Tagarchief: idool

Vijf gangbare werkelijkheden – feiten en logica 10


Carla, Man en Narrator lopen na hun bezoek aan de Basilica di Santa Croce naar hun pension.

“Ik kom terug op de woorden van Baäl Sjem als leidraad in jouw inleiding tot “God in search of Man”. Ik heb gemengde gedachten bij het kwaad dat wij impliciet in onderlinge verbondenheid met ons meedragen. In mijn professionele leven heb ik onderzoek gedaan naar de oorzaken, feiten en logica van het kwaad in oorlogen. Ook ik draag het kwaad – net als alle mensen – in vele vormen met mij mee; ik kom hier later op terug. Ik vraag mij af of op een soortgelijke wijze alle mensen een Goddelijke gedaante met zich meedragen”, vraagt Carla aan Man.

“Jouw vraag vormt een overgang naar God in de gedaante van een mens. De Joodse en Christelijke monotheïstische God heeft de mens naar zijn beeld geschapen [1]. In het Oude Testament voor de Christenen en de Tenach voor de Joden, wordt God als almachtig, onzichtbaar en in de kern onnoembaar beschreven. Wel heeft God vele menselijke trekken: God hecht aan trouw en aan een verbond [2], God is toornig en bij vlagen jaloers. De Christelijke God zendt volgens het Nieuwe Testament zijn zoon in een menselijk gedaante naar de aarde. Moeten wij bij deze beschrijving terugvallen op religie? Is God in een menselijke gedaante fysiek mogelijk? Of is hier sprake van levenswijsheid in de vorm een samengaan van wetenschap en religie volgens Martin Buber?”, zegt Man.

Feiten en logica 10a[3]

“Interessante vraag. In de natuur kunnen lagere organismen voor korte of lange duur het gedrag en het bewustzijn van hogere organismen sturen of zelfs overnemen. Een bekend voorbeeld is hoesten tijdens verkoudheid; dit hoesten is hoofdzakelijk gericht op het verspreiden van het virus. Minder bekende voorbeelden zijn: bepaalde schimmels nemen het gedrag van insecten volledig over om zo hun eigen kansen op voortplanting te optimaliseren. Mieren – besmet met een sporen uit de Cordyceps-stam – gaan naar een gunstig hoog gelegen blad of tak waar zij zich vastbijten en sterven; uit de dode mieren groeit de schimmel die vanaf deze ideale plaatsen haar sporen verspreid [4].

Feiten en logica 10b[5]

Een ander voorbeeld is de infectieziekte hondsdolheid dat in de furieuze variant het gedrag van honden en mensen op een optimale wijze overneemt en stuurt voor haar eigen verspreiding [6]. Omgekeerd kunnen ook complexere organismen het gedrag van eenvoudige organismen aanpassen, zoals de mensen door gewasveredeling in de landbouw zorgen voor een betere oogstopbrengst en door rasveredeling in de veeteelt groter en sterker vee bewerkstelligen. Laten wij aannemen dat God een hoger en complexer wezen is dan de mens; zou God zich kunnen manifesteren in een menselijke gedaante? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?”, zegt Carla.

“Tijdens het ontstaan van het Christendom is er een stevige richtingenstrijd [7] geweest over de positie van Christus. Uiteindelijk is deze richtingenstrijd binnen de Katholieke kerk uitgemond in de leer van de drie-eenheid met een Vader God die zijn zoon voor de verlossing van de mensheid als Messias naar de aarde heeft gestuurd en daarnaast de Heilige Geest. Van deze drie-eenheid is de zoon van God op de aarde net als ieder mens overleden; ook de Messias in de vorm van zoon van God was op dit punt gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg. Volgens de Christelijk leer is hij uit de dood opgestaan en na 40 dagen op aarde in de hemel opgenomen [8].

Feiten en logica 10c[9]

Een andere benaderingswijze die ik zonet heb genoemd, is dat de mensheid naar het evenbeeld van God is geschapen. Erich Fromm [10] stelt op basis van analyse van de Tenach [11] en de Talmoed dat:

“De mens kan als God worden, maar de mens kan niet God worden” [12].

