst heb ik de plaatselijke taal en de gebruiken niet begrepen, maar na een jaar was alles duidelijk en kon ik het dialect vloeiend spreken. Bij Rotterdam is alles weer volkomen vreemd geweest. Ik ben in een Hollandse en Christelijke omgeving gaan wonen met een Limburgse tongval, Katholieke gewoonten en een Joodse achtergrond: allen uitzonderlijk. Het scheldwoord voor katholiek is “paap”; “dit woord betekent in het Sanskriet “verkeerd, slecht, schuldig” [1]. De eerste jaren heb ik het moeilijk gehad om mij aan te passen. Gelukkig werd ik op school in de klas geaccepteerd. Mijn tante heeft het ook lastig gehad: zij moest in een moeilijke omgeving het vorige bestaan afronden: de bezittingen, de belasting en de financiën verdienden aandacht. En een nieuw bestaan moest worden opgebouwd. Zij had het geluk dat zij via verre familie een goede betrekking kon krijgen bij een handelsfirma. Ik heb wel eens gedacht dat zij zonder mij naar Amerika zou zijn geëmigreerd; zij heeft dat zelf nooit verteld”, zeg jij.

 [2]

“Jij hebt gezegd dat het kleine kapitaal dat jouw grootvader rond 1924 in Zwitserland had ondergebracht, erg behulpzaam was”, zeg ik.

“Dat heb ik later begrepen toen ik 21 jaar oud was. Voordat mijn tante naar Zuid Limburg is gekomen, heeft ze in Zwitserland een bezoek gebracht aan de bank waar mijn opa de rekening in 1924 heeft geopend. Deze rekening is buiten het zicht van de anderen – dus ook van de overheden in Duitsland en Nederland gebleven. Dit is een klein deel van mijn hoogmoed geweest: in die tijd voor mij heel begrijpelijk. Met dit kleine kapitaal is mijn studie en een deel van de aanschaf van de woningen voor ons gezin betaald. Later, toen ons gezin uiteen was gevallen, heb ik van de verkoop van onze woning een soortgelijke rekening voor mijn kinderen geopend voor moeilijke tijden”, zeg jij.

[3]

“In die tijd was het voor de overheden geld buiten de boeken”, zeg ik.

“Klopt. Het was een andere tijd: de overheden werden door onze familie niet als erg betrouwbaar ervaren. Het was verstandig om wat achter de hand te hebben. Later, nadat ik tijdens mijn trektocht naar Dachau op de wind en de maan ben gaan vertrouwen, ben ik de ijdelheid van kapitaal gaan zien. Ik zag toen de volledige betekenis van het tweede gebod: “Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben”. Ik ben gaan inzien dat geld een metafoor is voor vertrouwen. Op het Al en Een – vluchtig als de wind en veranderlijk als water – ben ik gaan vertrouwen; mijn weg wordt daarna beschenen door de Maan. Geld is soms een handig ruilmiddel op aarde, maar een ballast op de eeuwige weg”, zeg jij.

In het volgende bericht volgen enkele vragen over liefde.


[1] Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta.

Man Leben – terug naar Limburg


Treibend auf die Wellen kann man leben

Jij gaat verder over jouw terugkeer naar Limburg:

“Mijn peetoom was overleden. De boerderij in Zuid Limburg had dringend hulp nodig. Ik was aan verandering toe; mijn “Jaguar – Saab jaren” waren definitief voorbij. Op de leeftijd van 48 jaren werd ik voor anderhalf jaar boer.

Mijn peetoom en peettante hebben nooit kinderen kunnen krijgen. Dit heb ik altijd al voorvoeld – het is mij pas verteld toen ik ruim volwassen was. Tijdens de oorlog hebben zij zich tot aan het einde van mijn lagere school over mij ontfermd. Ik was meer dan welkom; bij hen heb ik de mooiste tijd van mijn leven gehad. Nu was mijn peetoom in het voorjaar plotseling overleden en de boerderij wilde het ritme van het voorjaar hernemen.

De begrafenis van mijn peetoom verliep volgens Limburgs gebruik. Een zware klok liet droef het dorp weten dat er een dode was, enkele waken, de mis, de gang naar het kerkhof, koffietafel met naar gebruik goed eten. De erfenis hoefde nog niet verdeeld te worden. Mijn peettante stond alleen voor de boerderij, de koeien, de akkers, de moestuin en boomgaard. De overgang naar werk op de boerderij lag op mijn weg. Ik verhuisde opnieuw naar Zuid Limburg.