Hij vermeldt erbij dat sommige Rabbijnse uitspraken impliceren dat het verschil tussen God en mens opgeheven kan worden met als voorbeeld:

Raba zei: Als de rechtvaardigen wilden zouden zij scheppers kunnen zijn, want er staat geschreven: ’maar uw ongerechtigheden maken een scheiding – of vormen het verschil – tussen U en Uw God’ (Jes. 59:2). Zonder ongerechtigheden zou de menselijke macht die van God evenaren en zou de mens in staat zijn een wereld te scheppen” [13] .

Volgens Erich Fromm is de essentie dat de mens uitstijgt boven zijn aardse bindingen van bloed en bodem en tot onafhankelijkheid en vrijheid komt [14]. Ik denk dat Erich Fromm naast “vrijheid van” vooral doelt op “vrijheid tot”. Het verrassende aan deze analyse van Erich Fromm vind ik dat binnen de metafoor van Indra’s Net de mens ook binnen de aardse bindingen van bloed en bodem de onafhankelijkheid en vrijheid heeft tot het scheppen van een wereld. Binnen Indra’s Net schept iedere glasparel het net, en in iedere glasparel wordt zonder ongerechtigheden het gehele net weerspiegelt”, zegt Man.

“Omdat ik niet vrij was van ongerechtigheden, heb ik ervoor gekozen om de roepnaam Kṛṣṇa die ik van mijn ouders had gekregen, in Kenia achter te laten; bij mijn vertrek uit Amsterdam heb ik om de ongerechtigheid van schoonheid mijn masker van een idool afgelegd; en door ontelbare ongerechtigheden lag mijn bestaan in het spiegelpaleis bewoond door geheime diensten aan gruzelementen [15]. De kiemen van ongerechtigheden hadden mijn vroegere incarnaties tot op het merg aangetast: mijn leven was toe aan een andere verschijningsvorm”, zegt Narrator.

Feiten en logica 10d[16]

“Incarnaties en verschijningsvormen zijn volgens mij geen God in een menselijke gedaante. Zij zijn misschien volgens Erich Fromm wel een mens als God”, zegt Carla.

“In het geval van Kṛṣṇa zou dat wel een anders kunnen zijn. Laten wij daar vanavond verder over discussiëren”, zegt Man.

Carla, Man en Narrator zijn bij hun pension aangekomen. Carla houdt haar middagrust en Man en Narrator lezen wat en maken een middagwandeling.


[1] Zie boek Genesis 1:27 uit het Oude Testament.

[2] Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Ark_van_het_Verbond en Origo, Jan van, Wie ben jij – een verkenning van ons bestaan – deel 1. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2012, p. 104 – 106

[3] Moses met de Tien Geboden door Rembrandt (1659). Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Covenant_theology

[5] Bron afbeelding en zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Cordyceps

[6] Zie ook: Quammen, David, Spillover – Animal infections and the next human pandemic. New York: W.W. Norton & Company, 2012, p. 296 – 297. Zie ook: http://www.ccohs.ca/oshanswers/diseases/rabies.html

[7] Zie ook: MacCulloch, Diarmond, Christianity – The first three thousand Years. New York: Viking, 2010, Part II “One Church, One Faith, One Lord?”

[8] Zie ook: Marcus 16:19, Lucas 24:51 en Handelingen van de Apostelen 1:1-12 van het Nieuwe Testament.

[9] Hemelvaart van Christus door Garofalo, 1520 Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Feast_of_the_Ascension

[12] Bron: Fromm, Erich, Gij zult zijn als Goden. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 62

[13] Bron: Fromm, Erich, Gij zult zijn als Goden. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 62

[14] Bron: Fromm, Erich, Gij zult zijn als Goden. Utrecht: Erven J. Bijleveld, 2010 p. 64

[15] Zie ook: Leben, Man, Narrator – Een Weg. Amsterdam: Omnia – Amsterdam Uitgeverij, 2013

[16] Krishna Mediating between the Pandavas and Kauravas. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Krishna

Advertenties

Narrator – εἰς τὴν Πόλιν op weg naar “dit”


In Istanbul eindigde mijn derde incarnatie als Bhikṣu of – in de woorden van alledag – als zwerver die de jaarlijkse trek van de vogels volgde. In deze vroegere hoofdstad van het Oost Romeinse rijk [1] werd ik opgenomen in de “polis” [2] – niet alleen in de stadstaat met een openbare wereldse politiek, maar thuis in de universele gemeenschap van omgeving en mensen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA[3]

Mijn burcht was geen tempel waar de Grieken in het verleden hun Goden een huis gaven [4] met alle pracht en uitzonderlijke schoonheid. Hoewel ik overal thuis was, vond ik geen blijvend huis in een kerk, moskee of tempel.