Ik voegde mij naar het ritme van de dag, maand, seizoen en jaar op de boerderij. Ik kon mij veel van vroeger herinneren , maar veel was veranderd. Mijn peettante volgde nog alle rituelen van de Katholieke kerk, maar de ontkerkelijking was ook in Limburg al vergevorderd. Vroeger was de boerderij bijna helemaal zelf verzorgend. Het surplus van de boerderij werd verkocht en een deel van het verkregen geld werd gebruikt voor aanschaf gereedschap en voor onderhoud, een deel werd opzij gezet voor reserve, een deel ging naar de kerk en hulp voor anderen. De mechanisatie en schaalvergroting was al begonnen – er stond een tractor en een aantal machines klaar. Maar een verdere schaalvergroting was op korte tijd nodig: de keuzes waren niet eenvoudig en de noodzakelijke investeringen zouden groot zijn. Was de boerderij hier groot genoeg voor en wie zou de boerderij moeten overnemen? Mijn peetoom en peettante hadden hierover al enkele jaren nagedacht; zij zouden binnenkort een beslissing moeten nemen. Nu stond mijn peettante alleen voor deze beslissing. Mijn peettante zag dat ik dat jaar met mijn ziel onder mijn arm liep; een verandering was meer dan welkom. Na enkele weken kwamen mijn peettante en ik bijna stilzwijgend overeen dat ik in ieder geval zou blijven totdat de boerderij weer winterklaar was voor het volgende jaar.

[1]

Voor mijn peettante was dit geen makkelijke tijd: verlies van haar man, hulp van mij – een onervaren boer, hoe verder met de boerderij en de veranderingen in het leven van alledag. In Limburg trad toen de ontkerkelijking in en door de televisie kwam de hele wereld met alle veranderingen de woonkeuken binnen. Zij vervulde haar plichten voor haar overleden echtgenoot en ik ging mee naar iedere kerkmis. Dit ritme en het ritme van de boerderij gaven weer vorm aan mijn leven.

[2]

In het najaar – net na de 6 maanden mis voor mijn peetoom – zei mijn tante dat mijn hulp op de boerderij welkom was, maar ik was geen boer; ik hoorde niet op een boerderij. Ik hoorde ergens anders, net zoals toen ik op 12 jarige leeftijd ergens anders hoorde. Op die avond besloten wij om samen nog een seizoen op de boerderij te leven en in dat jaar de overdracht van de boerderij te verzorgen.

Een studievriend kwam in die tijd een weekend op bezoek. Wij hebben altijd contact met elkaar gehouden. Hij was nu een succesvol architect. Samen hebben wij de mogelijkheden voor een vakantieboerderij bekeken. De ligging was goed, de gebouwen waren is goede staat en boden genoeg mogelijkheden. In overleg met mijn peettante hebben wij in de winter en voorjaar de plannen verder uitgewerkt. Aan het einde van het voorjaar heeft mijn peettante na overleg met de familie de boerderijen en landerijen te koop aangeboden. Zelf kocht zij in de zomer een mooi appartement in het dorp. Wij maakten het seizoen af, haalden het hooi binnen en verkochten het. De koeien werden door dorpsgenoten overgenomen en de grond voorlopig verpacht. Zo ronden wij het boerenritme af.

In dat voorjaar spraken wij ook over mijn plannen. Ik zou me wel redden: dat geloofde mijn peettante graag, maar daar was ik in haar ogen niet voor op aarde gezet. De wens van mijn tante besprak ik ook met haar. Zij begreep de wens om mijn ouders en mijn tante volgens de Joodse dodenherdenking te eren. Mijn onvermogen om dit te doen, begreep mijn peettante niet goed. Je kon volgens haar wel een houding hebben van “niemands baas, niemands knecht”, maar een orde met een God die hemel en aarde had geschapen, was er nu eenmaal en die moet men ook eren. Voor mijn peettante was dat met haar geloof en manier van leven altijd duidelijk geweest: zij wist wat haar te doen stond – graag of niet, je had het te doen. Voorzichtig stelde zij aan mij een bedevaart voor; een bedevaart in het najaar naar Dachau. Dat zou een voorbereiding kunnen zijn voor het eren van mijn familie.

Nu ik terugkijk op mijn leven in Limburg en op de trektocht moet ik denken aan een tekst die eens heb gelezen: “Ziekte en medicijn helpen elkaar. Het medicijn is het universum. Wie ben jij zelf?” [3]

Aan het einde van de zomer van 1983 heb ik mijn rugzak gepakt met twee stel kleren, een bivak zak en een klein kooktoestel. Ik heb afscheid genomen van mijn peettante en van het dorp en ik ben op weg gegaan”, zeg jij.

Het volgende bericht gaat over jouw trektocht naar Ronchamp.

– “Wie ben jij – Deel 1” – is klaar om te downloaden –

– Zie pagina: “Wie ben jij – Deel 1”


[1] Voorbeelden van boerderijen in Zuid Limburg. Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Houtemstgerlach.jpg

[2] Voorbeeld van landschap in Zuid Limburg: http://nl.wikipedia.org/wiki/Nationaal_Landschap_Zuid-Limburg

[3] Vrije weergave van Casus 87 uit de Hekiganroku. Zie ook: Yamada Kôun Roshi, Hekiganroku, Die Niederschrift vom blauen Fels – Band 2. München: Kösel-Verlag, 2002 p. 321.

Man Leben – leven van alledag


Wie soll man leben

Jij vervolgt met jouw bedrage aan de samenleving en het leven van alledag in Amsterdam:

“Mijn algemene ontwikkeling heb ik doorlopen op een katholieke lagere school in Zuid Limburg en een Christelijke middelbare school in Rotterdam. Door mijn tante heb ik in mijn middelbare schooltijd regelmatig de joodse geschriften bestudeerd. Indertijd waren dat voor mij volledig verschillende werelden. Nu ik terugkijk, zie ik vooral de grote overeenkomsten.

Onbevangen ben ik in Delft een vrijgesteld leven begonnen met mijn studie Bouwkunde. Net na mijn 21st verjaardag volgde de ontnuchtering. Mijn tante legde rekenschap af over haar voogdij over mij en over de afhandeling van de erfenis van mijn ouders en familie. Zij had het uitstekend gedaan, maar het tijdsgewricht zat tegen. Hierna heb ik in vier jaar mijn studie afgerond met redelijk tot goed afstudeerwerk op het gebied van utiliteitsbouw.

De wereld van alledag nam mij in zich op. Ik heb eerst een blauwe maandag op een architecten bureau gewerkt aan utiliteitsprojecten. Via dit bureau ben ik in de handel in bouwmaterialen terecht gekomen. Begin jaren zestig kwam er veel meer geld in de samenleving en er was meer geld beschikbaar voor bouwmaterialen. Op dit tij ben ik meegelift.

[1]

Door mijn werk op het architecten bureau heb ik mijn vrouw en moeder van drie kinderen leren kennen. Op de middelbare school en de eerste twee jaren van mijn studie ben ik enkele keren verliefd geweest, maar er was altijd een afstand. Nu zag ik haar en zij leek in een witte gloed te staan; niet zo erg als toen ik op de lagere school voor het eerst verliefd werd. Toen sloeg de bliksem in en alles was volkomen wit, nu was het lieflijker en zij stond alleen in een witte gloed. Gelukkig kon ik nog enkele zinvolle woorden uitbrengen. De tweede keer had ik de durf om haar mee uit te vragen. Zo ging het verder. Wij zijn snel verloofd en in 1959 zijn wij getrouwd. Een korte tijd hebben wij in een flat gewoond en toen de kinderen kwamen, zijn wij naar een doorzonwoning in de buurt van Amsterdam verhuisd.

De handel in bouwmaterialen was heel succesvol. Voor mij begonnen mijn “Jaguar” jaren.

[2]

Ik hou de beschrijving van deze “Jaguar jaren” kort, omdat Lucy Irvine [3] in haar verslag van het verblijf op een verlaten eiland in de Stille Oceaan het niet kon uitstaan als haar compagnon “G” begon over zijn “Jaguar days”. Onze welstand nam toe en wij verhuisden naar een vrijstaande woning aan de rand van Amsterdam; wij gingen met vakanties steeds verder weg. De kinderen gingen naar de lagere school en alles leek rustig verder te kabbelen.

Met de toegenomen welstand ontstond er aan het einde van de jaren 60 een sluimerend onbehagen in de samenleving die ook in ons gezin een plaats kreeg. Structuren en manieren van samenleven veranderden, waarden en normen veranderden en wij voelden een grote toename van vrijheid [4] en mogelijkheden. De verbeelding leek aan de macht te komen. De sleur van een vast gezin met vaste manieren van samenleven veranderde in een vrijer gezin met vrije omgangsvormen. Ons huwelijk ging toen over in een vrij huwelijk waarin plaats was voor andere relaties. De Jaguar was als gezinsauto ingeruild tegen een Renault 4 – een heerlijk rijdende auto, die deinde zoals alles in die tijd –, want we voelden ons nog steeds jong en alternatief en we wilden wat.

[5]

Het werk ging nog even voorspoedig en vroeg om een andere auto – een Saab 99. Terugkijkend was de vreugde van deze vrijheid en het aangaan van andere relaties vluchtig en oppervlakkig; de sluimerende onvrede bleef aanwezig.