Akropolis[5]

Tussen de vele kerken en moskeeën van Istanbul ervoer ik mijn lichaam en “polis” – in de vorm van de universele leefomgeving – als een tempel Gods [6].

Blauwe moskee[7]

In het gedicht “Dit hebben wij nu” van Rumi las ik een weerspiegeling van mijn leefwereld in Istanbul:

Dit

Dat wij nu zijn

Maakt het lichaam, cel voor cel,

Zoals bijen een honingraat bouwen.

Het menselijk lichaam en het universum

Groeit van Dit [8]

Gedurende mijn eerste drie incarnaties – eerst als Kṛṣṇa in Kenia, daarna als idool in Amsterdam en enkele Noordelijk steden, en vervolgens als Bhikṣu die de jaarlijkse trek van de vogels tussen Zuid en Noord Europa volgde – had ik alleen weerspiegelingen van “Dit” binnen mijn eigen leefwereld gezien.

In mijn vierde incarnatie wilde ik de bescherming van de grot [9] verlaten waarin ik tot nu beschut had geleefd met alleen afspiegelingen van het alomvattende “Dit” zoals Plato beschreef in zijn Politeia [10].

Grot[11]

Langzaamaan werd ik aan het begin van mijn nieuwe incarnatie volkomen opgenomen in het heelal. In de bibliotheken van Istanbul las ik vertalingen van de werken van Rumi. Samen met zijn gedichten begon ik wervelend een nieuw bestaan.

Met de nieuwe lente kwam Man Leben – op uitnodiging van Carla Drift – in Istanbul aan. Carla, Man en ik besloten te beginnen met “Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan”. Voordat wij op deze zoektocht het leven van alledag betraden, schreven wij elkaars biografieën.


[6] Zie ook: De eerste brief aan de Korintiërs vers 12 – 20

[8] Eigen vertaling van strofe uit de Engelse versie het gedicht “This we have now” van Rumi. Zie ook: Barks, Coleman, The Essential Rumi. New York: Castle Books, 1997, p. 262

[10] In het Nederlands wordt Politeia meestal vertaald met “Staat” of “Republiek”. Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Staat_(Plato)

Narrator – Een man zonder leven


Twee weken later ontving ik via post restante een brief waarin de opvolger en neef van Raaf schreef dat hij mij dringend wilde spreken. Ik stond net op het punt om weer naar Kopenhagen te vertrekken om daar te overwinteren. Een dag later ontmoette ik de neef van Raaf rond 11 uur ‘s-morgens bij Café Central [1] in de Herrengasse [2] in Wenen.

Cafe central[3]

Hij zag er moe en bezorgd uit. Na de beleefde begroetingen en het bestellen van een Weense koffiespecialiteit met gebak vertelde hij zijn zorgen. Een week geleden was Raaf op een onnatuurlijke manier overleden. Dit bericht schokte mij: ik condoleerde hem met het verlies van zijn verre oom. Daarna vervolgde hij dat zo snel mogelijk de doodsoorzaak uitgezocht moest worden: moord of zelfmoord; de autopsie kon geen uitsluitsel geven. Van de uitkomst van dit onderzoek kon ons leven afhangen; bij moord zouden wij met direct gevaar rekening moeten houden, omdat het onderzoek naar het verleden van Raaf duistere zaken aan het licht hadden kunnen brengen die volgens sommigen het daglicht niet konden verdragen. De opvolger van Raaf had hierover alleen vermoedens.

De neef van Raaf vroeg of ik hem weer in contact met Vos kon brengen voor nadere informatie over het verleden. Helaas had ik Vos voor het laatst bij de Stephansdom gezien. Wij speculeerden voor een kort moment of Vos betrokken kon zijn bij de dood van Raaf. Ik gaf twee redenen waarom dit onwaarschijnlijk was: Raaf was de vader van de dochter van Vos, en Raaf en Vos hadden hun verleden in orde gebracht door een uitgebreide inventarisatie van de archieven binnen de Oost Duitse geheime dienst. Na de uitleg over de wijze van deze inventarisatie was de neef van Raaf redelijk overtuigd dat Vos geen aandeel had in de dood van Raaf.