[6]

De tweede feministische golf rolde ook ons gezin binnen. Na ons trouwen hield mijn vrouw op met werken, zij zorgde voor alles in en rondom het huis, en voor de kinderen; ik zorgde voor het inkomen, voor alle officiële zaken en het beheer van ons eigendom. Samen maakten we plannen voor de toekomst en overlegden over belangrijke beslissingen. Alles was mooi verdeeld zoals toen gebruikelijk. We begonnen met een rustig huwelijk zoals iedereen in die tijd. De hippietijd maakte alles vrijer en joliger; de kleding werd alternatief en de relaties ook. Begin jaren 70 wilde mijn vrouw zich gaan ontwikkelen en zich oriënteren op haar plaats in de samenleving.

Mijn vrouw ging zich ontplooien; zij begon een studie Talen aan de Universiteit van Amsterdam. Haar sociale leven veranderde – haar nieuwe vriend kwam in ons leven en niet veel later gingen zij met de kinderen een andere weg: zij werd mijn ex-vrouw en een bezoekregeling met de kinderen volgde. Mijn sociale leven veranderde: er kwamen enkele vriendinnen in mijn leven en mijn vriendenkring veranderde, want onze scheiding had ook een scheiding in de familie en vriendenkring tot gevolg – “partir est mourir un peux”. Mijn innerlijk onbehagen en onvrede bleef.

Met deze veranderingen kwam er ook zicht op andere religies: in mijn leven hadden het Katholicisme, het Christelijk en Joods geloof al een plaats gevonden – de laatste 25 jaar een sluimerende plaats. Met de alternatieve beweging kwamen ook Oosterse religies in beeld, waarvan het Boeddhisme en het Hindoeïsme later een belangrijke rol in mijn leven zouden gaan spelen.

Aan het einde van de jaren 70 ben ik enkele jaren – naast mijn werk in de handelsfirma – deeltijd docent voor modulaire bouwelementen geweest aan de TU Delft. Ik had toen al een deel van mijn werk overgedragen aan jongere collegae. In die tijd volgde ik de colleges filosofie van professor W. Luijpen. Zijn kijk op de samenleving heeft grote invloed op mij gehad.

In 1980 was mijn tante in korte tijd aan een ziekte overleden. Ik heb de begrafenis georganiseerd en de bijkomende zaken afgehandeld. Op dat moment was zij weer mijn naaste familielid. Haar graf heb ik op de Katholieke manier rond 1 november jaarlijks bezocht.  Alleen haar wens om haar volgens de Joodse dodenherdenking [7] te eren, kon ik toen nog niet vervullen. Ik was er nog niet rijp voor.

In het voorjaar van 1982 overleed plotseling mijn peetoom in Zuid Limburg. Mijn leven was aan verandering toe. Ik ben mijn peettante gaan helpen op de boerderij: ik ging weer in Zuid Limburg wonen en ik werd tijdelijk boer. Voordat ik vertrok, heb ik mijn zaken in Amsterdam afgehandeld en het huis verkocht. Voor de kinderen heb ik – net als mijn grootouders voor mijn ouders hebben gedaan – een klein basis kapitaal in deposito veilig gesteld. Mijn familie heeft deze verandering niet op prijs gesteld. Nu ik terugkijk, had ik enkele stappen niet zo doortastend moeten nemen, maar toen voelde ik dat deze verandering op mijn weg lag”, zei jij.

“Ik herinner mij die verwarrende tijd. In Limburg drong die wat later door, maar aan het einde van mijn middelbare schooltijd had iedereen lang haar en kleurige kleren. Tijdens mijn studie heb ik mij tegen mannen afgezet, want ik vond dat vrouwen een onrechtvaardige plaats in de samenleving hadden”, zeg ik.

“Toen wij trouwden was de samenleving anders georganiseerd. De veranderingen zijn later gekomen. Bij mijn terugkeer in Zuid Limburg ging ik weer een stuk terug in de tijd. De verhoudingen tussen mannen en vrouwen waren in Limburg nog niet zo veranderd”, zeg jij.

[8]

Het volgende bericht gaat verder over jouw terugkeer naar Limburg en hoe jij vandaar op drift raakte.

 

– “Wie ben jij – Deel 1” – is klaar om te downloaden –

– Zie pagina: “Wie ben jij – Deel 1”


[2] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/File:Jaguar.3point4.750pix.jpg

[3] Zie: Irvine, Lucy, Castaway. Harmondsworth: Penguin Books, 1984

[4] De werkwoord wortel “Vraj” betekent in het Sanskriet “gaan, lopen”. Bron: Egenes, Thomas, Introduction to Sanskrit – Part Two. Delhi: Motilal Banarsidass Publishers, 2005 p. 395. Volgens de elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta, heeft “Vraj” ook de betekenis “gaan naar (een vrouw)” en “geslachtsverkeer hebben met” net als het Nederlandse werkwoord “vrijen”.