Verder pratend suggereerde ik dat Raaf met zijn vele duistere bladzijden al heel lang op krediet had geleefd. De neef vertelde dat Raaf door zijn voortdurend succes een generatie te lang de dienst had geleid; mogelijk kon hij niet aftreden wegens de noodzaak om onverkwikkelijke activiteiten te blijven verhullen door voortdurend succes. Hiermee moest ik instemmen: Raaf deed voortdurend boete voor zijn daden en hij was altijd op zijn hoede voor de onthulling van zijn trouw en verraad; misschien was zijn onnatuurlijke dood wel een moord en zelfmoord tegelijkertijd.

De opvolger van Raaf knikte bedenkelijk na mijn bespiegeling. In de gewone wereld zou deze uitleg voldoen, maar in het spiegelpaleis bewoond door de geheime diensten van vele landen was het blikveld met iedere beweging weer anders. Zijn leven was in gevaar en mijn leven liep waarschijnlijk ook gevaar. De neef van Raaf heeft nog een aantal zaken over Raaf en mij doorgenomen.

speigelhal[4]

Aan het begin van de avond ben ik onopvallend met de internationale trein uit Wenen naar München vertrokken. Vandaaruit ben ik doorgereisd naar Hamburg, waar ik bij een ander station de reis naar Kopenhagen heb vervolgd.

In Kopenhagen vernietigde ik mijn Britse paspoorten die ik via Raaf had ontvangen om onopvallend door Europa te reizen. Met pijn in mijn hart heb ik de huur van mijn zolderkamer in de Klosterstræde in het centrum van Kopenhagen opgezegd; hiermee nam ik symbolisch afscheid van twee geliefden die in korte tijd waren overleden. Mijn fietsen verkocht ik en een kleine week later liftte ik naar Malaga in Zuid Spanje om in een warmere omgeving te overwinteren. Mijn uiterlijk en kleding paste ik aan zodat ik met mijn donkere huid in Malaga en omgeving minder opviel.

Een kleine vijf jaar geleden had ik gepoogd om door mijn vertrek uit Amsterdam naar Stockholm en mijn vlucht naar Kopenhagen mijn leven als idool te beëindigen. Met mijn vertrek uit Kopenhagen kwam mijn tweede incarnatie – als magneet en idool voor mijn omgeving – definitief ten einde.

In het begin van de volgende lente liftte ik naar Granada. Daar bewonderde ik het Alhambra met tuinen die verhalen van duizend en een nacht weerspiegelden.

alhambra[5]

Het leven in mijn eerste incarnatie als Kṛṣṇa in Kenia en mijn tweede incarnatie als idool in Noord Europa had voren in mijn huid achtergelaten. Wanneer ik sprak, lachte of bezorgd keek, dan bleven er plooien in mijn huid achter. Vluchten voor mijn leven dat zich had gevormd in mijn lichaam, wat niet meer mogelijk. Het plafond in de hal van het Abencerrajes toonde mijn voorland.

Plafond alhambra[6]

Na het bezoek aan het Alhambra liet ik mijn baard staan.


[2] Gasse komt van het Oud Hoog Duitse “Gazza” dat “(rij)laan”, “steeg” of “doorgang” betekent. Zie ook: http://en.wiktionary.org/wiki/Gasse

Waarschijnlijk is “Gasse” verwant aan de vele namen van straten in landen rond de Oostzee die eindigen op “Gatan”, “Gade” of “Gate”. In het Sanskriet is het woord “gate” niet alleen een vervoeging van het werkwoord met de betekenis “gaande”, maar het is ook de “locativus of plaats-vervoeging” van een zelfstandig naamwoord afgeleid van het werkwoord “gaan”.

Narrator – Een Noordelijke Cyclus, Een jaar uit een biografie


Als u ellende wilt voorkomen, vertrouw op uw eigen lot.

Als gratis E-boek verkrijgbaar via de website van de uitgeverij:

www.omnia-amsterdam.nl/document/narrator-een-noordelijke-cyclus-een-jaar-uit-een-biografie-e-boek

Man Leben, Narrator en Carla Drift zijn de drie hoofdpersonen op dit deel van de Odyssee “Wie ben jij – Een verkenning van ons bestaan”.

“Een Noordelijk Cyclus” is een jaar uit de biografie over het leven van Narrator tot nu toe. In dit jaar ontvlucht Narrator zijn bestaan als idool in Amsterdam door bij zijn geliefde in Stockholm te gaan wonen. Samen maken zij na het midzomerfeest een tocht naar de Noordkaap; zij keren terug via de Noorse fjorden, de Hardangervidda en Oslo. Daar horen zij dat kennissen en vrienden in Amsterdam lijden aan een mysterieuze ziekte; de geliefde van Narrator ontvangt een brief met het bericht dat zijn moeder ernstig ziek is. Het volgende voorjaar keert de geliefde terug naar Amerika en Narrator besluit in Kopenhagen te gaan wonen. Aan het eind van het voorjaar bezoekt Narrator Amsterdam om de begrafenis van een minnaar bij te wonen die is overleden aan AIDS.

De Odyssee naar “Wie ben jij – een zoektocht naar ons bestaan” is een queeste met vele aanlegplaatsen. De zoektocht naar “Wie ben jij” is over jou en mij en alles dat met ons verbonden is. Niets is op voorhand uitgesloten. Zijn jij en ik verbonden of zijn wij gescheiden? Wat maakt jou tot de persoon die jij bent? Wie ben jij voor jouw geboorte en wie zal jij zijn na jouw dood? De antwoorden op deze vragen zijn voorlopig onbekend, maar toch stellen wij deze vragen.

De voortgang van deze zoektocht naar “Wie ben jij” valt te lezen in de weblog van Jan van Origo: www.janvanorigo.nl

De volgende twee delen van “Wie ben jij” bevatten de hoofdstukken 5, 7 en 0 van deze zoektocht.

Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 3.0 Unported licentie.

Foto’s, afbeeldingen, en aanhalingen in de tekst kunnen onder een andere vorm van copyright vallen.

Narrator – Een koude winter


Aan het begin van de winter was ik terug op mijn zolderkamer in Kopenhagen. Ik rouwde om het verlies en de dood van de twee minnaars uit Amsterdam die aan AIDS waren overleden. Enkele dagen na mijn terugkeer werd ik zwaar verkouden. Ik had koorts, ’s nachts zweette ik in bed, ik had hoofdpijn, mijn ademhaling ging lastig en ik voelde mij uitgeput. In de bibliotheek had ik de beginsymptomen van AIDS gelezen – ik was bang dat ik ook door het virus was geïnfecteerd. Na enkele weken ging de verkoudheid over, maar mijn bezorgdheid voor infectie met de ziekte bleef aanwezig.

Mijn zolderkamer was niet goed verwarmd. Die winter was ik alleen ’s nachts in mijn kamer; ik sliep onder een dik dekbed bij het open raam wanneer het weer het toeliet. Bij slecht weer voelde ik mij in mijn kamer opgesloten; mijn nachtelijk angstvisioenen konden dan geen uitweg vinden. Overdag was ik zelden thuis, meestal was ik bij vrienden, ik las in de bibliotheek of ik speelde in een jazz band.

Zolderkamer[1]

Op deze zolderkamer nam ik langzaam afstand van de drie vervreemdingen [2] of “embarrassments”, die ik las in het boek met Boeddhistische vraagstukken dat ik van mijn vorige geliefde als afscheidsgeschenk had gekregen.

De eerste vervreemding waar ik aan het einde van mijn jeugd afstand van had genomen, was een eigen huis. Als kind had ik rondgetrokken met mijn moeder en haar kudde; ons huis was de plaats waar wij tijdelijk verbleven. In mijn periode van kindsoldaat was de militie mijn kortstondig thuis. Na mijn vlucht uit de militie, ben ik blijven zwerven met tijdelijke rustplaatsen. Tijdens mijn verblijf in Kopenhagen ging mijn huis steeds meer doorschijnend samenvallen met overdag de mensenwereld en ’s nachts bij het open zolderraam het heelal. Eens hoop ik thuis te komen, misschien aan het einde van de Odyssee naar “Wie ben jij”.

800px-Glass_House_2006[3]

Een eigen lichaam was de tweede vervreemding die ik geleidelijk opgaf mede doordat ouderdom mijn verschijning als exotisch idool erodeerde en doordat de dreiging van een besmetting met HIV de eigenheid van mijn lijf in een ander licht plaatste. In Kopenhagen raakte mijn lichaam meer en meer verbonden met de stad, de wereld en uiteraard het universum.

Anterior_view_of_human_female_and_male,_with_labels[4]

Een eigen leven was de derde vervreemding die stilaan verdween. Hoe meer ik las en studeerde in de bibliotheken in de buurt van mijn zolderkamer, hoe meer ik mij verbonden voelde met alle kennis in de wereld. Ook las ik in een boek de vragen: “Waar blijft een buffel wanneer het wordt gegeten door een leeuw” en “Hoe verandert deze leeuw met het eten van de buffel?”.

Male_Lion_and_Cub_Chitwa_South_Africa_Luca_Galuzzi_2004[5]

Samen met mijn lichaam raakte mijn leven gaandeweg verbonden met de wereld en het heelal. In die tijd las ik in een roman van Hermann Hesse: “Deine Seele ist die ganze Welt“ [6]. In het donker bij het open raam op mijn zolderkamer werd mijn leven de gehele ruimte.

Het legaat dat mijn geliefde voor mij had achtergelaten, begon op te raken. Ik had geen geld meer om de witte Citroën DS te onderhouden; het werd tijd om deze Godin een andere bestemming te geven. Met een deel van de verkoopprijs heb ik een fiets gekocht. Na enige oefening kon ik mij samen met de inwoners zwevend over de weg door de stad bewegen.

800px-Cyclists_at_red_Kopenhagen[7]

Het volgend voorjaar maakte ik enkele lange fietstochten door Europa.


[2] Bron: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 120 – 124. In dit bericht worden de drie “embarrasments” vrij weergegeven.

[3] Het “Glass House” of “Johnson house” werd in 1949 in New Canaan in de staat Connecticut in de Verenigde Staten van Amerika gebouwd. Het huis was ontworpen door de architect Philip Johnson als zijn eigen woning. Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Glass_House

[5] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Life

[6] Zie: Hesse Hermann, Siddhartha. Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag: 1989 p. 10.

[7] Bron afbeelding: http://en.wikipedia.org/wiki/Cycling_in_Copenhagen. Deze foto later – rond 2010 – gemaakt.

Narrator – Kopenhagen en Amsterdam – een weerzien


Met al mijn bezittingen in de kofferruimte van de Citroën DS, ben ik op een vroege lente ochtend uit Stockholm weggegaan. Gedurende de Noordelijke cyclus van ruim een jaar vervloog mijn reïncarnatie waarin ik eerder in Amsterdam de verschijningsvorm van een idool had aangenomen. In de nabijheid van mijn geliefde was ik weer in de wereld van de gewone stervelingen teruggekeerd.

Net voor het vertrek naar zijn nieuwe woonplaats in een klooster in Amerika was mijn geliefde bezig met het Boeddhistisch vraagstuk: “Een winst, een verlies” [1]. Nu hij ruim twee maanden geleden was vertrokken, voelde mijn leven als een winst en een verlies – een leegte en een nieuwe bestemming. In de toelichting bij dit Boeddhistisch vraagstuk stond: “Als u ellende wilt voorkomen, vertrouw op uw eigen lot” en “Verlies en winst, goed en kwaad, laat ze allemaal tegelijk los” [2]. Beide zinnen waren van toepassing op mijn nieuwe reïncarnatie als gewone sterveling. Pas veel later tijdens de zoektocht naar “Wie ben jij” zou ik meer inzicht krijgen in de eerste zin. De vrede van de tweede zin hoopte ik te vinden bij mijn uiteindelijke thuiskeer.

Via een weg langs het vele water van enkele binnenmeren – waaraan in ik Holland gewend was geraakt – reed ik in mijn witte Citroën DS van Stockholm naar Malmö. Daar nam ik de veerboot naar Kopenhagen. Eerst bezocht ik mijn vrienden waar ik enkele nachten kon logeren. Met hun hulp kon ik snel aan een kamer komen op de zolderverdieping van een karakteristiek huis in de Klosterstræde in het centrum van Kopenhagen vlak bij de universiteit en verschillende bibliotheken. Eerst zag ik deze kamer als een tijdelijk verblijf voor enkele maanden; uiteindelijk heb ik er enkele jaren gewoond. Ik voelde mij hier meteen op mijn gemak. Vanuit mijn raam had ik ’s nachts zicht op de maan en de sterrenhemel. Overdag herinnerde de naam van de straat mij aan mijn geliefde die nu in een echt klooster woonde. Zijn boek met Boeddhistische vraagstukken [3] had ik als afscheidsgeschenk gekregen. Geregeld las ik een passage uit het boek waarna het vraagstuk – voor zover ik het kon thuisbrengen – een plaats in mijn leven vond. Zo bleven mijn geliefde en ik met elkaar in verbinding staan.

KLOSTE~1[4]

Mijn jaren in Kopenhagen leefde ik van het legaat dat mijn geliefde voor mij had achtergelaten aangevuld met inkomsten uit optredens in Jazz ensembles. Ik bezocht bijna dagelijks de fleurig geschilderde huizen langs de Nyhavn, die mij herinnerde aan de bollenvelden en de grachten in Holland.

Nyhavn_copenhagen[5]

Het eerste najaar in Kopenhagen ontving ik een droef bericht uit Amsterdam; een van mijn dierbare minnaars was overleden aan de mysterieuze ziekte die in die tijd rond 1983 de naam HIV en AIDS [6] had gekregen. Na het lezen van de rouwkaart ben ik in een dag naar Amsterdam gereden. Bij aankomst hoorde ik dat veel meer van mijn vroegere minnaars deze ziekte hadden, die wordt veroorzaakt door overdacht van een virus – dat het menselijk immuun stelsel aantast – tijdens het liefdesspel [7].

Human_Immunodeficency_Virus_-_stylized_rendering[8]

In deze droeve omgeving werd ik door mijn vroegere vrienden en kennissenkring begroet als een oude bekende en zij zagen mij als een hervonden idool. Ik had mijn masker van idool tijdens mijn verblijf in Zweden afgelegd en het vroegere zorgeloos feest van eeuwigdurende liefde die toen in mijn omgeving exotisch door Amsterdam geurde, was voorgoed voorbij.

De begrafenis van mijn overleden minnaar was indrukwekkend. Een van onze dierbaren was te ziek om aanwezig te zijn. Met enkele vroegere vrienden hebben wij hem tot het laatst verzorgd; ook zijn begrafenis was aangrijpend. Beide keren waren alle naasten, vrienden en kennissen aanwezig. Voor een aantal minnaars was het een sombere voorbode voor hun toekomst.

Na deze tweede uitvaart ben ik naar Kopenhagen gevlucht. Het was opnieuw een ontsnapping uit mijn vroegere verblijf in Amsterdam waar ik niet meer thuishoorde en het was tegelijkertijd een vlucht voor deze ziekte die mij door een wonderlijke lot [9] bespaard is gebleven. Later is tijdens medisch onderzoek gebleken dat ik tot een kleine groep behoor, die resistent is tegen de infectie van HIV.

Terug in Kopenhagen werd ik weer een gewone sterveling, die alleen opviel door een zwarte/blauwe huidskleur en ritmische spel op percussie tijdens Jazz muziek.


[1] De Zen Koan: “Fayan points to the blinds”

[2] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 118

[3] Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998

[8] Dwarsdoorsnede van het Humaan Immunodeficientie Virus (hiv). Bron afbeelding: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aids

Narrator – poort in het noorden


Het werd tijd om mijn masker van een idool af te leggen, want mijn hemel op aarde in de omgekeerde wereld van Amsterdam veranderde langzaamaan in een Boeddhistische hel. Alles en iedereen in mijn omgeving leefde naar mijn luimen. De oud Joodse verwensing “ik wens u veel personeel toe” en de Romeinse wijsheid “macht corrumpeert” [1] gaven de invloed van mijn leven als icoon in Amsterdam op mijn persoonlijkheid goed weer. Mijn bestemming als Narrator Nārāyana [2] lag ergens anders.

Tijdens mijn glorietijd in Amsterdam was ik Nederlands staatsburger geworden met bijbehorend paspoort: ik kon vrij door de wereld reizen met uitzondering van Kenia en enkele landen in Afrika. Na afscheid te hebben genomen van mijn vrienden en minnaars in Holland vertrok ik halverwege het voorjaar naar Zweden. Ik had een open uitnodiging van mijn Amerikaanse minnaar om bij hem in Stockholm te komen wonen.

In mijn Citroën DS zweefde ik over de autowegen in Nederland en Duitsland via Bremen en Hamburg naar Denemarken. Ik dacht dat mijn Godin een snelle auto was, maar op de Duitse autobahn ontmoette ik de echte “raser” of “snelheidsduivels” die zich met een snelheid van 200 km/u voortbewogen. Wilden zij hierdoor het hier en nu zo snel mogelijk ontvluchten?

[3]

In Denemarken bezocht ik Kopenhagen [4] – de stad waar ik na mijn verblijf in Zweden en Noorwegen enkele jaren zou gaan wonen. Mijn verliefdheid straalde nog steeds als een halo om mij heen; binnen enkele uren had ik vrienden ontmoet waar ik kon logeren. Via deze nieuwe vrienden vond ik een jaar later onderdak in deze stad aan het water.

[5]

Na een tussenstop van twee weken nam ik de veerboot Malmö. In Zweden reed ik langs de Zweedse scherenkust [6] naar Stockholm [7]. Na 1500 km rijden naderde ik mijn bestemming, maar voordat ik het eiland Stadsholmen betrad – waar mijn geliefde in een prachtig oud huis binnen de oude binnenstad Gamla Stan [8] woonde – zag ik in de verte het Stadshuis van Stockholm.

[9]

In zijn gouden huis van hoop en dromen in de Prästgatan [10] nam ik voor een klein jaar intrek bij mijn geliefde. Een jaar vol muziek en vreugde, een jaar met een tocht naar de Noordkaap en een terugweg langs de Noorse Fjorden, een jaar van zorgeloosheid en een jaar van afscheid.

[11]

In landen rond de Oostzee eindigen veel namen van straten op “Gatan”, “Gade” of “Gate”. Bij het horen of lezen van dit woord word ik herinnerd aan de lessen Sanskriet van mijn vader. Hij leerde mij dat in het Sanskriet het woord “gate” niet alleen een vervoeging is van het werkwoord met de betekenis “gaande”, maar het is ook de “locativus of plaats-vervoeging” van een zelfstandig naamwoord afgeleid van het werkwoord “gaan”.

Toen ik vele jaren later de volgende parabel [12] over Boeddha las, moest ik terugdenken aan mijn eerste aankomst in de Prästgatan in Stockholm: “Ruim 2500 jaar geleden hield een buitenstaander een huismus in zijn handen verborgen en hij vroeg aan Boeddha “Is de huismus in mijn handen levend of dood?”. Boeddha ging met zijn beide voeten aan weerszijde van de “gate” [13] staan en vroeg: “Zeg mij, sta ik op het punt van vertrekken of binnentreden?”” [14]

Het betreden van de Prästgatan en het huis van mijn geliefde voelde als een aankomst èn een vertrek in mijn leven; de voorjaarszon straalde haar gouden gloed.


[1] Het Romeinse werkwoord “corrumpere” betekent “bederven, verpesten, verwennen”.

[2] Het woord “nama” betekent in het Sanskriet “bestemming” en “Narrator” betekent “verteller”. Hierin zijn de woorden “nara” of “gewone man” en de werkwoordkern “tr – tarati” of “overzetten, kruisen, overstijgen” te herkennen; Nārāyana betekent “zoon van de oorspronkelijke man”. Bron: elektronische versie van het woordenboek Monier-Williams – MWDDS V1.5 Beta

[3] Deze foto is later rond 2005 genomen. Bron afbeelding: http://de.wikipedia.org/wiki/Autobahn

[10] “Präst” betekent “priester” in het Zweeds volgens “Google Vertalen”

[12] Een parabel (van het Griekse παραβολή parabolè dat “vergelijking” betekent — evangelisten gebruikten dit woord in de betekenis van “gelijkenis”) of gelijkenis is een kort verhaal, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren. Bron (en zie voor meer informatie): http://nl.wikipedia.org/wiki/Parabel

[13] De Poortloze Poort. Zie ook: Yamada Kôun Roshi, Gateless Gate (Mumonkan). Tucson: The University of Arizona Press, 1990

[14] Zie: Cleary, Thomas, Book of Serenity – One Hundred Zen Dialogues. Bosten: Shambhala, 1998 p. 95 – 96.